tide 4e
sd A
ai:
DE ee en
KABINET
IE: DER | /
NATUURLYKE
HISTORIEN,
_ WETENSCHAPPEN,
KONSTEN
Ne EN
HANDWERKEN,
*__ Voor de Maanden
JANUARY zen FEBRUARY 1722;
Perciert en opgeheldert met Kopere Plaaten.
ZEVENDE DEEL,
59 Wk
EN
Gr
Tz’"AMSTELDAM,;
By BALTHAZAR LAKEMAN,
_Boekverkooper, achter de Nieuwe Kerk,
over de Molfteeg. 1722,
h & pe ki \ Rn 8 & 47 eN
nl We EE
H On: A, 4 ie:
Be RR grbaalfst dr za 5
zld En at ik O ie
n
Pd /
pe pele Jane 7
Kr sek
/ elks s
ie RE |
fi a 4 /
is RE ‚
dre ties :
SN met NTR wd
7 gi wa \
SN sf x n c
rad ï ej Kk ee | Kit LE
KEA 2 Avat EAG 6
Ri vd id PL abs Me” zou
HERCT SAGEN ob
Dg 8
VOORREDEN.
et Erwyl ik ondernomen beb een Natnur=
be Uyke Hiftorie vande Lucht te fchryven,
te) zal het niet ondienftig zyn, indie zel
206 we finkjes van het Kabinet , zodanige
Konften en Handwerken te verhandelen , dewele
ke veel betrekkinge op de lucht hebben. Het ge-
beurd dikwils, dat een Konftenaar aan de hoe-
danigheid van de ueht van bet Land daar by in
woord komt toe te fchryven de dingen, dewelke
hem zo wel niet gelukken als zyn Konft-genoten
die in andere Steden of LandJchappen woonen;
daar ondertuffchen ziet de lucht / maar zyne on-
kunde de oorzaak is , dat andere hem voorby
flreven. Dit gaat echter niet door over alles;
want zommige Konften konnen niet zo gelukkig
in de eene lucht als wel in de andere geoeffent
worden. Beide deze aanmerkingen hebben plaats
in de Verw-konft. Zommige van onze Werwers
befchuldigen in verfcheide gevallen de hoedanig-
beid van onze lucht, alfchoon dezelve in die ge-
vallen geen nadeel komt te doen ; en het is aan
de andere kant de waarbeid , dat zommige ko=
leuren niet zo beflendig , en zommige niet zo
fèhoon konnen gemaakt worden in het eene Land-
fehap en lucht als in de andere. Dit heeft my
bewogen, oyn, benevens de Natnurlyke Hiftorie
van de Lucht, ook te gelyk de Verw-kunft te be-
JSehryven. Maar aan de Verw-kanft kan nooit
grooter ophelderinge en licht gegeven worden,
als door de naanwkeurige befchryvingen van de
verwe=ftoffen en de materien , dewelke in de
Verwekunft te pas komen , en daaalyks gebruikt
ng wars
TIVO: O R RE D/E Ni '7
worden. Daarom heb ik een aanvang gemaakt
met de vermaarde verw-flof Indigo genaamt.
Jk heb de Nataurlyke Hiflorie van de Indigo
wat uitgeftrekter befchreven, om dat dezelve in
de Verw-konft zeer veel te pas komt: om dat de-
zelve het fondament van de Blaauw-kuip is be=
gevens de Paftel, en om dat met dezelve een
grooten Koophandel gedreven word. Maar de
Natuurlyke Hiftorien van de andere verw-flof-
fen zullen zodanig beknoptelyk voorgeftelt wor-
den, als eenigzints mogelyk 15 , om zo veel te
eerder tot de befchryvinge van de Werw-konft
zelfs te konnen overgaan. °
De Verw -konft kan niet geleerd worden uit
boeken, maar door arbeid , moeite en ondervin=
dinge in de Werkbuizen der Verwers. Daarom
zal niemant wit myne befchryvingen over de
verw-ftoffen en verw-konft, zonder behulp van
lang gewerkt en verkeert te hebben in de Verwe-
ryen, de verw-konft konnen leeren, Ik zal al-
leenlyk maar zo veel opbelderingen tragten te
geven aan de Meefter Werwers, en aan zomimi=
ge zaken, dewelke voor haar dikwils zeer dui-
fer zva, zo veel licht tragten te geven, als my
mogelyk1s om by deze nutte Konflenaars in een
goed blaadje te geraken. Want ik fchryf wel
zeer veel zaken uit liefde en een goed hart voor
myne Landsgenoten „ maar ook veel zaken om
eere inte leggen. Ik ben noch zo verre niet ge-
komen, dat ik my van die ydele glorie kan ont=
doen, en de Schryvers, die 1n hunne Opdragten
of Voorredenen anders voorgeven , heb ik novait
konnen geloven.
Over eenige Faaren is in Vrankryk een Boekje
14%
VOORREDEN.
in't ligt gegeven, door een uitflekend bekwaam
Man, onder den Titel van Lie TEINTURIER
PARFAIT. Dit Boekje is overgezet in het Hoog-
„duitfch, en met eenige Nooten en Aanmerkingen
werryktjen wederom in't licht gebragt totFrankfurt
1703.önder den Titul van Gruudliche Anweifung
zur Faárbe-kunít, ex dez zelfde Boekje 15 naderhand
wederom uitgegeven tot Parysin’t Jaar 1716. #2
drie deelen onder denT itul vanSecretsConcernant
les Arts & Metiers, enz. Welk laafte een rommel-
zootje behelft van alderhande dingen, die niet ge-
noegzaam opgebeldert,maar kwalyk befchreve zyn.
Gelyk als OPL aanmerkingen en vermeerderin-
gen van den Duitfcher zeer weinig licht aan den
_Teinturier Parfait komen by:te zetten. Waarom
Wy oordeelen, dat tot noch toe geen ander Boek,
Voor zo veel als wy weten, over de Verw-kanft
gefchreven is, als het eerfle enn originele kleine
Boekje van het welke wy gefproken hebben. Als
ikun in dit Boekje en deszelfs overzettingen,
vermeerderingen, byvoegzels, zo veel gevonden
hadde, alsde. Liefhebbers. en. Meefter Verwers
van noden hebben, om de gebeele Verw-kunft in
den grond te verfbaan, zoude ik over de Verw-
konft niet eens gefchreven hebben, Maar in hoe
verre ik nu alle deze zaaken, meerder opgebel-
dert en verbetert mag hebben , geef ik aan bet
oordeel van de verftandige en regtfchape Lezérs ,
dewelke de bovengemelde Boeken, en onze be-
Sfchryvingen over de verw-flofFen en verw-kunft,
na dat zy afgebandelt zyn, met malkanderen ko-
men te vergelyken.
Het nut en den dienft , dewelke elk Lezer
zal konnen genieten uit onze Natuurlyke Hiftorie
van
VOORREDEN.
van de Lucht, zullen minder of meerder zyn,
wa de meerder of minder bekwaamheid, naauw-
keurigheid, toepaffinge en oplettentheid van den
Lezer zelfs. Hoe veel ons aan een diepe proef= —
kundige kennif]e vande lucht gelegen legt, word
daatlyk openbaar , zo ras als wy ons indagtig
maaken de gemeenfchap die wy alle met de lucht,
dewelke wy inademen , in dewelke wy fwem-
men, en van dewelke wy altyd eenigzints ver-
vult zyn, dewelke ons omringt , im evengewigt
houd, en aan alle zyden egaal parft , hebben:
zo ras als wy aanmerken dat onze gezondheiden
ziekte vour het grootfte gedeelte van de lucht af=
hangen; dat de gefteltheid van ons geheele lin
chaam , zelfs ons naturel en ons verftand door de
lucht konnen verandert worden; dat onze meefte
Konft-oeffeningen , Konft-flukken , Handwerken,
Ambagten en War kaden meerder of minder be-
trekkinge op de lucht hebben , enz. Ik blyve,
bekwame Lezer! met veel eerbiedigheid, uw
toegenege
WILLEM van RANOUW.
M, D.
Amfterdam den 15.
April 1723.
Ald
be
EA
IEN AT U UR-
| SN
_ KONST-KABINET,
Voor de Maanden
JANUARY en FEBRUARY
bit vaa B,
Pag. Ë
Agttiende Verhandeling van de ALG E-
MEENE Natuurlyke Hiftorifchry=
DErS, en in dezelwe het vervolg van het
Kort begryp > en de opheldering der Na-
tuurlyke Hiftorie , en de Proefkundige
Wijsbegeerte van ROBERTUS BOYLE,
Waar in gehandelt word van de LUCHT.
Ì.
te E Proeven, die de Hoog waardige Ro=
RSW Zerzus Boyle, omtrent de gefteltheid
BEB vande Lucht in ’t werk heeft ge-
Be telt, zyn zodanig aanmerkelyk, dat
ik geoordeelt hebbe , dat het aan niemant on=
aangenaam zal zyn, als wy alles vervolgen en
naanwkevriglyk befchouwen , wat dien Heer
VEL Deer, À in
2 > Natuur- en Konfl-Kabinct, h
in den meergemelden Brief aan zynen Neef,
den oudften Zoon vanden Graave van Corke,
in %t Jaar 1659 gefchreven heeft: Wy hebben —
(a) gezien, hoe verfcheidentlyk de lucht zich
inwikkelt, en in verfcheide foorten vanvogten
werkt. Nu was de Heer Boyle bedagt,of niet
wel zommige lichamen in hunnebewegingver-
haaft of vertraagt werden , na dat de lucht,
waar in dezelve zich bewegen , meerder of min-
der ingedrongen of verwydertis. Diedegeftelt-
heid van de flingers naauwkeurig hebben onder-
zogt, hebben ondervonden, dat.derzelverheen …
en weer bewegingen, langzamer worden , en
korter duuren in eer dikker‘ ais in een dunder
vloeibaar wezen. Daarom heeft de Heer Boyle
eens willen beproeven, of een flinger niet ra{ler
en langduuriger zoude bewegen, ín een lucht-
ledigen Recspient, als in de buiten-lucht, „of ín
een Recipient die met lucht opgevuld is. ‘Hier
toe heeft dien Heer een paar klootsgedaantige en
wel gepolyfte flingers) verkoren ‚die vwan {taal
en van. eem egaale groote, gemaakt waren leder
flinger woeg omtrent twintig. dragmaas, „De
eene flinger wierd gehangen in den Recipieut,
en na dat de lucht uitgepompt was, in deszelfs
heen en weder-bewegingen gebragt, zo veel
als de wydte en de (terkte van den Recipiezt
toeliet. „De andere flinger wierd aan!eenrdraad
van dezelfde lengte'in de open lucht gelangen,
en infgelyks in dezelfde-hoeveelheid van bewe-
Agha ging
{
(a) Ziet Natuur-en ‚Konft-Kabinet woor, de Maan-
den ‘November en Deceinber 1721. van pag. 331. tof
P5- 469. \ il Liv
January en February 1722. 3
ging gebragt, in zo verre, dat deze twee gêlyke
ngers in een egalen afltand hunne heen en weer
weging volbragten. Een van de omftanders
telden de wederkeringen van den flinger die in
den luchtledigen Aecipieat bewoog , terwyl
een ander van de omfttanders op den zelven tyd
de wederkeringen van den flinger ‚dewelke zich
in de open lucht kwam te bewegen, telde; en
het gebeurde dat de flinger, die in den lucht--
_ ledigen Recipient geplaat{t was , twee-en-twintig
wederkeringen hadden gedaan , terwyl de flin=
& ger, die in de open lucht geplaat{t was , niet
meer als twintig wederket ingen hadde volbragt.
_ Waar uit bleek, dat de wederftreving van de
Tucht dien flinger zo veel hadde vertraagt , dat
‚_dezelve, in dezelfde hoeveelheid van tyd twee
— „wederkeringen minder volbragt, als de flinger
‚die zich in de lucht-ledige plaats kwam te be=
‚wegen. Maar wy zouden wel iets op de onzeker-
_… heid van deze Proef konnen aanmerken , ’t
__ welk wy tot beter gelegentheid zullen fparen.
+
2e
le
Kircherus en verfcheide andere vermaarde
Mannen „hebben uit hoofde van een Proef,
die zy daar toe hadden in’t werk geftelt 'ge-
„ „oordeelt, dat de lucht het middel niet was,
«waar door.het geluid tot ons gehoor wierd over=
_ «gebragt, niet tegenftaande de Schoolen en de
Oude Natuurkundige zulks tot dien tyd hadden
_vaft geftelt. Maar dat het-geluid tot onsgehoor
«wierd, gebragt door middel van een ander we-
_ zen, % welk fynder als de lucht is, De Heer
dee A2 Boyle
4 Natuur- en Konft-Kabinet,
Boyle was echter van gedagten , dat het befluit,
% welk Kircherus en die Heeren uit hunnen
Proef hadden opgemaakt, niet al te wel door-
ging, en dat hunne proef ondervinding zulks
niet onfeilbaar dicteerde, De Heer Boyle heeft
dan cen zak -Horologse bekwaamlyk gehangen
inden Recipiext, en na dat den Recipient wel
digt gefloten was, konden de omftanders het
kloppen van den onruft van ’ gemelde Horolv-
Zie zeer wel hooren , zo lange als de Recipiezt
vol lucht was; maar zo ras als de lucht uit den *
Recipieut wierd uitgepompt, verminderde het
geluid van den onruft van ’t gemelde zak-Horo-
logie, en na dat al de lucht uit den Kecipzeat «
was uirgepompt, wierd van niemant, boenaby °
het oor ook aan den Recipient geplaaft was,
eenig geluid meer gehoort , niet tegenftaande
het uurwerk op dezelfde wyze voortging de mi-
nuten en vuren aan te wyzen , tot een teken”
dat het zelve niet ophield te gaan. Maar zo ras -
als de lucht in den Recipient wederom wierd
ingelaten, konden de omftanders ook daatlyk
het geluid van den onruft wederom als van te
voren hooren, Waar uit klaarlyk bleek, dat
het afzyn van de lucht uit den Recipieut de oor=
zaak was, dat het geluid van ’t uurwerk niet
gehoord was geworden ; en dat de lucht mede
het voornaamfte middel is, waar door de klan-
ken aan ons gehoor gebragt worden. Hoewel
wy echter niet moeten buiten fluiten, een we-
zen, ’t welk fynder als de lucht is „ ch tot het
overbrengen der klanken aan ons gehoor, bui-
ten twyfiel mede zo wel als de-lucht voor een
middel komt te dienen,
, De
Î
\
“Stannary en February 1722. Î
4 fi 3) -
De Heer Boyle oordeelt , dat het echter zeer
aanmerkelyk is , hoe de klank van den onrüft
1 A
B hd
rare
‘
van zodanig een MHorologie, dat in den glazen en
wel gefloten Recipient geplaatt was , door de
dikte van ’t glas tot het gehoor kon dringen 5
te meer, door dien dit glas al vry dik was, Dien
Heer gelooft, dat door de beweging van den
<onruft, de ingefloten lucht gedwongen word,
zodanig kragtig op de binnen-wanden van den
glazen Recipient te werken, dat daar door de
buiten-wanden van den Recipiezt, de buiten-
< … lucht komen te drillen, dewelke hen onmidde-
Iyk omringt, endezedrilling aan gehoor over-
brengt. Maar ’t is zeker, dat buiten en behal=
ven de lucht , ook noch een ander wezen, ’t
welk veel fynder en dunder ais de lucht is,
voor een middel verftrekt, omde klank aan ons
gehoor Over te brengen. Om de gemeenfchap
van de lucht en de klank noch nader te ontdek-
ken , heeft de Heer Boyle een fchel aan een
„ haakje in den Receptezt gehangen. Zo ras als
de Recspieut wel gefloten was, wierd de klank
van de fchel doffer, ’t welk door de tuffchen-
komfte van het glas van den Recipient noodza-
kelyk moefte volgen. Maar niet tegen{taande
naderhand de lucht uit den Recipient wierd uit-
gepompt , konde de Heer Onderzoeker geen
“merkelyk onderfcheid in den klank gewaar
worden. Waar uit de Heer Boy/e eindelyk ont-
dekte, dat nict tegen{taande de lucht het voor-
naamfte middel van den klank is, ook nog een
ander wezen, dat veel fynder dan de lucht zy,
Ä 3 voor
6 Natuur-en Konfl-Kabinet,
voor een middel van den klank kan geftelt
worden. Ik oordeel, dat wy onderfcheid die- :
nen te maken , ten opzigte van de verfcheide
lichamen , verfcheide oorzaken en omftandig-
heden, waar door verfcheide foorten van klan-
ken, op een verfcheide wyze , worden voort-
gebragt; want eenige klanken hebben de lucht
(dewelke wy inademen ) veel meer nodig om
aan ons gehoor gebragt te worden, als ande-
ren, die wederom beter door middel van cen
wezen dat fynder als de lucht is, aan ons ge-
hoor worden overgevoert. Dit blykt zelfs ook
openbaarlyk aan de twee bovengemelde Proe-
ven ; want de klank van den onruft van’ zak-
Hrolagie verminderde in den lucht-ledigen Re-
cipient 10 teer, dat dezelve miet meer gehoort
wierd, daar ondertuflchen geen onderfcheid in
den klank van de fchel, in den lucht-ledigen
Recipiezt gehoort wierd. Het geluid van de
vuur-fteen op het (taal van een vuur-flot van
een zak-piltool, was wederom veel doffer in
den lucht-ledigen Recipient als in de lucht, ge=
lyk‚ook verfcheide andere klanken , waar van
zommige geheel niet gehoort wierden , en zom=
mige zeer wierden vermindert, zo ras als de
lucht uit den Recipient uitgeligt wierd.
4.
Inde Verheveling-kunde zyn verfcheïde zwa-
righeden , waar over de Natuurkundige on-
der malkander dikwils niet eensgezint zyn: ge-
Iyk onder anderen , by voorbeeld, wat -dienft
eigentlyk de lucht in de opheffingen van de daîn-
pen en uitvloeyzels bb dewelke uit het TE
Fy
SYannary en February 1722. à
ryk in den Dampkring komen op te klimmen ;
te weten , of dezeive door de kragt vaneen po= _
‚ fitive ligtheid, die'hanne luchtagtige natuur als
„aangeborenis, naar boven werden gedreven ;om
dat zy door die lichtheid niet alleen door. ver-
fcheide geweften van den dampkring komen
te dringen, maar ook de wederftrevingen des
dampkrings daar door te boven,komen ; dan
liever, of deze dampen en uitvloeyzels , nadat
‚Zy door hunne eige geitatie eenmaal boven de
gronden verheven zyu geworden, van de lucht
… zelfsonderfteunt worden, in zo verre, dat de
lucht in hunnen optogt naar boven , meerder
zoude dienen tot hun onderfteuning en hulpmid
del, alstot een beletzel. Om de opryzing van
de dampen naar boven dan beter te begrypen;,
en op te helderen , ‘heeft de Heer. Boyle een
zeker byzonder vogt bedagt, Dit vogt beftond
voor het grootfte gedeelte uit metalen, ‘en ver«
volgens uit deelen die niet ligt „maar zeer zwaar
zyn.’ Dit vogt was van die natuur ; dat hèt zel-
ve zeer helder en doorfehynend was, z0' lang
als heeflesje „ daar het zelve in gehouden wierd’,
lucht-digt of gefloten was. Maar zo ras als het
ftopje van dit flesje afgeligt wierd , en dat daar
_door de buiten-lucht toegang hadde tot hét ge=
melde vogt, wierp dit vogt zodanig een grooten
overvloet van dampen uit , dat niet alleen het
ledige gedeelte van het flesje daar door als met
een dikke nevel vervult wierd , maar dat zich
een geheele dikke wolk vertoonde, van’ den
damp die uit het flesje în de lucht uitvloeide,
en die zodanig dik en zwaar was, als of dezelve
uit fyn poeder van albaft , dat in de lucht ge
Ä 4 ftrooit
8 Natuur- en Konft-Kabinet,
ftrooit is, hadde beftaan. De zware uitroking
van dit vogt, duurde zo lang , tot dar het flesje
wederom gefloten , en den toegang vande bui-
ten-lucht belet wierd, Ik zal van dezen roken-
den geeft op een anderen tyd handelen.
$.
Dit flesje (telde de Heer Boyle in den Reci-
prent, na dat het zelve met een kurkjedigt toe-
geflopt was. Na dat nu de lucht uit den Rect-
prent was uitgepompt, wierd door middel van
een draadje, dat aan dit kurkje en ’t bovenfte
ftopje van den Recipient valt was , het kurkje
uit het flesje geligt, zonder dat echter de bui-
ten-lucht ín den lucht-ledigen Recipiezt konde
dringen. Zo ras als nu het kurkje van’ flesje
was afgeligt, vertoonde zich wederom een wit-
te damp, of rook , die uit het flesje in den lucht-
„ledigen Recipient oprees. Deze damp wierd
veroorzaakt door de lucht, die in % flesje zelfs
was; want, om dat het flesje niet geheel met
het gemelde vogt vervult was, was ook noch
een gedeelte lucht te gelyk in ’t zelve. Dit ge=
deelte lucht moeft noodwendig uit het flesje
opryzen in den Recipieut, 10 ras als het kurkje
van ’t zelve wierd afgeligt, om dat de lucht uit
den Recipient uitgepompt was, Maar dit klein
gedeelte lucht was zo gering, ten opzigte van
de groote ruimte vanden Kecipiezt , dat het zel-
ve om deszelfs verdunnig niets konde uitregten
tot onderfteuning van den damp, die met de-
zelve uit het flesje in den Reciptent oprees. Dit
was de oorzaak, dat die damp oak niet zoda=
nig in de hoogte kwam op te ryzen, gelyk de-
zelve
Sannary en February 1722. 9
zelve in de open, lucht gewoonlyk kwam te
doen , maar in tegendeel even uit den mond
van het flesje opklom, en als lekkende langs
de buiten-randen van het flesje nederdaal-
de naar den grond van den Reciprezt , inde plaats
van naar de hoogte. Hier uit ontdekte de Heer
Boyle, dat de dampen, gerezen zynde in een
wezen, ’t welke lichter en fynder is als zy zelfs
zyn, konnen nederzakken ,op die wyze als het
water , dat in de bovenfte geweften van den
dampkring , daar de lucht zeer licht ‚dun en fyn
is, en onder de gedaante van een fyne en onzicht-
bare uitwazeming, opgerezen zynde,onder de ge-
daante van een regen komen neder te vallen,
Maar of de opryzing van de dampen, die uit
het aardryk naar, de hoogte vloeyen, door deze
Proef kan opgeheldert worden, is een zaak die
de Heer Boyle aan ’t oordeel van andere over-
laat. Dit is ten minften zeker , dat de damp -
van dit flesje in de lucht-ledige plaats naar be-
neden zakte , en in de open lucht in tegendeel
kwam op te ryzen, en zich alom, gelyk een
wolk te verfpreiden.
6.
Om deze zaak voor den Lezer een weinig op
te helderen, ftaat aan te merken; dat wy het
opryzen van een rook of damp naar de hoogte
altyd niet moeten toefchryven aan de dikte of
dunte, ligtheid of zwaarheid van de lucht, of
dat wezen, in en waar door zodanig een damp
koint om te zwerven ; ook kan een rook o£
damp wel in de hoogte door de lucht opryzen ,
al word deszelfs opryzing van de lucht niet on=
As der
AET OE ee ee
1
fo Natuur-en Konft-Kabinet,
„derfteunt, of geholpen; als wy maar begrypen,
dat de oorzaak , waar door zodanig een rook
of damp bewogen word, kragtig genoeg is om
dezelve op te ftooken. In ’t opryzen van de
uitvloeizels en wvapezren, die uit het aardryk tot
in de hoogfte geweften van de lucht of vaa den:
dampkring opklimmen , moeten wy voorna-
mentlyk agt geven op de kragtige werking van
het onderaard{che vuur; buiten en behalven de
hette, dewelke de zon op zommige deelen van
den aardbodem veroorzaakt, Dat het vuur kragt
genoeg heeft om de dampen ín de hoogte op te
ftoken , blykt openbaarlyk ín ’t werk van de
Deftillatie, Het kwikzulver iseen lichaam van
een ongemeene zwaarte, echter zien wy dat het
vuur kragtig genoeg is, om’ zelve in de gedaan-
te van een damp naar de hoogte op te (token.
De oly van vitriool is naalt de kwik een van de
zwaarfte vogten dewelke bekent zyn , echter
kan het vuur dezelve in de hoogte opvoeren.
De uitvloeizels en dampen ryzen uit het aard-
tyk naar boven, juift tot zodanig een hoogte,
als de werking en voortftuwing van het onder-
aardfche vuur en de hette komt toe te reiken.
Daar de voort{tuwende kragt van het onder-
aardfche vuur en de hette des aardryks komen te
eindigen, worden de wolken geboren. Alsde
deelen, die een rook of damp uitmaaken „door
de kragt van hunne haart{teden niet langer op=
getilt worden, zakken zy wederom naar bene-
den, zo ras als zy in een en het zelfde volumez
meerder zwaatte komen te verkrygen, als de
lucht, waar in zy komen om te zwerven. Elk
vloeibaar lichaam komt zich altyd te huisveften
$ naar
…_Sanuary en February 1722. Ii
naar zyn fpectfigue 1waarte, ten opzigte vande
andere vloeibare wezens, waar onder het zelve
zich komt te bevinden,
7
„De waarheid van deze redenwikking, word
door de volgende Proef van den Heer Boyle
klaarlyk beveftigt. De Heer Buyle heeft een ftuk
brandend lont in een Recipiezt gehangen. Na
dat nu dezen Recipient geheel met de rook van
dit brandend lond was opgevult, wierd het lond
wederom uit den Recipient weg genomen, en
den Recipient die ook te gelyk vol lucht was,
wierd daar op daatlyk wel digt toegefloten, op
dat de rook gedwongen was indezelve te moe-
ten blyven. Na een krten tyd zakte de rook ,
die door den geheelen Recipient , uit hoofde van
‚ des rooks warmte verfpreid was, naar de bene-
denfte deelen van den Recipiezt, en vertoonde
op die plaats een fchaduwagtig en donker vloei-
baar lichaams. terwyl ondertuffchen het geheele
bovenfte gedeelte van den Kecipzent zeer helder,
klaar , doorfchynende en zonder rook gezien
wierd, De rook aldaar geplaaft zynde, gedroeg
zich op dezelfde wyze, als of dezelve het een
of ander vloeibaar vogt was geweeft. Want
als de Reciprent naar de eene of de andere zyde
overhellende wierd geftelt , fchikte zich ook
daatlyk daar de rook na ,-en behield cen Aori-
zontale oppervlakte , even als of dezelve een
vloeibaar vopt was geweeft. Als de Reciptent
zeer fchielyk heen en weder gefchud wierd,
vertoonde zich ook daatlyk de oppervlakte van
den rook golfagtig, op de wyze als water, of
ee "andere
rz Natuur-en Konfl-Kabinet
vloeibaare vogten, Als vanbuiten aan de eene
zyde van den Recipient een heet gemaakt yzer -
wierd gehouden, recs op. die plaats de rook als
in de gedaante van een kolom naar boven, ter-
wyl ondertuffchen de rook aan de andere zyde
van den Recipiegt zich onbeweeglyk in deszelfs
ftanrplaats bleef houden. Zo ras als het gedeelte
rook, ’* welk de opgereze kolom uitinaakte ,
wederom was kout geworden, zakte het zelve
ook weer daatlyk op zyn vorige ftandplaats , dat
is naar de benedenfte deelen van den Recipient,
Volgens een vafte regel van de Water-weeg-
kunde, komen twee lichamen, die in de lucht
even zwaar-wigtig, maar onegaal van volumen
of groote, gelyk by voorbeeld , goud en yzer
zyn, hunne evenwigtigheid te verliezen, 20 ras
als het wezen, waar in zy zyn, of’t welke hen
omringt, verandert word: dat is, by voorbeeld,
als dezelve uit de lucht, waar in zy evenwigtig
zyn, worden in ’t water, of in eenige andere
vloeibare ftof gehangen. Om dathetyzer, om
deszelfs grooter volumen, meerder water moet
nederdrukken , om naar den grondte zakken,
als het goud. Uit de overweging van deze
zaak, kwam den Heer Boyle in gedagten, om
eens te onderzoeken, of twee evenwigtige li-
chamen van een ongelyke groote, die in een
Recipient met lucht even zwaar waren, hunne
evenwigtigheid niet- zouden verliezen , als de
Jacht uit dien Recipient uitgepompt wierd; om
datopdie wyze infgelyks het wezen, waar van
die lichamen omringt wierden, kragtig veran-
dert word, Oo
January en February (722. 13
ân fp 9
Om dit onderzoek te doen, heeft de Heer
Boyle een blaas die omtrent half vol lucht was,
gehangen aan de eene tak van een Diamant-
balans , die zodanig naauwkeurig was, dat de-
zelve door een twee-en-dartig{te part van een
grein overfloeg. Aan de anderetak vande Ba-
lans wierd een metaal gewigtje gehangen,
welk met de blaas evenwigtig was. Deze Ba-
lans met de blaas en het gewigt wierd in den
Recipient gehangen. Zo ras als nu de lucht uit
den Reciprent wierd uitgepompt, begon de blaas
zich niet alleen uit te zetten , door de uiefpan=
ning van de lucht die in dezelve ingefloten was,
maar ook verre boven het metaal gewigtje over
te wegen. Maar zo ras als de lucht wederom
langzamelyk in den Recipiezt wierd ingelaten,
kwam de blaas wederom in zyn voorgaande
evengewigt met het metaal gewigtje, De Ba-
fans wierd in dien ftaat den tyd van vier-en-
twintig uuren gelaten, en niet tegenftaande-de
Reciprent geheel met lucht vervult was, wierd
echter bevonden, dat de blaas des anderen daags
wederom naar beneden was gezakt ,en dat deze
twee gelykwigtige lichamen hunne gelyk wigtig-
heid waren kwyt geraakt inde lucht; maar de
Heer Onderzoeker oordeelde, dat de blaas door
de natheid van de ingelaten lucht, die zeer
vogtig was, zwaarder was geworden, om dat
deze Proef in een zeer vogtige en regenagtige
tyd in ’t werk geftelt wierd , en dat ook de
blaas wederom kwam op te ryzen , en gelyk-
wigtig te“ worden, na dat, door het byhouden
van
14 ___Natuur- en Konft- Kabinet, iN
van eenig vuur, de vogtigheid uit het zelve weg
gedreven was.
10. Es
Om dat in de gemelde Proef eenige onzeker-
heid gevonden wierd, door het vogtig worden
van de blaas, heeft de Heer Boyle, in de plaats
van de blaas, een ander lichaarn verkeren, dat
zo veel verandering , door de vogtigheid of
droogte van de lucht, niet onderworpen. was;
namentlyk , een ftuk kurk, en een flukje loot ,
even zwaar zynde. Deze wierden met de Ba-
lans in den Recspiezt gehangen. Zo ras als
nu de lucht uit den Recipiezt wierd uitge-
pompt, begon daatlyk het (tukje kurk boven
het (tuk loot over te wegen.
II.
Wy hebben onlangs geleerd, op welk een
wyze de lucht in een blaas kan gewogen (a) wor=
den ; maar de Heer Boyle heeft deze Proef op
een-aangenamer wyze in’t werk geftelt. Dien
Heer liet een glaze. bol bereiden , omtrent zo
groot als een hoender-ey, en ook van zodanig
een gedaante, Aan ’t eene cinde was een pypje …
dat uitftekend dun’ was , want deze ovale bol
was aan de lamp geblazen. Dit pypje was ’er
aan-geblazen, op dat de lucht uit de ovale bol
zoude konnen vloeyen, zo ras als maar de al-
derminfte verdunning in de lucht gebeurde. Na
dat nu die pypje wel digt „was tocgezegelt,
wierd de glaze-bol aan.’t eene takje van het
Dia-,
À (a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet van November en
December 1121. pag. 383. 384. Tab, KXXV. Fig. 2.
“ January en February 1722. IS
__Diamant-balansje gehangen , daar wy van ge=
fproken hebben: terwyl aan ’t andere takje een
gewigtje wierd gehangen, dat egaal met de gla-
ze bol zwaar was. Na dat nu de Balans vol-
komen egaal hing , wierd dezelve in den Re-
erpient gefloten en opgehangen ; maar na drie uits
pompingen van lücht uit den Reciptezt, begon
de Balans zyn evengewigt al te verliezen ,„en.de
glaze bol die vol lucht was, al een weinig over
te halen; eh hoe ‘meerder lucht uit den Regis
pent uitgepompt. wierd, hoemeer ook deglaze
bol-boven zyn-tegengewigt overhaalde. „Doch
zo. ras als,de.lücht wederom by graden inden
Recipieut mierd ingelaten , rees de glaze ‘bol
wederom op naar boven, tot dat dezelve seins
delyk wederom met het gewigtje in evengewigt
geraakte, gelyk van te. voren. De Balans wierd
wederom.uit den-Rectpient uitgenomen ‚en by
‚ het gewigtje wierden nog drie vierdeparten:van
een grein bygevoegt. Zo dat nuwdit gewibtje
drie vierdeparten van een greïn „zwaarder -was;
als de glaze bol die vol. lucht „was. Op:!deze
wyze wierd de. Balans wederom: in den’ Revéd
pieat gehangen, en-na- dat »de-lucht- uie ‘den
Kecipient was uitgepompt „ wierd de glaze bor
gelyk. wigtig met. het tegengewigt van. lood.
Waar uit klaarlyk bleek , dat de lucht „waar
mede de glaze bol vervult “was: drie vierden
_parten vaneen grein aan gewigt bedroeg ; of
zwaar was: «De-Heer Boyle: oordeelde „ datde
_ lucht, die in dit glaze ey-rond was , “wel veerd
‚geheel greïn- zoude gewogen hebben ; als’ der»
_ __Recipient geheel ledig van lucht hadde konrên
worden gemaakt, en hy oordeelde datde lucht
Mies de=
16 Natuur- en Konff-Kabinet;
dewelke noch altyd in dien Recipient overbleef,
door deszelfs wederftreving de glaze bol wel
omtrent zo veel kwam op te houden.
12.
Om nu op geenderhande wyze door deze
proef mifleid te konnen worden, liet de Heer
Boyle, wederom op nieuw de balans, met den
glazen bol en het tegen-gewigtje, in den Rect-
pient hangen , na dat het toegezegelde pypje
‚van den glazen bol was geopent. Zo haaft als
nu de lucht uit den Recipient was uit-gepompt,
verminderde de glaze-bol van gewigt, naar ma-
te dat de lucht , waar mede dezelve vervult
was, onder het uit-pompen uit dezelve, kwam
uit te vloeyen. Hier uit bleek openbaarlyk ;,
dat door middel van de lucht-pomp , de lucht
waar in wy leven , inden Recipieut konde ge=
wogen werden , zo wel als alderhande lichaa=
men, welker zwaarte wy gewent zyn door
middel van weging te bepalen. Ook wasdeze
lucht-weging veel zekerder als die, dewelke
met lucht opgevulde blazen gefchiet ; om dat de
lucht die in een blaas, buiten den Recipient, en
in de open-lucht gewogen word , door inbla-
zinge ingeparft werd , daar in tegendeel deze
lacht in deszelfs natuurlyke Corfijtentie gewo-
gen word. Want als wy de lucht uit een Re-
cipient , waar in een gefloten bol vol lucht ge-
plaaft is , geheel uitpompen , konnen wy op
deze wyze de nette zwaarte van een zekere
hoeveelheid van lucht ontdekken „ zodanig als
dezelve in deszelfs natuurlyken ftaat is, en ge-
Iyk wy dezelve in-ademen , of zo als dezelve
op ons en alle andere lichamen „ die door de=
zelve
_ SFanuary en February 1722. ip
zelve omringt zjn, komt te drukken en te
wegen.
ORD 03. rei
_ < Niet tegenftaande de lucht , door zeer naau-
we openingen kanindringen , is egter de Hoog-
waardige Kobertus Boyle van gedagten , dat de
delen van de natuurlyke lucht , niet zo fyn en
_ doordringende zyn, als de delen van ’t water:
Wy zeggen, de delen van de natuurlyke lucht,
_ om dat wy door de natuurlyke lucht, verftaan
$ de buiten-lucht, die wy im-ademen, en waar in
__ Wy leven ; miaar geenzints een lucht , die in
__malkander is gepar(t , of dewelke door groote
herte in een uitftekende te rugdryvende neigin-
ge is gebragt: want een ingeparfte of zeer heet
gemaakte lucht , zal veel nauwer zoeken, om
door de alderfynfte openingen door te dringen ,
als de lucht die alleenlyk maar in deszelfs na-
tuurlyke Cozfiftentie is. Het is zeer aanmerke-
lyk , dat door verfcheide proeven word bevef=
‘tigt, dat de natuurlyke lucht door geen openin=
getjes en togt-gaatjes komt te dringen „, waar
door het water zeer licht komt door tevloeyen.
Neemt cen lange Zubus vanglas, dewelke aan.
zyn eene einde de dikte heeft van een mans vin-
ger , en aan zyn ander einde zo dun en naauw
is, dat door deszelfs opening , nauwelyks een
_ paarde-hair kan geftoken worden. Vult dezen
Zubus, door deszelfs wyde opening, met wa-
ter , en gy zult bevinden , dat het water zeer
lichtelyk door het zeer nauwe einde van den
Tubus zal uitdruppen. Zo ras , als gy nu den
Zubushet onderfte boven (datis met het naauwe
fte einde naar boven ) komt te keeren, zult gy
VI, Deer, B be-
18 _-Natuur- en Konft-Kabinet,
bevinden , dat dè lucht niet zo licht door ’t
zelfde naauwe openingetje van den Zubus zal
konnen indringen, als het water door ’t zelfde
kwam uit te vloeyen. Want in dit zeer dunne
einde van den Zwbus ‚zal een lengte van eeni-
ge vingeren-breed water blyven hangen , ter-
wyl het water door die wyder opening is uit-
gelekt, ’t welk naar alle waarfchynelykheid
niet zoude konnen gebeuren, indien de daar
op fteunende lucht , zo licht als het water ,
door de zeer naauwe opening van het dunfte
einde van den Zubus hadde konnen indringen.
Want indien deze nauwe opening , maar een
weinig wyder was gemaakt , zoude daatlyk al
dit water , dat nu in dit einde blyft hangen ,
naar beneden zakken. Wy ondervinden ook,
dat de lucht op geenderhande wyze , door een
fchapen-blaas kan dringen, daar nochtans zom-
tyds eenig water komt door tedringen, Dat
het water door een fchapen-blaas kan dringen,
bevinden wy , als wy het vafte zout van wy-
Îteen ‚+ met zalpeter bereid, in een droog blaas-
je doen ; want zo haaft als wy dit blaasje in ’ |
water komen te hangen , val daatlyk zo veel
water , door de port van de Blaas in dezelve |
indringen , als van noden is om dit zout te
Ímelten,
I4.
_ Dat de delen van de lacht niet zodanig fyn
zyn, als zommige miffchien wel oordeelen „
blykt ook daar aan, dat wy de lucht in zeer
fyne en glaze flesjes konnen befluiten, niet te-
genftaande elk een wel kan begrypen , dat het f
glas zeer togt-gatig is. Aan my zyn bi
bd
_ SfannaryenFebruaryijsx. Ap
bereide Liqnenre bekent , die in geen glas , al
fchoon het zelve Hermetifche is gefloten, kon=
fien bewaart worden , maar altyd doot de poré
van het glas , de vlugt komen te nemen, Ik
_ hebbe verfcheidemalen een Liguenr, dat be-
reid was uit Arsoniak-rout , en eenige andere
zaaken , en ín flesjes bewaart wierd , niet al=
Teen zien verminderen, maar de zout-delen ,
die door de por? van ’*t glas gedrongen waren,
zien (tremmen aan de buitekant van de flesjes,
op de manier als ys.
Ke 15.
Niet tegenftaande de natuurlyke lucht ín des=
zelfs werking op de lichamen zo gematigt fchynt
te zyn, bevinden wy dat dezelve een ongeloo-
_felyke kragt oefent op de lichamen, zo ras als
‚ dezelve door het vuur word aangezet, Degee
leerde Jefuwyt Cabeus , die over de zeil-fteen
gefchreven heeft , verhaalt by den Heer Boyle,
dat hy gezien heeft een kolom van Marmer,
die zodanig dik was, dat dezelve van geen drie
mannen konde omvademt worde , en zodanig
lang , zwaar en vaft , dat geen duizend jok-
offen in ftaat zouden geweeft zyn,om dezelve van
malkander te rukken , en dat echter deze on=
gemeene pilaar, in’t midden door de hettevan
eenig hout kwam door te barften , * welke ,
digte by deze pilaar leggende, by. geval aan
brand was geraakt. Het vuur van dit hout,
hadde de lucht en andere fyne wezens, die zich
in de porf van dit marmer bevonden, zodanig
verdunt , dat zy door hunne uitfpanning , dit
groot gevaarte deden barften. Welke onge-
B 2 hoorde
5e Natuurs en Konft-Kabinet ;
hoorde uitwerking , door een lucht die beflo=
ten , en door vuur heet geworden is „ komt te
gebeuren , is hier de plaats niet om te befchry-
ven , anders zoude ik met een groot getal voor-
beelden, die wy tot de Verhandelinge over het
vuur, zullen fparen , deze zaak nader konnen
beveftigen.
16,
De Heer Boyle heeft nog een andere proef,
om de zwaarte vandeluchttetonen, in ’t werk
geftelt. Dien Heer nam een Zolipila van ko-
per , die de zwaarte van fes oncen , vyf drag-
maas, en agt en veertig grein hadde. Deze
bol wierd zeer heet gemaakt , en na dat dezel-
ve van het vuur afgenomen was , wierd des-
zelfs opening zeer digt , met daar toe bereid
was, toegefloten, in zo verre, dat alles lucht- |
digt was , en geen de minfte lucht in deze ko-
pere bol konde indringen, Na dat nu de ZZo-
Lipila wel kout was geworden , wierd dezelve |
wederom gewogen, en bevonden, door de by- |
voeging van het Was, zes oncen , zes drag- |
maas ,en negen en dartig greinen zwaar te zyn.
Het Was wierd met een naald doorgefteken, |
waar op de lucht niet zonder geruis in de ope-
ning drong , om de lucht-ledige holligheid van
de Molipsla , waar uit de lucht door ’t vuur f
was uitgejaagt geweeflt , wederom te vervullen, |
Hier op wierd deze Bol met deszelfs Was „|
wederom gewogen , en bevonden zes oncen ,
zes dragmaas, en vyftig greinen zwaar te zyn.
Uit. deze proef blykt openbaar „ dat de lucht
die in de holligheid van de Zolipila was inge-
„drongen , elf greinen zwaar was ‚ om dat de
okt
fi ®
<SJanuaryen Februaryi72z:. Zr
_#olipila elf greinen minder woeg , zonder die
lucht, als met dezelve opgevult.
BE BEAT EI A î
_Verfcheide geleerde Mannen ; hebben veel
moeite aangewend , om de nette proportie van
de zwaarte , tuffchen het water en de lucht te
vinden ; maar veele , ‘en onder ‘dezelve, zelfs
zeer groote Mannen , hebben hunne-proeven
kwalyk aangelegt, en daar door in hunne Cal-
culatie „ veel misflagen begaan. Om van de
voorftellinge van Keplerus en andere, geen
gewag te maken ‚ moeten wy bekennen , dat
de diep-geleerde en naarftige Ricctolas, getragt
heeft de proportie van de zwaarte tuflchen de
lucht en ’t water te vinden , door behulp van
een zeer dunne blaas, en cindelyk heeft hy ook
vaft geftelt , de zwaarte van de lucht tot-de
zwaarte van het water te zyn , als 1, tot 10000.
Maar de Heer Boyle verhaalt , dat hy de lucht
van een groote Blaas gewogen hebbende , be-
vonden hadde, dat dezelve 14 greinen zwaar
was : dat hy naderhand , die zelfde Blaas met
water opgevult hebbende , bevonden hadde dat
dit water 14 ponden zwaar was, waar uit dan
zoude bìyken, dat de zwaarte van de lucht tot
_de zwaarte van ’t water , maar isals 1, tot 7600.
hoewel dit ook noch zeer verre buiten de haak
was.
18.
„ Het ís een zaak die de grootfte opmerking
der ‘wereld verdiend , dat twee lichamen van
eenen het zelfde voluuzen , dewelke even veel
plaats-beflaan „ en die de plaats-of ruimte „ de-
en B 3 welke
zz Natuur-en Konft-Kabinet,
welke zy beflaan , ook fchynen te vervullen,
zo kragtig veel in ftoffelykheid van malkander
konnen verfchelen , dat het eene zal wegen
1 grein, en ’t andere rooo grein ; want op de
proportie van de lucht en ’t water , zullen wy
nu geen acht flaan , deze verwondering zal zich
noch grooter opdoen , als wy de proportie van
de zwaarte, tuflchen de lucht en ’tgout onder-
zoeken, en ernítelyk overwegen.
19. Ì
Niet tegenftaande de Heer Boyle deze proef,
om de proportie van de zwaarte , tuflchen de
lucht en ’: water te vinden , met dé blaas zeer |
voorzigtig in ’t werk geftelt hadde ‚ was ech- |
ter die weg niet zodanig volkomen buiten zorg, |
dat op deszelfs Calculatie , volkomen ftaat ge= |
maakt konde werden. Maar het wegen van
de lucht , door middel van de ZEolipila ‚ daar !
wy boven van ge{proken hebben , fchynt wel
een van de aldernetfte proeven tezyn5 daarom /
vulde de Heer Boyle , deze ZEolipila met wa-
ter , en bevond dát het water , ’t welk in de=
zelve geweeft was, 21% oncen zwaar was ;!
waar uit kwam te blyken, dat de proportie van.
de zwaarte, tuffchen de lucht en’t water, niet |
meer als 1, tot 938 was 3 ’t welk onge-!
meen veel verfcheelt van de Calculatie van de
proef van Rrcctolus , en ook van de voorgaan-
de proef van den Heer Boyle , door de blaas,
Wy moeten de grootfte voorzigtigheid der wee
reldt gebruiken, in ’t aanleggen en waarnemen
van zommige proeven , gelyk als nu genoeg:
taam aan de boven-gemelde verfchillende ee
CHIA
f Pannargen Februaryi7ta 23
ien komt te blyken. De groote Galileus,
heeft in zynen tyd insgelyks al bezig geweeft,
om te zien de proportie van de zwaarte , tuf-
__fchen de lucht en” water ; maar hy heeft zo-
_ danig een verkeerde weg gebruikt , dat hy de
_ „zwaarte van de lucht tot die van ’t water , als
van t. tot 400 bepaalde,
8 20.
Wy konnen aan den Heer Boyle , zeer wel
toelftemmen , dat de proef (om de proportie
vande zwaarte , tuflchen de lucht en ’t water
ste vinden) met de ZEolipila , wel een van de
zekerfte is , maar echter noch niet zodanig als
wel vereifcht word , om ’er een onfeilbare
„Calculus op te maken; omdat, gelyk de Heer
Boyle zelfs heeft aangemerkt, al de lucht door
de hette niet volkomen uit de ZEolipila, is uit-
gedreven geweelt , en dat ook de Zolipsla ,
niet geheel vol met water konde gevuld wor-
den, om de engheid van deszelfs opening 5
daarom oordeelt ook de Heer Boyle, dat ymant
niet verr’ van de weg zal zyn , die oordeelt,
dat het water wel ruim duizendmaal 7 waarder
is als de lucht. De beroemde Merfenuus , die
ook altyd zeer naaukeurig in ’t onderzoek der
dingen , en in het aanleggeu der proeven is ge-
weelt, verzekert echter, dat nazyne zeer naau-
keurige ondervindingen , de proportie van de
Zwaarte , tuflchen de lucht en ’t water , gelyk
als van 1, tot 1356 is , en dat wy geenzints
zuilen dwalen, als wy vaft (tellen, dat het wa-
ter dartien-hondertmaal zwaarder weegt als de
lacht „ waar door een groot verfchil gevonden
Beru 4 werd;
24 Natuur- en Konft- Kabinet,
werd, tuflchen de ondervinding van Vader
Merfennus , en die van den hoogwaardige Ro-
bertus Boyle, Hoewel echter de Heer Boyle
oordeelt, dat zulks beide wel waar zoude kon-
nen zyn.
a
De Heer Boyle is van gedagte , dat de lucht
niet over al even zwaar van gewigt is , maar
dat de lucht in het eene Landíchap veel zwaar-
der zoude konnen zyn, als in ’t andere. Dien
Heer oordeelt, dat de lucht te Londen, door=
gaans veel vogtiger is , als te Paris , en dat by
gevolg , de lucht te Londen , ook merkelyk
zwaarder zoude konnen zyn, als te-París, Be-
halven dit, zo heeft de Heer Boyle, deze
proef in ’t midden van den Winter , en Merfenzus
miffchien inde Zomer aangelegt. De Heer Boyle
oordeelt, dat de lucht niet alleen in verfcheide
Landfíchappen, ongelyk van gewigt is ; maar
zelfs ook in een en het zelfde Landfchap , na
de verfcheide tyden van’t jaar. De Heer Boyle
heeft aangemerkt, dat op Nova Sembla , de
lucht in den Winter, van een ongemeene dik-
te moet zyn , om dat de Hollanders , die al-
daar overwinterden , getuigden , dat de lucht
zodanig dik wierd, datze debeweginge van hun
Uurwerk verhinderde.
22,
De groote Verulamius , en andere vermaar-
de Mannen, hebben de proportien van de zwaar-
te, tuflchen verfcheide zaaken , zeer vlytiglyk
nagefbeurd,en daar van verfcheide rekeningen en
tafelen gemaakt, Maar dewyl veele zaaken
niet
TE esn
January en February 1722. 25
_niet rai waargenomen zyn, als wel be-
hoorden ; heeft de Heer Beyle zomtyds , door
nader proeven , deze proportien onderzogt, om
dat de Schryvers zomtyds ongemeen veel on-
der malkander werfchillen, Om de proportie
van de zwaarte , tuflchen het kwikzulver en
’t water te vinden, nam de Heer Boyle een
glazen Tubus , of werktuig , gelyk uitgebeeld
word , Tab, xxxvin. Fig. 1. Na dat in deze
Tubus , een zekere hoeveelheid kwik was ge=
goten, wierd dezelve zodanig perpendiculair en
regt gehouden , dat de kwik zo wel in de lang-
fte, als in de kortfte tak van den Zubus , cen
horizontale oppervlakte hadde, door E. F.aan-
gewezen. Naderhand wierd ’er water in de
lange tak van den Zubus gegoten, zoveel, dat
dezelve byna vol was ; waar door de opper-
vlakte van de kwik , door het gewigt van ’t wa-
ter, zo veel van É, naar B. nedergedrukt wierd,
als dezelve in de korte tak van den Zubus, van
F. naar CG. kwam op te ryzen. Deteikens dan,
dewelke geroteert waren op het punt B. zo wel
als op het tegengeftelde punt D. gemeten zyn-
de , wierd bevonden , dat de tuffchen-wydte
D.G. de hoogte hadde van de kwik-kolom,
die door de zwaarte van *t water , boven het
punt D. was opgevoert , en dat deze hoogte
egaal was met de oppervlakte van de kwik in
de andere tak van den Zubus ‚en de tuffchen-
wydte B, A. daar zich de water-kolombevond;
_zo dat de tuflchen-wydte D.C, tot 213 duimen,
en de hoogte van ’t water , tot 3o#£ duimen
waflende, de proportie bevonden wierd te zyn,
als 121 tot 1665, of, dd tot enkelde ,
‘ 5 als
26 Natuur-en Konft-Kabinet ,
als van 1tot 137% ls wy. dan de proportie van
de zwaarte tuflchen de lucht en ’t water zeggen
te zyn, alsvan 1 tot 1oeo, zal eeniegelyk ook
wel de proportie van de zwaarte tuffchen de
lucht en ’t kwikzulver konnen zien.
23.
Om dat deze weg van de proportie der zwaat-
te, diede lichamen tuflehen malkauder hebben,
te bepaalen , by zommige miffchien niet gemeen
genoeg is, heeft de Heer Boyle door een andere
Proef-ondervinding , de proportie van zwaarte
tufichen het water en ’t kwikzulver aangetoont:
namentlyk, door een evenaar of Balans, die
zodanig naaukeurig was , dat deszelfs evenge-
wigt door de honderfte part van een grein wierd
weg genomen. Maar om in deze weging geen
mistlag te begaan , moet op eene zaak (dewel-
ke van de Geleerde Liiefhebbers niet word op-
gemerkt) zeer naauwkeurig agt gegeven wor-
den: namentlyk, dat het water in een vat ge-
goten zynde, een holle oppervlakte verkrygt,
daar in tegendeel de kwik in een vat gegoten
zynde, een uitpuilende oppervlakte aanneemt.
Om nu de misflag die daar uit geboren word,
voor te komen , heeft de naauwkeurige Heer
Boyle verzorgt, een glazen Bol, die aan de
lamp geblazen , en van een uitnemende dun-
heid was ; ook was bezorgt, dat de hals van dit
ligte glaze bolletje zeer klein was, op dat de
oppervlaktens, die het water en de kwik in de-
zen naauwen hals verkregen, van geen belang
zoude konnen zyn. Dit glaze bolletje was zo
ongemeen dun van glas, dat deszelfs geheele
Zwaar.
Januaryen February v7ae. 27
zwaarte maar 235 grein was. Dit bolletje met
kwik gevult zynde, wierd bevonden, dat het
kwikzulver, ’t welk in t zelve gehouden wierd,
2995 greinen zwaar was, De kwik wierd we-
derom uit dit glaze bolletje gedaan, en in de
plaats van de kwik wierd het zelve met water
gevuld, en bevonden dat dit water 214greinen
zwaar was} waar uit openbaarlyk kwam te bly-
ken, dat de zwaarheid van ’t water tot die van
het kwikzulver, als van 1 tot 138 is, uit wel=
ke ondervinding blykt, datde zeer uitmuntende
Vernlamins van geen bekwame werktuigen is
gedient geweeft ; dewyl die weergadeloze Man
de proportie van de zwaarte, tuflchen het wa-
Ee en ’t kwikzulver, meerder als van 1 tot 17
elt,
gen 24.
Het behaagde ook pee: den Heer Onderzoe-
ker, de proportie van de zwaarte, tuflchen ’t
alderzwaarfte van de vloeibare ftoffen , eens na
te fpeuren, namentlyk het kwikzulver; en ’t
alderligt{te van de vloeibare ftoffen, namentlyk
de alderzuiverfte Voorloop van Brandewyn.
Deze Voorloop was zodanig volkomen van
deszelfs water gezuivert, dat dezelve aangefto-
ken zynde, geheel in vlam overging, en ver-
brande. Na dat deze beide ftoffen aan den zel-
ven naaukeurigen evenaar, en in ’tzelfdetedere
glaze bolletje gewogen waren, wierd bevon-
den, dat derzelver verfchil als van 1 tot 16,8
was; waar uit ook te gelyk blykt, dat het on-
derfcheid tuffchen het water en d’alderzuiverfte
Voorloop van Brandewyn , gelyk van 1 tot
1E is.
; Vers
28 Natuur- en Konft-Kabinet ,
25.
Verfcheide vermaarde Mannen hebben ge-
tragt de nette hoogte van den Dampkring te
ontdekken. Maar het fchynt volkomen on-
mogelyk, dat wy ooit een zekere hoeveelheid
van de nette hoogte van den Dampkring zul-
len konnen vinden. t. Om dat wy zeer veel
rede hebben om te geloven dat de Damipkring
niet altyd-even hoog is : 2. Om dat de lucht -
van geweft tot geweft (in de hoogte aange-
merkt) van Confiftentte zeer verfcheelt, zynde
de lucht, die beneden en omtrent de aarde is,
en dewelke wy inademen, veel dikker en zwaar-
der, in een zelfde volumez , als de lucht die
zich in de bovenfte deelen van den Dampkring
bevind. Als wy dan de lucht van den geheelen
Dampkring zoude komen te bepaalen nade be-
vindinge van de beneden-lücht , waar mede wy
onze Proeven doen, is’t zeker, dat wy groote
misflagen zouden begaan. Echter konnen wy
in’t midden van deze onzekerheden , noch wel
eene zekerheid vinden, dat is, wy konnen ge=
noegzaam een zekere hoogte vinden , waar bo-
ven wy zekerlyk weten , dat den Dampkring
zich verheft; latende verder de hoogte, die de
Dampkring noch boven onze vaftgeftelde hoogte
te bereiken komt, in onzekerheid.
26.
Na dat de Hoogwaardige Robertus Boyle de
proportie van de zwaarte tuffchen de lucht en ’t
water, en tuflchen het water en ’tikwikzulver
gevonden heeft, konnen wy daar uit zeer licht
ie
_Sannary en February 1722: 29.
de proportie van de zwaarte tuflchen de lucht
en de kwik bepalen. Als wy, om de moey-
Iykheid voor den Lezer te ontgaan, op de ge=
brokens geen agt geven, konnen wy zeggen,
dat de kwik veertien-maal zwaarder is als ’t
water , dewyl zulks ook niet veel verfcheelt,
„en dat dit verfchil ook tot ons tegenwoordig
_ oogmerk van geen belang is. Wy zullen eens
onderftellen, dat de geheele Dampkring van een
„egaale Cunfiftentie is5 dat is, dat de lucht, die
van onderen tot boven in den Dampkring van
een en dezelfde zwaarte in een egaal volumen
is. Want als het gebeurd, datde lucht van trap
tot trap in de hoogte lichter en dunderis, (ge-
lyk wy weten dat dezelve inderdaad is) volgt
daar maar uit, dat de Dampkring wel hooger,
maar niet lager is als wy uit de volgende Cal-
culatie zullen aantoonen. Wy hebben uit een
groot getal Proeven dusverre gezien, dat de
kwik-kolom in een Barometer tot de hoogte
van omtrent 3r duimen Engelfche maat, of
byna 28 duimen Rynlandfche maat, op zyn
alderhoogfte kan onderfteunt worden , en dat
deze onderfteuning nergens anders door ge-
fchied, als door een evenwigtige lucht-kolom ;
en dewyl nu de proportie van de zwaarte tuf-
fchen het kwikzulverendelucht, als van 14000
tot ris, mogen wy geruft befluiten, dat de
lucht-kolom , die een evengewigt met een kwik-
kolom van ziEngelfcheduimen,of ruim 24Engel-
fche voeten houd, een grooter lengte moet hebben
van 3sooo Engelfche voeten. Als wy nu vyfvoet
voor een Geometrifche treeden, en duizend zo-
danige Geomerrifche treeden voor een my! re-
kenen,
5 __Natuny= en Konft-Kabinet;
kenen, konnen wy befluiten , dat zodanig een
Tucht-kolom , die evenwigtig met een kwik=
kolom van ruimgoEngelfche duimen is,de lengte
heeft van zeven mylen, van dewelke elke my!
duizend Geometrifche treeden lang is, endat by
gevolg de Dampkring zeven zodanige mylén
van den aardbodem afgerekent hoog zouden zyn;
als de lucht van beneden tot boven nog maar
van een en dezelve Confiftentie was,
ijk
Als wy overwegen tot welk een uitftekende
uitgeftrektheid , een weinig lucht zich komt uit
te zetten , wanneer dezelve zich zonder eenige
tegenftreving in een lucht-ledige plaatfe bevind,
en dat wy deze overweging komen over te bren-
gen , op de lucht die zich in de bovenfte ge-
weften van den Dampkring , daar dezelve geen
‚„ wederftrevinge komt te ontmoeten , bevind.
Krygen wy gelegentheid om te geloven , datde
Dampkring de hoogte van een groot getal my-
len bereikt, Gelyk als wy na dezen uit ver-
fcheide waarnemingen van eenige vermaarde
Mannen, die na den Hoogwaardigen Boyle
geleeft hebben, en deze zaken met noch veel
meer omftandigheden onderzagt hebben , be-
nevens onze geringe redenwikkingen, op zyn
plaats nôch nader zullen ophelderen.
28,
Het is voor een groote agteloosheid aan te
merken, dat de menfchen in ’t algemeen ge-
nomen , hunnen aandagt zo weinig beftedenop
den Dampkring of de tucht, waar in zy leven,
adem
January en February 1722. 3î
adem halen , hen bewegen , en zodanig altyd
verkeren, dat zy dezelve op geenderhande wy-
ze ontberen konnen. Dedierlyke huishouding
van ons lichaam hangt zodanig vande luchtaf,
dat (om dat ons lichaam inwendig altyd met
lucht vervuld is ) ín’t zelve weinig Funêlien en
zaken gebeuren, daar de lucht niet op de eene
of de andere wyze deel in heeft. Wy worden
door de daagelykfche veranderingen van de ge-
tempertheid der lucht, ook dagelyks alder-
hande veranderingen en ontroeringen in ons
lichaam gewaar; ons gemoed word droefgec-
ftig of vroolyk , ons lichaam luchtig of traag,
onze honger vermindert of vermeerdert na de
gefteltheid van de lucht. Maar wy zyndikwiis
zo onoplettende, onkundig of avercgts , dat wy
zulks aan andere oorzaaken toefchryven. Wy
behoorden tot onderhouding van onze gezonc-
heid , vry naauwkeuriger agt te geven op de
tucht; want behalven dat wy van den Damp-
kring konnen leeren: 1. De uitwerkingen van
deszelfs zwaarte (alleen en op zich zelfs aange-
merkt) en weging op onze en alle andere licha-
men: 2. De uitwerkingen van deszelfs Klafti-
citeit of te rug dryvende kragt , alleen en op
zich zelfs aangemerkt: 3. De uitwerkingen die
gebeuren door de zwaarte en veerkragt van de
lucht tezamen werkende: 4. De wordingen en
uitwerkingen van de verhevelingen: s. Debe-
wegingen van de lucht, en deszelfs dienft om-
trent de warmte, koude, het licht en de kleu-
ren, zouden wy (zegge ik) boven en behalven
dit alles, ongemeen veel uitwerkingen konnen
ontdekken van de wezens, die zich in den
Damp-
32 Natuur- en Konft-Kabinet,
Dampkring bevinden , en van buiten in den zel-
ven geworpen worden , gelyk de uitvloeizels
van de zon , de maan „ de dwaalfterren , de
Cometen en de vafte fterren, de ontelbaar ver-
fcheide uitvloeizels , dampen en uitwazemingen
uit de diepe ingewanden der aarde , uit de wa-
teren , en van de oppervlakte der aarde enz.
Welk ik op deze plaats daarom wel te krag=
tiger zoude aandringen, om dat op deze laate
ftoffen , daar den Dampkring zo ongemeen
mede vervult word, wel het minfte agt vande
Schryvers word gegeven, en genoegzaam van
alle andere , dewelke anderzints zeer groote
liefhebbers van ’t onderzoek des luchts zyn,
niet tegenftaande de uitvloeizels, uitwazemin=
gen en uitdampingen uit de diepe ingewanden
der aarde, uit de wateren en van de opper-
vlakte der aarde, hoedanigheden aan den Damp-
kring byzetten, dewelke, boven alle andere,
wel de meefte gemeenfchap met ons lichaam ,
met onze fappen, met de dienften en funêtiez
onzer ingewanden, met onze geheele gezond-
heid en ziektens hebben: die in’t groeyen, flo-
reeren, quynen en fterven onzer plantgewaf-
fchen, aard- en boom-vrugten, niet alleen een
groot vermogen oeffenen , maar aan dezelve
zeer veele en byzondere onderfcheiden, eigen-
fchappen, hoedanigheden, en kragten veroor-
zaaken : eindelyk , dewelke de voornaamfte oor-
zaaken zyn van den verfcheiden aart der men-
fchen en dieren , die in elk byzonder landfchap
en lucht leven, van den verfcheiden aart onzer
Wateren , Bieren , Verweryen , Staal-tempe-
ringen, Gieteryen , Rafinaderyen , en nk
are
BEU
\
Fanuaryen February ijz 3î
bare andere zaken, die ongemeen veel van de
byzondere, getempertheid der lucht, van elk
byzonder Landfchap, en elke byzondere gron-
__den afhangen;
\ 29.
_Het is ongelooflyk , hoe veele en verfcheide
Alteratien in de lucht gebeuren, daar wy geen
de miníte gedagten van hebben. De Hoog waar-
dige Robertus Boyle verhaalt, dat hy in’tbyzyn
van een zeer verftandig vriend, buiten alle ver-
wagting.en- by geval, onder het uitpompen van
de lacht, een nieuw verfchynzel van een licht
in den Recipient gewaar wierd. Dit licht ver-
dween op een manier als het weerlicht by den
dag. Deze verfchyninge van dit licht ver-
toonden zich verfcheidemaal in den Recipiezt,
en verfcheen en verdween geduurig met dezelf-
_ de fchielykheid. Dit gebeurde op een dag die
meer als gemeen licht en helder was, des mor-
gens ten tien uuren. De Heer Boyle konde op
geenderhande. wyze de oorzaak van de verfchy=
ningen; van dit licht agterhalen, De Heeren
Onderzoekers hervatte dan tegen den avond
dit onderzoek, en lieten, de lucht-pomp gewel-
dig gaan „maar zy wierden geen de minfte ver-
fehyning van zodanig een licht inden Recipienf
gewaar. Deze Heeren meende des anderen
daags op‚-her zelfde uur ,geenzints in hunne
verwagting bedrogen te zullen worden ; maar
alfchoon zy alle omftandigheden van den voor-
gaanden morgenftond waarnamen , en de lucht-
pomp op dezelfde wyze oefenden; het konde
alles niets ter wereld helpen, en zy ontdekte
‚iet het minfte flikkeringetje van dit licht inder
VII Deer, C Res
34 _Natuw- en Konft-Rabinet,
Recipient. Op verfcheide dagen wierd dit ons
derzoek hervat , maar alles was vrugteloos ;
doch zomtyds bereikten zy hun oogmerk na-
derhand, en dat zelfs in alderhande geftelt-
heden en getempertheden van de lucht,
en op alle uuren van den dag , wanneer die
Heeren onder het lucht-uitpompen deze ver-
fchyningen dikwils alderminft waren te verwag-
ten. Ook ondervonden die Heeren, dat deze
verfchyningen en flikkeringen in den-Recipient
zo wel (doch niet altyd als zy zulks wilde,
maar meeft by geval en onverwagt) voorviclen
by het licht van de kaars, als by het licht van
de zon; en dat zelfs in alderhande fchik kingen
en afftanden van dé kaars , als maâr zorg ge-
dragen wierd, dat de licht{tralen van de kaars,
of van de zon niet al te hevig in dén Rectpient
fcheenen. Dit licht vertoonde zichopdientyd,
als zy eerft begonden te pompen, veel kragti-
ger, als op het laaft, wanneer de meefte lucht
uit den Recipient uitgepompt was. Zomtyds
is’t gebeurd, als dé verfchyninge van dit licht
fterker als naar gewoonte was, datde Recipient
niet alleen deszelfs doorfchynendheid verloor ,
máár. zich als opgevuld met een witte-ftof ver-
toonen, die verdwenen zynde, de wanden van
den Recipient als eenigzints verduiftert en be-
vlekt kwam na te laten, even als of dezelve
van binnen met een witte wazem bedekt was
EED. 8 AN
B ar 30,
Het zoude volkomen tegens myne gronden
en gewoonte ftryden, op ydele onderftellingen
eenige bepaalde oorzaaken van dit licht te ver-
A r zins
nn
‚Jannaryen Febraary î72a2e 3f
Zinnen; maar wy zouden in ’t algemeen kon=-
„nen valt ftellen, dat zich in de lucht alderhande
‚kleine deeltjes onthouden, dat, terwyl dezelve
jn de lucht omzwerven, ieder foort van dezel-
ve echter zullen zyn in een zeker verband: dat,
als zy in deze fchikking , en in hun verband
verfchrikt of verzet worden , het zeer licht te
begrypen is, datze daar door de oorzáak kon-
nen zyn, dat de ftralen van ’ licht verbogen
worden. Dat in de lucht ontelbaare deelen
zyn, diede ftralen van ’ licht konnen buigen
en reflecteren , geloof ik, dat niemant zal ont-
kennen, die.acht heeft gegeven op de goudgeele
en faffraan-koleuren van de lucht in den mor- °
_genftont, of op de fcharlake en fermilioen-ko-
leuren van de lucht in zommige avondftonden ;
of op de fchone koleuren van den regenboog ,
of op de ontelbaare verfcheide , zwarte , blaau-
we, graauwe, witte en zulveragtige koleuren
‚van de wolken. De Heer Boyle verhaalt, dat
hy op een zekeren tyd, niet verre van Londen,
buiten die Stad op het land was, terwyl de bur-
gers van Londen op een vierdag des avonds
veel vreugdevuuren hadden aangeftoken; dat,
niet tegenftaande de Heer Boyle deze vuuren
zelfs op geenderhande wyze konde zien, hy
echter de zeer verlichte lucht, boven en om-
trent Londen, zeer wel zien kon „ gelyk wy
hier te Amfterdam en overal in geval van zwa-=
ten brand, inde donkerfte nagten , zomtyds gee
waar worden; ’t welk een bewys is, dat in de
Jucht overvloed van donkere en ’ licht weer-
kaatzende lichaamtjes zyn, die de lichtftraleti; die
het vuurin de lucht werpt,ontmoetende, naar
GC 3 onze
38 Natuur- en Konft-Kabinet
onze oogen refletteeren. Dat de lucht op de
eene tyd met zulke, en op de andere tyd we=
derom met andere deelen en kleine lichaamtjes
vervult is , zal licht de oorzaak geweeft zyn,
dat zich de verfchyningen van dit ongewoone
dicht in den Recipient niet altyd hebben ver-
toont, en ook als zy hen al kwamen te vere
toonen, niet altyd op dezelve wyze zyn ver=
fchenen. Dat de lucht geduurig met alderhan-
de onderfcheide deelen vervult word, blykt uit
duizende waarnemingen. De Geleerde Acofta
verhaalt, dat in Amerika winden zyn, dewel-
ke uit hunnen natuur de zee troebel maken, en
het water groen en fwart doen fchynen; en dat
wederom andere winden het zelfde zee-water
zo doorfchynende en helder maaken als kriftal,
In zommige luchten verroeft het yzer en ftaal
zeer fchielyk ; in zommige luchten blyft het yzer
en {taal zeer lang blank en fchoon; in zommi-
ge luchten duurt het yzer en ftaal zeer lang; in ,
de Afiatifche ‘en zemmige Afrikaanfche luch= |
ten, word het yzer en {taal binnen korten tyd ;
verteert; in zommige luchten word het zulver |
zwart, in andere geel, in andere blyft het zeer
lang wit; in zommige luchten verkrygt het »
goud, of verguld dat door blad-goud gemaakt
is, een fchoone blaauwe koleur, ín andereeen |
hoogroode, in zommige luchten een vuile en |
morfige koleur, in zommige luchten word het
verguldzel ras weg gegeten , in andere duurd k
het zelve zeer Jang 5 in zommige luchten word |
het koper daatlyk groen, inandere niet zo ras, «
Als dan de deelen, dewelke in de lucht om- |
fwerven , magtig zyn om de metalen aan te |
ijf
4
dte
Yanuaryen February 1722. 39
_grypen, en zelfs te verteren, konnen wy wel
begrypen, dat ons aan de kenniffe en het on-
derzoek van de deelen, die in de lugt hangen,
fi
veel gelegen legt,
: 31.
De Heer Boyle verhaalt, dat hy in zyn be-
waring hadde gehad een Zizdzar, ’t welk met
_brandewyn getrokken was uit een wizerale (tof:
dat dit Zixétuur in een zeer zuiver en helder
_kriftallyn flesje befloten was : dat de koleur
__ van dit Zinduur goud-geel en zeer aangenaam
doorfchynende was. Dat hy hadde ondervon-
den, dat dit Zieuur op een zekere tyd zeer -
duifter en troebel was, dat hy daar uit hadde
befloten, dat zich eenige mizeraal-deeltjes be- _
gonden gereed te maken om te precipiteren na
den grond van’t glas, gelyk wy zulks daaglyks
in de metallyse Tintures zien gebeuren ; maar
in tegendeel , wierden geen de minfte mizeraal-
deeltjes na beneden geftoten , en het Zizuur
_ wierd als van zich zelfs, na eenige weinige da-
gen , wederom zo helder en klaar als van te
voren. Deze verandering wierd naderhand op
die zelfde wyze aan dit zelfde Tinduur ver-
fcheidemaal waargenomen ; waar uit zeer
waarfchynelyk is , dat in de lucht zeer fyne
wezens gevonden worden : dat zodanige we-
zens dikwils bekwaam zyn omte dringen door
de pori van ’t glas, en aldaar aan de deeltjes
van zodanig een Zin&nar, vooreen korten tyd
eenige verandering in hunne te zamenfchake-
linge te maken. Wy zien in de Zomêr,datde -
hette van de lucht zo wel door het glas dringt,
Ö C 3 en
38 Natuur- en Konft-Kabinet é
en de vogten die daar in opgefloten zyn, warm
maakt , als dezelve gewoon is te dringen door
alle andere lichamen. In de Winter zien wy
de vogten bevriezen in de fleffen , alfchoon de-
zelve hermetifche gezegelt zyn ; waar uit klaar
genoeg blykt, dat de deelen, dewelke het ys
maken, en die in de lucht zyn , bekwaam ge-
noeg en ook fyn genoeg zyn omte dringen door
de port van ’t glas, om zich te voegen en te
dringen in de port van’t water; want te {tellen
dat het water bevrieft door miflinge van de be-
weginge zyner deelen , zonder dat zich iets van
buiten in ’t water, vervoegt , heeft by my, als
door verfcheide waarnemingen en proeven an-
ders geleerd zynde, al lang uitgediend.
32.
De Hoogwaardige Robertus Boyle nam op
een zekeren tyd een mengzel van fheeuw en
gemeen tafel-zout, en wierp het zelve in een
glas. In dit glas (dat ruim en groot genoeg
was) ftelde de Heer Boyle een ander langwer=
pig rond glas, * welk geplaaft wierd in ’t mid-
den van dit mengzel, en in ’t welke gemeen
water ingegoten was. Dus wierd dit alles
in den Recspient geftelt. Zo ras als de lucht
na uit den Recipiezt uitgepompt wierd, begon
de fneeuw veel fchielyker te fmelten , als wel
gewoonlyk gefchied. Na den tyd van een k war-
tier van een uur, begon het water dat in ’t klei- °
ne glas of den Cylinder was, op de grond te
bevriezen; en het ys vermeerderde allengskens ,
en rees zelfs in den Cylinder tot boven de op-
pervlakte van ’t water dat in’t groote glas was ,
en
«dd
Fanuary en-February 1722, 39
en in’t welke was geweeft het zout en de heeuw,
nin’t welke de Cylinder nu geplaaft ftond.
De bovenfte oppervlakte van dit ys was zeer
hol. Dit gemaakt ys tegen-het licht gehouden
zynde, was voorzien met lucht-belletjes; hoe=
wel zommige van de toekykers oordeelde, dat
in dit ys minder lucht-blaasjes waren als in ’
_ys, ’t welke in de open lucht gevroren is. De-
ze Proef wierd noch eens hervat in een Recte
pieut die kleinder was als de eerfte, en was van
dezelfde gelukkige uitkomf(t.
33: ,
_ By gelegentheid van de bovengemeide Proef,
ftelt de Heer Boyle een vraag om op te loffchen;
of een Problema voor : Waar eigentlykvandaan
mag komen die verwonderenswaardige kragt, de=
welke zo dikwils ondervonden word in't bevroren
water ‚ waar deor het zelve zeer vafte lichamen,
daar het zelve in befloten is , aan flukken doet
barften ? Deze kragt worden wy dikwils ge-
waar , als het water of eenige andere vogtigheid
komt te bevriezen, en de alderfterkfte flc{len,
in dewelke het ingefloten is, aan ftukken doet
barften. De Heer Boyle verhaalt, dat een ze-
ker Steenhouwer aan hem verhaalt hadde, dat
‚„zomtyds geheele blokken van marmer aan ftuk=
ken kwamen te barften, als op dezelve veel re=
gen gevallen was, en dat op zodanige regens-
onmiddelyk een fterke vorft kwam te volgen.
Zeker Geelgieter hadde ook aan den Heer Boyle
geklaagt , dat verfcheide van zyne werk- en
konft-ltukken , dewelke van klokfpys of me-
taal gegoten waren, dikwils aan (tukken ge-
el 4 bor=
P]
49 Natuur- en Konft-Kabinet,
borften waren; als de knegts door onvoorzig=
tigheid water in dezelve hadde laten ftaan, en
dat het zelve fchielyk door een harde vorft in
dezelvekwam te bevriezen. Degeleerde Cabeus
verhaalt ook by den Heer Boyle, dat hy zelfs
gezien hadde een zeer groot vat van marmer,
't welk gebroken was geworden door het be-
vriezen van water dat in ’t zelve geweelt was.
Het heeft de Heer Boyle niet behaagt de boven=
gemelde verwonderenswaardige uitwerkingen
van de vorft nader uit teleggen en op te helde-
ren. Maar de ondervinding leert ons, dat het
water meerder plaats beflaat als het bevroren is,
als van te voren. Als het wezen , of de ftof,
dewelke het ys maakt, zich in ’t water in-
dringt, word het volumen van ’t water grooter,
alwaar door dit wezen zich met zulk een geweld
in ’ water komt in te dringen , dat de harde li
chamen, dewelke de uitzettingen van dit be-
vroren water tegenftreven , daar in zo verre
voor moeten wyken,dat zy zomtyds zelfs komen
te barften, ’t welk een zaak is die inderdaad ver-
wonderenswaardig is. Vaneen heet-gemaakte -
„lucht, die in een naauwe plaats befloten is,
konnen wy zodanige uitwerkingen klaarder be-
vatten, om.dat wy door veel ondervindingen,
de groote kragt van ’t vuur daaglyks gewaar
worden, en om dat wy door de Proef onder-
vindingen onderwezen worden, hoe ongemeen
de lucht door het vuur aangezet, zich kan ver-
wyderen en uitzetten. Maar uit wat oorzaak
die ftof, dewelke het ys maakt , zulk een uit-
ftekenden geweld kan oeffenen, is tot noch toe
20 openbaar niet bekent geworden. À
ne
4 POT
Re Yanuary en February 1722; 4e
ad 34e
Onder de zufelten , dewelke door de lucht
vliegen, zyn zommige zodanig ligt en klein,
dat het in overweginge komt, of dezelve niet
wel zoude konnen vliegen, en met hunne lichte
lichaamtjes op hunne tedere wiekjes dryven,
in een wezen , *t welke veel dunder is als de
lucht in dewelke wy leven. Om deze zaak te
onderzoeken, heeft de Heer Boyle op verfchei-
de tyden in den Recipiezt geftelt een vlieg, een
honingby en een zeer licht kapelletje. Maar
zo ras als de lucht uit den Recipient wierd uit=
gepompt, verloren die beesjes de kragt van te
konnen vliegen, en konden met hunne tedere
wiekjes niet anders uitregten als een bevende
beweging. /
35
Dat de lucht voor de ademhalinge der men-
fchen en der dieren , noodzakelyk is, word
van elk een wel beveltigt; maar de Heer Boyle
wilde zulks door proeven, wel eens nader on-
derzoeken. De Heer Boyle ftelde een Lieeu-
werk in een Recipient. Onder ’t uitpompen
van de lucht, bleef de vogel nog een geruimen
tyd zeer luftig en levendig , waar uit blykt,
_ dateen Leeuwerk in een zeer verdunde lucht kon
__adem halen , en in ’t leven blyven 5 dit word
„ wok beveftigt , als wy zien tot welk een uitfte-
kende hoogte deze beesjes in de zomer, alzin-
gende in de lucht komen op te klimmen ; tot
een hoogte of een gewelt van de lucht , zegge
ik, in het welke de lucht uitnemende dun en
fyn is, en in het welke miffchien een menfch
BEA Cs Zon
42 Natuur-en Konft-Kabinet;
zonder ongemak niet zoude konnen verkeeren,
gelyk wy zien aan die menfchen, dewelkealte
hoog op den piek van Kanarie opklimmen , of
die over de bergen van Pertacaca in Peru, met
veel ongemak komen te reizen. Verfcheidevo-
gels konnen neftelen op de toppen van zeer
hooge bergen , daar buiten twyfel de lucht,
voor de ademhalinge der menfchen, veel te fyn
en te ‘dun zoude zyn. Niet tegenftaande de
bovengemelde Leeuwerk in de zeer dunne en
uitgepompte lucht , noch zeer luftig en leven-
dig was gebleven , begonde dezelve zeer flaauw
en ziek te worden , zo ras als de meette lucht
uit de Recipient was uvitgepompt ; en na dat
de lucht noch meerder uitgepompt was, wierd
het beesje aangetaft van geweldigetrekkingeder
leden , op die manier als wy dikwils de Duiven
en andere vogels zien fpin-voeten ‚ na dat de
kop van dezelve afgetrokken is, Op die ge-
weldige. trekkinge, volgde eindelyk de dood
van dit Leeuwerkje , waar uit wy mogen be=
fluiten , dat zommige vogelen wel konnen le-
ven in een zekere hoogte van de lucht , maar
niet in een geweft van den damp-kring, in het
welk de lucht tot een al te grooten fynheid en
lichtheid gebragt is, Terwyl de Leeuwerk zich
in de uitftekenfte trekkingen-der leden bevond,
wierd de lucht wel in den Recipient wederom
ingelaten , maar dit middel konde de dood van
het beesje niet voorkomen; de tyd en het begin
van de uitpomping tot de dood van dit vogeltje,
was tien minuten. Naderhand wierd in den
Recipient een Mos gedaan , en dezelve fcheen
onder het uitpompen van de lucht , op dezelfde
| wyze
EENES hd -
N
B
Yannaryen February 172. 43
„wyze gefturven tezyn , doch de lucht wederom
in den Recipient ingelaten zynde, wierd dit
«beesje allengskens , of binnen den tyd van een
kwartier van een uur , wederom zo luftig en
levendig als van te voren 5 maar de lucht we-
derom op nieuw uit den Reeciptezt gepompt
werdende , fturf het zelve binnen vyf minuten
met een kragtige trekkinge der leden, waar uit
openbaarlyk bleek „ dat het zelve door deeerfte
ongemakken in zo verre verfwakt was, dat het
nu zo veel tyd de lucht niet konde ontberen als
de eerfte reis.
36.
De Heer Onderzoeker oordeelde, dat de
Muizen wel voornamentlyk onder die dieren,
mogen geftelt worden , dewelke gewoon zyn
te woonen in zeer nauwe en beflote gaten en
holen, in dewelke de aldergrootftetoegang van
de vrye en open lucht niet gevonden word,
en dat miffchien zodanige dieren wel veel lan-
ger zoude konnen leven in deze lucht-ledige
plaats , als de boven-gemelde vogeltjes , de-
welke gewent zyn in de open lucht te verkee-
ren. Om zulks door de proef eens nader te
ontdekken , wierd een Muis in een Reciprezt
geworpen, maar het duurde onder het uitpom-
pen van de lucht niet lang , of de Muis viel in
kats-{wym. Het bleek , dat de Muis niet zo
lang in een veer dunne lucht konde beftaan, als
de boven-gemelde vogels; het welk zeer welte
begrypen is, als wy onserinneren, datde Mui-
zen aard-dieren zynde , zich altyd meerder be-
vinden in de {waarfte en onderfte deelen van den
damp-kring , als de bovengemelde vogeis. De
kraan
M. Matuur- en Konfl-Kabinet
kraan wierd zeer fchielyk geopent , zo ras als
de Muis op fterven lag , waar door de lucht
wederom in den Recipiezt kwam in tevloeyen,
en de Muis allengskens by te komen , maar
dezelve was zeer {wak , en als kwynende tot
een geruimen tyd, na dewelke de Muis wer
derom luftig en wel-geftelt opíprong als van te
voren, De lucht wierd wederom uit den Ree
ciptent gepompt, en de Muis kwam tefterven,
maar met veel minder trekkingen van leden ,
als de Leeuwerk en de Mos. hi
Dii) rig
Het is niet bedenkelyk , dat ymant zoude
twyfelen , dat deze drie dieren uit gebrek en
ontbeering van grove lucht zyn , komen te
fterven. Wy zeggen, uit gebrek van grove
lucht,want eenige zeer verdunde en lichte lucht,is
nog altyd in den Recipiezt over , na dat al de
lucht fchynt uitgepompt te zyn , gelyk als wy
zulks voor dezen klaar getoont (a) hebben,
Zommige zyn zodanig hertnekkig geweeft ,
dat zy ontkent hebben dat deze dieren , uit
ontberinge van de grove lucht , fterven , mee-
nende dat dezelve fterven van hunne eigen uits *
wazemingen, dewelke zy zeggen, dat de lucht
die noch in den Recipiezt is, zodanigbefwalkt,
dat de dieren daar als aan komen te flikken;
maar als dit waar was , moeften de dieren zo
wel flikken, wanneer de lucht niet uirden Re-
cipient gepompt word als anders. Om deze
onge-
(a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet van November en
December 121. PAZ. 446.
ade
\
Yanuvárj en February 1722. Af
ree Tegenftrevers te regt te bren=
5
n, heeft de Heer Boyle een zeer hongerige
Muis, in een Recipient gewurpe ; de Recipent
» vol lucht gelaten, en by de Muis wat kaas ge=
legt , maar twaalf uuren daar na was de Muis
niet alleen noch in ’t leven , gelyk als van te
voren , maar hadde zelfs byna al de kaas opge-
geten,niet tegen{taande de Recipient zo digt toc=
gefloten was geweeft , dat niet het alderminfte
gedeelte van de uitwazeminge van den Muis,
uit den Recipiezt konde uitvloeyen ; maar zo
ras ‘als de fucht uit den Recipient gepompt
wierd, viel de Muis in fwym , en begon ge=
„weldig op te {wellen , en zo ras als de lucht
wederom in den Kecipient wierd ingelaten ,
wierd de Muis wederom levendig áls van te
voren,
- 8,
3
Over den dienft, dewelke de lucht in de
Adem-halinge aan menfchen en dieren ‘doed,
zyn verfcheide gevoelens van den hoogwaar-
digen Boyle aangehaalt. Onder degeleerde was
Hippocrates in dien ouden tyd al van gedag-
__ ten, dat de lucht de voornaaimfte oorzaak van
leven en dood is: Dat de lucht zo noodzakelyk
‘is voor de levendige lichamen , dat , xy eeten
en drinken wel eenige dagen ‚ maar het voedzel
van de lacht , maar weinig momenten konnen
ontberen. ‘Zomimige zyn vangedagten, dat het
… eenigfte, of liever voornaamfte gebruik van de
lucht onder de ademhalinge is „ om het hart en
% bloed te verkoelen, om dat na hun oordeel,
dezelve anderzins te veel zouden verhitten,
Andere vermaarde Mannen zyn van gedagten 5
dat
46 _Natuur- en Konft-Kabinet;
dat de lucht onder de ademhalinge, indringt in
de pypjes van de long , en voortkruipt naar de
linkerholligheid van ’t hart, niet alleen om des-
“zelfs hette te temperen , maar te gelyk om te
dienen in de bereidinge der levens-geeften. An-
dere zyn van gedagten , dat het gebruik van de
Adeinhalinge is voor het bloed, om aan het zelve
gelegentheid te geven , terwyl het zelve vloeid
door de, longe , zich door, behulp van de uit-
ademinge te ontlaften van verfcheide onnutte
uitwerpzels en overtollige wey-deelen enz:
Wy zullen de redenwikkingen en tegenwers
pingen, dewelke de Heer Boyle op deze gevoe-
lens heeft aangetekent , voorby gaan , om dat
wy by een andere gelegentheid over de adem-
halivge, omftandig zullen fpreken. Wy zullen
alleenlyk aanmerken „dat de lucht die van een be-
kwame Cogfiftentie en zuiverheid is;de bek waam=
fte voor onze gezondheid is. Gelyk als wy
wel haaft bevinden , zo ras als wy in een dam-
pige of al te dikke , of kwaadaardige lucht on-.
zenademhalen. De Heer Boyle verhaalt,datinde
Lood-mynen vaa Devoria, (gelyk als ook
zulks in verfcheide andere Mynen zeer gemeen
is) dikwils zodanig een dikken damp uit de
gronden opry{t, dat daar door de lucht zodanig
verdikt word, dat, als de Mynwerkers niet
fchielyk de vlugt nemen, zy fchielyk komen te
flikken. De lucht kan in de Mynen, doorde
uitdampinge van de Metaal-aderen , zodanig
dik en onbekwaam worden ; dat daaf door de
lichtjes en lampen die in de Mynen zyn ; van
zelfs uitgaan, gelyk als wy op verfcheide plaat-
zen in ’t Natuur- en Konft-Kabinet ; hebben
aan-
SYandaryen February 1722. 4
aangemerkt. Het flikken door Dove-kolen in.
een beflote kamer ; het fchielyk flikken in {ware
Wynkelders , in dewelke de Moft fterk-aan’t .
werken is, en diergelyke waarnemingen bewy-
zen overvloedig, dat een al te dikke lucht niet
bekwaam voor onze ademhalinge is, De on-
dervinding leert ons ook wel duidelyk, dat een
al te dunne‘ente veel verfpreiden lucht , té ge-
Iyk onbekwaam voor onze ademhalinge „en
voor ons leven ís ; gelyk gebleken is in deze
bovengemelde beesjes, en gelyk als komttebly-
__ken aan die menfchen , dewelke over de hoo-
ge bergen Pertaca in Peru reizen , of dewelke
boven het gewoonelyke perk op den piek van
Kanarien opklimmen. By de Heer Boyle,
word uit Ariftoteles verhaalt, dat die geene de-
welke den hoogen Olympus beklauterden , ge-
nootzaakt waren om nat-gemaakte fpongien by
haar te dragen ‚ om de al te fyne lucht in de
hoogte met water voor hun neus te verdikken ,
en voor de ademhalinge bekwaam te maken,
hoewel wy groot onderfcheid moeften ftellen
wegens den ftaat van de lucht, dewelke op de
hooge Bergen, op de eene of andere tyd, zeer
ongelyk zal zyn: want het is welzeker, dat in
zeer koele tyden , en in zeer wolkagtige en
vogtige luchten , de hooge Bergen met veel
minder gevaar bereift konnen worden , als in
zeer warme Jaar-getyden , met heete en fyne
tuchten,
ze ng ik
Zomimige Dieten zyn otigemeen gehatt te=
gens het uitpormpen van de-lucht , en onder de
Viffchen wel voornamentlyk een Aal, De
B rde Heer
48 Natuur- en Konft-Kabine?;
Heer Boyle wierp een Aal in den Recipiezt ;
en al fchoon het vitpompen al vry lang geduurd
hadde, bleef de Aal nochtans in het leven , zo
lange tot dat hy eindelyk door het langdurig
uitpompen zich op de rugge keerde , en leide als
of hy dood was ; maar zo haat kwam de Aal
niet in de ruime lucht , of hy leefde wel uit-
drukkelyk , even zo wel als te voren. Opeen
andere tyd wierp de. Heer Boyle een Hoorn=
flak in een kleine Recipient ; de Slak was ge-
klommen aan de binnen-wanden van den Ze-
cipient ‚ maar viel geenzints na beneden , fchóon *
de lucht naukeurig uitgepompt wierd , in zo
verre, dat het uitpompen vandelucht, niet het
aldermin{te leed deede aan de Slak. Ons be-
ftek laat niet toe om te fpreken van de Viffchen
die adem halen, en wederom van de Viffchen;,
dewelke eenen anderen dienft van de lucht heb-
ben ; of van ’% gebruik des luchts voor de Zx-
fetten 5 maar wy vinden zelfs menfechen , de-
welke veel langer hunnen adem konnen miffen
als andere. Ook fchynt het dat zommige men-
fchen , hen zelven door de gewoonten eenig-
zints bekwamer konnen maken om den adem
op te houden , en de lucht eenige minuten te
konnen miffen. Van de Parel-duikersin’t Oof-
ten; en in Weft-Indien, word eenparig getuigt,
dat zommige zich vodanig hebben weten aante
wennen ; de lucht voor een zekeren tyd te ont-
beren ; dat onder dezelve zomtyds eenige ge-
vonden zyn , dewelke een geheel uur onder
water hebben konnen vertoeven ; zonder hun-
nen adem te halen, Gardaugs (a) verhaalt by de
| Heer
(a) Vide de Subeilitate, lib, 1í.
„Jatinaryen-February 1722. 49
Heer: Boyle, dat. (hoewelde getuigenis van deze
chryver.‚niet vanhet hoogfte credyt is ) zeker
uiker: van. Sicilie: eenige uuren onder water
_kondeleven.…De,‚-„Heer Boyle verhaalt voor
een zekere, waarheid, dat een zeker welgeftelt
en (fterk, Karel in, Engeland bekent was ; die
Zeer diep, tot op,den grond van den Teems
konde duiken en nederdalen by de klippen, uit
welker treten en diepe holligheden , hy de Vif-
fchen. met zyne handen wift te vangen en bo-
ven water te brengen, Acoffa verhaalt insge=
lyks,, „dat die manier, van -Viffchen in Weft-
ndien, gemeen was. , De Heer Boyle vroeg aan
Een man.van zynkennifle, (dewelkezyn werk
maakte, van door middel van een fware Klok,
in dewelke de lucht gehouden wierd, neder te
dalen, op de diepe. gronden onder de,Zee , en
aldaar. op. te viflchen gebleve Schatten , Goe-
‘deren „ Ankers , Kanon enz.) hoe lang hy op
de, diepte van vyftig of zeftig voeten onder wa-
ter,buiten de Klok zonder zyn adem te halen,
‘konde duuren 5; dewelke daar op antwoorde,
dat hy zelks niet langer als twee minuten kon-
de uit(taan, en dan, geduurig gedwongen was
zich wederom onder, zyn klok te begeven, om
in de lucht, dewelke in dezelve gevonden
wierd, zyn adem te-halen. Op welk een wyze
in zodanig een klok de. lucht gehouden word,
kan de Lezer licht begrypen, als hy maar eens
een glas perpeudiculair in”t water nederdrukt,
als wanneer hy zal zien, dat geen drup “water:
in ' glas zal indringen, en geen de minfte lucht
uit het zelve zal uitgaan. De Heer Boyle vroeg
nog nader aandezen Man, of hy ook nut hadde
ks VI Deer. D van
so _ _ANarmar-en Konft-Kabinë,
van de mert oly beftreken fpongie, dewelkehy ges _
woon was in zyn mond te houden, en op dezelve
te kauwen, als hy zich üit zyn klok in’t water
begaf, Waar op dezelve antwoorde, dat hy,
door behulp van zodanige fpongien, de lucht
veel langer konde miffchen „en zonder zyn adem
te haalen, onder water blyven , als zonder de-
zelve,
40.
Als wy overwegen, dat zommige menfchen
zich allengskens konnen aanwennen en leeren
een geruimen tyd zonder lucht, en hun adem
te halen onder water te duuren , en dat we-
derom in tegendeel zommige infelten in een
lucht-ledige plaats daatlyk fterven : dat onder
de viffchen zommige gevonden worden „dewel«
ke in een lucht-ledige plaats konnen leven,
komt het zeer waarfchynelyk voor , dat de
ademhalinge en de genietinge van de lucht van
een gebruik en dienít voor de menfchenis, des
welke tot noch toe niet klaar genoeg bekent is.
Het is buiten alle twyffel de waarheid, dat in
ons lichaam zich altyd veel meer lucht ont-
houd, als wy in’t algemeen wel komen teoor=
deelen. Maar ik zal my over deze zaak tegen=-
woordig niet breeder uitlaten, om dat ik voor-
genotmen hebbe by een andere gelegentheid van
dezelve tet meer omftandigheid en naauwkeu-
righeid te händelen. En dewyl de Heer Boyle
dezen Brief, dewelke hy aan zynen Neef, den
oudf{ten zoon van den Grave van Corke, ge-
fchteven heeft , en den welken wy dus lange
gevolgt hebben, komt te eindigen, zullen wy
tot het toekomende Natuur= en Konft-Kabinet
uit-
JanuaryenFebranryijrs: Fu
uitftellen, om over die-zaken te handelen, dee
welke de Heer Boyle over de lucht „in nog twee
andere verhandelingey die op dezen Brief ge=
volgt zyn , als ook anderzints in zyne werken,
heeft voorgeftelt. Maar om dat ik aan myne
konft-lievende Lezers hebbe belooft een naauw=-
keurige befchryving van de Barometers , Ther-
mometers enz. en derzelver onderfcheid en toe-
ftelling in ’t Natuur- en Konft-Kabinet op zyn
tyd en plaats in te vlyen , en datik reets eenige
zaken hebbe opgeheldert en befchreven , dewel-
ke hen tot de kennifle van deze verwonderens-
waardige werktuigen allengskens kan opleiden
en als voorbereiden , zal ik deze verhandelinge
overde lucht fluiten met een Brief, dewelke
de vermaarde Luucht-Onderzoeker „de Heer Da-
NIEL GABRIEL FAHRENHEIT aan my over de
Barometers en, op den 18. February 1723. ge-
fchreven heeft.
BRIEF van den Heere Daniel Gabriel
_Fabrenbeit aan Willem van Ranouw,
over eenige zaken dewelke moeten in acht
genomen worden omtrent het toeftellen van
_ Barometers.
MYN HEER,
k heb uit twee van uw laaft uitgekomen Ruk-
jes van ’t Natuur- en Konft-Kabinet met
| groot genoegen gezien , dat gy ondernomen hebt
een Natuurlyke Hiftorie van de Lucht aan ’t
gemeen mede te deelen ; en dewyl gy indezelve
zeer wel te pas hebt gebragt zodanige werktui-
D 2 gen;
ha
s2 __Naivur en. Konft-Kabinet
gen, als wy gewoonlyk gebruiken , om den
aartven de gefteltheid: van de lucht te ontdek
ken en nader op te {poren , hebbesik my (aan-
genoopt door de waare vriend{chap , déwelke
ik u toedrage, en de liefde tot diergelyke Proef-
kundige Wetenfchappen) de eere willengeven,
dezen Brief overde zaken dewelke-in-agt moe-
ten genomen worden, in't maken van Baromen
ters, met veel eerbiedigheid aan u te fchryven.
By aldien gy oordeelt, Myn Heer !,dat dezelve
voor de Liefhebbers van eenige nutheid kan
zyn, geve ik dezelve over aan uwe verkiezin=
ge, om dezelve in ’t toekomende Natuur- en
Konft-Kabinet te laten drukken , ofalsgy zulks
goed vind , daar uit te laten. Ik ftelle zulks
met te minder bekommering voor ‚ omdat ik
uit uw Schriften overal gemerkt hebbe.dat gy
opregt zyt, en van elk den lof, den -welken-hy
verdient, regtvaardiglyk verkondigt, en de ge-
breken, daar dezelve onfchadelyk zyn voor ’t
gemeen , voorzigtiglyk verfwygt.
De menigvuldige Proeven, dewelke omtrent
de zwaarte van de lucht of Dampkring van tyd
tot tyd door verfcheide Beroemde Mannen in’
werk geftelt zyn, en dagelyks nog uitgevonden
worden , getuigen openbaarlyk „dat de kwik-
kolom in de glaze buizen der Barometers van
de aanparffende zwaarte-kragt des Dampkrings
„em hoog gehouden word, en met den. zelven
tuffehen de 264 en 294 Franfche Konings-dui-
‚men, of tuflchen de 28 en 31 Londonfche dui-
men een geduurig evenwigt onderhoud. Al
„fehoon dit nu de twee uiterfte punten van de
„grootfte zwaarte en alderuitftekenfte ligtheid
van
Yannarpen February 1722. 53
van den Dampkring zyn, dewelke tot nog toe
ondervonden en waargenomen zyn, kande ver-
…_anderinge ‚dewelke geduurig omtrent dez waar-
te van den Dampkring gebeurd , niet met de
uiterfte netheid gekend en ontdekt worden , ten
zy daar toe goede Barumeters gebruikt worden,
Daarom legt in’t oeffenen vandeze nafpeuringe
den liefhebberen zeer veel gelegen aan Barome-
ters, dewelke zo naauwkeurig de zwaarte des
Dampkrings aantoonen , als het mogelyk is.
Want de kwik die in de Barometer is ; zal nooit
“ de wezendlyke zwaarte van deu Dampkring
aantoonen, als eer{telyk niet genoegzaam zor-
ge gedragen is, dat al de lucht uitde Barometer
is uitgebragt ; ten tweeden , als de buizen in-
wendig niet volkomen fchoon en rein zyn 3
ten derden, als de buizen te naauw zyn; ten
vierden, als de kwik zelfs onzuiver is5 en ei-
delyk ten vyfden, als geen genoegzame omzig-
tigheid gebruikt word, in ’t vullen van de bui-
zen met kwik, om te beletten dat niet de al-
derminfte vuiligheid of {met in de buizen of
onder de kwik gerake,
Wat nu de volkomen Evacuatie van de
Jacht uit de glaze buizen belangt, mag ik zeg-
gen, dat het dikwils gebeurd , dat de toeftelders
of werkmeelters van de Barometers of geen ge=
noegzame kenniffe bezitten, om de lucht zoda-
nig volkomentiyk uit de glaze buiste doen gaan
als vereifcht word, of dat dezelve te agteloos
zyn, om te verhoeden, dat, onder het vullen
vande glaze buis met kwikzulver , te gelyk eeni-
“ ge lucht kome in te fluipen , of over te blyven
in den buis. . Als dan in den glazen buis noch.
AN WRED 3 eeni-
s4 Natuur-en Konft-Kabinet,
eenige lucht is overgebleven , word daar door
de deugd van een Barometer merkelyk vermin-
dert; want de overgebleve lucht by malkande-
ren geraakt zynde in ’ bovenfte gedeelte vande
Barometer, ’twelk volkomen lucht-ledig dien-
de te zyn, doet net zo veel tegenparffinge aan
de kwik-kolom, als deszelfs nog by geblevene
Elafticiteit of veer-kragt komt te bedragen.
Wat de inwendige zuiverheid en bekwaam-
heid van de glaze pypen belangt, hier omtrent
durveik verzekeren, dat zomtydsgebrekkelyk-
heden aan de materie van ’t glas zelver zyn,
dewelke by elk een niet bekent, veel minder in
agt genomen zyn geworden. Want de glaze
pypen konnen inwendig zeer onzuiver worden,
als dezelve van een glas-materte gemaakt zyn,
die te rykelyk met een loog-zout bezwangert
is; want de vogtige deeltjes, waar mede de
lucht meeft altyd meer of minder voorzien is,
grypen het overtollige loog-zout aan , loffen
het zelve op, en veroorzaaken dat de inwen-
dige oppervlakte van diergelyke glaze pypen al-
tyd met een vogtigheid overtrokken is. Deze
oploffinge word voortgebragt , of van de wa-
zem die altyd van den adem van den glasblazer
in ’t binnenfte van de pyp overblyft, of ook
wel van de vogtigheid des gemeenen luchts.
Als van zodanige pypen Barometers worden
gemaakt, word de kwik in deszelfs opryzinge
door die vogtigheid merkelyk belet. Doch als
het al gebeurde, dat iemand op een plaats Ba-
rometers kwam toe te ftellen , alwaar geen an-
der als zodanig glas te bekomen was, zoude
zyn eerfte zorge moeten zyn , omde Ere
eze
SFanuary en. February 1722. ss
deze wazem te reinigen , en dezelve volko-
mentlyk te zuiveren, » }
Het gebeurd ook dikwils, dat de inwendige
oppervlakte der glaze pypen als met een fmerig-
heid befineurtis, al zyn die pypen zelfs al ge-
_ maakt van goede glas-ftof, dewelke de ontbin-
dinge van haar loog-zout-deeltjes door de vog-
tigheid van de lucht geenzints onderworpen is;
want als deze pypen, het zy in de glas-huizen
of elders, eenige tyd komen te ftaan, zetten
zig zelfs uit de lucht, die in de holligheid van
die pypen is, altyd eenige Heterogene deeltjes
tegen de binnen-wanden van die glaze buizen,
en hegten haar zelven aldaar zodanig ‚dat zulks
eene kleverigheid veroorzaakt; op die zelfde
wyze als wy, dog op een zigtbaarder manier,
dagelyks zien gebeuren, aandiezaken, dewel=
ke in de lucht komen te beflaan. à
De inwendige wydte van de Barameter-bui=
zen komt ook niet weinig in overweginges °
want de ondervindinge heeft geleerd, dat, als
twee pypen, die van goede glas-{toffe gemaakt
„en wel gereinigt zyn, van malkander daar in
komen te verfchelen, dat de eene pyp zeer
naauw „ en de andere van een behoorlyke wydte
is, zal, zo ras als dezelve met kwik opgevult
zyn, de kwik-kolom in de pyp die alte naauw
is veel lager (laan, als in die pyp, dewelke
behoorlyk wyd is, De reden hier van is aan_u
genoegzaam bekent, want het is dezelfde oor-
zaak, dewelke gy in uw Natuur-en Konft-Ka-
binet hebt (4) vaommiel Ik zoude by deze
D 4, gele
(a) Ziet Natuur-en Konfl-Kabinet November en
December 1721. pag. ALÓ. en Tab, xxxVI, Fig. ze
56 Natuur- en Korft-Kabinet’,
gelegentheid nu we} konnen bepalen, hoe wyd
de glazebuis van een Barometer eigentlyk moet
zyn, op dat geen repulfie van ’t glas eenige be-
lemmeringe aan de hoogte van de kwik-kolom
veroorzake , maar het beftek van myn Brief -
laat geenzints toe , om zulks uitvoeriglyk, en.
zodanig als dat behoort, af te handelen ; want
ik hebbe over deze zaak vêrfcheide Proef-on-
dervindingen waargenomen , en aangetekent,
dewelke te wydlopig zyn ‚, om hier voorgeftelt
te worden; daarom zal ik deze zaak tot een na=
der gelegentheid uitftellen, by ‘dewelke ik nog
verfcheide Proeven zal voegen , dewelke ik
over de aanklevinge van onderfcheide vogten in
kleine haar-pypjes in ’t werk geftelt heb.
Als wy nu onze aandagt laten gaan over het
kwikzulver, waar mede de Barometers worden
gevuld, leeren wy door de ondervindinge, dat
het ten hoogften noodzaaklykis, dat die kwik
volkomentlyk zuiver en fchoon gemaakt is,
Want als de kwik maar met de alderminfte on-
zuiverheid , of met eenige vreemde metalyne
deeltjes vermengt is, veroorzaakt zulks daatlyk
een aanmerkelyk onderfcheid in de hoogte van
de kwik-kolom. Gemeenlyk konnen wy het
kwikzulver zuiver genoeg, om het zelve tout
Barometers te gebruiken, inde Drogiftwinkels
kopen, als wy maar zorge dragen dat de ftof,
die gewoonlyk daar op dryft, van die kwik
afgenomen, en dezelve op die wyze gezuivert
word; en by aldien het al kwam te gebeuren,
dat eenige vreemde metalyne deelen onder het.
kwikzulver vermengt waren, maakt zich zulks
aanftonts bekent en openbaar aan een vlies , „A
vl
Yannary en February 1722. SP
‚ich in die omftandigheid opde oppervlakte van
de kwik vertoont, en deszelfs glans beneemt,
‚Deze metalyne onreinigheid, die aan het kwik-
zulver een ongemeene traagheid veroorzaakt,
‚ kan van dezelve afgefcheiden worden , als de
kwik in een retort door het vuur overgehaald
word.
Zommige, aan dewelke het gebruik en het
eind-oogmerk van de Barometers niet genoeg-
zaam bekent is, zullen niet konnen begrypen,
waarom wy zo veel werk maken , dat de kwik-
kolom in alle Barometers bp een en dezelfde
hoogte behoord te ftaan. Maar om deze uit
den droom te helpen, zal ik, uit veele nuthe-
den, maar eene zaak aanhalen. Als het by
voorbeeld kwam te gebeuren, dat iemand met
een of meer Proef-kundige Natuur-Onderzoe-
kers wilde nafpeuren , het verfchil van de 7 waar-
te van den dampkring op dezelfde tyd-punten
in Amerika, Afia, Afrika, Europa, of in
Vrankryk, Italien, Spanje, Engeland, Duits-
land enz. In dat geval zouden zy nooit in hun-
ne Calculatie van malkanderen verzekert kon-
nen zyn, by aldien zy alle op die verfcheide
plaatzen niet voorzien waren van zodanige Ba-
rometers, in dewelkedekwik-kolom, in geval
van een egaale parflinge van de lucht-kolom,
op een egaale hoogte word opgeparft.
Als de Liefhebbers of Werkmeefters ,dewel=
ke tegenwoordig daaglyks bezig zyn om Baro-
meters toe te ftellen, dan zeer naauwkeurig
hebben leeren agt geven en uit den weg ruimen
de inwendige fmerigheid van de glaze buizen,
de onzuiverheid en de onreine vantkwik-
EA Zui
$8 Natuur-en Konft-Kabinet,
zulver, de al te groote naauwheid van deglaze
pypen enz. , zullen zy noch op geenderley wyze
in ftaat zyn, om een goede Barometer te ma-
ken; want de manier , door dewelke heden-
daags het kwikzulver in de buizen word ge-
bragt, is niet zodanig als dezelve behoort in ’t
werk geftelt te worden; en het is op die wyze;,
dewelke zy onderhouden, genoegzaam onmo-
gelyk omte beletten , dat niet eenige fmet in
de glaze pypen onder de opvullinge van dezelve
gerake. Dit is de oorzaak, dat onder een groot
getal Barometers, dewelke wy daagelyks ont-
moeten, zelden een gevonden word, die in=
derdaad goed is, Ik zoude nu de oorzaaken
van ’t gebrekkelyk vullen van de Barometers
wel kunnen aanhaalen, en te gelyk de eigent-
lyke manier van de Barometers met kwik te
vullen alhier konnen voorftellen ; maar ik weet
op een goeden grond , dat dezelve by u zeer
wel bekent zyn.
Ik vinde onder de Liefhebbers hedendaags
een gevoelen, ’t welk by veele fchynt door te
gaan: dat is, zy geloven, dat de deugdzaam-
heid van een Barometer veel afhangt van de
groote en ruimte van ’t bovenfte gedeelte des
Barometers, ’t welk de lucht-ledige plaats van
de Barometer komt uit te maken, en ’t welke
gelaten word, boven de kwik-kolom. Daar-
om verkiezen veele niet alleenlyk zeer lange
glaze buizen, maar zommige gebruiken pypen ,
aan welkers boven-einde een bol aangeblazen
iss op dat de lucht, die by het vullen van de
Barometers noch mogte in de glaze buis zyn
gebleven of ingeflopen, op die wyze een groo=
, ter
January en February 1722. $3
ter plaats mag genieten, om zich wyder te kon-
nen uitbreiden, en aldus met m'nder Elafticiteig
tegens de’ kwik-kolom aanparflen, Maar deze
voorzorge is geheel onnodig, als op de zaken,
dewelke ik aangeroert hebbe, zorgvuldig acht
gegeven word. Want in een korte Zubus van
maar 31 Engelfche duimen, omtrent dewelke _
zorge gedragen is, dat noch lucht, noch vog-
tigheid, noch eenige fmerigheid aan de binnen-
wanden van ’t glas, noch eenige onzuiverheid
overgebleven is, zal de kwik-kolom, in geval
van een egaale luchts-zwaarte of parflinge, veel
hooger ftaan, als in een pyp van hondert of meer
duimen lengte, of met een bol voorzien, om=
trent dewelke die zaken niet behoorlyk waar=
genomen zyn, gelyk als ik , in de tegenwoor-
digheid van u en verfcheide andere treffelyke
liefhebbers, voor dezen dikwils met de Proef
zelfs getoont hebbe. In welke zamenkomfteik
ook te gelyk deede zien, dat zelfs een weinigje
lucht, dat in de lucht-ledige plaats van my over-
gelaten was, niet zo veel nadeel aan het opry-
zen van de kwik-kolom kwam te veroorzaa-
ken, als de minfte {met of vogtigheid, dewel-
ke in de pypen gevonden wierd,
Het verfchil van de hoogte des kwik-koloms ,
in verfcheide Barometers in een en dezelve
zwaarte-kragt des dampkrings , is aldereerft
ontdekt, en waargenomen vanden uitmunten=
den Natuurkundigen Wiskonftenaar den Heere
de la Hire, Mede-lit vande Koninglyke Fran=
fche Societeit der Wetenfchappente Parys: ge-
lyk als zulks in de Hiftlorie en Memoires van,
gemelde Socseteit omftandig verhaalt word, De
aan-
so __ Natuur-en Konft-Kabinet,
aanmerkingen , dewelke die Heer daar ter plaatze
maakt , zyn goed; maar de middelen dewelke
hy voorfchryft zyn niet volftrektelyk genoeg,
om dit aanmerkelyk gebrek met de wortel uit
te roeyen. Gelyk als ík zal toonen, wanneer
ik kome aan te wyzen, op welk een wyze ge-
werkt moet worden, om Barometers te ma-
ken, in dewelke de kwik-kolom in een egaale
zwaarte des dampkrings altyd even hoog ftaat ;
en door dewelke de waare zwaarte van den
dampkring altyd aangewezen word. ’t Welk
alhier de plaats niet is ; om dat tegenwoordig
myn oogmerk zig niet verder uit{trekt , als maar
enkelyk om de gebreken van de dagelykfche
kwalyk toegeftelde Barometers aan te wyzen,
voor zodanige liefhebbers aan dewelke gy goed
zult vinden deze aanmerkingen deelagtig te ma=
ken, en dewelke nog niet kundig genoeg zyn
om van de ware deugd der Barometers te oor-
deelen.
Omtrent de bakjes die aan de Barometers ge-
voegt worden , zyn ook eenige zaken aan te
merken, Deze bakjes die van hout of van glas
zyn, dienen (gelyk zulks genoegzaam bekent
is) 1. Omhetonderfte einde van den Barometer-
buis of pyp te bedekken met de kwik, die ín’t
bakje is,en zodanigen gemeenfchap met malkan-
deren te doen genieten, dat geen de alderminfte
inden met kwik gevulden Zubus, of Barometer-
pyp. 2. Verftrekken deze bakjes met kwik,
om in zich altyd voorraad vankwik, alsin een
agazyn te houden , uit het welke (in geval
an de alderuit{tekenfte zwaarte-kragt van den
Damp-
buiten-lucht kan dringen, of om hoog flippen,
SFannaryen February 1722: CE
Dampkring „en als wanneer de kwik in den,
glazen Zubus tot op de hoogfte graad word op-
_geparft, en vervolgens de kwik-kolom langer
word,) de kwik gefourneert word. Zodanig
een bakje moet voor al niet te naauw zyn; ge-
Iyk als ik, de meefte bakjes van de Barometers
kome te ontmoeten, . Het welke wel meeften
tyd gedaan word om de onkoften van een wei-
nigje meerder kwikzulver te befparen. In te-
gendeel behoort zodanig een bakje vooral van een
bekwame wydte te zyn, op dat de kwik,in’t geval
van minder gewigte des Dampkrings, zig behoor-
_Iyk in ’ bakje zoude konnen, uitbreiden, en al-
dus tot geen merkelyke, hoogte in een alte
naauw bakje komen op te ryzen. Want het is
zeker, dat de kwik-kolomin de Barometer-pyp
net 70 veel minder zakt, als de kwik in ’t
bakje in de hoogte komt aan te winnen, Maar
als op de behoorlyke wydte van’t bakje naauw-
keurig agt gegeven is, zullen wy uit de byge-
voegde.duim;maat, op de plaats alwaar de ver=
andering van de kwik aan ’t boven-einde van
de kwik-kolom gefchied , de veranderlyke
zwaarte van den Dampkring konnen gewaar
worden,
Omtrent de maat, dewelke aan de Barome-
ters gevoegt word, om daar door gewaar te
worden en te zien hoe veel de kwik, in. geval
van veranderinge van zwaartedes Dampkrings,
komt te ryzen, ftaat ook aan te merken, dat
verfcheide toeftelders van Barometers misflagen
begaan. Want wy. zien daaglyks veel Barome-
zers, by dewelke de gemelde maat met geen
getallen van duimen is gezoteert : maar alleen-
lyk
62 Natuur-en Konff- Kabinet,
Iyk naar het loffe goeddunken des makers daar
is bygevoegt. Wy vinden zommige die noch
kwanfuis eenige getallen by hunnen maat voe-
gen, even als of door dezelve het eene of het
andere zoort van duimen aangeduid wierd;
maar als wy deze getallen onderzoeken, bevin-
den wy, dat zelfs ook deze meefters geenzints
den duim-maat hebben ín agt genomen 5. het
welk de liefhebbers daatlyk konnen gewaar
worden , als zy maar de moeite believen te
doen ‚van met de eigentlyke maat de lengte
van de kwik-kolom af te meten. Wat vorder
de verdelinge van deze maten belangt , kan ik
niet voorbygaan , dat wy ook een groot ver-
fehil in dezelve ontmoeten. Want deze ver-
delinge gefchied ook veeltyds zo maar flegts
naar het eigen goeddunken des makers; alwaar
noch bykomt , dat dikwils de eene het {poor
van den anderen blindelings komt te volgen ;
en dat deze misflagen noch onaangenaamer
maakt, is, om dat wy dezelve dikwils zien be-
gaan van zodanige , die zich verbeelden van
deze zaken grondiger kenniffete hebben als an-
dere. Het ís wel evenveel wat voor voet- of
duim-maat gebruikt werde om de kwik-kolom
af te meten 5 want elk een kan de voet- of duim-
maat, die in zyn land daar hy woont gebruike-
lyk is, daar toe verkiezen : voornamentlyk als
dezelve overal bekent is ; want als wy de pro-
portie van dezelve weten, konnen wy dezelve
altyd met eene algemeene bekende duim-maat
vergelyken. Maar ik bedien my tot dien einde
meeft van de Franfche Konings-deimen, of van
de Londonfche duimen , maar niet van sd
n=
Yannaryen February vzat. 63
__Fnlandfche noch Rynlandfche maat. De reden,
dewelke my hier toe beweegt, is, om dat in
Vrankryk en Londen daaglyks aantekeningen
van de veranderinge des Dampkrings gemaakt
worden , waar door de liefhebbers die myne
Barometers gebruiken, en die alhier de dagelyk-
fche verandering des Barometers aantekenen,
en de aantekeningen van Parys en Londen mag-
tig komen te worden, konnen weten , hoeveel
de zwaarte van den Dampkring van Parys en
Londen, met de zwaarte van den Dampkring
alhier op het zelfde tyd-punt komt te verfche-
len ; waar doof zy van de moeite ontflagen
zyn, om by elke obfervatie uit te cyfferen de
__hoogte van de kwik-kolom in Londenfche of
Paryfche maat.
Ik hadde noch befloten in dezen Brief te voe=
_ gen eenige kentekenen van een goede Barome-
ger, als mede eenige obfervatien aangaande de
ligtende Barometer , benevens noch verfchei=
de andere zaaken van dewelke wy. onlangs in
een zamenfpraak gehandelt hebben ; maar ik
__zal dezelve uitftellen, en in een tweeden Brief
voorftellen ; om dat dezen Brief reeds grooter
is geworden, als het beftek dat ik my in ’t be=
gin van den zelven voorgeftelt hadde. Daarom
zal ik afbreken, en my bevelen in uw gedurige
4 en verblyvende tet veel hoog-ag=
tinge,
zie Myn HEER! enz.
__ Amfterdam den 18.
February 1723,
DANIEL GABRIEL FAHRENHEIT:
s : Zevenn
e4 Natuur-en Konft-Kabinet
Zevende Verhandeling wan de BT:
_ZONDERE NATUURLT.
RE HISTORL-SCHRIVERS;
enindezelve de Natuurlyke Hufborie
wan de Indigo.
5
e Indigo is een blaauwe verf-ftof, die niet
; Breen door de geheele wereld vermaard
is, maar in dewelke door verfcheide volkeren
een groote koophandel word gedreven. Deze
verf-ftof word tegenwoordig op verfcheide
plaatzen gemaakt; het welke de oorzaak is , dat
dezelve veel van malkander komt te verfchelen ,
en dat verfcheide zoorten van Indigo gevonden
worden. De Konftenaars en Werklieden, die
den Indigo tot hun werk gebruiken ‚zyn zo veêt -
verfcheiden , en zo veel in getal, dat het zeker
is, dat aan zeer veele nutheid en voordeel zal.
gedaan worden , door een naauwkeurige be-
fchryvinge van de Indigo in’ ligt te geven,
Want alfchoon de kenniffe van ’t gebruik van
deze verf-ftof door konft-oeffeninge en eigen
arbeid daaglyks by de Konftenaren en. Werk lie-
den verkregen word, behoeft niemand te twyf=
felen, dat hy noch beter afgeregt zal worden
in ’t wel gebruiken van den Indigo, als hy by
de ervarendheid de natuurlyke en diepe kennifle
van den Indigo komt te verkrygen ; als dat hy
zo maar flegts het gebruik van den Indigo al-
leen komt te leeren door een ander blindeling
nâ
} Jannaryen February 17ar: óp
pa te volgen. Zodanig, een. natuurlyke -ken-
_gifle van de waare gefteltheid en aard: van den
Indigo, kan niemand tot noch toe door het le-
zen vau boeken, veel minder door fchraale en
onzekere berigten agterhalen. …Want de berig=
ten gefchieden dagelyks van onbekwameen on=
geletterde, veel minder in de Proef-kunde en Na-
tuur-kunde ervarene perzonen,die met geheel an=
dere oogmerken gereift of gevaren hebben, en
tegen malkander ftrvdig zyn5 en de Schryvers
_ hebben tot noch toe niet als zeer gebrekkelyk ,
dikwils zeer verkeerdelyk, en dan noch maar
in ’t voorbygaan van den Indigo gefchreeven.
Niet, om dat aan hen de bekwaamheid heeft
ontbroken , maar om dat de naauwkeurige na-
vorfchinge van de Indigo tot noch toe niet fterk
in de gedagten fchynt gevallen te zyn, Het is
altyd gangenaam voor de Lezers, dat een tof,
dewelke uit zich zelfs van een naargeeftige een-
parigheid is, vermengt word met zaken , die
eenige veranderinge geven , en die echter die-
nen tot ophelderinge van het al te fchrale én al
‘te melancholyke onderwerp. Daarom zal ik,
„zo veel als in myn vermogen is, het nutte niet
alleen met het verkwikkelyke mengen ; maar
ik zal, zo veel als ik kan, ook zorge dragen,
dat het verkwikkelyke zelfs nutheid aanbrengt,
den Indigo nader opheïidert, en altyd op des-
zelfs naauwkeuriger en dieper kenniffe als ter
neder komt,
$
vie 2.
Zeer veel menfchen,en onder die gene verfchei-
de, dewelke zig inbeelden deze zaken boven ande-
„re te weeten , {chynen te meenen datde Fabrycq
…_VIJ Deer. eN ls van
k
68 _Narmur- en Konft-Kabinet,
an de Indigo van een jongendatum is. Ik ges
loof dat deze dwalinge veroorzaakt word, om
dat zedert eenige Jaaren op verfcheide plaatzen
in Afia en Amerika, het maken van Indigo eerft
in ’t werk geftelt is: gelyk als by voorbeeld te
Guatimalo , te Sint Thomas, op de Eylanden
Barbados, Jamaica, Sint Euftace, te St. Do-
mingo , te Guardaloupe , te Martinique, te
Suriname, op Curaflouw, op Java, op Cey-
lon, Kormandel enz, Maar het is zeker, dat
de Indigo al by de Ouden is bekent, en groo=
telyks in ’t gebruik geweeft : dat in de Indigo
al koophandel is gedreven voor onbedenkelyke
eeuwen. Dioftorides, Plinius, Vitruvius, en
eenige andere oude Schryvers, hebben maar
zeer kortelyk meldinge gemaakt van deze of
geene ftoffen, die of blaauw van koleur wá-
ren, of met dewelke blaauwe koleuren of ge-
fchildert of geverft wierden , en als deze ftoffen
uit de afgelegenfte deelen van Atia in Grieken-
land, of tot Romen van Natie tot Natie over-
gebragt moeften worden, hebben zelfs die oude
Schryvers den oorfprong, het Vaderland , de
natuurlyke gefteltheid , en de toebereidinge van
diergelyke ftoffen niet geweten. Dit isdeoör-
zaak, dat zy dikwils aan die ftoffen zulke al-
serneene , of oneigen namen hebben gegeven,
Gat de later nakomelingen dikwils op geender-
hande wyte hebben konnen agterhalen , welke
ftoffen onder de tegenwoordige bekende ftoffen
of materien het eigentlyk zyn, die zy door die
namen in die tyden kwamen tebeduiden. Dit
heeft veel verfchelende meningen en zintwiftin=
gen veroorzaakt: te meer, om dat de Codiees
en
dk
BRA 0e)
í _Fanmary en February ipsa. 65
€ Affchriftefs van de boeken det Ouden, difte
_Wils zodanig gebtekkelyk zyn overgefthreven,
vân een tegenllrydigen zin, dat de álder=
dehefpzinnigfte Oofdeelkundigen, of Criticf,
daár dir dik wils in verwarringe en tot dwaä-
Finge Zyn gebragt. Dit is de reden, déwelké
my verpligten deze befchryvinge van den Indigó
fiet meerder naau wkeurigheid en toepaffinge té
_ VOlvoeten, én ook zelfs de gefteltheid van deze
vérf-ltof dieper uit te pluïzen, als ik anderzints
zoude gedaan hebben. De gemelde dwalingef
Zyn de oorzaak , dat ik zál moeten fpreken váh
wede en de Patel, van ’ Koninglyke Pur-
per der Ouden, var de Karmozyn-béyér , vän
LOmtige Schilder -lakkert, van ver feheide Plante
gewaflen die verkeerdelyk voor Indigo -kfuid
zyn dangezien, en van véél andere zaken, dé-
welke ik óm die reder, tot ophelderinge vánù
deze Natuurlyke Hiflorie var de Indigo, heb
moeten bybrengen,
3.
Dioftoridts, een vermaard Grieks Schryver,
die geleefd heeft tuffchen Néro én Vefpafiands ;
geeft , gelyk ook Plizias en verfcheide oudé
Schryvers, dan den Indigo, dewelke na overal
gebruike word, den náart van (2) Izdicur. Wie
deze naam Zwdrcumt is buiten twyffel door éenis
ge verandering van letters de naam Jedigo voort-
gekomen. De oude Grieken noch Romeirien ,
fehynef' niet geweren te hebber’, waar de In=
digo im Ooft-Indiert 4 gemdäkt wierd. Hie
2 ut
(<) Pid. Diofsorid. rib. $. Caf: tov,
68 Natuur- en Konft-Kabinet,
uit zyn verfcheide dwalingen geboren. Nadat
de Portugyzen, Engelfchen , Hollanders, Fran- .
fchen, en andere Europifche volkeren, Afrika
zyn omgezeild, en door de Scheepvaart in de
afgelegenfte Plaatzen der Oofterfche Indien zyn
doorgedrongen, hebben zy niet alleenlyk den
Indigo en deszelfs bereidinge , maar ook zelfs
het heefteragtig gewas, daar dezelve van ge=
maakt word, met hunne oogen gezien. Aan
het gewas, daar de Indigo van gemaakt word,
geven de Later-{chryvers , en zelfs die van on-
zen leeftyd, den naam van Azil ; gelyk als het
zelve ook in ’t Land vanden Grooten Mogol,
en byna overal by de Arabieren, Indianen enz. _
door dien naam bekent is. Maaraande Fecula
of geftremde moer, dewelke van het zap vande
Anil bereid word, geven de Later-fchryversden «
naam van Indigo, in navolginge van den naam
Zudicum der oude Schryvers. |
Als dan de Oude van de Zudicum of Indigo
fpreken, verftaan zy geenzints de heefteragtige |
plant Axl , om dat dezelve aan haar onbekent
is geweelt ; maar deszelfs Fecula of geftremt zap,
namentlyk die vermaarde verw-flof, den welken
verwe |
(a) Vid, Arrians Periplas Maris Erythrai,
EN
EAR
RN
SFanuaryen February1p22. 69
verw-lak , het welke uit de diepfte plaatzen van
Arabien, in deKoopfteden, gelegen aan de oe-
„ wers van de Roode Zee, en vorder overal, be-
nevens andere Indiaanfche Koopmanfchappen ,
gebragt wierd. Het is zeer waarfchynelyk,
dat door dezen naam Lak, zo wel den Indigo
kan verftaan worden , alsde bekende Gom-lak ;
om dat de Grieken wel gewoon waren , den
naam Lacca of Lak, te geven aan een Fecula
of geftremt zap, het welke tot verwen of fchil-
deren gebruikt wierd; en alfchoon wy gewoon
"zy den naam van Lak te geven aan Harften of
Gommen , met dewelke verlakt word; of ook
wel aan Zegel-lak , geven wy ook zelfs den
naam van Luak aan die toebereide en geftremde
zappen, metdewelke, het zy met oly-koleuren
of water-koleuren, hedendaags geverwt of ge=
fchildert word. Gelyk by voorbeeld Karmyn-
lak , Florentynfche lak , blaauwe lak , geele
lak, enz.
Als wy ook agt bnn ‚ hoe de verw-lakken
toebereid worden, en te gelyk weten op wat
wyze de Indigo gemaakt word, zullen wy daat-
lyk bemerken, dat de Indigo inderdaad niet an-
ders isals een bereide verw-lak. Wy zyn in ftaat
om uit alderhande.gewaffchen en ftoffen , die op
de eene of de andere wyze aan het water een ko-
leur mede deelen , een zindelyk en fchoon verw-
lak te maken. Op dat myn Lezer van alles
grondig onderregt mag worden, zal ik korte-
lyk zeggen, dat om een verw-lak te bereiden,
genomen word een kruid, of een hout, of een
wortel, of een bloem, of een vrugt, of zelfs
: B 3 wel
7e Natuur-en Konfi-Kabinet,
wel Concheuilie, of een andere afverwende ge=
koleurde (tof. Op zodanig een ftof, uit dewelke
wy een verw-lak tragtente bereiden, word ge=
oten een loog, die ongemeen flap is, en die
bereid is van water, en een weinigje pot-afch ,
of eenig ander zout of (tof, die aan het water
eenige kragt byzet, om de koleur zo veel te be=
ter uit te trekken. Zodanig een loog moet zeer
Dap zyn, om dat anders die koleur te veel gee
kweft zoude worden : ook moet zodanig een
loog verfcheidentlyk toebereid worden, naar den
verfcheiden aart der floffen, uit dewelke wy
een verwelak komen te maken. Als de koleur
uitgetrokken is, word de loog zuiver afgego=
ten, en in dezelve zeer voorzigtig aluin-water
geworpen, of iet anders, het welke in dit loog
doet ftremmen den droezem , of moer , of ftrem-
zel, en dit (tremzel is de eigentlykelak, nadat
dezelve van zyn ioog-zouten , of bygewurpe
fcherpe {tof , wel is afgezoet, en tot brokjes of
klompjes gedroogt. Op dezelfde wyze word
ook de Az:l afgeneden van’t land, en in groote
Bakken met een aangezet water gewurpen, na
dat dezelve aldaar eenigen tyd heeft ftaan wer-
ken en broeyen , en als het zap van den Azil
genoegzaam in ’t water is getrokken, word dit
water in een ander vat af bak afgetapt of over-
gegoten, en door een zeker werktuig op zyn
behoorlyken tyd zo lang geflagen, tot daar in
een zekere moer of ftremzel te zamenfchiet 5
het welk uitgenomen, gezuivert en tot brok-
ken of koekjes gedroogt zynde, den zo zeer
vermaarde Indigo komt uit te maken.
Zom:
Januaryen Februaryijza. 7e
6.
_ Zommige zouden miflchien oordeelen, dat
de verw-lak, daar Arrianus van fpreekt , de
_ Indigo niet kan geweeft zyn, om dat hy ver-
haalt, dat deze verw-iak in de Koopfteden , de-
„welke in dien tyd aan de boorden van de Roode
Zee gelegen waren, gebragt wierd uitde diep-
fte deelen van Ärabien, dewyl in Arabien geen
Indigo voortgeteelt of bereid is geworden ; maar
de Indiaanfche Waren, dewelke noch in Ara-
_… bien voortgeteelt , noch door konft gemaakt
waren „ wierden door de Arabieren zo. wel te
Land als te Water uit Indiën, in de Rode Zee
gebragt; gelyk zulks doch in veel minder hoe-
veelheid noch dagelyks gefchied. De oorzaak
was, om dat de Oofterlyke deelen van Arabien
aldernaaft gelegen zyn aan het Land van den
Mogol, aan het Land van Cambaeye, Guzu-
ratte, en aan de Malabaarfche Kuft. Al voordat
de Azil bekent was geworden , en dat noch op
zo veel plaatzen dezelve niet voortgeteelt „noch
den Indigo bereid wierd, waren deze Landen
het voorname magazyn van de Indigo; en
daarom is het ook zeer waarfchynelyk , dat
door de verw-lak van Arriauus de Indigo moet
verftaan worden, te meer , daar al lang voor
den leeftyd van Arrianus , het gebruik van de
Indigo by de Romeinen bekent was, en dat ook
dezelve door de Rode Zee, en van daar doot
Egypte, benevens andere Indiaanfche Waren ,
in Italien en te Romen overgebragt wierd.
Als de Lezer begeerig is, om te weten op welk
een wyze deze Keopvandel der Ouden van de
4 Ine
7Z Natuurs en Konft-Kabinet,
Indiën op Europa, en van Europa opde Indiën,
door den weg van de Roode Zee gedreeven
wierd, kan zulks gezien worden inde (a) twee
Verhandelingen, dewelke ik over de Roode Zee
in ’ ligt heb gegeven.
7.
Arrianus verhaalt in ’t zelfde Boek, het wel=
ke ik op de kant aangetekent hebbe, dat uit het
Ooften ook overgebragt wierd een zwarte (tof,
deze noemt hy Zzdicum Nigrum. Als wy nu
op deze plaats door het woord Judicum ‚ met
verfcheide Geleerde Mannen, ook den Indigo
verftonden, zoude het zo veel zyn, als of die
Schryver zeide zwarte Indigo; maar om dat de
Indigo niet zwart maar blaauw is , kan Arrta-
aus hier geen Indigo verftaan; en om dat Zzdie
cum niet anders betekent als iets Zudraanfch,
moeten wy deze plaats verftaan , als of hy zeide
Indiaans zwart, maar geenzints zwarte Indigo ;
te meer, om dat de Indiaanfche Inkt, die noch
hedendaags in gezegelde en langwerpige vier-
kante blokjes tot ons ovefgebragt word, en
met dewelke wy in de water-fchilderkontft fcha-
duwen en waflchen , met regt Indiaanfch fwart
genoemt mag worden; en dat wy niet moeten
denken, dat deze Indiaanfche Inkt, of dit In-
diaans wart, van een jonge Fabrycq ‚maar zelfs
ook by de Ouden algemeen in ’t gebruik ge=
weeft
(a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinst September en
Oftober 1720. van pag. 241 tot pag. 336. en Natuur-
en Konft- Kabinet November en December 1720. van
Page 440 tot pag. 570.
Januaryen Februaryrgz2. 78
weeft is. Want Galenus (libr. 4. de Comp, Med.)
‚en Paulus noemen op verfcheide plaatzen dee
zen Indiaanfchen Inkt, en ook met dezelve
woorden als Zedicum Nigrum (Indiaans wart)
…_ die Arrianus gebruikt in 't Grieks , te weten,
__ dvòrnov géAav, ’t welk Indiaanfche Inkt betekent.
_
f 8.
Dat door de naam verw-lak , daar Arrianus
van fpreekt, geenzints den rooden gom-lak,
maar veel eerder den Indigo moet verftaan wor=
‘den, blykt noch klaarder uit de woorden met
dewelke Arrianus in ’t zelfde boek de roode
gom-lak befchryft , hy noemt dezelve Cizzg=
baris, of Fermilioen, ontlenende hier ’t woord
Fermilioen van de eigentlyke Fermilioen, om
door het zelve een zeer fchoone roode koleur
uit te drukken, het welke de Ouden wel ge=
woon waten, gevende zelfs de Meny den naam
van Fermilioen, of het Draken-bloed , volgens
de getuigenis van (a) Drofcorides, en wederom
aan het Fermilioen den naam van Menie ; maar
dat hy geen cigentlyk Fermilioen verftaat „blykt
uit zyn volgende woorden. Het word (zegt hy)
Fadiaanfch Fermiliven genoemt ‚ enals geftremde
tranen van de boomen vergadert, Nu weet elk
een zeer wel, dat de natuurlyke Ciznaber de
erts is van ’t kwikzulver , en dat de gemaakte
Cinnaber van kwikzulver geftookt, maar geen-
zints van deboomen vergadert word, maar wel
de roode gom-lak, Hy zegt Cinnabar: Indicum ,
en het woord Ginaabaris maar alleenlyk voor
E rood
eo (&) Libr. 5. Cape zon:
#4 __Natuur- en Konft-Kabinet,
rood nemende, is hetzo veel, als of hy zeide
Indiaanfch root ; gelyk wy hebben uitgelegt,
dat hy door Zzdieum Nigrum Indiaanfch {wart
komt te verftaan, Waar uit ook blykt , dat
Arrianus door het woord Audicuuz niet verftaat
Indigo, gelyk als Diofvorides, Plinius, Vitrar
vins, en andere Schryvers, maar juift alsof hy
zeide iets Indiaanfch. Waar door noch waar-
fehynelyker opkomt, dat Arrianus door Lacca
Tinétorta den Indigo verftaat; te meer, om dat
hy onder al de Waren, dewelke hy verhaalt dat
uit de Indiën gebragt wierden , nooit anders
fpreekt van die blaauwe Indigo , dewelke
wy kennen, het welke hy zekerlyk anders zou-
de gedaan hebben , om dat dezelve langs dien
weg door Egypten in Ítalien overgebragt wierd.
Dat de ehidestdaenedies ‚ dien wy Indigo
noemen, by de Ouden al in’t gebruik is geweeft,
blykt openbaarlyk uit Deofcorides , want die
heeft een geheel byzonder, doch kort kapittel
van de Indigo gefchreven ; maar de meefte Uit-
leggers van Deofcorides hebben niet geweten wat
Dioftorides door dit Indicum, of dezen Indigo
kwam te betekenen, omdat kort nadeduiftere
eeuwen aan de Geleerde van Europa veel za-
ken, dewelke van Land tot Land uitde Indiën
overgebragt wierden , onbekent waren ; en zom-
mige aangemerkt wierden, als of dezelve of in
Europa zelfs, of in andere Luaanden kwamen te
vallen. Dit is omtrent den Indigo noch te min=
der te verwonderen, om dat Duofcorides, Plí=
gius, en andere niet wiften waar dezelve van
se
jj
5
Á
|
nes Tal Li
SYanuary en Fobruary 1722. 75
\ gemaakt wierd, of waar de Azil of het Indigo-
__ kruid groeide, of wat het eigentlyk was, waar
door zeer cht het eene voor het andere geno-
men wierd. Maar dat Diofcortdes door de naam
Judicum den hedendaagfchen Indigo verftaan
he
heeft, blykt klaarlyk , om dat de eigenfchap-
pen, kragten en hoedanigheden , dewelke hy
aan zyne Judicum komt tocte fchryven, volko=
mentlyk overeenkomen met de hedendaagfche
Indigo.
10.
Onder de zoorten (regt (a) Drioftorides) van
ber Indicum (Indigo) wort eene zoort door de
natuur zelfs voorigebragt : zynde een uitwerp=
zel, dat zich, op de manier als het zee-fchrim,
aan bet Indiaanfche ried vaft kleeft: een andere
zoort brengen de Verweryen (Werkhuizen der
_ Ververs) voort, en is gelyk als een purperagtige
Î
bloem , die op de verw-ketels dryft, en dewelke
daar afgeligt zynde , gedroogt word, Alswy nu
de bereidinge van den Indigo vergelyken by de
befchryvinge van deze twee zoorten van Iudi=
eum, (lndigo) zullen wy wel haaft bemerken,
dat Dioftorsdes, door de vertellingen der vreeme
delingen en Reizigers, alzo wel misleid is ge-
weeft, als wy daagelyks door zommige Reis-
befchryvers en Ooftindie-vaarders om den tuin
geleid worden. De befte word geacht, (ver-
volgt Diofcorides) dewelke een zoort van blaauw
geeft , en die ook zapagtig (verlta hier een ge-
ftremt zap) ev ligt 15 Uitdeze woorden blykt
klaar, dat Diofzorides den hedendaagfche Indi-
go op ’t oog heeft ; want door de kenteikens
van
(@) zb, on cap. supra ci,
„6 _Natuur- en Konft-Kabinet ,
van violet-blaauw van koleur te zyn, van te
beftaan uit gedroogt zap, zonder zand, aarde
of hardigheid , en zeer ligt van gewigt te zyn,
word noch hedendaags de befte Indigo gekeurt.
Zy behoort ( vervol Droftorides) onder de ge-
neesmiddelen, dewelke matiglykt’zamentrekken,
en de ontflekingen en flym-opzwellingen verdel=
gen. Zy zuivert ook de zweren, en fluit dezel-
we toe, Dat nu de hedendaagfche Indigo deze
ligt tzamentrekkende, difcutrerende, en afve-
gende vermogens bezit, zalik door wel-gekende
Proeven naderhand in deze Natuurlyke Hiltorie
van den Indigo bewyzen. Waar door alletwy-
felinge, dat door het Zudicum van Diofcorsdes
den Indigo vertìaan moet worden , benomen
word.
IL.
De Doorgeleerde Janus Antonius Saracenas
(a) oordeelt, dat Plinius, daar hy van het Zu-
dicuim (Indigo) handelt , zig zelfs eenigzints
tegen{preekt 5 om dat hy () zegt, dat de Indi-
go uit de Indiën kwam , alwaar dezelve zich
als een flibbe aan het ried kwam te zetten, niet
tegenftaande hy een weinig te voren verklaart
hadde, dat de Indigo wel uit de Indiën overge
bragt wierd, maar dat deszelfs oorfprongkelyke
gefteltheid aan hex noch niet bekent was. Maar
ons dunkt, dat hier niet moet aarigemerkt wor-
den , als of Phuuus zich zelven tegenfprak;
want de Geleerde weten zeer wel , dat Plizius
deze plaats uit Droftorides heeft overgenomen.
Daar Plinius dan zegt, dat de zo-genaamde
Riet-
(a) Vid. Scol. in Diofcor. lib. 5. cap. 107.
(6) Vid. Pliniù Hillor. Natural, lib, 35. caps 6,
__ _Januaryen February.1722. Yp
Riet-Indigo zich in de Indiën als een flibbe aan
het Riet zet, volgt hy maar enkelyk de vertel-
_ linge van Drofcorsdes; maar daar hy zegt, dat
_ de herkomft van de Indigo aan hem noch niet
__bekentis, geeft hy te kennen, dat hy deze be-
‚ fchryvinge van Diofcorides voor onzeker houd,
Omtrent die zoort van Indigo, dewelke Diof-
corides tegt , dat voortgebragt wierd als ecn
bloem op de verw-ketels, oordeelt de Geleerde
Saracenns, dat Plinius infgelyks een dwalinge
begaat , daar hy zegt, dat die Indigo is een
fehuim dat van het bloed en het zap der purper-
_viffchen opwelde en boven dreef in de ketels,
in dewelke, in de purper-kokerien der Oude, het
purper bereid wierd : daar Drofcorides het oog
geenzints op de koftelyke purper -koleur der
Oude hadde, maar alleenlyk maar zeide ; dat
de Indigo gemaakt wierd van een purper-ka=
deurige fchuim , dewelke kwam tedryven opde
verw-ketels, in dewelke (voegt Saraceuus hier
by, fchoon het Dioftorides geenzints melt) het
Glaflum (dat wy hedendaags Paftel noemen )
geftooft wierd. Ik wil wel bekennen, dat Ph=
aius hier op de woorden van Oroftorides niet
naauwkeurig genoeg fchynt gelet te hebben,
maar alzo zeer als Plinius dwaalt, als of de
Indigo gemaakt wierd van het fchuim van de
purper-verwe , dwaalt ook onzen Saraceuus,
daar hy oordeelt, dat Diofcorides gemeent heeft,
dat de Indigo gemaakt wierd van het fchuim van
het Glaflum, of die blaauwe verf-ftof , die wy
Paftel noemen. Want Dioftorides {preekt hier
van geen Glaflum , maar (a) handelt in twee
kapit-
(a) Pid, Diofvor. lib, 1x.cap.215 & 216,
„8 _Natuurs en K onfsKabinet,
kapittels op een andere plaats van de tamméê en
de wilde lfatis , of het kruid van dewelke de
Paftel of het Glaffam gemaakt’ word, zonder
Aldaar van de Indigo of het Zndieum te melden,
Oók vericheeld de Paftel zo veel van de Indigo,
als het Delfs van ’t Chinees Paftelein : zynde
de Paftel een Eutopefche verf-ftof, én het In-
digo-kruid een gewas van de warme Landen,
of Afiatifche , of Amerikaanfche , of Afris
kaanfche heete Geweften, enz,
ix,
Als omtrent zodanig een zaak een dwalingé
begaan word , gebeurd hee dikwils , dat hon-
derde Geleerde Mannen dezelve navolgen. De
vermaarde Ard, Matthiolus (a) zegt, wegens
den Indigo , alfchoon de Indifche koleur , dewelké
de Schilders hedendaags gebruiken, inde Parfuim
of Drogift-winrels genoegzaam te koop is, komt
sogtans dezelve in de ['erwergen van het fchuint
of het nitwerpzel van bet Glaflum , ( kaftel)
wanneer de Wol met de Paflel blaauw geverft
word, Ik wil wel bekennen, dat op deze wyzeé
wel een andere verwe=lak bereid kan worden,
maar geenzints de Indigo, die overal daar de=
zelve gemaakt word, van het heefteragtig plantje
Anil bereid word, gelyk ik nader zal befchry=
ven.
£3:
Als zommige Koopwaren in de Landen daar
wy wonen zeer gemeen, en als genoegzaam,
ja overal bekend gehouden worden, is het dik=
wils gebeurd, dat zy door achteloosheid zoda
nig
(a) vid, And. Matshioli Goorn, in lib. 5. Diofcoridis.
x
en netter tetten on
January en Fobruarj ide. zò
nig verwaarlooft en over ’t hofd gezien zyn
geworden , dat elk een het byna te gering ges
oordeelt heeft, om eenig onderzoek op derzelver
herkomft, oorfptong , of toebereidinge te doen.
Ik verzekere u lueter, dat hierdoor veel zaken
onopgeheldert ett duifter blyveni : omm dat de
menfchen zich in ’t algemeen inbeelden , dat
zy dezelve al te wel kennen, De geleerde Mars
cellus Vergilins, Secretaris van Florence, die
al zeer vroeg, namentlyk 1429, een overzet=
tinge uit het Grieks in ’t Latyn van Diofzorides
medegedeelt heeft , (a) zegt, dat elk een wel
wijt wat de Indigo by &ynen tyd was, dat het
om die reden de moeite miet ters waard was,
em zich te veel omtrent zalk een germeene zaak
op te honden, En ondertuflchen begaat deze
voortteffelyke Man, door zyn voorgangers en
wel voornamentlyk door gebrekkelyke Codices,
en een verkeert opfchrift van dit kapittel van
Dioftorides, mifleid, de grootfte dwalinge om
trent den Indigo van alle andere. Voor eerft
verftaat hy doof den Zedicusm van Diofcorides
(dewelke af getoont hebben den waren Indigo
te zyn) een Indiaanfchen fteen, en zegt, dat hy
niet geloofd, dat het Indium, of de Indigo die
in Ooft-Indiëtt groeid , tegenwoordig getoönt
kan worden: dat de andere, die van het pür=
per-{chuitn getmaakt wierd, niergefis te vinder
is, nu het maaken van purper (daar ouwelinks
de Koninklyke Tabbaarden mede geverft wief-
dem) is opgehouden. Welk laâfte wy aan Mare
cellus Vergrlins wel willen toeftaan. Want dee
ze twee zoorten van de Indigo, dat is de riet-
kn In-
(&) Vid. Marcelli VirgiliëCommentin lib. $.Dioftorides,
Bo Natuur-en K onft-Kabinet
Indigo en de purper-lndigo , zyn nooit in de
wereld geweelt. Maar de Indigo, dewelkede
Schilders by den leeftyd van Marcellus Vergi-
has gebruikte , en dewelke die Schryver niet
waardig oordeelde om van te fpreken , om dat
dezelve al te gemeen bekent was, was eigent-
Iyk de Indigo die uit Ooft-Indien komt , díe
Diofcorides op ’t oog hadde, en onder de naam
van Zudicum befchreven heeft, en die Marcellus
Vergilius niet kende, en vooreen blaauwetteen
aanzag. |
14. |
Wey hebben boven getoont , datde Grieken, |
door te zeggen {warten Zudicum, niet hebben |
betekent {warten Indigo , maar Indiaanfch {wart ,
of Ooft-Indifchen Inkt. Maar de geeftige Pe-
zrus Maria Canepartus (a) oordeelt, in ’t zeer
aangenaam Boek, het welkehy over de Inkten ;
of alderhande {chryf-koleuren, in’t licht gege- |
ven heeft, dat de Geleerde Mannen den waren /
en blaauwe Indigo hebben genaamt {warten In= |
digo , om dat de ergenfchap van de Indigo is |
(zegt hy) de Wolle Stoffen, Lakenen, enandere |
zaken met een blaauwe violette en purpere ko- |
deur te verwen, en om dat deze koleuren vry |
wat fwartagtig zyn, hebben de vermaarde Schry-
wers goed gevonden, deze verw-flof, dewelke uit
een plant bereid word, Inkt te noemen. Maar
dit zoude inderdaad een groote agteloosheid van
die oude en vermaarde Schryvers geweeft zyn,
om dat de Indigo blaauw is, en in de purper-
agtige en violette koleuren de (wartigheid nadeel
zoude
(a) Petr. Marie Cancparii Liber de Atramentis cu-
Zelcunque generis, Quint. Defcrip, cap. 2.
Sanuarpen February Sr
__xoude doen. « Het is ook niet te denken, dat
de oude Schryvers met hun weten en goed over-
Jeg den blaauwen Indigo onverfchillig dan eens
blaauw , en dan wederom fwart zoude noe-
men. Het is veel waarfchynelyker, dat door
het woord Zxdicum alleen en zonder byvoe-
ginge geftelt, by de Oude verftaan word de
blaauwe Indigo, dewyl zy zelfs getuigen, dat
met dezelve blaauw geverwt wierd, en dat door
de naam Atramentum Indicum, of Ooft-Indi-
fche Inkt of fwart, niet gezegt word fwarten
Indigo , of betekent word blaauwen Indigo,
maar wel exprefflyk Ooft-Indifche Inkt, Want
dewyl de blaauwe Indigo, en de fwarte Ooft-
Indifche Inkt, beide uit Ooft-Indien in Europa
__overgevoert worden, is het wel zeker, dat ook
elk van beide „de eene door de naam van Zudicurz
Indigo, en de andere van Ooft-Indifche Inkt,
by de Ouden betekent zyn geworden.
15.
Petrus Maria Caneparius verklaart echter,
dat (a) Fallopins en (b) Amatus Lufitanus inf=
gelyks van gevoelen waren, dat de Oude door
de naam {warte ladicum , onze blaauwe Indigo
verftaan hebben ; maar dewyl het blaauw en het
fwart twee onderfcheide hoofd-koleuren zyn,
is het niet bedenkelyk, dat die groote Mannen
dezelve voor een en dezelfde koleur zouden
aangezien hebben. Ook fchynt Cazeparius zelfs
in zyn gevoelen niet ftandvaftig genoeg te zyn,
VIL Deer. F want
(a) vid. Gabr. Fallop, Traët. de Foffilibus cap. 34.
(2) Vid. amat, Lufitan. in Diofcorid, Enarratio67.
82 _ Natuur-en Konff-Kabinet,
want hy bekent , dat verfcheide oude Schtye
vers wel onderfcheidelyk van een Ooft-Indifche
Inkt gefproken hebben; gelyk als by voorbeeld
(a) Vrtruvius, (b) Galenus ,(c) Paulus Aginetal,
dewelke zelver zegt, dat de Griekfche naam
Melan Indicum , Ooft-Indifchen Inkt betekent.
16.
Laat ons nu eens onderzoeken , of wy niet
konnen ontdekken , waar de dwalinge door
veroorzaakt is geworden , dat Diofzorides en
zo veele andere Geleerde Mannen , gemeent
hebben, dat de blaauwe verw-ftof „dewelke wy
Indigo noemen , gemaakt wierd van het fchuim
en het uitwerpzel van de blaauw-verwers kee |
tels. In verfcheide Landíchappen van Europa,
als by voorbeeld in Italien, in Vrankryk , in
Engeland, in Vlaanderen, in Duitfchland, in
Switzerland, en zelfs in Griekenland, groeid
het kruid Zfatis of wede , van het welke ge-
maakt word de blaauwe verf-ftof ‚die wy Paftel
poemen. « En dewyl dit kruid, en ook deszelfs
blauwe verw-ftof,by de oudeGriekfcheSchryvers
zeer gemeen bekent was , en ook zelfs van Diof-
corides, Galenus , en veele Griekfche en La-
tynfche Schryvers befchreven word, hebben zy
geloofd, dat het kruid, van het welke den In-
digo in Ooft-Indien bereid wierd, is geweeft
het zelfde, dat in Europa J/atis of wede ge-
naamt word; om dat de verf-ftof Paftel, en
de Indigo in ’t (tuk van blaauw verwen , vry
wat
(4) Vid. Vitrwvit ArchiteCt. lib. 7. cap. 4.
(6) Vid. Galenus de Compofit. Medicarmentor, per Lo=
cos lib. 4. capa. G' cap. Je (C) Lib. 7.
Pannary en Febrúary 1722. 83°
__wât overeenkomt fchynen te hebben,” Maar
om ‘dat “zy bevonderi, dat de Indigo fynder,
fehoonder, en kragtiger was als de Paftel, heb=
ben zy-zich ingebeeld; dat de Indigodebloem,
en als het fynfte van de Paftel was: dat als de
Wolle, en andere zaken metde Paftelgeverwt
wierden, de fynfte, en lugtigíte , en zuiverfte
deelen, als een bloem, op de Blaauw-verweérs
ketels boven dryvende, by malkander vergadert
zyn geworden, en tot een geftremt Zap gewor-=
den, en gedroogd zynde, de Indigo heeft uit-
gemaakt; en dewyl het bereiden van fchoone
verw-lakken aan hen wat onbekend is geweeft,
‚en dat onder het Wol- en Laken-verwen dik-
wils zeer fchoone verw-lakken gemaakt wor=
den, behoeven wy ons niet zeer te verwonde“
ren, dat zy gemeent hebben, dat de Indigo was
een verw-lak van de wede, of Jfatis in Ooft-
Indien. Dat noch meer ligt aan deze ophelde=
ringe geeft, ís, dat zelfs de aldernaauwkeurig=
fte Kruid-befchryvers, na dat nu door de Scheep-
vaart op de Indiën de Axil, of het heefteragtig
gewas daar den Indigo van gemaakt word,
reeds overal ín Europa bekent was geworden,
aan de Anil den naam geven van Índiaanfche
Jfatis of wede. Het is zelfs ook te verwon-
deren, dat zommige, door deze opizie mifleid,
den Indigo geen Indiaanfche Paftel genaamt
hebben,
17.
‚___De Kruid-befchryvers, dewelke aan de Aril
|_of het Indigo-kruid, den naam van Indiaanfche
HJatis geven, begaan een misflag; want de Aril
| “fseen plant van een sel andere gedaante,
vane & zOO5t ;
84. _Natuur- en-Konft-Kabinet ,
zoort; en merkteikens, als de Jfatis of wede;
gelyk by ervarene Mannen bekent is , en ik in
deze Natuurlyke Hiftorie van de Indigo , door
Figuuren in’t Koper gefneden, zal doen zien,
Ik denk niet, dat wy onderfcheide, en zeer ver-
fchillendegewaffchen, uit elk van dewelkeeene
zoort van koleur kan getrokken worden , daar-
om alle met een en dezelve naam mogen dopen.
Dan zoude wy de orfeilje ook Afatss of wede
behoren te noemen, dewyl daar het blaauwe
lak-moes van gemaakt word, of wy zouden «
de Me-krap,de Alkannet-wortel, het Brafilien- 4
hout, de Grana Kermes, alle met een en de- |
zelve naam moeten noemen ; omdat zyalleeen |
roode koleur uitleveren , het welk de grootfte
verwarringe des werelds zoude veroorzaken: £
gelyk als wy reets omtrent den Indigo ontdekt |
hebben, omtrent dewelke deze verwarringe de
oorzaak is van verfcheide vercieringen , gelyk
als by voorbeeld (om eens eene uit een goed |
„getal te nemen ) de Geleerde Petrus Maria Ca- |
zeparins (die anderzints noch verfcheide mis-
vattingen in de uitleggingen van Dioftorides en |
andere oude Schryvers verbetert heeft) ís in
bovengemelde Boek omtrent de bereidinge van «
den Indigo, en het Indigo-kruid zelfs , onge-|
meen het fpoor byfter , niet tegenftaande die !
Man een Schryver van een jongen datum, dat
is, van ’t Jaar t66ois. Zerwyl (zegt (a) hy)
het Glaftum of het kruid, dat in’t gemeen Ifatis |
of Guado (dit Guadois Italiaans „en by ons wede) *
genaamd word, inde verw-ketels gekookt werd,
ontfpruit daar uit een parper-koleurige fchuim, die
boven
(2) Lib, Git, Cap, de Aframenso Indico. |
|
fannaryen February 1722. 3p
boven op fwemt, en dewelke de Verwers zorg-
wuldighyk affchuimen en drogen , en deze ge-
„draogd zynde , komt die toebereide Indiaanfche
holeursuit te maken, dewelke ’tgemeen met een
bedurve. Naam Enpego (verfta Indigo) komt
_ Be, noemen. Deze. word. uit: de Indiën gebragt
got. Alexandrie. in Egypten, en tot Affyrien,
en eindelyk uit die werelds-deelen, in dit ons Ver
metien , de Koopflad van de geheel? Wereld,
overgebragt. Hier neemt onze Schryver niet
alleenlyk verkeerdelyk het kruid Zfatisof wede,
daar de blaauwe verw-ítof Paftel van gemaakt
sword ‚voor de Agil „ of het Indigo-kruid, maar
„geeft ook een befchryvinge van de bereidinge
van-de Indigo, die-geheelyk verfiert is, Hy zegt
vorder ‚dat in’tKruid-boek van Caftor Durante
verhaalt word, dat zelfs by zyn tyd-de Indigo
bereid wierd in dat gedeelte van Italie, het wel-
ke Mlaminia genaamt word : dat aldaar de Jyatss
of .de-wede gezaait , en uit dezelve de- Indigo
gemaakt wierd. Maar als het waaris, dat uit
de wede een Fecula,-of een geftremt moer-zap ,
op de wyze als de Indigo op die plaats gemaakt
is „ zulks is niet anders geweeft als maar een
blaauw verw-lak , dat van de Paftel gemaakt is
geworden ‚ maar geenzints dat uitmuntende
blaauwe verw-lak, het welke wy Indigo noe-
men, eù-het welke van de Azil, en geenzints
van de-wede gemaakt word. Diergelyke-In-
‚ landíche blaauwe lakken, konnen wy uit ver-
feheide gewaflchen en andere zaken bereiden,
maarnoit uitwerken.dat dezelve Indigo worden.
Ik vinde in myne aantekeningen over de Jfatis
ef wede, uit het Italiaanfche Kruid- boek.-van
evol E13 Gaftel
—
„86 _Natuur- en Konft-Kabinet,
Caftel Durante, de volgende woorden ,-door
dewelke. Caxepartas mifleidis geworden, Fafi
della fpiuma porporea.del Guadn (wede)che nuota
fopra le caldare de ù tantori, €5 con fnceodi gra-
ni.dell ebalo maturt:) po fato per quattros ò cin-
ue dî con un poco-di aceto: macinato infieme „e
Jeccato fopro sl. foco- Vindico «che-adropano 1 tih=
dors. - \ RR
Het fchynt of de meefte later Schryvers;-zo
„wel als de oude, niet hebben konnen ontdek-
ken, op welk een wyze de Indigo inde Indiën
toebereid word. Onze Caneparius onderneemt
egter aan zyn Lezer mede te deelen, hoe de In-
digo in Ooft-Indien gemaakt word, Deis-
woonders ( verfta hier door de Indianen’) zegt
hy, mengen by.het fchuim-dat zy van de verw=
ketels hebben vergadert „het uitgetrokke zap uit
de trosjes van. de wilde vlter, en malen dit onder
malkander met een weinigje azynz en laten het
zelve dan by-bet vuur of zn de zon droogen: op
deze wyze dan-wora de Indigo, die de Verwers
of Schryvers gebruiken ‚toegeftelt. Hier kan de
Lezer nu zien, dat onze Caneparius deze dwa-
linge uit Durante heeft uitgefchreven, hoewel
hy op deze plaats echter den naam van dien
Schryver verfwygt. Andere, vervolgthy , mez=
gen een gedeelte drooge flyfzel met drie deelen
Jchuim van de Ifatts of de wede, en malen dit
met pis en azyn wel onder malkander tot een
deeg , uit het welke zy dan een koekje maken,
het welke zy dan eindelyk te droogen flellen, en
op die wyze een volmaakte Indigo word, dewel-
he, indien zy dezelve noch fchoonder van koleur
beges
Yanuaryen February 1722. 87
begeren, zy opeen nieuw wederom fyn flampens
en daár noch wederoin fchuim van de Paftel by-
voegen, en tot een deeg in malkander kneden;
naderhand maken zy. bier uit tabellen als dob=.
belfteenen, die zy polyften en te drooge zetten,
Als wy nu op zyn plaats de bereidinge van de
Indigo befchreven hebben , zal de Lezer gewaar
worden, dat de Heer Cazeparius van de Indí-
go deszelfs kruid de Axil, en deszelfs berei-
dinge niets het alderminfte geweten heeft ; en
dat alle deze befchryvingen maar plaats zoude
konnen hebben om een blaauw: lak vande Paftel
te maken, hoewel zodanige lak - bereidingen
dan ‚noch zeer gebrekkelyk befchreven zouden
zyn. Uit diergelyke vercicringen kan de Le-
zer nu zien, hoe weinig ftaat te maaken is op
een groot getal Schryvers , dewelke hier en
daar in hunne fchriften zo wat meldinge van
den Indigo gedaan hebben. Het fchynd ook
of onze Caneparius de. bovengemelde befchry-
ving „ wegens het bereiden van de Indigo,
zelfs niet al te veel betrouwt heeft. Want hy
geeft noch een andere befchryvinge , dewelke
metde bovengemelde gants niet overeenkomc.
Andere nemen (zegt hy) de Paftel zodanig fyn
gewreven en bereid, gelyk als dezelve verkogt
word: deze finelten zy met pis in een vat, en
flellen dezelve in de zon om lange te laten we-
ken, en op dat dezelve koine te rotten , za laz-
“geals’er wurmen uit geboren worden, uit de-
welke zy een zap parffen , bet welke zy door-
Rlezen, en in brokjes of platte dobbelfteenen la-
ten drogen, gelyk als die (Indigo) is, die uit In-
diën en Alexandrien te Venetren gebragt word.
el F 4 Maar
88 Natuur- en Konft-Kabinet ,
Maar de Heer is het {poor geheel byfter, want
die platte dobbel{teenen daar die man van fpreckt,
isde Indigo Circkees, of ook wel de Indigo Fam-
boefer, dewelke in de Provincie Gufuratte ge-
maakt word, en tot ons in de gedaante van T'a-
bletten word overgezonden,
19.
Het zoude onnodig zyn ons met de wan-
gevoelens en dwalingen der Schryvers op te
houden, indien dezelve niet gevonden wierden
in de Schriften der aldergrootfte en voortreffe-
Iykíte Mannen, die in meeft alle de zaken „de-
welke zy in % ligt gebragt hebben, by de Ge-
leerde zeer veel Credyt gekregen, en ook ver-
diend hebben. Ik tragt ook op geenderhande
wyze het aanzien van die uitmuntende Geleer-
de Mannen in het alderminftete kreuken , maar
alleenlyk aan myn Lezer zo veel licht te geven,
als in myn vermogen is;om wel degelyk van mal-
kander te onderfcheiden de Ari! of het Indigo-
kruid, en de Jfatis of wede: de blaauwe Indigo
en de Ooft-Indifche Inkt: de Paftel of deszelfs
blaauw lak en de opregte Indigo ; het welk niet
licht zoude gefchieden, wanneer wy niet met
de uiterfte naauwkeurigheid kwamen aan te wy-
zen, dat die Geleerde Schryvers, dewelke an-
derzints verdienen gelooft te worden, omtrent
den Indigo gedwaalt hadden, en als wy den oor-
fprong van hunne dwalingen niet kwamen aan
te wyzen
20.
Dat de Schryvers maar by giffinge gemeent
hebben, dat het bereiden van de Indigo Ee
{ Ld
ES A k
on SFanuary en February 1722. 89
Indiën gefchiede, op dezeifde wyze als de be-
reïdinge van de blaauwe verweltof , die wy Paftel
noemen in Europa, of ten minften als een verw-
lak van dezelve , blykt onder anderen uit den
meergemelden Careparius. Want alfchoon hy
dusverre wel befchreven hadde, op welk een
wyze na zyn oordeel de Indigo bereid wierde
van het fchuim van de verw-ketels , daar met
de Paftel , die van de lfatis of wede gemaakt
word, de ftoffen blaauw geverwt wierden „ zo
hadde hy echter tot noch toe niet aangewezen,
op welk een wyze deze Paftel van het kruid
lfatis of wede bereid word. Wantde Paftel is
eigentlyk de blaauwe verw-{tof die van de Jfatis
of wede gemaakt word , maar de wede zelfs
niet; gelyk als de Indigo de blaauwe verw-{tof
| is die vande Axil bereid word, de Azil of het
| Indigo-kruid zelfs niet is. Om nu het bereiden
van de Indigo, en het maken van de Paftel te
befchryven, volgt Caneparius de Schryvers die
geleert hebben op wat wyze de Paftel gemaakt
word van de J/atis in Europa, met een inbeel-
dinge als of zulks ook op die zelfde wyze in de
| Indiën omtrent den Indigo gefchiede, De
blaauwfte Indigo , vegt hy, word meeft van de
| Schilders en Schryvers geacht , maar die bleek is
word minder geagt , en word ook voor minder
prys verkogt. Hoewel echter de fhaf, daar deze
beide zoorten van gemaakt word, het kruid Ifa=
zis, het welke, voor dat het in bloem of bloeyen
flaat , vergadert, en met een molen gebroken
word. Lit gebroken kruid word dan op een hoop
gelegt, daar bet in de zon flaat te loven, daar
#á word het iu de gedaante van groote ronde pn
en
9. _ Natuur- enn Konff-Kabinet,
len gekneed, en onder het dak gebragt zynde,
met water befprengt, gd het des te beter zou-
de geweekt worden. Dit gedaan zynde , begint
dit geftampte en geknede kruid te geflen, en een
groote flank uitte geven, en fwart te worden,
en op die wyze word het bereid tot de Verwery,
Als deze verw-flof nu met water gekookt word
in de blaauw-verwers ketels, krygt het zelve een
Azure of blaauwe koleur , met dewelke blaauw
geverwd worden Lakenen, Wol, Wolle Stoffen,
Lannen en andere dingen meer. En zn deze op-
wallinge werpt het zelve een fchuim nu boven,
uit dewelke, nadat zy by een verzamelt word,
de Indigo gemaakt word, Dusverre befchryft
die Geleerde Man, hoewel eenigzints gebrek-
kelyk, op wat wyze de lfatis of wede van het
Land afgefneden en vergadert zynde, bereid en
geltampt word, hoe dezelve door geftinge een
fware koleur verkrygt , tot bollen bereid , en
naderhand in de Blaauw-verwery gebruikt word.
Maar dit gefchied in Europa en op veele plaat-
zen, maar geenzints in de Indiën, endeze bol-
len of verw-ftof is de Paftel , en de Schryver
dwaalt, daar hy oordeelt „dat van het fchuim van
die bekende Paftel, de Indigo gemaakt word.
Want de Indigo word niet van de Zfatis of we-
de, maar van de Atl, en ook op een geheel
andere wyze, gelyk wy leeren zullen, gemaakt.
Doch de Schryver zulks niet wetende, heeft
op den Indiaanfchen Indigo toegepaft „het gene
aan hem van de Europifche Paftel bekent was,
Dat ook by gebrek van de opregte Indigo van
de Paftel , op verfcheide plaatzen blaauw verw-
lak voor de Schryvers en Water-fchilders gen
' À maakt
cfannary en:February.vjr2. Ko |
„maakt word, behoeven wijpnier te twyffelen,
en dat zodanig een-blaauw: verwe lak aan de on-
kuadige dilvwilsvoor opregte: Indigo in de han-
den geltaptrist, smogen wy wel geruft: geloven,
_ sen daar door is’ naar: alle waarfchynelykheid de
vepwarringe veroorzaakt ; datde Schryvers tuf-
fchen.dem waren Indigo , en diergelyke blaauwe
verw-lakken „ geen. onderfcheid. hebben. ge-
madakt ‚ven “geoordeeld. dat ‚den: Indigo ,-op de
manier gelyk ats-zy verkeerdelyk komen te be-
fehtyven , inde Indiën is bereid geworden,
Zelfs word hedendaags een zekere Indigo ver-
‘kogt, die by de-kenders Inlandfche plat-Indigo
genaamt word „en daar. zommige onkundige
dikwils door bedrogen worden „zy word veel
buiten dit Land gebruikt om Schapen: mede te
teikenen ‚ geld van agt rot tien ftuivers het pond,
en is eigentl yk een vergiftige ftof. Gelyk nader zal
blyken uit een Brief, dewelke de uitmuntende
kender Hegdrik van Raat wegens den Indigo
aan my gefchreven heeft, en dewelke ik op het
einde van deze verhandeling zal plaatzen , en or
met een-ander-mans Wetenfchap:, zonder den
zelven te noemen, niet te pronken, zal ik die
Brief van woordtot woord daar byvoegen. »
21,
De Oude hebben het kunsje al gehad omden
Indigo te vervalfchen. Phlizius (a) zegt, dat
by zyn tyd de Zadicum of Indigo gemengt wierd
met duive-drek , of met verfcheide zoort- van
fyn kryt, maar dat dezelve gekeurt wierd op
het vuur, en dat dezelve, alszy opregt is, een
fchoone purpere vlam uitgeeft; Als dan zelfs
f ouwe-
k (6) bib. 35e Cab, IN OREL Pk hij EN
92 Natuur= en Konft-Kabinet,
ouwelinks den Indigo zo zeer vervalft is gewor=
den, en dat verfcheide Comspofitien in de plaats
van den opregten Indigo aan de onkundige ver-
kogt zyn geworden; is het noch meer te den-
ken, dat by ouds, en zelfs in later tyden „ een
blaauw verw-lak van den Paftel of iets anders
zomtyds gemaakt is geworden. Zeer onder-
fcheidentlyk (4) fpreekt over deze zaak Valerius
Cordus,een Man vaneen uitmuntend oordeel en
groote geleerdheid: De benaming „vegt hy,van een
Sleen, word kwalyk (in Diofcorides) voor Zudi-
eum geplaaft, het is noch fleen noch aarde, maar
een purperagtige blaanwe koleur;, zy word by ons
nit het kruid Mfatis bereid, welkers fchuim zy
15 , waarom zy ook van de Duitfchers weyde-blüm,
en indich genaamt word. Uitdeze woorden is
waarfchynelyk of dar uit de Paftel een blaauwe
fchilder-lak is bereid geworden ‚het welke voor
Indigo by zommigen heeft doorgegaan , of dat
de Schryvers verkeerdelyk gemeent hebben „dat
de opregte Indigo, die daagelyks uit Venetien
overal gebragt wierd, op die wyze ook hier te
Lande gemaakt is geworden. Zy konnen te
ligter aan die meninge geraakt zyn, door de
dwalinge van Driofcorsdes, daar hy zegt, datde
eene zoort van Índigo-in de Indiën als een flib-
be aan het Indiaans Riet groeide, en de andere
zoort een blaauwe verw-{tof was, die door
konft gemaakt wierd van het {chuim der Vere
wers ketels, en dat zy niet geweten hebben,
waar zy het beter van zouden afleiden, als van
de ketels, in dewelke metde Paftel blaauw ge-
verwd wierd. De Schryvers gaan op die me-
ninge
(2) vid, Annotat. valerij Cordiin Dioftor,lib.5.cap. 107.
bf
a
SJanuaryen February apar. 93
ninge zo eenpaiig door , als of daar niet eens
meer aan te twyffelen was, Gualtherus H. Ryff
(a) zegt, daar hy {preekt over de Jjatis of wede:
Ju *t Grieks word dit kruid IJatis genaamt , by
andere Guadum, Glaftum,by de Hoogduitfchers
Weyd, Endich, dat is Indigo, by de Franfche.
Guesde, of Paftel de Languedoc. Zy parffen dit
kruid met persmolens, op dat zy bet wateragti-
ge zap daar uis zouden parffen , naderhand kne-
den zy het zelve in groote bollen, die zy laten
Zot een zoort van flof werken, en als verrotten.
Deze fhof (dat dan de Paftel is) word gekookt
in de Blaauw-verwers ketels, en in dezelve ge-
werwt Wolle Stoffen , Vellen, enz. zo lang tot
dezelve blaauw worden. De blaauwe fchuim
die ’t vuur opwerpt, en op de ketels dryft, dro
gen zy tot gebruik der Schilders, deze noemen
de Duitfchers Indich, en de Franfchen Inde.
Waar uit wederom blykt, dat deze Mannen
omtrent den Indigo geheel gedwaalt hebben,
of dat by hun tyd een blaauw {childer-lak van
de Paftel is gemaakt, en in de plaats van den
opregten Indigo by de Schilders, onderde naam
van Indigo gebruikt is geworden,
23,
De Azil, uit welk kruid eigentlyk de Indigo
bereid word , is, terwyl onze Europifche Schry-
vers altyd van de wede gedroomd hebben, by
de Mauriskes, en de Arabifche Schryvers al be=
kent geweelt. Zelfs heeft (b) Joannes Lonicerus
onder onze Schryvers den naam van Azil al ge-
weten
(4) Vid, Annotat. tn Diofcorid.lib.2..cap. 177.
(6) Vid, scholia Nova in 2 hb, Diofcor. cap. 1713.
94° __Natùar= en Konfl-Kabinet\
weten în % Jaar 1$43’ De Ifatis, zegt hy, soe"
men zommige Nil en Nilecha der Mauriskes.
Dit Nil is eigentlyk de Apil, of het Indigo-kruid,
dat voor dezen Ntl genaamt wierd. By de Bar-
baren, vervolgthy , datis in Barbarien , Nilegt,
by de Hoogduitfchers Weide. Maar onzen Lo-
zicerus dwaalt, dat de Mauriskes en Inwoon-
ders van Barbarien door het woord Ni/eg: of
Nil de Ifatís zoude verftaan hebben , want de
Anil of het Indigo-kruid was by hen al te wel
bekent; om dat in Barbarien, en op verfcheide
plaatzen van het Keizerryk Marokko de Azil
groeid, en de Indigo van dezelve gemaakt word,
Het is ook zeer, waarfchynelyk „dat de Inwoon-
ders van Barbarien , de eerfte zyn geweeft, de=
welke de Axil uit de Landen van Zudoftan, het -
welke het oorfprongkelyke magazyn van de In-
digo is, of de Indiën , in haar Land hebben
overgeplant, en van dezelve den Indigo, ín na-
volginge der Inwoonders van Cambaye, Gu-
furatte , Malabar enz. hebben bereid, Want
deze volkeren hebben met de Indiaanfche Lan=-
den een groote gemeenfchap gehad , en ook
grooten Koophandel gedreven, eer de volkeren
van Europa, door behulp van de Scheepvaart,
zo diep tot die Indiaanfche Landfchappen wa-
ren doorgedrongen. Daar de gelukkige voort-
gang hunner Wapenen, hunne afkomft vande
Arabieren, en de verfpreidinge vande leere van
hunnen Profeet Mahomet tot in de diepfte inge=
wanden der Oofterfche Indiën, geen geringe
gelegentheid toe gegeven heeft,
ZI
Dat de Indigo by deze volkeren van he
IË
eenen nn
January en February 1722. òr
(die de Koningryken Algiers, Tunis, Tripoli 8
Marokko, Fes, Tafilet, en andere aan de Mid-
delandfche en de Weft-zee gelegene overvrugt-
„ bare Landfchappen bewonen) al van onbeden-=
kelyke tyden is bekent geweeft, is zeer wel te
begrypen, als wy agt geven op den grooten
Koophandel, en Scheepvaart van het Äaloude
en magtige Carthago , het welk gelegen was in
het Koningryk Tunis, grenzende aan Alexan-=
drien en Egypte, en het welk een volk-plantin-
ge was van de oude Feniciers , die de beroem-
fte, oudíte en grootfte Kooplieden des Werelds
zyn geweeft. Want ik geloof nict, dat iemand
zal ontkennen, dat, terwyl de Egiptenaren ‘en
‚ fmaliten of Arabieren, door de gelegentheid
van de Roode Zee, en de aangrenzinge van
Arabien, zo digte aan Indoftan , de goederen
zo wel van Europa en Afrika haalden en brag-
ten uit en na de diepfte Oofterfche Indiën, on-
dertuflchen de Fegicters en hunne beroemde Co-
lonie , namentlyk de volkeren van Carthago ,
die zelfde goederen vorder hebben gebragt naar
alle deelen van Europa en Afrika, door de
Middelandfche Zee, welkers boorden die vol-
keren bewoonden. Het is ook geheel niet te
verwonderen, dat die van Carthago een volk»
plantinge van de Feniciers waren, dewyl deze
Landfchappen zo na by malkander gelegen wa-
ren; want gelyk als Carthago gelegen was daar
nu Tunis is, aan de Afrikaanfche boorden van
de Middelandfche Zee, en Tyrus en Sidon À
de hoofd-Koopfteden der F eniciers, aande Sy-
rifche boorden „ van de Middelandfche Zee-
waren zyn zy alleenlyk maar van kik: afge=
chei-
g6 Natuur-en Konft-Kabinet |
fcheiden geweeft door Tripoli,Barka en Egypten.
Dit was ook de oorzaak, dat Alexander deGroot,
vergramt zynde,om datdeFeniciers enCarthagers
hemtegen{tonden, inEgypten op de uitgang van
de Nyl, entuflchen deze beide volkeren als in’t
midden, de vermaarde Koopftad Alexandrien
liet bouwen, om aan deze twee volkeren de
gemeenfchap met de Indiën door Egypten het
groot geryf van de Nyl, de Roode Zee , en
Arabien af te {nyden; gelyk als ook die Konin-
gen, dewelke in Egypten Alexander de Groote
opgevolgt hebben, alles hebbei aangewend, en
ook ten deele hun oogmerk bereikt ‚om Alexan-
drien tot de grootfte Koopftad des Werelds te
maken, en de Indiaanfche en Europifche goe-
deren langs den Nyl op en af te voeren.
Bier dsa o annd
24.
De Afrikaanfche Feniciers , door dewelke
wy de Carthagers verftaan , dreven ook een
groote Koophandel met die van Egypten , met
de Arabieren, en vervolgens met Ooft-Indien
te Lande, dewy! hun Landpalen aan Egypten
grensden, en de Koopmanfchappen met Kara-
vanen door de Woeftyne van Barka, door E-
gypten boven Zues over de Roode Zee, tot in
de Koopfteden van gelukkig Arabien heen en
weer uit en na de Indiën gebragt wierden. Ge-
Iyk als de Feniciers van Tyrus en Sidon, door
de weg van (tenig Arabien, uit de Roode Zee
en door de weg van Babilonien en Syrien uit
de golf van Perfien, en zelfs door geheel Per-
fien te Laande uit Sina en Índoftan , ook met
Karavanen de goederen van de Indiën ontfangen ,
en |
|
fe
|
den January en February 1722, Ed
__ tn met hunne Schepen door alle de Plaatzen
van de Middelandfche Zee, en vorder door ges
heel Europá, en van daar wederom na de In=
diën, langs dezelfde wegen met Karavanen ver-
voerden. Terwyl nu deze uitmuntende blaau=
weverw-ltof, namentlyk de Indigo, by de Gries
ken en Romeinen zo wel bekent is geweeft,
gelykwy uit Dioftorides , Plinius, Arrianus enz.
gezien hebben, behoeven wy geenzints te twyfe
felen, dat dezelve by de Carthagers, ende Fe=
niciers van Tyrus en Sidon zeer algemeen be=
kent en in ’t gebruik is geweeft ; te meer, als
wy acht geven, dat de Feniciers van Tyrus en
idon zeer beroemt zyn geweeft in den Kouop-
handel van de alderuitmuntenfte verw-ftoffen,
gelyk als blykt aan die vermaarde Koninglyke
purperder Ouden; onder dewelke voor de befte
gehouden wierd, de purper van Tyrus, En wy
moeten niet zonder aanmerkinge voorby gaan ,
dat Plinius (a) oordeelde, dat de Indigo ge-
maakt wierd van het fchuim , het welk verga-
dert wierd van de ketels, in dewelke de kofte-
lyke Koninglyke purper gekookt wierd; want
het {taat te geloven , dat de doortrapte Koop-
lieden van Egypten en Fenicien, die de kofte-
lyke purper, daar de Stacie-tabbaarden der ge-
purperde Vaders van Romen, en de Koning-
Iyke Mantels mede geverwt waren, tot Romen
te koop bragten, dit hebben uitgevonden, om
op die wyze den Indigo, die tot Romen, vol-
gens de getuigenifle van (4) Plinius, zeer duur
verkogt wierd, in een hoogen prys te houden ;
‚VilDeer. — G want
ie (4) Lb. 35e cap.6, () Vid, lib, &r Cap.Cirar,
« JN Nt mer deni MS
DE __Natunre en Ronft- Kabinet ;
want het is niet te denken, dat Pliniusditheef
verciert , maar door een algemeen gerugt mis-
leid is geworden ; gelyk als de later Schryvers
mifleid zyn geworden , daar zy verkeerdelyk
menen, datde Indigo van de wede of Paftel ge=
maakt word.
25.
In die over-oude tyden, in dewelkede Feni=
ciers en Carthagers bloeiden, was de Koophan-
del, en de Scheepvaart door de Middelandfche
Zee onder die twee volkeren verdeelt : zy door=
kruifte wel alle beide deMiddelandfche Zee,maar
op verfcheide wyzen. De Egyptenaren voeren,
ondertuffchen door de Roode Zee,en dreven hun,
Koophandel aan de wederzydfche zee-boorden
van de Roode Zee, en aan die van Afrika, aan.
Socotora , aan het Koningryk Adel, aan het
Land Ajan ,aan de Kuften van Melinde, Mon=
baze, en het geheele Landfchap van Zangue-
bar , tot. Quiloa , Mofambique , en zelfs tot
aan het goudryke Liandfchap Sofala : dit alles
na het Weften van Aftika gerekent ,nadie kant
van de Kaap de Goede Hoop; gelyk zy ook uit
de Roode Zee Ooftwaart aanvoeren , en hans
del dreven in de aan Zee gelegen Koopfteden
van gelukkig Arabien , aan Aden, lertach,
Caap Ros Algate in de golf van Ormus „en aan
de overzyde by de Straat Moffanda, tot aan de
groote Rivier den Indus , aan Guzarate in de
golf van Cambaye, het regte Vaderland vanden
Indigo, in het Koningryk Dekan, Cuncan, by
Goa, Bisnagar, aan de vrugtbare Kuft van, Ma-
labar, aan de Kaap Comorin, aan Kalikut, de
Kuft van Coromandel, het Eyland verlag, de
Öl-
3
„SJänndrjen February 17it. «98
Golconda, in de golf van Bengala, het Ryk
vat Arakan, Pegu, Martaban, het Koningryk
Siam, Malakke , het goudryke Eyland Suma-
tra, Java, em zelfs de Specery-Eilanden , of
Molukkes, en door geheel Ooft-Indien, niet
tegen(taande alle deze Landen in die tyden an-
deresnamen voerde, konnen wy dezelve uit de
oude Schryversechter wel onderfcheidelyk ont-
dekken; en alfchoon indie tyd het kompas niet
bekent was; konde deze Scheepvaart langs de
zee-boorden van Afie van Koopftad tot Koop-
ftad „ van Rede tot Rede, en van Luandfchap
tot Landfchap zeer wel gedaan worden. Gee
Iyk alsook de volkeren van die Landfchappen
wederom voeren langs den zelfden weg uit de
Indiën in de Roode Zee en op Egypten; gelyk
als openbaarlyk blykt, uit Arrianus en andere
oude Griekfche Schryvers. Op deze wyze wier=
den de Koopwaren uit Afiegebragt in Egypten ,
daar die van Carthago, en ook de Feniciers de=
zelve weghaalde, en vervoerde door de Mid-
delandfche Zee na Europa, en de Waren uit
Europa in:Egypten en verder brengende, opde
bovengemelde wyze wederom gebragt wierden
aan de Weftzyde van Afrika, en wel voorna-
mentlyk in Afie, op alle die Plaatzen en noch
veel meer andere, dewelke wy boven genoemt
hebben, Ook zaten de Arabieren in deze heen
en wedervaringe ganfch niet til , maar handel-
de ook fterk-op Egypten en de Indiën : zelfs
vonden de Portugyzen noch in haar tyd; toen
zy de Kaap de Goede Hoop voor de eerftemaal
waren ommgevaren, en in de Indiën kwathen;
dat.dezen handel op # Roode Zee, en uit en
2 ná
zoo Natuur en Konft-Kabinet ;
na de Indiën fterk bloeiden. Maar dat deze
handel en deze volkeren in Europa niet al te
bekend waren, was geen wonder, om dat de
Feniciers en Carthagers, die Waren en Koop-
manfchappen door de Middelandfíche Zee in
Europa bragten, het welke ook de oorzaak is,
dat die twee z20orten van Feniciers , voor de
grootfte Kooplieden des Werelds gehouden
wierden, voor den tyd van het bouwen van
Alexandrien, en noch lang daar na, en dat de
Europianen vervolgens met die twee volkeren
eigentlyk wel de meefte gemeenfchap hadden en
handel dreven. Deze zyn ook die geene, de-
welke den Indigo, over zeer oude en onbeden-
kelyke tyden , benevens een groot getal In=
diaanfche Waren , Speceryen , Paarlen , Dia-
maten, Juweelen, Gout, Katoene Lywaten,
Chitzen en koftelyke: Stoffen, enz, in Europa
overbragten. Het is geheel niet te verwonde-
ren, dat die Feniciers van Tyrus en Sidon en
Carthago zo ryk en magtig zyn geworden ;
want zy trokken aan beide kanten, dat is dub-
belde winften, en zyn buiten alle twyffel wel
zo fchrander geweeft, dat zy an de Griekjes,
noch aan de volkeren van ltalien, de geheimen
van hunnen Koophandel niet hebben geopen=
baart. Dit fchynt welde voornaamfte oorzaak
te zyn, dat de Grieken en Romeinen zo on-
kundig waren omtrent het Indigo-kruid en de
toebereidinge van die koftelyké verw-ftof Indi-
go, wetende van dezelve niet anders , als hen
van de Kooplieden, of Ooft-Indievaarders, of
Reizigers verteld wierd: een zaak, over de=
welke de oude Wereld-Befchryver Strabo, op
een
January en February 1722: or
een plaats, dewelke my nu niet invalt, al zeer
geklaagt heeft, À
2
_ Wy hebben aangemerkt „ dat de Feniciers
van Tyrus en Sidon , en de Carthagers , de
Scheepvaart en den Koophandel verdeelt had-
den. Die van Carthago bevoeren de boorden
van Barbarien, daar nu gelegen is Tunis, Al-
giers, Fes, enz. en-drongen door het naauw
van de Straat by Gibralter , en verfpreide zich
ter regter en ter linker zyde, Zy regtede ver-
fcheide volk-plantingen op buiten de Middee
landfche Zee, als Thebe in Beeotie, Cadix enz.
in Spanje, Zy drongen zelfs door tot aan En-
geland, en aande linkerzyde aan de Wefterfche
boorden van Afrika; gelyk als de Reizen van
de Carthaagfche Capteinen, Hineelcon en Hannox,
getuigen, DeFeniciers van Tyrus en Sidon voeren
aan de andere zyde van de Middelandfche Zee,op
de Griekfche Eylanden , in de Archipel „ op Na-
tolie, Romanie, Macedonie, Theffàlie, Mo-
rea, Achaje, op Cyprus , op Kandie, op Si=
cilie , op Venetie , op geheel Italie, hoewel
zommige van die Landen toen een andere naam
voerde. Ditis de reden, dat ook by de Grie-
ken en de Romeinen, in ’t ftuk van de Koop-
handel, de Feniciers van T'yrus meer bekent
geweeft zyn als de Carthagers, dewelkede Ro-
meinen wederom beter kenden door hunne we-
derzydfche Oorlogen, die Carthago en Romen
„zo lang hartnekkig tegens malkanderen gevoerd
hebben. Als wy nu het bedryf van deze vol-
keren overwegen, en dat wy uit de Aaloude
Schryvers leeren , Ee de Indigo in Italie, tot
3 Ro
toz Natuur-en Konft-Kabinct,
Romen , in Griekenland ouwelinks in ’t ge-
bruik, en voor zo verre als dezelve een blaau-
we verw-ftof was, bekent is geweeft, konnen
_ wy zeer licht ontdekken, dat de Indigo al in
overoude tyden, zelfs in de afgelegenfte deelen
van Europa, is gebruikt geworden ; alfchoon
zommige van die volkeren juift dikwils niet eens
wiften waar dezelve van daan kwam; het wel=
ke omtrent zeer veel Indiaanfche Waren plaats
heeft gehad onder zommige onkundige en afge=
lege volkeren van Europa; gelyk ook verfchei-
de volkeren van de Indiën omtrent verfcheide
Europifche Waren dikwils zeer onkundig zyn
geweelt, en zelfs noch hedendaags zyn , om-
trent Europifche Koopmanfchappen , die door
de Karavanen gebragt worden in de diepfte en
afgelegentte Landen van de Oefterfche Indiën,
2
De Indigo wierd niet alleenlyk binnen Ro-
men zeer duur verkogt, maar ook zomtyds zo-
danig met geringer ftoffen vervalft, dat zelfs de
Schilders, dewelke dezelve gebruikte in de Schil=
deryen die zy voor de Heeren en Liefhebbers
fchilderde, niet fchenen betrouwd te worden
om dezelve te kopen. Plizius (a) zegt, de
koleuren zyn of dof of helder levendig. De hel-
dere koleuren zyn, die de Heeren (voor dewel-
ke gefchildert wierd) aan den Schilder (zelfs)
gaven. Als de Megie, (der ouden) de Arme-
nie, de Cinnaber , de Ghryfocollo, de INpieo,
en de purparif]um of het purper-lak, Dat deze
Heeren die koleuren voor hun eigen gelt kog=
„ten
(@ vid. C‚Plinii Natural, Hiftor.3s.cap.6. *
hd pn
rd HE ne Pnt leet ir BEE
br OPA
Ed
gee
is
“ui
{
January en February 1722. 1c3
ten, was, om dat die verw-ftoffen by de leef-
tyd van Plzias tot Romen zeer duur waren,
Waar uit blykt, dat de Indigo ouwelinks onder
de duurlte en koftelyk(te verw-{toffen gehou-
den wierd, Wy ontdekkenook uit deze plaats
van Plizins, dat de Indigo by de Romeinen ge-
bruikt wierd om mede te fchilderen, gelyk ook
de ândere koleuren dewelke hier vpgetelt wor-
den. De Indigo was hier ook ongemeen be=
kwaam toe, om dat dezelve niet gelykalszom=-
mige van de andere een migiraal, maar een zap
was, en om dat de Ouden niet anders als met
water-verwen (childerde. Het is te verwonde-
ren, dat Plinius, gelyk wy reeds gemeld heb-
ben, op een andere plaats zegt: dat de Indigo
gemaakt wierd van: het fchuim van het purper,
het welk in de purper-ketels gekookt wierd;
daar zulks, volgens zyn eigen befchryvinge van
het parparif]um , met veel meerder regt gezegt
zoude hebben konnen worden. Want het pre
uriffum was inderdaad niet anders, als een
fchilder-lak, het welke van de koftelyke pur-
per-verw der Ouden bereid wierd, Daarom
fchynt het geheel buiten reden, van de Indigo
“ teverhalen, dat aan deze purper-lak toepaflelyk
was; om dat tuffchen het purpariffuim of pur-
‚ per-lak, en de Indigo , een genoegzaam onder-
fcheid was, om deze beide niet van een en de=
zelfde purper-verwe af te leiden. Maar Phi
nius fchynt met de herkomtft van de Indigo geen
raad geweten te hebben, en bekent ook in het
zelfde boek, dat de Indigo aan hem noch niet
genoegzaam bekent was,
G â Op
„
104 Natuur-en Konft-Kabinet,
28.
Op dat de Lezer uit deze plaats van Plisius
geen misvattinge mogte krygen, alsof door het
purpariflum, of purper-lak, en de Indigo der
Ouden, by de Romeinen twee verw-ftoffen
verftaan waren geworden , die van een geflagt ,
maar alleenlyk maar verfcheide in zoort waren :
dat is, de eene maar wat hoger of lager van
koleur als de andere, maar echter twee fchil-
der-lakken, die beide van de purper-verwe ge-
maakt wierden, Zal ik het purparif}um of pur-
pur-lak der Ouden tegenwoordig in zo verre
mede deelen, als voor den Lezer van noden
is, om het wezentlyk onderfcheid, tuffchen het
purper-lak en de Indigo klaarlyk te konnen
zien. Want wy moeten niet nalaaten in deze
onze Natuurlyke Hiftorie van de Indigo, alles
te onderzoeken, dat ons eenigzints tot nader
verftand en kenniffe van dezelve kan opleiden.
Om dat deze befchryvinge van de Indigo door
my. als een grond gelegt zal worden, voorde
geheele en wyd-uitgebreide verw-kunft , van
dewelke de Blaauw-kuip het fondament is, en
van deze tegenwoordig wederom de Indigo. War
verder de andereverw-{toffen belangt,van elk van
dezelve heeft de Lezer maar een beknopte Na-
tuurlyke Hiftoriete verwagten 5 te weten, in zo
verre, als dezelve vanden Lezer gekent en ver-
ftaan moeten worden, om te konnen begrypen,
het geeneik in de befchryving van de verw-kuuft,
n de volgende Kabinetten zal komente leeren,
wk 29.
Plisins verhaalt , dat het purper-lak onder de
fchil-
er
C___Stanuary en February (722. vor
fchilder-verwen het alderduurfte. in prys was.
Dit purper-lak wierd gemaakt uit een zeker
zoott van wit mergel, het welkede Oude zu!-
ver-krytnoemden, om dat het zulver een fchoo-
ne glans verkreeg, als het zulver met dit zagte
kryt geftreken en glanzig gemaakt wierd, Om
nu van dit zulver-kryt het purper-lak of het
purpuriffum te bereiden, wierd het zelve in de
koftelyke purper-verwe zo lange geinfundeert,
als van noden was , om een genoegzame hoe=
veelheid purper-verwe in te drinken, en zich in
zo verre te verzadigen, als vereifcht wierde,
om een fchoone purper-koleur aan te nemen.
Ik zal my tegenwoordig over deze witte mer-
gel, of dit zulver-kryt, niet verder uitlaaten,
om dat dit kryt maar als een ftof verftrekte, in
dewelke de purper-verw kwam in te dringen.
Wy zullen alleenlyk maar aanmerken, dat de-
ze manier van een fchilder-lak te bereiden , ge-
‚ heel niet van de befte was, want zodanige lak-
ken zyn grof, en niet anders als die teken-ver-
wen , dewelke wy Criog noemen. Zodanig
_ gekoleurd kryt, of C'ríor, konnen wy van al-
derhande koleuren maken, Want als wy maar
een afverfzel of Tintuur, van het eene of het
ander verw-hout, of Gonchenilie , of Paftel 4
of Indigo , of afverwende wortels , bloemen,
of kruiden maken, konnen wy door het inwer-
pen van fyn gemaale en zagte mergel, of wit
kryt, zodanig een afverfzel zeer ligt in zodanig
een kryt doen indringen. Alswy dan zodanig
een gekoleurt kryt maar met het eene of het
andere gom- water tot een deeg maken, en wel
drogen, verkrygen wy een Crion van zodanig
Kg Gs een
_zoó6 Natuur-en Konft-Kabinet,
een koleur als wy begeren. Maar diergelyke
fchilder-lakken zyn grof , en nooit zo fchoon
en vol van koleur, als de lakken die van cen
enkeld geftremt zap gemaakt worden, gelyk
als de levendige en heldere fchilder-lakken te-
genwoordig van de liefhebbers die dat verftaan
gemaakt worden , en gelyk de befte Indigo
zelfs ook niet anders is,
Oo.
(a) Plinius en (6) fa verhalen, dat als
de Wolle of andere Stoffen in de purper-ketels
geverwt wierden, dit kryt in die ketels wierd
„gedaan, en dat het zelve de purper-koleur veel
gretiger en eerder na zich trok, als de Wolle
Stoffen, dewelke in die ketels geverwt wier=
den. Maar zy voegen daar by , dat het kryt,
het welke eertt in die ketels gedaan wierd, en
de koleur in * begin kwam in te drinken, eer
de Stoffen noch eens geverwt waren, het befte
purper-lak of purpursffum uitmaakte ; hoewel
ook noch naderhand wederom op een nieuw
zodanig een kryt in dezelfde purper-ketels ges
wurpen wierd, waar van een flegter zoort van
pPurparifluim, of purper-lak, voortkwam. Gee
lyk als ook de purper-lakken noch flegter en
ligter van koleur waren, dewelke in her zelfde
zop voor de darde , vierde , of vyfde reis ge-.
worpen wierden, om dat de eerfte de fchooníte
koleur reets na zich-getrokken hadde,
31.
De Lezer zal zeer ligt konnen begrypen, dat,
om
(a) vid. Plinii. lib. 35. cap. 6.
(&) Vid. Ifiodor. lib, 19. Orig, cap. 17e
B. January en February vja2. “roy”
om dit purper-lak te bereiden, het juift niet no-
__ dig was, dat in die zelfde purper-verw op dien
‚tyd te gelyk eenige Wolle of andere Stoffen ge-
_verwt wierden; want het was genoeg , alleen-
lyk maar in de kragtig{te en gezatureerde vog-
tige purper-verwe, zodanig een kryt in te wer-
pen, en na dat het zelve vol gedronken en we-
derom uitgenomen ‘was, wederom ander kryt
in de plaats te werpen, en dit geduurig en zo
lange te herhalen, als eenige koleur van belang
in dit zop gevonden wierd. Maar in het be-
reiden van zommige koftelyke zap-lakken, die
„zonder kryt, of ander grof lichaam zyn , is het
_welgebruikelyk, en word ook beter bevonden,
eer{t de Wol met diekoleur, van dewelke men
zodanig een koftelyk zap-lak tragt te maken,
te verwen, en dan door een ligte loog die ko=
‘leur wederom van de Wol af te trekken , en
afgetrokken zynde, door het inftorten van Aluin-
water te doen (tremmen tot een zap-lak , of lak
van geftremt zap , gelyk de Karmyn, de befte
florentynfch-lakken, enz. Behalven het on-
derfcheid dat in het purpuriJum, of het purper-
lak gevonden wierd, uit die wyze van berei-
dinge, dewelke wy gemeld hebben, wierd ook
noch een groot onderfcheid gemaakt, nade ver=
fcheide plaatzen daar het zelve toebereid wierd.
“Want op de eene plaats was de purper-verwe
zelfs veel fchoonder als op de andere, en op
zommige plaatzen wierd de purper-lak niet zo
opregt gemaakt , als wederom.in andere Ste-
den of Landfchappen. De purper-lak van P«-
zioli, in ’t Koningryk Napels, wierd voor de
befte gehouden binnen Romen. By dit Putioli
wors
‚rog Natuur- en Konft-Kabinet,
worden, volgens de getuigeniffe van (a) Fabius
Columna, de purper-viffchen noch hedendaags
gevangen by het hooft Mifenum aan de ftran-
den, in dat gedeelte water , het welke aldaar
hedendaags de doode Zee genaamt word. Hoe-
„wel de purper-verw tegenwoordig niet meer van
die visjes gemaakt, nog gebruikt word om de
Wollen mede te verwen, gelyk als ouwelinks.
Maar deze horen-visjes worden hedendaagsaan
die ftranden alleenlyk maar gevangen , om voor
fpys of lekkerny gebruikt te worden. Aan het 4
purper-lak van Pazttoli, volgde dat van Tyrus _
of lenicie, en daar aan het purper-lak van Ge=
tulie, en eindelyk aan dit het purper-lak van
Grieken-land. De flegter purper-lakken wier-
den te veel gekoleurd met andere verwen, en
hadden daarom ook niet die fchoone en zuivere
purper-Koleur, als het purper-lak of purpurif-
Sum van Putiolt.
2.
Plinius (6) sin dat onder die purper-
lakken eene zoort gevonden wierd, het weike
met een roode koleur vermengt wierd , die zy
Hysginus noemden , en dat zy het purper-lak
dit rood lieten indrinken. Met flegtfle purper-
lak (zegt Plinius) was, dat zy met de koleur
Caugfins vermengden, Dit komt zeer wel overe
een met de getuigeuiffe (by den doorgeleerden
JF. Harduinns (c) aangehaalt) vaneen onbekent
Schry-
(2) vid. Fab. Columna lib, de purpura.
(6) Lib. & Cap. Citato.
e ©, ke 78 arden) nota in GC, Plinij Natural, Hi
Of. 4e 35e cap. e
CER Oe
if Pandargen February 1722. 109
Schryver , dewelke onder de werken vanù den
__ Grooten (a) Claud. Galenus gevonden word ;
‚daar hy zegt, het purparif]um (het purper-lak)
bet welk zommige ook blanketzel noemen , zyn
„vierkante en kleine brokjes , op de manier als klei-
ne dobbelfteenen , die van de Werwers met een
__ roos-koleur gekleurd worden; zodanig is wel voor-
wamentlyk het Ganuzyns parper-lak, Op die wy-
ze blanketten zommige Vrouwen van Italie ,
Vrankryk en andere Landíchappen, noch he-=
dendaags hunne wangen, met diergelyke fchil=
der-lakken van een fchoone roode roos-koleur.
Hier uit leeren wy ook , dat het toebereiden van
verw-lakken en fchilder-lakken , zelfs in Eu-
ropa, niet van een jongen datum , maar zelfs
al zeer oud is, De roode koleur, met dewel-
ke zy het Hysgins purper-lak maakten , wierd
getrokken uit de Grana Kermes, dewelke de
Grieken verw-grein noemde, en die wy Kar-
mozyn Beyen noemen. Zo dat deze koleur,
die zy Hysginus noemden, beftond uit zamen-
menginge van de koftelyke purper-verwe. van
Tyrus, en de fcharlake koleur van de Gruza
Kermes. Het welke zodanig bereid wierd bin=
_nen Tyrus en Fenicie, en binnen Romen ver-
‚ kogt wierd onder de naam van het T'yrifche
purper-lak of Hysgyz-koleur. Als wy nu deze
purper-lakken byzonderlyk noemde na hunne
byzondere koleuren, zouden wy aan dat van
utioli wel by uitftekendheid den naam konnen
geven van purper-lak; om dat dit van zuivere
purper-koleur gemaakt wierd: Aan het Cazu-=
î ; Zyas
(a) Vid, in Galen, Oper. Libr. de Simp. Medi, ad
Parera. \
IJ en N f d ols
gro Natuur-en Konft-Kabinef;
zyas purper-lak den naam van roosverwig:put=
perlak : aan het Hysgins purper-lak den naam
van fcharlaken koleurig purper-lak ; om dat dit -
uit purper en fcharlaken-verw te zamengeltelt
was.
33
De wetenfchap van de verw-ftoffen wel te
gebruiken, en uit dezelve door zamenmenginge
fchoone en nieuwe koleuren te maken , hangt
af van een onderfcheidelyke kenniffe van de
voornaamfte verw-ftoffen. Want het zoude in
dit opzigt niet genoeg zyn, dat iemand maar
alleenlyk kenniffe hadde van de Indigo, om de
Indigo. te gebruiken in alle gevallen van de
verw-kunft, fchilder=kunft , verligtery-kunde;
verlak-kunft, enz. Het is noodzaaklyk , dat
zodanig een ook daar boven kennifle heeft van »
de andere verw-ftoften , dewelke in het gebruik
van de Indigo op verfcheide wyzen konnen te
pas komen, en dienft doen om aan de blaauwe
Indigo-koleur verfcheide trappen en tinten by te
zetten, Want zommige verw-ftoffen, deweis
ke toegezet worden, geven een levendige hel-
derheid, en andere wederom een doffe morzig=
heid, Het is zeker, dat met de fcharlake ko=
leur , of de verw der Graxa Kermes, of ander _
food, aan de Indigo verfcheide graden van pur:
peragtigheid konnen toegevoegt worden, daar=
om zal het niet onaangenaam zyn , de fcharlas
ke:koleur een weinigje nader, echter maar in’
voorbygaan, te befchouwen.
34. /
Het Scharlake of Karmozyn, namentlyk de
Grana Kermes, was by de Ouden zeer bekent,
en
i ___ FanuaryenFelradry17at: rf
_ &n groeide ook op veel plaatzen, gelyk als wy
uit deszelfs Natuurlyke Hiftorie nâ dezen zul-
Jen‘befchryven. De Franfche noemen het zel-
vegrained’écarlate , het word in’t Narbonifche
Vrankryk veel gewonnen. Deze greinen of
Karmozyn-beyen zyn zeer vol wurmpjes, wel-
ker zap ongemeen goed bevonden word, om
Scharlaken of Karmozyn-koleur te verwen:
Dit Karmozyn-grein word voortgebragt van een
laag heeftertje. In de Maanden van April en
Mey vertoont zich een uitwerpzel , dat als een
knobbeltje op de bladeren groeid , het welke
_ uitwendig als met een zeer ligt wit poeder eenig=
zints maar bedekt ís, maar zo ras als dit poeder
of meel word afgeweegt, is de koleur van dit
grein fchoon rood; gelyk ook dit grein met een
‚ bloed-rood zap vervuld is, en met wurmpjes
van dezelve fchoone bloed-roode ‘koleur. Dit
boompje groeid meeft op fteenagtige heuvelen,
omtrentMontpeliers,Nimes,Avegnon,en andere
Plaatzen van dat gedeelte van Vrankryk,dat tegen
Italien tuit : ook in Provence, in Italie, het Ges
bied van Toskanen, Romen enz.” Zohaaft als
deze greinen ryp en volkomen rood geworden
zyn, lezen zy dezelve by malkanderen, en leg=
pen die op fclhoon linnen, dat over een vlakke
Grond uinglprid is, Volgens het berigt, dat
“den Heer Verchand, Kruidkender en Apothe=
Car te Montpeliers, verhaalt uit eigen onder=
vindinge by de vermaarde Kruid-befchryver (a)
| genes Rayus , dat zy in het begin, als deze
__Karmozyn-greinen op. het linnen in de zon uit=
„ gefpreid gelegt zyn om te droogen , daaglyks
7 twee
_(@) Hiflor, Plantarum cap‚ de dice,
siz Natuur-en Konft-Kabinet;
twee of driemaal dezelve omroeren, zo lang
als dezelve noch vogtig zyn, om daar door het,
heet-worden en broeyen te beletten, Als nu na
het droogen zich een rood poeder boven op de
Karmozyn komt te vertoonen, word dit grein
in een Zeef gedaan, en dit {choon rood poeder
word van dezelve afgezift, en het grein word
wederom als voren op het uitgefpreid linnen in
de zon geïegt, zo lang tot zich wederom zo=
danig een rood poeder op het zelve komt te
vertoonen. Het welk dan ook wederom uit=
gezift en vergadert word, en deze ziftinge word“ °
zo menigmaal , en ook zo lange hervat, tot zig,
geen poeder meer komt te openbaaren. Wy
“moeten aanmerken, dat het eer{te poeder voort=
komt uit de opening vanelke grein, welke ope-
ning in elke Karmozyn-grein gevonden word,
aan die zyde, met dewelke dezelve aan het blad
heeft valt gezeten. Dit poeder is niet anders
als het bloed-roode zap , met het welke elke
Karmozyn-grein opgevult is ‚, en dat nu door
de hette van de zon tot zodanig een poeder ge-
droogt is. Het andere poeder, het welke zich
naderhand noch in verfcheide reizen op het grein
komt te vertoonen, word geboren uitde roode
wurmpjes, die noch eerft in hun blaasje of vlies-
je zaten, en die nu door het breeken van het
vliesje, dat door de hette van de zon, en het
drogen veroorzaakt is geworden, na buiten zyn
gedreven , gefturven en tot rood poeder ge-
droogt, op de wyze als het roode zap, van de-
welke het eerfte poeder was voortgekomen. Als
het komt te gebeuren, dat zich in dit poeder
wederom leven begint te vertoonen, en dat zÀ
ZIC
Stannaryen. February 17ar. nig
‚ “ich zelfs begint te bewegen, moet het zelve
_befprengt worden met zeer fcherpen Azyn, en
___met de handen gewreven „ en tot balletjes ge-
maakt worden, die in de zon moeten gedroogt
worden. Het fchynt dat door de fcherpheid van
‚den Azyn, de nieuwe diertjes, die dit leven in
et poeder verwekken , dood gebeten worden.
Want als iemand dit poeder laat biyven zonder
__„deszelfs levendigheid, door den Azyn of eenig.
ander zuur zap tedooden, word van elk korrelt-
‚… je poeder een zeer klein vliegje geboren , het
-_welk een dag of twee levendig en fpringende en
vliegende blyft, tot dat het eindelyk dood ne-
„dervalt, en al zyn koleur verloren heeft, Ter-
‘wyl deze vliegjes leven, zyn dezelve bitter van
Ímaak; maar zy zyn zo,ras niet geltúrven, of
de bitterheid is ook te gelyk met derzelver leven
verdwenen. Het grein, van het welke nu al
het poeder, daar wy van gefproken hebben, is
afgezift, word ook met wyn gewaflchen , en
naderhand in de zon gedroogt, en met het poe=
der in zakjes gedaan, en tekoop gebragt. Zyn-
de eigentlyk nu die vermaarde verw-ftof, waar
mede die edele koleur , den welken wy Schar-
lake koleur of Karmozyn koleur noemen, byna
… zo wel geverwt word, als met de Concheztlie,
35:
Plinius (a) getuigt, dat de Karmozyn-grein
roeide of gewonnen wierd in Galatia, Afrika,
Pifidia, Cilicia ; maar dat de flegtfte zoort ge-
vonden wierd in het Eyland Sardinien, De
B DEEL. Oerd Kar-
(a) vid.C,elinij Hiftoria Natural. lib, zo, cap. 12.
sia __Natwar- en Konff- Kabinet,
Karmozyn-grein die uit Galatie kwam, wierd
by de Ouden voor de befte gehouden, en zom-
mige zyn van gedagten , dat de naam Scharlake-
koleur zo veel wil zeggen als Galate-koleur.
De naam Scharlake aflcidende van Galate,
Maar het fchynt my noch wel zo wis , dat
het woord Karmozyn afkomt van het woord
Kermes, en Karmozyn-grein zo veel wil zeg-
gen als Kermes-grein of Grana Kermes, na het
Arabifche woord Kermes. (a) Plizius en (b)
Zfiodorus verhalen, dat een zekerzoort van een
mantel, met dewelke de Romeinfche Veldhee-
ren omhangen waren, en die Paludamentum
genaamt wierd, wel byzonderlyk geverwt was
met de gemelde Karmozyn-koleur , met kofte-
lyke Purper-koleur en goud. Datde Karmozyn-
grein zeer fchielyk in wurmen konde verande-
ren, was ook zeer wel van de Oude aangemerkt.
Plinius regt , dat zy daarom die Karmozyn-
grein, dewelke in Afia grogide, Scolecsonnoem=: -
de, het welke in het Grieks een wurmpje be-
tekent. En dat daarom die zoort van Karmo-
zyn-grein, die van Achene en klein Afie kwam,
minder geagt wierd. Dit zal buiten twyffel
veroorzaakt zyn geweeft , om dat zy het poeder
niet genoeg met Azyn kwamen te befprengen,
en te dooden. En dat het om die reden ook
niet heeft konnen duuren,
36.
De Ouden gaven aan deze Karmozyn-koleur
ook den naam van Coccus, gelyk byna aan alle
de Geleerde Lieden bekent is. En ik geloof, -
dat
(4) Zi 2as cap.ze (6) Lid. 19e Cap. 24.
Januaryen February 172 rs Uig
| de naam Cuccheuilia, dien wy aan de Conche-
gd ie geven, van deze naam Coceus afkomttig
is. Het welke te waarfchynelyker is, om dat
“ay beide voor de alderuitmuntenfte onder de
__toode kolepren gehouden worden , en dat zy
beide daar in overeenkomen, dat zy beftaan uit
een plant, en te gelyk uit een levendig diertje
of infzétje. Want de Conchezilie is ook niet an-
ders als een diertje, het welke voortgebragt
„ word uit een plant-gewas in Weft-Indien, on-
der het Gebied van Mexsco, en ’t Lafcala. Dit
beesje is als een goud haantje, dat de kinderen
- onze lieven heers-beesje noemen, en in ’ klein
‘van gedaante als een Schallebyter is in’t groot,
entrekt zyn voedzel en zyn uitmuntende {ware
roode koleur uit de plant, op het welke ‚het
aat, en als het zelve tot zyn volkomen was-
dom en rypheid gekomen is, en dat die beesjes
log geworden zynde , zich in een groote me-
„nigte opdie planten, diein een groot getal in
de Conchezilie-tuinen of kwekeryen by malkan-
deren, geplant (laan, komen te outhouden , ma-
ken de Indianen een grooten rook, waar door
deze beesjes komen te fmoren en tefterven, en
van hunne plant neder te vallen, op daar onder
gefpreid linnen, of fpreiden, waar nazy in de
groete hettevan dezon gedroogt worden , waar
„door hunne fchildjes en tedere wickjes, poot-
jes en hoofden komen af te vallen, door het
fterk drogen; daar het heen en weer fchudden
ook zeer veel toe komtte helpen. Naderhand
worden zy in een lugtige wind als uitgewant;
Waar door alles wegvliegt, behalven hunneag-
terfte gedeelte , in het welkeeigentlykde voor-
H 2 naamfte
tr6 __ Natúur- en Konft-Kabinet,
naamfte koleur zich onthoud, en het welke die
fchoone verw-ftof, die wy Cozchezilie noemen,
komt uit te maken, Hoe bekwaam nu deze
fchoon-roode koleuren bevonden worden, om
met den Indigo alderhande tinten van viool,en
purper-koleur te maaken, is, denk ik, by elk
een genoegzaam bekent. Maar het koftelyke
purper der Vuden, dat van de purper-visjes ge-
maakt wierd, hadde deze toezettinge niet van
noden, en gaf een weergalooze purper-koleur
uit zich zelfs, die na alle waarfchynelykheid
hedendaags onnavolgbaar is, Daarom dunkt
my, dat het de moeite wel waardig zal zyn,
dat ik aan den Lezer, aan den welken zulks
onbekent mogte zyn, van de purper der Ouden
in deze Natuurlyke-Hiftorie van de Indigo een
weinig onderregtinge kome te geven; te meer,
om dat in de befte Indigo, boven en behalven
deszelfs fwaar en rykelyk blaauw , ook een
violet-koleur of blaauw -purper gezien word.
Het welk buiten twyffel de oorzaak geweelt is,
dat de Kooplieden aan Plinsus hebben konnen
Wwys maken, dat de Indigo gemaakt wierd van
het fchuim van de purper-ketels. Ook vinden
wy onder alle de zap-koleuren of verw-koleu-
ren, geen verw-{tof , dewelke nader aan het
belte.purper (namentiyk het viool-purper) der
Ouden grenft, als den Indigo , en dat bekwa-
mer is om door vermenginge met andere ko-
teuren , alderhande viool-purpertinten aan te ne-
men. Gelyk als ook geen enkelde verw-ftof
by my bekent is, die nader aan het rood-purper
der Ouden komt, of T'yrifche koleur, als de
Gonchenilie, Hoewel echter onze befte Indigo
noch
__January én February 1722. 117
noch ongemeen veel verfcheelt van het viool-
purper der Oude, en de Cogchezilie ook zeer
veel van het road-purper der Oude, het welk
Baderhand tot Romen in grooteachtinge kwam.
at de Franfe noemen Oofters-purper, word
met de Gogchegilie en de gewoonlyke zouten
geverwd. '
7.
De Schryvers zyn ad in allarm, hoe-
danig eigentlyk die Specificgue koleur was, die
de Aaloude purper noemden. Zommige oor-
deelen, dat het is geweeft die zelfde koleur,
dewelke wy Scharlake of Karmozyn noemen.
‘Maar de Oude onderfcheiden wel expreffelyk
de Karmozyn-koleur van het purper, en noemde
dezelve Pazicus Color, punifche-koleur, na de
Inwoonders van Carthago de punen of poenen 3
gelyk zy het purper gewend waren te noemen
Color Tyrius, of Tyrifche koleur, na Tyrusin
Fenicien. Anderezyn wederom van gedagten,
dat het purper der Oude die koleur is geweeft,
dewelke wy paars of vio/et noemen ; maar om de
verfchillen van dezeSchryverste beflegten,en aan
den Lezer een overeenkom(tig denkbeeld te ge-
ven, was het fchoonfte purper der Oude een
zeer hoog en fchoon rood-blaauw ‚ door het
welke het blaauw zeer veel boven het rood
doorftak. Want als het rood een weinigje te
veel de overhand hadde, wierd het zelve niet
voor zo fchoon en zuiver purper gehouden,
Daarom zeide Plinius, gelyk wy boven gemeld
hebben, dat het purper-lak van Tyrus niet zo
fehoon was als dat vanPutioli nuPozzolo,om dat
Onder dat van Tyrus te veel rood gemengt wierd;
| El 3 welke
118 __Natwiúr- én Konft-Kabinet
welke purper-roode koleur, de Oude Hysginus
noemde , en uit de koleur van het Scharlake-
grein, en de purper-verwe , dezelve bereide.
Gelyk als nu het purper der Oude niet was on-
ze Scharlake koleur, zo was dezelve ook niet
onze Paarfche koleur , maar gemeenlyk leven-
diger en helderder als ons Paars , hoewel het
purper der Ouden zo veel wel in zoort ver-
fcheelden, dat het eene wel een tintje hooger
als het ander hadde, na het blaauw , of rood,
of zelfs na het bruin. Corzelius Nepos zegt,
toen ik was een Jongeling , was het viool-purper
de de mode. Maar naderhand heeft tot Romen
zeer in de mode geweeft het purper dat wat
rooder tint hadde, gelyk als dat van Tyrus,
Waar uit blykt, dat het purper der alderoudfte
volkeren is geweeft viool-purper: datis, ishet
welke matig)yk blaauw , en weinig rood door-
ftraalde, en de koleur van cen Amathyft hadde.
Maar dar by die Oude, dewelke later waren,
gelyk by de Jongelingfchap van Nepos, ten ty-
de van Auguftus, en eenige latere Keizers, by
de Romeinen het purper is geweeft blaauwagtig
rood, daar buiten twyffel zeer weinig blaauw
in doorgeftoken heeft , het welke zy daarom
ook rood purper noemden , om dat de roode
tint in dit purper meer doorftak als in het viool-
purper. Een darde zoort was purper, datzeer
blaauw was, en daarom ook het minfte in prys
was. Als dan het befte purper, of dat der ou-
der volkeren viool-purper was, is het noch zo
zeer niet te verwonderen, dat de doorflepe
Kooplieden aan Plinius en andere hebben kon-
nen op de mouw fpelden, dat de Indigo, zo
veel
___Sanuaryen February 1722. 119
veel wasals een Quint Effentie, of het befte uit
het befte van het viool-purper, en dat dezelve
van het fchuim of de bloem van de purper-
ketels gemaakt wierd,
38.
Dat het purper der Oude gemaakt wierd van
het zap van de hoorn-visjes , het welke in de zee=
horens gevonden wierd , die onder den naam van
purpers of purper-horens bekent zyn, is een
zaak die genoegzaam by de lief hebbers openbaar
is. De purper-verwen waren zo koftbaar, en
wierden zo hoog geagt by de Grieken en Romei-
nen, dat volgens de getuigeniffe van Zheopompus
by Atbeneus en van (a) Plinius, het zelve te-
gen zulver wierd opgewogen, Voor een pond
van dit Koninglyk viool-purper , wierden dik-
„wils hondert goude penningen betaalt. Het pur-
per, dat zy Dibapha Tyria noemden , en dat
dubbeld geverwt was, kofte in het begin dui-
zend Dezarien het pond. Dit wasde oorzaak ,
dat de Griekfche Kooplieden, die tot T'yrusen
Fenicte koophandel in de purper-verwen dre-
ven, en dezelve in Griekenland en elders ver-
kogte , zomtyds ongelooffelyke {chatten kwa=
men te vergaderen, De vermaarde Philofvof
Zeno, en andere Geleerde Mannen onder de
Grieken, hebben zelfs zich niet gefchaamd in
de purper-verwe , en in de ftoffen die purper
geverwd waren, grooten koophandel tedryven.
De purper-hoorns worden aan verfcheide zee-
boorden, in verfcheide boezems, inhammen,
WE 4 en
Ca) Zib.g. Cap, 19.
r20 Natuur- en Konft-Rabinet,
en by verfcheide Luandfchappen gevonden. Maar
de purper-koleur , die van dezelve gemaakt
wierd, was niet van een en dezelfde fchoon-
heid , maar kwain zeer veel te verfchelen in
de Landen en Klymaten, daar de purper-hoorns
gegroeid waren. Op zommige plaatzen viel de
purper-koleur viool-blaauw , op andere blaauw-
rood : op zommige plaatzen wierd het purper-
zap gevonden , trekkende na het fwart. De
oude Schryvers Aristoteles, Plinius Vitruvius ,
Ifidorus enz. getuigen, dat de nabyheid van de
zon, en warmte van het K/ymaat , veel doed
tot de fchoonheid van de koleur : Dat Afrika
voortbragt viool-purper : Tyrus in Fenicierood-
agtig -purper : de Noordelyker Landfchappen
fwartagtig purper : en de Ooftelyke Landen
wederom viool-purper ; gelyk ook de koleur
van het Tarentynfche purper was. Waarom
het zelve ook zeer hoog geagt wierd,
39.
Alfchoon de purper-hoorns, volgens de on-
derfcheidinge der zee-hoorns , een byzondere
zoort uitmaaken , word nochtans het purper
in verfcheide andere zoorten van horens gevon-
den, die juift niet met de naam van purpers,
maar met andere namen na hunne zoorten ge=
naamt worden. De Geleerde Fezuwyt Phil.
Bonannus (a) verhaald , dat zelfs het purper-
zap gevonden word in de Baccina of trompet-
hoorns , inde rots-hoorns en andere; en dat uit
een Egel-hoorn , dewelke hem levendig van
An-
(a) Vid. Phil, Bonannì recreatio mentis > oculi ,
part. 2. Claff, 111. de Teftac. Turbinatis. 5
_Pannaryen February 1722. 12%
_ Antie gezonden was, een fchoon purper vloei=
de, dewyl hy bezig was om dezelve aan ftuk-
ken te fnyden. Pabius Colamna verhaalt by
den zelven van een viool-purper , het welk ook
_uit zodanig eenhoorn voortvloeide, die gevon-
_ den was aan de zee-{tranden van den Vefuvzus,
by Napels. Dit koftelyke Ligueur wierd op
verfcheide wyzen uit deze hoorns ontvangen,
Jmperatus (tegenwoordig by myne Lezers zeer
wel bekent) zegt, dat deze visjes hun purper-
zap uitfpogen buiten hunne hoorns ,als de hoorn
fterk gewreven wierd, A. Colwmra, die een
Traêtaatje, dog zeer kort, over deze purper-
hoorns en purper gefchreven heeft, (a) verhaalt ,
_dat de visjes gevangen zynde, dit koftelyke vogt
van zelfs uitbraaken. In Ozomzaft Pollucis Quarto
word verhaald, dat zy ouwelinks de fchalen
van de gevange purper-hoorns aan (tukken bra-
ken: dat zy deze visjes met water in een ketel
kookten: dat daar door derzelver zap door her
vuur in beweginge gerakende , voor den dag
kwam, en ten deele aannam een geele koleur,
ten deele een paarfche koleur , en ten deele
eenige andere koleuren, Als de Lezer begerig
| is om de gedaantens van de purper-hoorns te
|
ee
zien, deze zyn door Ulyf/. Aldrovand, en ver-
fcheide andere Schryvers, in verfcheide Figuu-
ren uitgedrukt. Maar niemant heeft zo naauw-
keurig, en zo veel verfcheide zoorten van pur-
per-hoorns uitgebeeld, als de vermaarde Jezu-
wyt Bonaunus , van den welken ik boven ge-
fproke hebbe.
| H 5 Ik
(a) Vid. Fab, Column, de purpura.
rzz Natuur-en Konft-Kabinet,
40.
Ik zal, om de bepaaltheid van myn beftek,
van deze Koninglyke purper affcheiden. Want
wy hebben nu genoegzaam getoont, dat den
Indigo by de Oude niet is gemaakt geweeft van
hunne purper ; en dat deze twee verw-ftoffen
zeer veel van malkanderen kwamen te verfche-
len, als zynde de eene van een hoorn-vis, en
de andere van de plant Axil. De Oude, en
zeer veel later Schryvers, hebben gemeent , dat
de Europiche lfatis, of wede, daar de blaauwe
Paftelvan gemaakt word, het zelfde kruid was ,
daar in Ooft-Indien de Indigo van bereid wierd.
Om deze dwalinge ook geheel weg te nemen,
zal ik deze twee zo zeer onderfcheide plant-
gewaffen befchryven. En zulks noch wel te
meerder, omdat, alfchoon de wedeef de Az:l
twee byzondere plant-gewaffchen, ende Paftel
en de Indigo twee byzondere verw-ftoffen zyn,
echter de Paftel geagt word als een Inlandfchen
Indigo ; om dat dezelve zo bek waam gevonden
word, in het blaauw-verwen5 en dát zelfs de
Indigo veel helderder en beter koleur verwt,
als by dezelve Paftel gemengt word; als ook ,
om dat deze twee verw-ftoffen het fundament
van de blaauw-kuip zvn. De wede is een Eu-
ropifch gewas, en overvloedig, zo wel by de
oude als later Schryvers bekent. Elke Natie
heeft aan dit kruid byna een byzondere naam
gegeven. DeGrieken noemen het zelve Jfatis;
de Romeinen behouden zomtyds’ de Griek{che
naam, en zomtyds geven zy aan dit kruid den
naam van Glaftum. De Hoogduitfchers noe-
men
4 _Sfanuary en February) 1722. 123
__hén dit kruid Weyd,de Engelfche Wode of Wade,
__ De Nederlanders Wede. De Itaiianen Grado,
De Franfche noemen het zelve zomtyds Paftel,
_ Maar dit veroorzaakt verwarringe ; om dat de
_ Patel eigentlyk is de blaauwe verw-ftof, de-
welke van dit kruid gemaakt word. Anders
noemen zy dit kruid Guede , en zommige ge-
ven aan het zelve ook wel den naam van Gua-
dam, andere.van Ni, andere die van Atl,
Maar deze Schryvers zyn mifleid , menendedat
dit kruid en de Axt/, daar de Indigo in de Indiën
van bereid word , een en het zelfde kruid is,
Daarom zetten zommige de naam van N4/ en
Anil, dien zy by Avicenna, Mefne en an-
dere Arabifche Schryvers vinden, over met de
naam van Jfatis of wede. Maar de Arabifche
Schryvers kenden zeer wel de Aril, of het In-
digo-kruid, en verftonden geenzints door die
naam de wede, daar de blaauwe verw-{tof,
dien wy Pa/le/ noemen , van bereid wierd in
_ Europa, maar het Indigo-kruid,
41.
| De wede word gemeenlyk in twee zoorten
| verdeelt, namentlyk in tamme wede en wilde
wede; gelyk te zien is in Tab. Xxxvi. alwaar
|_door Fig. 2. de tamme wede uitgebeeld word,
en door Fig. 3. de wilde wede. Deze twee
zoorten van wede zyn niet anders als maar
eene zoort, en verfchelen maar alleenlyk daar
in, dat de eene geoeffent word op wel gemeft
‚_ _Land,en datde andere op zeer veel plaatzen in ’t
| wild groeid. Maar als de wilde wede verplant,
of van deszelfs zaad gezaaid , en geoeffend
word,
Xz4 Natuur- en Konft-Kabinet,
word, krygt dezelve volkomentlyk de gedaan-
te en eigenfchappen van de tamme wede. Be-
halven de alom bekende tammeen wilde wede,
hebben de Kruid-befchryvers noch verfcheide
andere zoorten, diein verfcheide vreemde Lan-
den groeyen, ontdekt Gelyk als de Ooft-In=
difche Zee-lfatis, die grys van koleur is: de
Ooft- Indifche Jfatis met een grys-koleurige
vrûgt, die de gedaante van een ey heeft : de
Ooft-Indifche Zfatis met het blad van Leps-
dium + de Ooflt-Indifche Jfatis met bladeren
van de Braffica Perfoliata , en met een vrugt
die de gedaante van een hart heeft , en grys
van koleur is: de kleine wede Jfat1s van Por-
tugaal, Hort. Lugd. Batav. in Appendice. Maar
deze zyn voor de lief hebbery.
42.
De tamme wede die allom bekent is, en van
dewelke de bekende blaauwe verw-ftof Paftel
gemaakt word, heeft langwerpige breede bla- -
deren, die donker-groen van koleur zyn. Zy
hebben omtrent de gedaante van de {malle weeg-
bladeren 3 maar zyn veel grooter. Defteel van
dit kruit is omtrent drie voeten hoog , en zom-
tyds veel hooger, na dat de grond kragtig, is,
daar dezelve op geoeffend word. De opgaan-
de fteel van de wede, deszelfs lang werpige bla-
deren uitgefchoten hebbende, verfpreid zictt bo-
ven in een breede krans, die een groot getal
geele bloempjes voortbrengt. Deze bloemen
veranderen naderhand in blaasjes , die afhan-
gen, en allengskens een fwarte koleur aanne-
men. De wortel is wit van koleur, zeer lang-
werpig
January en February 1722. 12
_ werpig van gedaante, en dringt zich zeer diep
in den grond. De wortel is met weinig vezels,
en regt neergaande als dunne peen , zaraxicuur,
of iets diergelyks. De bladeren die aande (tron-
„ken waflen, zyn veel fcherper en kleinder als
die uit de wortel fchieten. De wede behoort
onder die zoort van (a) planten , welker bloem
zich kruisgewys vertoont ; zodanige kruis-ge-
daantige bloemen worden uit vier bloem-bla-
deren te zamen geftelt, en vertoonen daar door
eenigermaten een kruis, Als by deze bloemen
een Calyx of kelk is, heeft dezelve ook ge-
woonlyk vier bladen, die in dezelfde order ge-
fchikt zyn, als de vier bloerns-bladen. En
de Paftillus , of ftamper , gaat gewoon-’
lyk over in de vrugt. Gelyk gezien kan wor-
den in Fig. 4. A, ís de kruis-formige bloem van
de wede, uit vier bloem-blaadjes , als B. be-
ftaande; uit welkers kelkje D. komt opryzen,
de ftamper of ftyl (piftillum) CG, dewelke ein=
delyk verandert in de vrugt E, dewelke byna
de gedaante van een tongetje heeft, en als een
blaasje eenigzints gapende , gelyk gezien word
by F. G. befluitende, als in een doosje , het
zaat, alste zien is by H, Deze zaadjes zyn
eenigzints langwerpig , gelyk te zien is by I.
De wilde wede behoeven wy niet te befchry-
ven , om dat dezelve in alles met de tarnme
overeenkomt , als alleenlyk dat dezelve wat
fchiraalder van bladeren en bloemen is. Echter
«groeid de wilde wede veel hoger als de tamine,
j maar
_ (4) Vid, Foferh. Piston Tournefort Inflitut. Rei Her=
bar, Claff: 5. de Herbis &* suffruticibus Flore Pobype-
talo-Cruciformi, Se,
126. Natuur- en Konft-Kabinet,
maar de fteelen zyn dunder en bruinder, ende
kauwkens of blaasjes, die wel na een tonge
gelykenen, zyn ook, fmalder,
43:
De Ifatis of wede , word op zeer veel plaat
zen in Vrankryk, Italien, Spanje, Engeland,
Duitsland, Switzerland, Vlaanderen enz. ge-
zaaid; maar de wede, die in ’t Graaffchap
Thouloufe gezaaid word, is zeer geroemd, en
wil aldaar zeer wel gedyen. Jul: Gefar. (a) ge="
tuigt , dat de Oude Engelfchen , hun met dit
Glaftum beftreken ‚ven dat zulks een blauwe
koleur maakt ; maar wy moeten hier verftaan
de Paftel , die van dit kruid gemaakt word.
Plinius (b) verhaalt, dat in Vrankryk eeu kruid”
was, het welk van gedaante, de weegbree ge
leek , en aldaar Glaflum genaamt wierd , met
het welk de getrouwde vrouwen, en zelfs ook
de jonge dogters in Engeland , hun geheele lis
chaam kwamen te beftryken 5 als wanneer zy
dan op zommige Feeft-dagen , en in Kerkelyke
oeffeningen , op die wyze , naakt kwamen te
verfchynen. Zheopbraftes , Diofcorides , Pli=
zius, Galenus, Paulus, en een groote menigte
oúde Griekfche, en zelfs Latyníche Schryvers,
hebben de wede en deszelfs verw-{tof befchre-
ven ; waar uit klaarlyk blykt, dat dit kruid en
deszelfs gebruik , al van over-oude tyden , ge-
meenzaam bekent is geweeft, En dewyl de
Blaauwe verw-{toffe, dewelke van dezelvege-
maakt word, een groote over-een-komft, ten
opzigte van het blaauw-verwen van kekgaen .
ol-
„ (4) vid. de Bell, Gall. lib. 5. (b) Lib.22, cap. 1,
Nd
mA,
ZA
Januaryen Febrùary 1722. Tar
Wolle en Linne-ftoffe ,‚ met de Indigo heeft ;
was het geheel geen wonder , dat die Mannen
geloofde, dat het. kruid, van het welke de In-
digo in Ooft-Indien gemaakt wierd, aldaar niet
anders was, als by ons de Wede ; om dat de
Anil, of het Indigo-kruid, aan haar onbekent
‘was, Het is minder ten beften te duiden , dat
meeft alle onze hedendaagfche Kruid-befchry-
wers (onder dewelke zelfs zommige gevonden
worden , die de Axil , daar den Indigo in de
Indien van gemaakt word, onder hunne vrem-
de Plant‘gewaffen, in Broey-kaffen en Oranje-
huizen , Zelfs oeffenen , en voor hunne oogen
zien) den Agzil den naam geven van 4fatis Iz-
dica , Indiaanfdhe‘weede : Paftel de Madagas-
Car , Paftel van Madagafcar. (In Madagafcar
word er gevonden ): Glaftuu Indrcnia:
Indiaanfche ‘Glaftam of wede , daar zy zelfs
konnen weten, en met hunne oogen zien, dat
de wede en de Az:/, twee Plant-gewaffen zyn,
die zo veel van malkander verfcheelen , dat zy
elk een byzondere naam vereifchen , om daar
mede te betekenen de twee byzondere denk-
beelden , die wy van die twee byzondere Plan=
ten genieten. Want als wy in diergelyke za-
ken niet naaukeurig zyn, komen uit de minfte
misflag en verwerringe , die in het benamen der
dingen begaan word , ontelbaare dwalingen eu
verkeerde opizteute voorfchyn, dewelke voort=
del ‚ en vermenigvuldigt worden van die
chryvers, dewelke malkander , zonder hun
‚ oordeel te gebruiken , of eenig onderzoek op
de zaak te doen , van woord tot woord , ge-
trouwelyk uit{chryven, D
lk e
«28 _Natuur- en Konft-Kabinet,-
44.
De wilde wede groeid op zeer veele plaat=
zen „als een fchadelyk onkruid voor „het
Koorn, Matth. Lobel (a) getuigt, dat de wil-
de wede voor het Koorn zeer fchadelyk is, en
hy vergelykt de gedaante van de bladeren van
de wilde wede , met de bladeren van de Endi-
vie. Dit zal mifchien de oorzaak zyn geweeft,
zegt hy , dat Plizius de wede geftelt heeft on-
der de Latouwen. De fteelen van de wilde we-
de , zyn zeer houtagtig en regt. „Het geel van
de bloemen van. de wede , “is.zeer bleek, MM.
Lobel, die in der daad een naaukeurig Kruid-
kender is geweeft, verzekert ook , dat de befte
wede in Touloufe gewonnen word „ én dat
het groene kruid, aldaar Guede genaamt word 5
daar , na alle waarfchynelykheid., „onze naam
wede van afkomftig zal zyn. Het voort-teelen
van de wede is in T'ouloufe „van ,over lange
tyden , van zo veel belang geweeft , dat altyd
geoordeelt is geworden, dat de wede-bouw dat
land ryk maakt, gelyk eenigzints kan gezegt
worden van de Roode Mee of Mee-krap , ten
opzigte van Zeeland, het land van Voren enz.
Zommige noemen onverfchillig in hunne Boe-
ken, dit kruid zo wel Paftel, als wede; maar
zy-konnen uit de volgende woorden van den
vermaarden Label, onderregt worden; daar hy’
(6) zegt: Dat in ’tland van Toulonfe, dit kruid
groen zynde , Guede genaamt word , maar dat
het zelve gedroogt , gerot, gemalen , en in zeer
groote hopen vergadert zynde , Paftel genaamt
word,
(a) vid. Qbfervat. Stirpium. (6) Vid. libr. citat.
; SJanuaryen February 1722. 129
word. Ende word van daar gebragt door geheel
Vrankryk, Engeland en Nederland , om verkogt
de worden aan de Verwers, om met dezelve de
Jiakenen , Wolle Stoffen, Linnen en andere za-
en blaauw te verwen. ’t Word ook gezaaid in
RyfJel, in Vlaanderen , en in Duitfehlandop goed
vet land, alwaar ook zeer goede Wede „die maar
weinig flegter is als die van Tonlouze „ gewon-
zen word, Dat de naam Paster gegeven word
aan de verw-ltof die van de Wede bereid word ,
is, om dat dezelve , onder de bereidinge tot
klompen als een deeg gekneed word, en zom-
tyds als bollen, of in de gedaante van koeken,
die als tot een deeg te zamen gekneed zyu„ op
zommige plaatzen verkogt word. Hoewel de-
zelve anderzints ook verkogt word in poeder,
gelyk als de meefte verw-{toffen. De naam
Paftel is anderzints algemeen , en toepaffelyk
ep alderhánde zoorten van Crios , als ook van
andere verw-{toffen, die tot een Pafta of deeg
gekneed zynde, in de gedaante van koekjes,
blokjes, ftokjes , enz. verkogt word. Zo noe=
men de Franfchen Paflel de Carmofin , een
verw-ftof, die in die gedaante toegetakelt en be-
reid is van de Karmozyn-koleur van de Graza=
Kermes of Karmozyn-beyen : zo word in *t La-
tyn door den Digter Horat:us Paft:llus genaamt
een reuk-balletje , of reuk-koekje: zo noemen
Plinius en Celfus Paftillus een zeker klompje
van droge Artzeny, dat tot Romen by de Apa-
thekers verkogt wierd, enz.
EE 45.
‚De Hooggeleerde Rembertus Dodoneus heeft
VII Deer, baie £ ein
130 _ Natuur-en Konft-Kabinct,
in éen zeker opzigt in zyn tyd al eenigzints gee
merkt, dat de Europifche Wede geheel wat an=
ders was, als het geene de Arabifche Schryvers
Anil noemen. Maar in een ander opzigt, heeft
hy echter gedwaalt, en geoordeelt, dateen ze=
kere Anil , daar Avicenna van fpreekt in zyn
$12. Capittel, niet anders was, alsde Jfatis of
Wede: daar ondertuffchen Avicenna op die plaats
{preekt niet van de Wede, maar van het In-
digo-kruid. Wy zullen ’s Mans eige woor=
den bybrengen. Men vind (zegt (a) hy) dez
naam van Paftellum of Paftillum „ met eenige
befchryvinge van dien by Plinius Valerianus, in
het darde Capittel van zyn tweede Boek. In
vaze tyden noemen de Nederlanders dit kruid
Wede. Avicenna noemt het Nil, in zyn g12.
Capittel. Daar is nochtans by de Arabieren een
ander Nil, °t welk GRANUM Nir ende Hap-
Arnie genaamd word , waar van Avicenna
fpreekt in’t 306. Capittel, en Serapionin't283,
nva „ het welke een zoort van Windeof Con- _
wofvulus is. Dodoneus is verdwaalt, dat hy in
het laafte van deze woorden heeft geoordeelt,
dat de Nil, of het Indigo-kruid, een zoort van
Winde of Convoluulus (het welk zo genaamt
word, om dat het zich om eenige by{taande
dingen vlegt, windt, of anders vaft hegt) is,
daar het inderdaad geen de minfte gemeenfchap
mede heeft. Maar daar hy in die zelfde woor-
den oordeeld , dat de Wede geheel iets anders
is als die Azi/, heeft hy het wit veel beter. gee
troffen. Hoewel hy echter in de befchryvinge
van
(a) Ziet Kruid-boek van Rembertus Dodonays, het
eerfle deel, heb derde Boek , het 28, Capistel,
ON
January en February 1722. 43t
van de Couvolvulus {taande houd, dat de Ni»
daar Avicenna van {preekt , in zyn 306, Capittel,
__en Serapior in zyn 283, Capittel, een zoort van
Winde was ; en dat N:/, daar Avicezna van
{preekt in zyn $12, Capittel, niet anders was,
als de Jfatis van de Grieken. «Waar uit blykt,
‘ dat hy- maar gezien heeft, wat deze Nil niet
was, maar eigentlyk niet wat dezelve was,
(a) Ravelingius , die anderzints een Geleerd
Kruid-kender was, en na de dood van Dodo-
neus byvoegzels en uitleggingen over het Kruid-
boek van Dodoneus gemaakt heeft, zegt, Jfatis
4udica is daar men het Indicum of Indifch blaauw
(namentlyk de Indigo) var maakt, Ju’t In-
diaanfch ook Galt ende ‚Nil genaamt, in't Ara-
bifch Anil ofte Aunil: die van onze Wede als niet
werfchilt. Het word ook Nir ofte Annir genaamt,
als of men blaauw zeide, Uit deze woorden
blykt klaarlyk , dat Ravelingius met de reft ge-
dwaalt heeft, -daar hy oordeelt, dat de Ax:l van
| onze Wede als niet verfcheelt, Want de ril
„of het Indigo-kruid verfcheelt vande Wedealza
„veel als van de Winde of de Couvolvalas,
46.
| …_ Dat Dodoneus geoordeelt heeft, dat de dril
een zoort van Winde of Convoluulus was, is
| veroorzaakt door zekere zaden, dewelke aan
hem ‘onder.de naam van zaden van N1/ overge-
zonden waren , maar dewelke inderdaad zaden
Er. ME Il 2 zyn
ê
| rs
| 7 (4) Ziet de Byvoegzels by de Text van de Wede in's
| rangehiaalde Boek „ daar bygevoegt door Fooft van Ravs-
| van Antwerpen,
|
àl
IJ
-
"
132 __Natuur- en Konfl-Kabinet,
zyn geweeft van andere plant-gewaflen. Spre-
kende van de winden met blaauwe klokjes,
(a) zegt hy, met deze winden komen niet kwa-
dykovereen die zoorten van Nie , van dewelke
eenige zaden over ettelyke jaren aan ons gezon-
den zyn, want de Kruiden die daar van voort-
kwamen, hadden zeer lange flelen , haar zelve
ouk als die van de andere winden om de naaf? by=
flaande flekken of fhaken vlegtende : ende een van
die hadde een fteel met veel korte doornkens be-
zet : de fleel van het andere had geen doornen:
de bloemen van beide hadden een fchoone paar-
Sche verwe : daar na volgen fwarte blinkende
gladde zaden. Deze zoorten van dit zogenaam=
de Nier waren aan Dodoneus gezonden van
Antonius Cortus uit Padua; dewelke deze uit
verre Landen, nade getuigenifle van Dodoneus,
ontfangen hadde, tot een teken naar ons oor=
deel, dat op dezelve zeer weinig ftaat te maken
was. Dodonens oordeeld , dat Avscezna van
tweederhande Nur fpreekt , dat het Nir daar
hy van fpreekt in zyn 306. Capittel „ eigentlyk
was de Convoluulus met blaauweklokjes, hier
in wierd hy verfterkt door de woorden van
Serapio, diein zyn 283. Capittel zegt, het kruid
van de Nur gelykt het gewas van de-Leblab:
dat is, Gonvolvalus of Winde, enz. En Dodo-
zaeus oordeelde, dat de Ni/, daar Avicenna van
fpreekt in zyn $12. Capittel, anders nict is als
de Jatis of Wede van de Grieken. ‘Maar de
Nil, daar Avicenna van {preekt in zyn s12. Ca-
pittel, isde Azil of het Indigo-kruid ; en de Nil
daar
(a) Ziet het. Kruid-boek van Rembertus Dodoneuss
het derde deel , het dartiende Boek „het zevende Capittels *
+ r n
ni Fannary en February 1722. 133
_daar hy van {preekt in zyn 306, Capittel en Se-
rapio in zyn 283. Capittel, is of niet bekent,
“of zal een zoort van het Indigo-kruid geweeft
zyn. Dewyl van het Indigo-kruid verfcheide
zoorten gevonden worden „ dewelke wel in ge=
daante van bladeren van malkanderen komente
verfchelen , maar echter in geflagts-tekens over
een.komen , en geen overeenkomtft hebben met
de Wede of metde Cozvolvalus of Winde. Het
gebeurd zeer dikwils, dat de oude Kruid-be-
fchryvers 7o maar een gelykenis maaken met
anderekruiden, dewelke , alfchoon dezelve om-
trent hunne gellagts-tekens geende minfte over=
eenkomft hebben, zy echter voor een en het
zelfde geflagt of zoort aanzien, als zy in het
een of het ander maar eenige overeenkomft heb=
ben, en op die wyze zullen zy buiten tw yffel
een zoort van de Aril, vergeleken hebben met
de Winde, om eenige overeenkom(t van heg-
tinge. Of zy zullen aan die Winde met fchoo-
ne blaauwe klokjes-bloemen den naam van N4/
gegeven hebben, om daar mede uit te drukken
het fchoone blaauw van hunne klokjes, die
naam ontlenende van den blaauwen- Indigo:
gelyk dit zelfde kruid om de fchoone blaauw-
heid van deszelfs bloemen , elders vitr#oo/ nade
blaauwe vitriool genaamt word ; gelyk te zien is
inde Aantekeningen van Ravelingsus over Do-
doneus 3, Deel, 13. Boek, 7. Capittel. Maar
dat zy de Wede en het Indigo-kruid, ofde Azil,
voor een en het zelfde aanzagen, om dat uit
beide een blaauwe verwe gemaakt wierd, is een
vol(trekte dwalinge van de Schryvers van later
tyd, die uit onkunde van het een of het andere van
die beide geboren word, 1 3 Uit
234 Natuur-en Konft-Kabinet,
47-
Uit alle deze zaken zien wy klaarlyk , datde
Schryvers de Auil niet gekent hebben , en dat
die onkunde de oorzaak is geweeft, dat zy hun
toevlugt genomen hebben tot de Jfat?s of de We-
de; om dat van deze kwanfùuis mede een blaau-
we verw-ftof gemaakt word. Dat ook de Griek-
fche en onze Europifche Schryvers, dewelke
de Anil niet gezien hadden ‚ omtrent dezelve
dwaalde, was niet zeer te verwonderen; want
zommige vermaarde Europianen , die zelfs in
de Oofterfche Indiën gewoond hebben, geven
niet alleenlyk een verkeerde befchryvinge van
de Anil, maar ook zelfs van de bercidinge van
den Zudiga die van dezelve gemaakt word. De
vermaarde Garcias ab Orta, in zyn tyd Lyf-
Medicus van den Portugyfchen Onderkoning
van Ooft-Indien, (a) heeft de Azil al zeer ver-
keerdelyk vergeleken by een kruid, met het
welke de Axil geen de minfte overeenkomft
heeft, Gelyk als hy ook de bereidinge van den
Indigo uit de Azil kwalyk befchreven heeft,
Het kruid by de Arabieren, Turken en alle die
Natien Anil geaaamt (regt Garctas ab Orta)
word in Guzaratte , daar het groeid „Gali, maar
au van de meefte Nil geheten. Het ts eer kruid
dat jaarlyks gezaaid word, en den Bafilicum
(zodanig zet Clufius dit over uit het Portugys)
gelyk is; want het word op dre zelfde wyze vers
gadert, en gedroogt zynde geweekt. Dit, nader-
band wel gekueuft en 1 broden gekneed , flellen
En
(2) Vid. Garcia ab Orta Plantar.Hifbor. lib, x1.cap.26.
SFanuaryen February 172 138
%y eenige dagen te drogen; en gedroogt zynde,
ea het met een groene koleur voorziente zyn:
maar hoe meer het gedroogt word, hoe meer het
sa blaanw overgaat, tot dat het eindelyk in een
hoog blaauw of Veneetfche kolenr verandert. Dee
ze befchryvinge heeft geen de minfte overeen-=
komft met de Azil, Want de Axl gelykt ner-
gens minder na als na de Bafilicum, Maar het
zoüde wel konnen zyn , dat de overzettinge
van Clufius hier gebrekkelyk was, Garcias ab
Orta gebruikt in het Portugys het woord Maz-
irignam, en dit woord heeft Clafius overgezet
Bafilicum, dog eenigzints onzeker, Want C/u-
fius (a) zegt , De Schryver gebruikt het woord
MANGIRIQUAM , welke zaam alle de Portugye
zen, dewelke ik daar over geraadpleegt hebbe;
hebben overgezet BAsiLicUM. Maar deze ge-
bykenifle komt my zeer onbillyk voor, om dat wy
uit de BASILICUM geen Paflillen plegen te be-
reiden, maar wel van de Isatis, Ik geloof ook
dat Garctas ab Orta zelfs, door deze naam Mar=
girignam de Ifatis of Wede verftaan heeft, om
dat hy zegt, dat de Adwil op die zelfde wyze als
de Mangiriguam vergadert, gedroogd, geweekt ,
neuf, tot broden gekneed, en wederom ge-
droogd word, Het welk van de Bafilicum geen-
zints, maár van de Wede volkomentlyk gezegt
kan worden. Bebâlven dit alles, fchyntonzen
Gurcias ab Orta dit zelfs maar uit zyn inbeel-
ding, die hy noch van de Eropifche bereidinge
van de blaauwe gd Paftel heeft overig
4 ger
(a) Vid. Clufis Annotat, in Garcia ab Orta Hiftor,
Plantar, lib. 11. cap. 26,
136 __Natuur- en Konft-Kabinef ;
gehouden, befchreven te hebben ; want het ís
wel hartelyk mis, dat de Indigo op die wyze
als hy befchryft gemaakt word. De Indigo is
eengeltremt zap, of een lák van het kruid Az:/,
maar geenzints een geftampt poeder , gelyk de
Paftel van de Wede is. De Aril word niet
gekneuft, en dan tot broden gekneed. Dit heeft
plaats omtrent de Wede, en de daar van ge-
maakte. Paftel.. De bereidinge van de Indigo
gefchied op een geheel andere wyze. De ver-
maarde Clufius heeft ook al bemerkt, dat Gar-
ctas hier dwaalde. My geheugt, zegt hy, dat
ik over eenige Jaaren van Alexandrie (in Egyp-
ten) zaad van Azil gekregen-hebbe, en dat de
planten die daar uit voortkwamen , bladen had-
den vande Colutea Minor, of kleine Lombaard=
fche Linfen. Voorwaar Lezer ! van-alle de
gewaflen, met dewelke de /z:/ kan vergelekeu
‚worden, is tot noch toe geen een bekent, het
welk in verfcheide omftandigheden, en gedaante
‚van bladen , nader met de Az#/ overeenkomt , als
zommige foorten van deColutea of deliombaard-
fche Linfen. Zodat Clufias hier eenigzints agter
de zaak geweett fchynttezyn , en dat het zaat van
Anil ‚dat aan hem uit Alexandrien overgezonden
isgeweelt , zaad vande opregte Azil geweeft zal
zzn. De Avsl heeft-zo veel overeenkomft met
de Colutea, dat zelfs onze aldernaauwkeurigfte
hedendaagfche Schryvers „de Axil Indiaanfche
Colutea of Ooft-Indifche Lombaardfche Linfen,
of ook wel Indigo voortbrengende Linfen noe-
men. Hoewel wy echter zullen bewyzen, dat
de Agil geen zoort van Colutea, maar een plant
cneengeflagt op zich zelven is, Dezeplant Azi/
ir … maakt.
4
Vale BLP.
‚January en February 1722. 137
maakt een geflagt „ dat zo wel zyn zoorten heeft
als de Colutea, Daarom zalik door verfcheide
Figuuren de geflagts-merktekens van deze plan-
ten benevens malkander uitbeelden, op dat de
Lezer het onderfcheid zelfs zal kunnen gewaar
worden. | :
4
Gelyk wy gezien hebben, dat de Schryvers
om de gelykheid van de twee blaauwe verw-
ftoffen, die voortgebragt worden van de We-
de, en van de Azil, zomtyds aan de Ax:/ de
naam van Indiaanfehe Wede gegeven hebben,
hebben zommige later en naaukeuriger Kruid-
befchryvers zig voor die misflag tragten te! ver-
hoeden, en hebben naauwer gelet opde gedaante
van de Azil, of het Indigo-kruid. En dewylzy
uit de fchikkinge, geftalte , en gedaante der bla=
deren , en uit de kaauwkens of zeer dunne
peultjes, die aan den Axz! groeyen, en uit des-
zelfs zaat in die dunne peultjes oordeelden, dat
het zelve aldernaatt te brengen was aan de Co-
dutea of Lombaardtche Linfen , hebben zy ge-
oordeelt, dat het Indigo-kruid of de Az:/, een
zoort van Lombaardfche Linfen was; te meer,
om dat onder-de Lombaardfche Linfen „ ver- .
fcheide zoorten gevonden worden , dewelke,
alfchoon zy al vry wat van malkanderen {chy-
nen te verfchelen , ten opzigte van bladeren,
peultjes , blaasjes, kaauwkens, zaad, komen
zy-echter in hunne geflagts-merktekens overeen,
Aan dewelke het Indige-kruid niet voldoet, en in
het Indigo-kruid de geflagts-merktekens van de
Lombaardfe Linfen niet gevonden worden. Uit
„welken hoofde ik met perzzigfie de Azil tot cen
|B nieuw
138 Natuur-en Konft-Kabinet e
nieuw geflagt onder de plaiit-gewaflen zal vers
heffen, gelyk als ik dezelve ook met deszelfs
zoorten byzonderlyk zal befchryven.
verg 49.
Als dan de Azil of het Indigo-kruid, geen
zoort van de Lombaardfche Linfen of Colutea
is, behooren wy ook den naam van Lombaard-
fche Linfen of Colutea geenzints aan dezelve
toe te paffen, gelyk als zommige van de vers
maardfte Kruid-befchryvers, als by- voorbeeld
de uitmuntende Paulus Hermannus, voor de-
zen Profeffor tot Leiden; dewelkeaande Azil
de naam heeft (a) heeft gegeven van Colutea In-
dica Herbacea, Indiaanfche kruids-gedaantige
Lombaardfche Linfen, uit dewelke de Indigo bes
reid word. (vb) Mortfon noemt dezelve Nel en —
ook Indiaanfche Indigo, op welke laafte bena- «
minge wy konnen aanmerken, dat de Azil of
Nil niet is de Indiaanfche Indigo, om dat de
Nil of Ant! het kruid is, en de Indigo de Fe=
eula,moer, geftremt zap , of liever de verw-
lak , dewelke var de Az:/ bereid word. Vere
fcheide Schryvers zyn van gedagten , datde Azil
of het Indigo-kruid , het welk voortgeteelt word
in het Koningryk Guzaratte , en in Cambaje,
langwerpige en fimalle bladeren heeft als Ros-
maryn. Het welk veroorzaakt is uit de vol=
gende woorden van den vermaarden Reifiger
(Ce) Fan Huygen van Linfchoten, Het Anil
(zegt
(a) Vid. Horti Academici Yugduno-Batavi Pauli
Hermanni, paz. 168. (6) Hifl. 2, pag. 202.
(c) Ziet de Scheepvaart van Fan Huigen van Lin="
Schoten , het 69, Capittel.,
„Januaryen February 1722. 13ô
(zegt by ) anders Indigo en in Guzaratte Gali:
van ‚andere Nil: het welke een koftelyke verwe
15, en zeer in Portugaal getrokken ende verban=
‚ delt, waft in Indiën in't Koningryk van Cam-
bayen, Het kruid is byna gelyk Rofemaryn , word
gezaaid gelyk ander kruid, ende op zyn fayzoen
geplukt en gedroogt , ende daar wa nat gemaakt
en goftootrn, ende alzo zekere dagen weder ge-
droogt en bereid. Het isin het eerfl fyn groen,
maar daar na word het fyn blaauw ; gelyk als
bet blykt als het herwaarts gezonden word. Hoe
dat het fchoonder van aarde en flof is, hoe ’t be-
der is, en om te beproeven of het goed is, zo
brand ment met cen kaars, en als het zich zel-
‚ven ontdoed gelyk als fyu meel, is’t goed. Maar
vadien bet word gelyk als zant , deugd het miet:
desgelyks in 't water geworpen zynde, is het goed
wanneer het komt te dryven ‚ maar kwaad als
het zelve komt te zinken. Deze Anil word in
groote agtinge gebonden, en geld altyd, zo wel
an Ooft-lndien , als in Portugaal meerder als
de kruid-nagelen. De Koning heeft dezelve bin-
wen weinig jaaren herwaards verpagt , zo dat
niemand dezelve in Ooft-ludien mag koopen , of
na Portúgaal brengen , als die Pagters, op de
wyze alsde peper. Deze befchryvinge van de be-
teidinge van de Indigo is in verfeheide omftan-
digheden verkeert, en meer overeenkomftig met
de gebrekkelyke befchryvinge van Garcras ab
Orta, als met de waarheid. Want het kruid
Auil word niet tot poeder geftampt, maar des-
zelfs moer bereid zynde tot een blaauw lak,
het welke wy Indigo noemen, Het is zeer
waarfchynelyk, dat Jax Huigen van Linfchoten
| deze
‚x4o Natuur-en Konft-Kalinct,
deze befchryvinge van Garcias ab Urta, die voor
hem gefchreven heeft, ontleend heeft; temeer,
“om dat deze Reifiger geen man is geweeft,
die in de.Kruid-kunde afgeregt was. Daarom
is bok zeer weinig taat te maken op die woor-_
den, daar hy zegt, het kruid is byna gelyk als
Rofemaryn. Hy zal buiten twyffel meer acht
gegeven hebben, dat dit kruid een klein hee-
ftertje is, op de wyze als de Rofemaryn , als
wel op de overeenkomtft van deszelfs bladen en
andere deeìen met de Rotemaryn. Echter heb-
ben de Schryvers dit nagevolgt. (a)Cafparus Bau-
hinaus (helt een zoortonder het Indigo-kruid „het -
welke hy den naam geeft van Indiaanfche Wede
met bladeren als Rotemaryn „die zeer na zoude
komen aan onze Jfatis of Wede. Verfcheide
Schryvers hebben voorgegeven, dat onder de
verfcheide zoorten van de Äg:l ook eenezoort *
word gevonden, dewelke met langwerpige en
lange bladeren, als Rofemaryn, zoude voor-
zien zyn 5 miaar als wy alles wel doorfnuffe-
len , fchynt zulks meer op het geloof, en van
hooren zeggen , als uit een kenniffe van de zaak
zelfs, Hetis waar, dat eenige zoorten van
Azil gevonden worden met lange bladeren 5
maar deze zyn niet van gedaante als de blade-
ren van de Rofemaryn. Zommige geven zelfs
voor, dat zy een zaad uit de Indiën hebben ont-
fangen, uit het welke diergelyk een plant met
bladeren als de Rofemaryn is voortgekomen;
maar dat van zodanig een plant de Indigo ge-
maakt word , hebben zy enkelyk maar op
gaed geloof aangenomen. Het is bedenkelyk,
dat
(2) Vid, Cabar. Banhini Pinac. lib, 3. febt. 4.
__ Fanuaryen February 1722. A41
dat zodanig een zaad zal geweeft zyn van cen
zoort van Gezifta, of iets diergelyks , en geen-
zints van de Azil, of het Indigo-kruid. De
voortreffelyke (a) Leonardus Plaknetius fpreekt
_ van een verw-Gegiffe met bladeren als Rofe-
maryn; maar hy zegt, enkelyk maar op de ge=
tuigenifle van Cafparus Banbinus, dat deze zou=
de gezonden zyn geweeft uit de Indiën van den
Heere Zerentius, en dat het opfchrift van dien
was, Kruip-ANir. Maar wart taat op: dier-
gelyke Notitien te maken is, zal aan den Lezer
wel bekent zyn. Pruknetius getuigt, dat hy
diergelyk een plant bezat : maar dat de fteet
van die plant hoekig was, endat dezelve daar-
om wel meeft tot de Gezifte behoorde; hoewel
(zegt hy) ik hoor verhalen, dat dezelve bereid
word tot het afverwzel van een blaanwe koleur
in het Korningryk van Bisnagar, en in andere
plaatfchen van Ooft-Indren. « IWy hebben dezelve
(vervolgt hy) ontfangen onder den titel var Ro=
Jemarya-boom, Liet hier van de afbeeldinge in
Tabula xxxvri. Fig. s. Voor de reft weet de
vermaarde Plukgetius niet te bewyzen, als met
Linfchoten , dat uit diergelyk een plant met bla=
deren als Rofemaryn , ergens Indigo gemaake
word; ook heeft deze plant geen de minftege=
Iykeniffe of overeenkomtt met de Azil of het
Indigo-kruid, of met eenige van deszelfs zoor=
ten. Ik ontken niet, dat diergelyke Gezifte in
Ooft-Indien gevonden word ;-maar wy zullen
niet eerder aännemen dat deze is de Axil, of
het kruid van het welke de Indigo bereid word ;
voor dat zulks nader is aangetoont,
Ik
(2) vid, Le Plúknetij Almageft: li G.
142 Natuur-en Konft-Kabinet,
so.
Ik oordeel, dat wy veel beter ftaat konnen
maken op Schryvers, dewelke de Kruid-kunde
zelfs hebben verftaan, en te gelyk zelfs in Ooft-
Indien wonende, met voordagt van de Azil of
het Indigo-kruid gefchreven hebben. Voorna-
mentlyk , als zy noch daar en boven van die uit=
ftekende naauwkeurigheid zyn geweeft, dat zy
op de plaatzen daar de Azil komt te groeyen,
en den Indigo uit dezelve bereid word, dit kruid
naar het leven hebben doen tekenen, en in ’
koper hebben uitgebeeld, Onder deze durven
wy geruftelyk ftellen de Makers vanhet Boek,
genaamt Mortas Indscus Malabarieus, nament-
lyk den Hoog-Edelen Hegricus van Rheede van
Drakenftein, Gouverneur van het Koningryk
Malabar enz. enz. en den Heere Johannes Ca-
Jearius, Deze (a) befchryven een plant-gewas,
het welke volkomentiyk in alle omftandighe-
den , geftalte van gewas, gedaante van ftelen ,
bladeren , bloemen , kaauwkens, zaad, enz.
overeenkomt met de Aui/. Zy geven aan dit
heettertjeden naam van Azer:; maar getuigen ,
dat het in de Bramynfche Landtaal Nely ge=
naamt word. Welke naam Ney buiten eeni-
ge twyftel gebogen is vande algemeen bekende
naam Ni, Aul 5 of dat bedenkelyker is, de
naam A2, is om de ligtheidshalven afkomttig
van dit „Nely. Zy getuigen , dat dit als een
kruidagtige heefter groeid, omtrent tot de hoog-
te van cen mans lengte, (hoewel dit zeer onge=
Iyk is) aan alle kanten dwarstakken uitfchie=
tende
(«) Vid, Hort, Malabar. Part, 1, Fig. 54. 3
|
dh AAI
_____ Sfanuary en February 1722. 143
tende, gelyk als in lig. 6. uitgebeeld word. De
wortel is witagtig, houtig, en met digte veze-
Jen omhangen. De ftam is omtrent van de dikte
van een mans arm. Aan de bloem A. A. blykt
klaarlyk , dat dezelve is een Flos Papilionaceus
of vlinder-bloem. De naam vlinder-bloem heb=
ben de Kruid-kundige ontleend vande vlindert-
jes of kapelletjes; want als deze beesjes neder-
zitten, en hunne voor-wiekjes gelyk veelryds
om hoog houden, en de agter-wiekjes die ook
wat korter zyn een weinig lager, gelykenen zy
zeer wel na zodanig een bloem , den welken
wy den naam van Flos Papilionaceus of fiinder-
bloem geven. Gelyk te zien is uit het flindertje
X, en een daar nèvens geplaafte Flos Pap:liona=
ceus of vlinder-bloem Ain Fig, 7. Om dat nude
Ifatis of Wede een gewas is, het welke kruis-
bloemen voortbrengt, gelyk te zien is in Fig 4,
en de Ax:/ een vlinder-bloem dragende heefter
is, en dat ook in bladen, takken, vrugten al-
des komt te verfchelen , ziet de Lezer openbaar=
ik dat de Wede of het Paftel-kruid , en de
Agil of het Indigo-kruid , geen twee zoorten
van een en het zelfde geflagt , maar elk van een
byzonder geflagt zyn; en dat vervolgens de
Avil geenzints langer Jfatts Indica of Indiaans=
fehe Wede behoort genaamt te worden.
,
n $L. {
— Nu ftaat ons noch te onderzoeken, of de
Anil een zoort is vande Colutea (Liombaard-
fche Linfen) of niet, Het is de waarheid , dat
de Azdl, zo wel als de Lombaardfche Linfen,
met een vlinder-bloem, of Flos Papilionaceus
pronkt.
144 Natuur- en Konft-Kabinet,
pronkt. Maar al de planten , dewelkeeen vlin=
der-bloem dragen, zyn daarom niet van een ge=
flage; in tegendeel vinden wy een groote me-
nigte verfcheide geflagten van planten, dewel-
ke een vlinder-bloem voortbrengen. Maar eer
wy dit aanwyzen, zal ik eerít de deelen van de
vlinder-bloem voorttelien. Ikzalook tegelyk;,
om den Lezer door de verandering een weinig
te vervarfchen, een digreffie inwerpen , en in
dezelve voorftellen vericheide geflagten van
plant-gewaflen met vlinder-bloem; om dat de
Azil infgelyks een plant-gewas met vlinder-
bloem is; en dat hier door noch klaarder zal
blyken , dat de Azt/ niet behoord onder die
kruid-geflagten , van dewelke de Schryvers,
op verfcheide wyzen , dezelve tot een zoort
ftellen. Ik hoop ook, dat myn Lezer wel zal
goedkeuren, dat ik in het befchryven van het
Indigo-kruid, en den Indigo zelfs zeer omftan-
dig ben, en zeer wel zal gelieven te Ónderfchei-
den, dat het geheel wat anders is, een plant-
gewas te befchryven als een kruid-befchryver,
of een geheele natuurlyke- en konften-hiftorie
van een plant-gewas, en alles wat daar uit be=
reid word en mede verrigt word, te vertoonen.
De Geleerde Cordus , van ons voor dezen al
aangehaalt, is de eerfte gewecft, dewelke aan
deze bloem, om deszelfs gedaante, den naam
van vlinder-bloem gegeven (a) heeft. Een vlin-
der-bloem in lig. 7. getekent, met A is te za-
men (6) geftelt uit vier ongelyke bloem-bladen,
dewelke uitryzea uit een eenbladíge holle kelk
B. B.B.
(a) Vid. Hiftor. lib, 2. cap. 162.
(&) Zaflinnt. Reiherbarie de Lournefort Fig. 7.
Yanuary en February 1722. I4y
B.B.B. en ook K. Deze vier kelkjes worden
hier voorgeftelt om derzelver verfcheide geftal=
te, en om aan te wyzen , dat alle de vlinder-
bloemen geenzints van een en dezelve gedaante
zyn. Het is genoeg om een vlinder-bloem te
Zyn , als dezelve beftaat uit ongelyke bloem-
bladen , welker bovenfte bloem-blad D den
ftandaart (na het Vaandel van de Ruiters ) ge-
naamt word , en welkers benedenfte bloem-
blad E de kiel (na den bodem van een Schip)
word genaamt , en welkers twee middelfte de
vleugels worden genaamt , die door F. FF. bete-
kent worden, Het gebeurd zomtyds wel, dat
de kiel uit twee bloem-blaadjes beftaat in zom=
mige vlinder-bloemen, geïyk als in het bloeyzel
van de boonen, erwten, en Lathyrus of piatte
erwten, Her is aan deze bloem eigen, dat de
Pifillum of’ ftyltje L overgaat in de vrugt O,
ewelke een haauw (gelyk de vrugt- fchilten
daar de Roomfche boonen en Turk{che boont-
jes en diergelyke in komen te groeyen) genaamt
word. Gelyk als de bloem-bladen van de vlin-
der-bloem uit dekelk B, of K Uitryzen, komt
ook uit de kelk opryzen de Piftillam, getekent
met C, of ook met L.
Ee:
De plant-gewaflen met vlinder -bloemen,
worden om deze en geene byzonderheid in ver:
{cheide geflagten verdeelt; en als die byzonder-
heid dan gevonden word in verfcheide zoorten,
worden die alle aangemerkt als zoorten van
zOdanig een geflagt, het welk om die byzon-
derheid als een geflagt op zich. zelfs, van alle
VIL Deer. WE de
EN
146 _Natüúr- en Konft- Kabinet,
de andere geflagten en plant-gewaffen met vlin-
der-bloemen ondetfcheiden is. Alfchoon dan
nude Colxtea of Laombaardfche Linfen, daar
in met de Axil of het Indigo-kruid overeen=
kommt, dat zy beide vlinder =bloemen dragen,
volgt daar uit op geenderhânde wyze, dat uit
dien hoofde de Azsl een zoort vân Colutea 70u-
de zyn. Want onder de verfcheide geflagten
van plant-gewaffchen , dewelke alle een vlin-
der-bloem drágen , zyn noch verfcheide hoofd-
geflagten , dewelke elk wederom geflagten on-
der zich hebben, en elk van deze onder-geflag-
ten hebben dan noch hunnezoorten ; gelyk on-
der andere by voorbeeld, dre plazt-gawaf/en met
een vlinder-bloermn , welkers Piftillum of ffamper
overgaat in een een-dofig en kort boontje; gelyk
de GrYcyRRHIZA of het Zoethout, éen onder-
geflagt vân deze is, en welkers vlinder-bloem
getoont word in Fig. 8. met A.A; uit welkérs
kelkje B, B. opgaat het ftampertje of Piftillam
GC, het welk nâderhand overgaat in een kort
boontje D, dat gemeenlyk befwangett is met
zaadjes ; gelyk gezien word in E,‚ die de ge-
daante hebben van een nier, als te zien is in F.
Om dat nu noch verfchefde vlizder-bloem dra-
ende plant-gewaflen gevonden worden, welkers
Piftillum of fhampertje overgaat in een kort boont-
je ‚ worden deze alle gehouden.als ónder-ge-
flasten van die vlieder-bloem dragende plant-ge-
waffen, welkers Piftilluin of flampertje overgaat
in eeh kort boontje; en gelyk als het Zoethout
vâù deze eengeflagt is, zo is ook wederomeen
andere geflagt de Cicer. Wy noemen het Zöet-
hout cen geflagt of onder-geflagt, om dât nóch
vere
MB it’
ed
%
_ Sfanuary en February 17e2. — 147
verfeheide zoorten van Zoethout gevonden wor=
“ den. Wy noemen ook de Gicer een geflagt of
onder-geflagt, om dat noch verfcheide zoorten
van Cecers gevonden worden. De Cicer ver-
fcheelt nu âls een geflagt van het Zoethout,
onder het hoofd-geflagt van die plant-gewaffen
met een vlinder-bloem , welkers fhampertje overs
gaat in een een-dofig en kort boontje of boon=
kauwken , om dat de Cicer een plant-gewas is
met eén vlinder-bloem , welke vlinder-bloem
uitgebeeld word in Fig. 9. met A.A, uit wel”
kers kelkje B, B. B, ryft het (tampertje C, het
welk naderhand overgaat in het korte. boon-
peultje D, dat eenigzins opgeblazen is als een
blaasje, eh bevrugt is met Cicers, gelyk tezien
isin E.E; welke Cizers de gedaante hebben
_als uitgebeelt word in F, Omdat nu verfche:-
de zoorten van Gicers gevonden worden, kan
elk een wel zien dat het noodzakelykis, datde
Cicers Als een onder-geflagt dat zyn zoorten
onder zich heeft moeten geftelt worden, onder
het hoofd-geflagt van die plaut-gewaffen met een
| vlinder-bloeim , welkers flampertje overgaat in
| een kort boon-bauwke. De LiOMBAARDSCHE
LANSEN ís een ander onder-geflagt van het hoofd-
| geflagt van die plant-gewalfen met een vlinders
| bloem, welkers frampertje overgaat in een kort
boon -Ranwke. De Lezs word in het Neder=
duitfeh alleenlyk Linfen genaamt, tot onder-
fcheid van de Golutea, die Lsombaardfche Lin-
fen genaamt word, Ik hoop niet dat het on-
| EEE aan den Weetgierigen Lezer zal
| zal zyn, dat ik de voornaamtfte hoofd-geflagten
‚en Onder -geflagten met haar voorten met zo
: 2 veel
=
148 __Natuur- en Konft-Kabintt,
veel omftandigheid kome te befchryven; want
de onkundige zullen uit deze ftaaltjes konnen
leeren , met welk een naauwkeurigheid de be-
roemde hedendaagfche Plant-befchryvers aan de
planr-gewaflen hebben weten waar te nemen de
onaffcheidelyke geflagts-merktekens, door de-
welke de plant-gewaffen in verfcheide hoofd-
geflagten, onder-geflagten en zoorten, volgens _
een goede ordre , onderfcheiden en verdeelt
worden 5 ende kundige liefhebbers zulleu door
deze ophelderinge ontdekken, dat de Aut of
het Indigo-kruid niet behoort tot die plant-ge-
waflen , onder dewelke de Kruid-befchryvers
dezelve tot noch toe geftelt hebben; behalven
dat elk een zal konnen zien de byzondere ge-
fteltheden, door dewelke de Azil van alle de
andere plant-gewatflen onderfcheiden is.
53
De Legs of Linfe , is een plant-gewas met
vlinder-bloem getekent in Fig. ro. met A, A,
uit welkers kelk K‚. K. opryt de ftamper B,
welke ftamper naderhand overgaat in het korte
boon-haauwke CG, welk boon-haauwke bevrugt
is met zaadjes, gelyk te zien is in D, en wel-
ke zaadjes van een ronde gedaante zyn, gelyk
als uitgebeeld word met E. Het kruid Ozo-
brychris (dat geen duitfche naam heeft die my!
bekent is) is wederom een ander onder-geflagt
van het hoofd-geflagt van die plant - gewaflen
met een vlinder-bloem, welkers ftampertje
overgaat in een een-dozig en kort boon-hauw-/
ke, Ziet deszelfs vlinder-bloem in Fig. twel
A, A, uit welkers kelk CG. G, opryft het ftam-|
pertje,
Sranuary en February 1722. 149
pertje B, het welk naderhand overgaat in het
boon-haauwke D, dat zomtyds is Egels ge-
wys, en zomtyds als in E; en bevrugt is met
een zaadje, gelyk te zien is met F , dewelke
“de gedaante heeft van een nier in ’t klein, ge-
1yk tezien is met G. Van dezoorten van alle
_deze onder-geflagten, zullen wy niet fpreken,
want die zyn veel in getal ‚ maar moeten ook
elk met de onaffcheidelyke merktekens van zyn
geflagt voorzien zyn, of zy behoren niet tot zo-
danig een geflagt. De ulnararta is mede een
onder-geflagt van het hoofd-geflagt van die plant-
gewaflen met een vlinder-bloem, welkers fram-
perije overgaat in een een-dozig boon-haauwke,
Deze vlinder-bloem word vertoont in Fig. 12.
met À , uit welks pypsgewyze en als opge-
zwolle kelk B, B. B. opryft het ftampertje C,
het welk naderhand overgaat in een kort haauw-
ke D, dat bevrugt is met een zaadje , gelyk te
zien isin E‚ dat rondagtig is, gelyk blykt in F.
De Doryenium is mede een plant-gewas met een
wlinder-bloem , welkers frampertje overgaat in
een een-dozig en kort boontje, Maar het is de
moeite niet waardig , om alhier alles uit te beel-
den.
54
Een Ander hoofdBellhge van de plant-gewaf-
fen met vlinder-bloem , maken die plant-ge-
waflen met vlinder-bloem ‚ welker ffampertje
“verandert niet in een kort boon-haauwke, ge-
lyk-als het voorgaande, maar ix een een-dozig
boon-haauwke dat lang is. Onder dit hoofd-
‚ -geflagt behooren wederom verfcheide onder-
geflagten, en onder elk geflagt veele byzondere
«6 K zoor=
rso Natuur-en Konft-Kabinet,
zoorten. Onder dit geflagt behoren , by voor-
beeld, 1. De boonen met al haar zoorten, ge-
Iyk als Roomfche boonen, Paarde boonen enz.
van ongemeen veel verfcheide zoorten, zyn de
bloeyzels zo algemeen bekent, dat ik dezelve
niet behoeve uit te beelden. 2, Gelyk ook deZLuup:-
zen met alle haar zoorten. 3. De Orobusof erve
met haar verfcheide zoorten. Deze is mede
een onder-geflagt van die plant-gewaflen met
vlinder-bloem , welkers flampertje overgaat in
een een-dozige boon-haauw die lang is. Gelyk
gezien kan worden in kig, 13. deszelts vlinder-
bloem A, dewelke beftaat uit het bloem-blad A,
den ftandaard genaamt, uit de kiel CG, en uit
de vleugels B; uitde kelk K ryft de (tamper E,
omwonden met het vlies D, Welke flamper
naderhand overgaat in het lange boou-kaauwke
F, het welke bevrugt is mer zaadjes, te zien
in G, dewelke gewoonlyk ey-rond zyn, ge-
Iyk biykt met H. De Erwte met al haar zoor-
ten, is ook een onder-geflagt van die plaut-
gewaflen met vlinder-bloem , welkers flamper
overgaat in een cen-dozige haauw die lang is;
maar deze is al te gemeen bekent om uitgebeeld
te worden. De Lathyrus of platte erwt, is inf=
gelyks een onder-geflagt van die zelfde plant-,
gewaflen; gelyk ook de Ciymenum, Maar de-
ze hebben zo weinig overeenkomtft ín gedaante
‚van plant, van blad, van kaauwkens , van zaad
met de Aril, dat het niet eens nodig is om de=
zelve uit te beelden. Gelyk als ook isde Ochrus
of kleine erwte, en de Victa of wicke ; gelyk |
als ook de erve of het ervam, Maar de Ga- |
lega, die mede een -onderegeflagt van die |
vline |
|
Panuary en February A722. AST
wlinder-bloens dragende plant-gewaffea, welkers
flampertje verandert in een lang boon-baauwke,
is, heeft in gedaante van bladen, van bloemen,
van haauwkens , en nier-gedaantig zaad, als
__ ook van groote en hoogte van plant, zo veel
__@vereenkom{t met de Azil, dat wy goedgevon-
den hebben dezelve uitte beelden. Devlinder-
bloemvan de Galega word uitgebeeld in Fig.
14. met A, uit deszelfs kelk F, ryft de ftam-
per E,‚ dewelke overgaat in het {mal boon-
haauwke G , dat met zaad bevrugt is, gelykte
zien is in H, ende gedaante heeft van een nier,
‚ gelyk blykt in .L. By deze kenteikens mogen
gevoegd worden de bladen, die twee en twee
dwars over malkanderen , gelyk blykt by M.
M., aan het ribbetje of takje N , komen tc
groeyen ; behalwen een blad dat aan ’t einde
groeid , gelyk blykt by O, De Affragaloides
is wederom een ander onder-geflagt van deze
_ haauwkes plant-gewaflen ; gelyk ook de Aphacas
ss.
De plant -gewaffeu met vlinder -bloem, wel-
kers flampertje overgaat ineen lit-haauwke ‚ma-
ken wederom een ander hoofd-geftagt uit onder
de plant-gewaflen met vlinder bloem; onder
dit hoofd-geflagt behoord als een ouder-geflagt
de Securidaca of het bylkens-kruid metalle des-
zeifs zoort, welkers vlinder-bloem uitgebeeld
word in Fig, rs. met A, uitswelkerskelk BB.
uitryft het ftampertje C, dat naderhand over-
gaat in een regt haauwke D, met veel litten,
die elk bevrugt zyn met cen vierkantig zaadje
G. Odder dit hoofd-gellagt is ook de Orzitho-
K 4 podium
AS2 Natuur- en Konft- Kabinet,
Podium of vogel-voet met deszelfs zoortert.
Maar deze heeft geen repte, maar kromme lit-
haauwkes, Als ook de Paards-yzer of Ferrum
Egqninum met alle deszelfs zoorten. Mitsga-
ders de Hedyfarum met deszelfs veelvuldige
zoorten, als ook de $corpioides of het Schor-
pioen-kruid met alle deszelfs zoorten, en het
welke een lit-kaauwke heeft, dat als cen
alikruik gekruld is,
$ó.
De plant-gewafen met vlinder-bloemr en drieen
blad, maken wederom een ander hoofd-geflagt
uit onder de plant-gewaflen met vlinder-bloem.
Onder deze is een onder-geflagt de Lorus.
met deszelfs veelvuldige zoorten. De vlinder-
bloem van de Lotus word uitgebeeld in Fig. 16,
met A, uit welkers kelk B. B. ryft de ftamper
C, die overgaat in verfcheide zoort van haauw-
kes, nade verfcheide zoort van Lotus, gelyk
als in D.E. F of G; by welke tekens ook als
een geflagts-merkteiken bygevoegd word, drie-
blad A, voorzien aan den uitgang van deszelfs.
fteeltje met de vleugel N. De Zrifolium met.
deszelfs overvloedig veele zoorten, is mede een
onder-geflagt onder het hoofd-geflagt van plazt-
gewaflen met vlinder-bloem en drie-blad, Hoc-
wel de vlinder-bloem aan zommige zoorten van
klaver juift niet wel zo volkomen in zyn dec-
len is, als by voorbeeld in Fig. 17. A, is vlin=
der-bloem van klaver en D D is infgelyks
bloem van andere klaver, maar deze bloem
— heeft niet volkomen alle deelen van de vlin=
der-bloem , en kan daarom genaamt worden
vlin=
\
Kin JFannaryen February 1722. 153
vlinder-bloem-gelykende bloem Q is een klaver=
‘blad zynde het mede -geflagts-merkteken. Een
ander onder-geflagt van dit hoofd-geflagt, is ook
de Anon:s, of het ftal - kruid „met alle deszelfs
_ goorten , het ‘welke een zoort'heeft, die A,
_ AR. noemt Azoxis Americana „ Folio Latiori,
_ Subrotundo. Anil five Indigo Guadalupenfis. 'Zo
dat alhier de Azil van Guadaloupe voor een Axo-
wis gehouden word. Hier van op een andere
plaats. « De Melilote is infgelyks een onder-ge-
flagt van het hoofd-geflagt van de plant-gewaf-
fen met vlinder-bloem en drie-blad, Gelyk als
ook de Feenum Grecum of Fenigriek, en der-
zelver zoorten. Infgelyks ook de Medica, wel-
kers vlinder-bloem uitgebeeld word in Fig. 18.
À, uit welks kelkje B, B, voortkomt het ftam=
pertje C, dat naderhand in de alikruik-formige
vrugt E overgaat; in dewelke het zaad K ge-
vonden word, dat veeltyds de gedaante van een
_ miertje heeft. Van de Medica “vyn zeer veel
zoorten. De Medicago is ook-een onder-geflagt
van het hoofd-geflagt van plant-gewaffen met
vlinder-bloem en drie-blad. Infgelyks ook de
Phafeolus of Turkfche boontjes, van dewelke
een ongemeen groot getal verfcheide zoorten
zyn.
$7. i
Onder de plant-gewaffen met vlinder-bloem
is noch wederom een ander hoofd-geflagt, na-
mentlyk de plant-gewaflen met vlinder-bloem,
welker flamper overgaat in een twee-dozig baauw=
ke. In welke haauwkes het zaad legt, gelyk uit=
| gebeeld word in LN. S. van Fig. 19. dat haauw-
‚_kes vande Affragalus zyn. Onder dit hoofd»
| Ks geflagt
|
|
zy4 Natuur on Konft-Kabinet,
geflagt behoord ook als een onder-geflagt de
Zragacantha of boks-doren, en ook de Peleci-
gus. Dusverre hebben wy nu uitgebeeld ver-
Ícheide hoofd-geflagten met hunné onder-ge-
Magten van de kruiden of kruid-gedaantige
Heefters met vlinder-bloem, Nu zullen wy
een weinig van de vlinder-bloem-dragende boo-
menen Heefters {preken. En welvoornament- _
Iyk, om dat de Colutea onder de boom-heefters
behoort. En dewyl de Schryvers eenparig be-
kennen, dat de Aril infgelyks een Heetfter is,
en met de geflagtsmerkteikens van de Colutea
na hun oordeel zeer veel overeenkomft heeft,
hebben zy geftelt, dat de Ari! of het Indigo-
kruid, een zoort-van Colgtea is, aar dit is
veroorzaakt , omdat zommige de Azil ze}fs
Colutea genaamt hebben. Gelyk als Pluknettus,
die een plant Amf onder de Colutea heeft uitge-
beeld; niet tellende dat deze de Axel zelfs was,
maar een Colutaa, - Paarom noemt hy dezelve
Colutea Foltis Anil, of Lioombaardfche Linfen
met bladeren van de Azil, Deze word uitge-
beeld in Fig. 20, en is pe Anil zelfs.
De boomen en Heefters met vlinder-bloem
konnen zo wel in verfcheide hoofd-geflagten,
en die wederom in hupune onder-geflagten met
hunne zoorten verdeelt worden, alsde vlinder-
bloem-dragende kruiden en kruid-gedaantige
Heefters, daar wy boven van gefproken heb-
ben. Een heofd-geflagt word gemaakt van die
boomen en Heefters met vlinder-bloem, dewel-
ke met boom-bladengroeyen , dieaan huntakje
enkeld en niet wederzyds regt tegens malkander
dae over
Sanuaryen February vez. vrg
__ovér ftaan , maar den cen omden anderen. De
id
|
|
Í
Í
Genifha met alle deszelfs zoorten is een Onder-
geflagt van dit hoofd-geflagt. In Tabula
XXXviit. Fig. 1, word van de Geniffa uitgebeeld
de vlinder-bloem À , welkers ftamper B opry(t
uit de kelk G, en verandert in-de platte en lan-
ge haauw D. By deze gellagts-kenteikens wor-
den gevoegd de fchikkinge vande bladeren H
en [ , de eene hooger ais de andere, Vande Ge-
nifke worden veel zoorten befthreven. De Cra-
tolaria is een ander onder-geflagt van het hoofd-
geflagt der vlinder-bloen-draagende boomen en
Heefters met wervelbeenswyze gefchikte bladen.
De Spartiwin en deszelfs zoorten , maakt. ook
een onder-geflagt uit van dit hoofd-geflagt; ge-
lyk als ook de Geziffa- Spartiumn met deszelts
zoorten: de Geziftella, de Siliguafbrum , enz.
De boomen en Heefters met vlinder-bloen: , wel-
ker boom-bladeren drie-blad zyn, maken een an-
der hoofd-geflagt. ‘Onder dit hoofd-geflagt is
de „Anagyris een onder-geflagt. Ziet deszelfs
vlinder-bloem Fig. 2. A. De ftandaart Q-is ia
deze vlinder-bloem korter als de andere bladen.
De ftamper ryít uit de kelk GC, en verandett in
de haauw D, die bevrugt is met niersgedaan-
tige boontjes H‚, De boom-bladeren zyn 1.
Liet Dodoneus pag. 1230. De Cyrifus maakt
ook een ander onder-geflagt uit van dit hoofd-
geflagt „en heeft veele zoorten. Ziet in Fig. 3.
Aen B. Uit welkers kelk CG. G. ryít de lam
per D, die eindelyk verandert in de haauwkes
EF. l. K,‚ die verfcheide. zaad voortbrengen,
De bladen zyn uitgebeeld door N. De Cyzifo-
Genifta maakt wederom een ander onder-geflagt
RT van
end ten af Ts Re lar oa
156 Natuur-en Konft-Kabinet,
van dit hoofd-geflagt , en is een gewas dat van
de Cytifus en van de Gezifte verfcheeld, om
dat haar bladen ten deele enkeld zyn , en ten
deele drie-blad.
59.
De boomen en Heefters met vlinder-bloem,
welker boom-bladen aan weerskanten van hunne
takjes dwars uitfchieten , en met hunne dunne
blad-fleeltjes als by malkanderen gevoegs fchy-
nen, maaken wederom een ander hoofd-geflagt
zit onder de vlander-bloem-dragende boomen en
Heefters. Dat onder dit hoofd-geflagt eindelyk
„de Anil of het Indigo-kruid behoord, is zeker,
„zo wel als de Golutea. Maar of die twee elk
voor een onder-gefiagt van dit hoofd -geflagt
moeten gehouden worden, dan of de Axl maar
een zoort van Lombaardfche Linfen (Colutea)
is, zullen wy moeten onderzoeken met veel
naauwkeurigheid, want deze zaak is tot noch
toe wat duifter. Want beide ftaan hunne boom-
bladen dwars over malkander aan detakjes , en
beide dragen zy vlinder-bloemen , beide konnen
zy ook onder de Heefters geftelt worden. Hoec-
wel de Lombaardfche Linfen (Colutea) meer- |
der behooren onder de boom-heefters, en de
Atl miet hooger als onder de kruid -heefters
kan geftelt worden.
6o.
De Pfeudoacacia is mede met deszelfs zoor-
ten een onder-geflagt van het hoofd-geflagt der
boomen en Heefters met vlinder-bloum , en twee
dwars-bladen, welkers fleeltjes in hun takje als
tot malkander verfmelten. In Fig. 4. word uit-
gebeeld met A. Â, de vlinder- bloem van de
Pfen=
5 Sanuary en February 1722. 157
E Pfendoacacia, uit welkers kelk B. B. B. uitry{t
_het ftampertje GC, dat met het vlies D omwonden
__ is, en naderhand overgaat in een plat haauwke
_E; het welk bevrugt is met het zaad F, het
welk de gedaante van een nier heeft. By deze
geflagts-merktekens worden nu ook gevoegt de
bladeren G.H, dewelke, als door zamenvoe-
_ ginge van hunne fteeltjes, twee aan twee aan
__het takje dwars over malkander, en een blad
_aan het uiterfte einde by [, valt zyn. Om dat
nu de Pfeudoacacta , noch in bloem , noch
haauwkes, noch bladen, noch plants-groote,
(die uit hun middel-ribbetje , zy-ribbetjes uit-
fchieten, dat in de Axi/ zelden gefchied) met
de Axil gelyk van gedaante is , kan de Axl al-
toos niet geftelt worden als een zoort van de
Pfeudoacacia, fchoon zy met dezelve al onder
een en het zelfde hoofd-geflagt kwam te behe-
ren. De Emerus is wederom een ander onder=
geflagt van het hoofd-geflagt van die boomen ez
Heefters met vlinder-bloern , welker boom-bladen
twee aan twee nit bun fleeltje dwars over mal-
kander groeven, In Fig, s. word uitgebeeld van
de Emerus de vlinder-bloem A‚A, uit welkers
kelk GC. C. uitryft het (tanpertje B; het welk
naderhand overgaat in het dunne peul-haauwke
D, het welk bevrugt is met langwerpig rond
zaad F. Dit zaad komt in gedaante niet over=
een met dat van de Azi/, want dit zaad is lang-
werpig rond, en het zaad van de Axl heeft de
gedaante van een nier in ’t klein; behalven dat
de Emerus byna in geen zaak met de Azil over
eenkomt, als in de dunne haauwkes, en in de
fchikkinge der boom-blaadjes, en het algemeen
merk=
158 _ Natuur-en Konfl-Kabinet,
merkteken van een vlinder-bloem. Daarom
kàn de Azil ook geenzins voor een zoort vande
Emerus gefteit werden, al behoorde dezelve al
onder het zelfde hoofd-geflagt. De Corogilla is
mede een onder-geflâgt van dit hoofd-geftìagt.
In Fig. 6. A. word deszelfs vlinder-bloem uit-
gebeeld , welkers ftamper C ryft uit deszelfs
kelkje B, dat overgaat in het lit-haauwke D,
het welk bevrugt is met langwerpig rond zaad
F. De Axil kan ook op geenderhande wyze als
een zoort van de Coroz:lla geftelt worden, om
deszelfs lit-haauwke, ed, enz. De Emeras
en de Corogilla worden van de meefte Kruid-
befchryvers als zoorten van de Colutea (Lom-
baardfche Linfen) aangemerkt, maar verkeer-
delyk. De Barba ‘Jovis word infgelyks als een
onder-geflagt van dit hoofd-geflagt geftelt. Maar —
om dat dezelve zo weinig gemeenfchap met de
Anil heeft, zal het niet eens nodig zyn dezelve
alhier te befchryven. De Colutea, aan dewel-
ke de Kruid-befchryvers den naam van Lom-
baardfche Linfen geven , is mede een onder-
geflagt van de boomen en Heefters met vlinder-
bloem, en twee dwars over malkander ftaande
boum-bladen, die paar en paar aan hun takje
groeyen. Van dit geflagt oordeelen meeft alle
de nieuwe Kruid-befchryvers, dat de Axl een
zeort is; waarom zy ook den Axz:/ noemen,
Colutea Indica, of Indifche Lombaardfche Lin-
fen. Maar dit is veroorzaakt, om dat zy ver-
fcheide zoorten van plant-gewaffen onder de
Colutea brengen , dewelke als de merk-tekens,
en alles näauw onderzogt worden , daar zelfs
niet eens onder behoren. f
De
… ___ Januaryen Febfaáry 1922. tje
\ ór.
_ De Kruid-befchryvers verdeelen de Luom-
bäardfche Linten (Colxtea) noch wederom in
twee geflägten ; als 1. De Colazéa Veficaria,
of Lombaardfche Linfen met blaas-haauwkes ,
dat de ware Coldtea is; en >. DeColgtea Sili-
gef, of de Lömbaardfche Linfen met peul-
haauwkes. Onder elk van deze twee geflagten
behooren verfcheide zoorten. Maâr datde Azi!
_op geënderhande wyze een zoort ís vân de Co-
dated Veficarin, of Lombaardfche Linfen met
_blaâs-hâauwkes, is dé waârheid. Want de Azi/
draagt geen blaas-haauwkeés, in&âr zeer dunne
langwerpige peul-baauwkés. Om dit klaarlyk
aan te wyzen , worden de Lombaardfche Lin-
fen met blaas -haauwkes (Colutea Veficaria }
‚ uitgebeeld, In Fig. 7. A. is de vlinder - bloem
van de Colutea Veficariâ, uit welkers kelk B
uitryít de ftamper C; dewelke naderhand ver=
andert in een vliesagtig doosje D, dât als een
blaas opgeblazen is, en bevrugt is met zaad E,
F.G, dat de gedaante van eén niertje heeft, De
| Calwtea word ook onderfcheiden in boom-hee-
‚ fter en kruid-heefter, onder alle de zootten van
| Colgtea, die de groote van een boomagtige hee-
| ftef uitmaaken, behoott ook geenzints de Atl,
| Waântde Azi/ is niet anders als een kruid-heefter.
En de meelte kruid-heeftêrs, aan dewelke de
| Schryvers de naam van Colatea hebben toege-
‚ voegt,behooren eerder onder andere gewaffen als
onder de Colutea ; namentlyk onder de Polygala,
‚ (want zommige Schryvers hebben geen agt ge=
(geven, of het plant-gewas, dat zy den naam
van
|
Î
160 Natuur- en Konft-Kabinet,
van Colutea gaven , vlinder-bloem of andere ge=
ftalte van bloemen droeg) onder de Coroxilla,
onder de Orobus, onder de Axthyllis, onderde
Securidaca , onder de Melilotus , onder de He-
dyfarum ‚onder de Aflragalus. Om deze en
veel meer andere redenen, dewelke myn beftek
niet toelaten , ftellen wy „ dat de Anil is een
onder-geflagt van die kruid-heefters en kruiden
met vlander-bloenr , en twee over malkander flaan-
de dwars-blaadjes , die paar aan paar uit hup
takje groeyen , benevens een enkeld blad aan het
einde van hun takje. Dit onder-geflagt of de
Atl, heeft verfcheide zoorten, dewelke in ge-
daante van bladen, groote van plant enz. zeer
veel van malkander komen te verfchelen 5 en
alfchoon onder de kruid-heefters , aan dewelke
de Schryvers den naam van Colutea Herbacea
Seliguofa of kruid-gedaantige heelter van Lom-
baardfche Linfen met peul-haauwkes geven,
verfcheide gevonden worden, die in dezen of
geenen zaak vry wat overeenkomf{t met de Azz/
hebben, zullen wy echter de Az:/ als een by-
“zonder geflagt ftellen , om dat uit verfcheide
zoorten van de Axel, de Indigo bereid word;
het welk in geen zoort van de Lombaardíche
Linfen gevonden zal worden. Ook word hier
door de Axi/ naauwkeuriger onderfcheiden , by
deszelfs aloude naam betekent en buiten ver-
warringe gebragt. Maar laat ons nu, na deze
onze digref}ie of afwykinge , over de plant-ge-
waflen met vlinder-bloem, eens overgaan tot
den Azil, of het Indigo- kruid met deszelfs
zoorten. Voor zo veele als tot noch toe aan
ons bekent zyn geworden.
Wy
ge anuaryen February i7et. z6ï
je ; 62.
Wy hebben aangemerkt , dat de Galega zeer
_ wéel overeenkomft heeft met de Aril , ten op=
” Zigte van gedaante en groote van plant , fchik-
inge en gedaante van bladen , van bloemen,
van dunne en langwerpige haauwkes; als ook
_ van zaad, het welke in beide de geddante van
een nier in ’t klein vertoont. Gelyk gezien kan
‘worden in Tab, xxxvir. Fig. 6. De Schryvers
_ van de Hortus Indicas Malabarticus (a) getuigen;
dat deze plant in Tab. <xxvir. Fig. 6. uitgebeeld,
groeid in zandige en fteenagtige gronden : datde
bloem A. A, is een vlinder-bloem : dat de bladen
Btoeyen aan dunne telgjes B. B, B, die uit de
grooter takjes C. C.C, uitfchieten : dat deze bla=
den uit die telgjes twee aan twee, en dwarste=
gen malkander over voortkomen , gelyk te ziert
is met D.D.D. : dat de bladen met zeer dunne
| fteeltjes E.E.E. aait deze telgjes vaft zyn: dat
| deze telgjes gewoonlyk voorzien zyn met vyf,
‚ of fes, of zeveri-paar bladen , bereveris een en-
keld blad aan het uiterfte einde van elk telgje,
gelyk blykt F.F.F ; datde bladen klein, en van
gedaante langwerpig zyn; van een zeer fyne te
tamenWwevinge van fibertjes, maar een weinig
dik van zelfltandigheid , van een gladde én onge-
meene zágte oppervlakte: Debladen vertonen
aan derzelver omgekeerde zyde in’t midden een
ribbetje, het welk door de lengte van het blad
doorloopt, zonder eenige zy-ribbetjes , gelyk in
de meefte boom-bladen anderzints gebeurd, uit
tefchieteri, maar hier niet gebeurd, om de on-
beed fyne zamenwevinge van het blad vande
‚VII Deer. L Auit.,
| (4) vid: Hort, Ind. Malabar, tom. 1. tab 54.
|
162 __Natuur- en Konff-Kabinet,
Anil. Hoewel echter zommige zoorten van Azil
gevonden worden, welker bladen zeer fyne zy=
ribbetjes uit hunne middel-ribbe vertoonen. De
koleur van de bladen is groen-blaauw „ aan de
bovenfte kant watdonkerder , en aan de verkeer-
de zyde wat ligter van koleur ; doch aan geen
van beide zyden blinkende, maar doof en zon-
der weerfchyn. De {maak van deze bladen is
bitteragtig, , maar als dezelve lang gekaauwd wor-
den, verwekken zy een flappe hette in den mond:
de bloemen groeyen aan zeer dunne telgen G. :
G.G, dewelke uitfpruiten uitde takken , opdie
plaats , alwaar de bladen-telgjes voortkomen by
H.H. H. De bloemen zyn zeer klein, en han-
‚_gen aan weerskanten van deze blom-telgjes ; zo
dat deze blom-elgjes een lang werpig blom-bosje
vertoonen, De blommen beftaan uit vier blom=
blaadjes, geïyk de andere vlinder-blommen ; een
blom-blad , namentlyk de kiel, heeft de gedaante
van een nagel of klaauw, enis gefloten, maa-
kende met de ftamper, den welken het befluit,
de gedaante van een klaauwtje. Twee andere
blom-bladen, namentlyk de vleugels, zyn naauw,
en zeer dun, en omhelzen met een inwendige
mond , die roos-koleurig, rood is ‚het klaauwtje.
Het vierde blom-blad , namentlyk de ftandaart,
voor het welke het klaauwtje als gekeerd ftaat,
is lang en breed , dun en ligt groen van koleur,
na boven ftaande, en agter vver buigende, naar
het blom-fteeltje. Deblommen van deze 4z:/ zyn
zonder eenige reuk, Inhet midden van de-blom
. vertoont zig het ftampertje, dat groen van koleur,
hol en als een dun draadje is. Het is boven ge-
{pleten , en in noch dunder draadjes epe
ee
January en February 1722. 163
dewelke als zeer kleine wol-draadjes zyn. Deze
_ fyne wol-draadjes van het ftampertje zyn aan,
haare zeer kleine top-puntjes witagtig van ko-
leur, de holligheid van het (tampertje is met een
_ fyn-draadje bedekt, de kelk 1, daarde blom en
_ftamper uit voortkomen, beftaat uit vyf blaad-
jes, die groen van koleur zyn, en fpits toelo-
pen. Het botje of knopje, eer het zelve overgaat
in bloem, is langwerpig rond, en wat plat aan
de eene kant, daar de ftandaart zich eerft opent.
„Het ftampertje van de blom gaat gelyk in andere
vlinder-blomimen over in de vrugt, namentlyk
in een lang rondagtig en dun haauwke K. K, in
het welke het zaat legt , gelyk gezien kan worden
in L. Het welke de gedaante heeft van een niertje -
in’tklein, gelyk blyktin M. De haauwkes zyn
in’t eerft groen van koleur , maar worden ryp
‚zynde blinkende kaftanje-bruin, geïyk ook de
zaden ryp zynde bruin’ van koleur en blinkende
zyn. Dit kruid-heeftertje draagd tweemaal bloe-
men in een heete en regenagtige tyd van het jaar.
Verder getuigen de vermaarde Schryvers vande
Hortus Indicus Malabaricus , dät uit dit plant-
gewas bereid word de Indigo, dewelke zy naar
de wyze van het Land Ame , en ook Indigo
noemen. De Hoog-Geleerde A, Syen (a) ver-
haald in zyn Aantekeningen, dat Dokter Her-
mans, die toen op Ceylon woonde, in het Jaar
1678 de boven-gemelde Plant uit‘ Ceylon heeft
overgezonden aan zyn Edele voor de Kruid-tuin
van de Hooge Schoole te Leide, met de naám
van Polygala Indica Fruteftens, uit welkers bla-
dende Indigo gemaakt word: maar de Indigo van
2 Cey-
(@) Vid. Not, er Comment, D, Pr. A. Syen in Libr. EN
‚ze plant word uitgebeeld in T'ab, xxxvin. Fig. 8.
164 Natuur-en Konft-Kabinet
Ceylon is flegter , als die, dewelke gebragt word
_van Malabar , Coromandel of: Negapatan, by de
Ceylonners word het Amari genaamt.
63- \
De Schryvers van de Hortus Indicus Malaba= —
ricus befchryven noch een andere Plant-gewas, —
het welke zy Colizil, ende Braminers of Inge-
zetenen Schéra-Punca (a) noemen. Maar dit
Plant-gewas is buiten alle tegenfpraak de Azil
Minor (kleine Azil) gelyk als het voorgemel= _
de is de Axil Major, groote Aril. Want daar «
de Axil, dewelke wy boven befchreven hebben,
komt te groeyen tot de hoogte van een mans
lengte, is deze kleine Jul een kruid-heefter,
dewelke maar twee, of ten hoogfte drie voeten
hoog groeid. Deze plant komt in onze geflagts=
merkteikens zo volkomen overeen met de bo-
ven befchreven Azil , dat niemant die redelyk
is, zal afkeuren ,dat wy dezelve voor een zoort
van de Anil houden, en aan dezelve den naam
van klein Axil of klein Indigo-kruid geven. De- |
hier agter geplaaft, Deszelfs wortel isdradig , de
-fchil van de wortel witagtig of ros. De fchil /
van de wortel is bitteragtig, en een weinigje
-fcherp of hitzig in’t kaauwen , maar echter zons {
der eenige reuk, Deftam groeid gewoonlyk tot |
de dikte van vier vingeren, en fchiet zyne takken |
aan alle kanten dwars van zig; zynde van een!
hart hout, met een fchors die asgraauw van ko=|
leur, met een groene {chil, en bitter en bytene{
de van maak is, De bladen groeyen aan dunne, |
telgjes, aandewelke zy met zeer dunne fteeltjes
3 valt,
(«) Vid. Lib. Cit. Fig. 55:
„January en February 1722. _ 16y
vaft, en klein , en van een langwerpige ronde ge=
daante zyn. Voor zyn de bladen wat ronder en
breder als agter; derzelver koleur is aan de bo-
venkant van gemeen groen, en aan de andere zy-
de groen-blaauw , en dof zonder eenige glans of
_blinkendheid, Van {imaak bitter en bytende. De
Tl
blommen zyn klein ,. en hebben de gedaante van
vlinder-blom , en beftaan uit vier blom-blaadjes,
_ waar van het eeneis de kiel, dievan koleur wit-
agtig groen is. Detwee vleugels zyn zeer klein „
en omhelzen metde kiel het ftampertje, dat na
het grootfte blom-blad , namentlyk de ftandaart,
gebogen (taat, Het vierde blom-blad,de ftandaart
genaamt, isbreed, en agter over gebogen, alles
op de wyze als wy te voren befchreven hebben
vande blom vande Axi/. Het ftampertje of (tylt-
je, dat uitde kelk opry(t, is van gedaante als de
ftamper vandegroote Azil, Dit ftampertje gaat
eindelyk over in langwerpige en zeer dunne
haauwkes A.A, die wat platagtig en een wei-
nig krom gebogen zyn,omtrent twee of drie duim
breed lang, eerft groen en naderhand bruin-rood.
van koleur. In deze haauwkes word gevonden
het zaad B.B, dat langwerpig rond en wat plat-
agtigis, en de gedaante van een nier in ’t klein
vertoont, De koleur vanhet zaad is eer{t groen
en naderhand fwartagtig, De fchikkinge van de
bladen is gelyk als die van de groote Azil. Dit
heeltertje draagd tweemaal in ’t jaar bllommen en
vrugten in een regenagtig en warm Saizoen. De
Hoog-Leeraar A. Syez oordeelt in zyne aanmer-
kingen over deze Plant, dat deze infgelyks is
een plant-gewas , daar de Indigo van bereid word ;
maar hy oordeelt, datzo weldeze, als de voor-
13 4 gaande,
156 __Natuur- en Konfl-Kabinet,
gaande,dewelke wy groote Axil hebben genaamt;
een zoort is vande Polygala. Daarom geeft die
Geleerde Kruid-kenner den naam van groot en
klein Indiaanfch Polygala aan deze twee plant-
gewaflen, maar de Polygala behoort niet onder
de vlinder-blofn-drageride plant -gewaffen; en
dezetwee zoorten van Aril hebben geen de rmin-
fte overeenkomtft in gedaante van blonr, vrugt
of zaad met de Polygala,
64.
De vermaarde Wwilbelidss Pifò (a) befchryft
twee byzondere plánt- gewaflen , dewelke inf-
gelyks zoorten van den Az:l of het Indigo-kruid
zyn, dewelke in Brafyltot Weft-Indien groeyen»
Hy zegt van de eerfte, dat de Portuúgyzen dan
den zelven den raam geven ván Erva d’Anir,
dit Air betekent de Aril of het Indigo-kruid,
dat van veele, en voornamentlyk vande Portu-
gyzen, inde plaats van Anil Antr genaamt word.
De Ingebotene van Brafil noemen deze plant
Caachira; dezelve word uitgebeeld Tab. xxxvarr.
Fig. o. Pifo zegt, dat alfehoon de Portugyzen
van Brafil deze plant weinig gebruiken tot het
maken van Indigo, dezelve echter overal komt
te groeyen. Dat de wortel zeer dun is; dat uit
de wortel veele takken opryzen die aan alle zyden
veel telgen hebben, aan dewelke de bladen , die
zeer klein zyn, by paren groeyen , behalven een
enkeld blad dat boven aan den telg groeid , op
dezelve wyzeals wy van de twee zoorten van °
Malabaarfche Axil verhaalt hebben. * Aan elke
telg worden gemeenlyk drie en vierpáar bladen !
met een enkeld blad aan het toppunt Ar
e-
(4) Vid, Pifon. Natur. Hiflor. hb. 4. cap. 39.
De
January en February c72rì 467
Benevens deze blad-telgen , komen eenige dun-
nefteeltjes, aan dewelke kleine bloempjes groei-
jen, uitfchieten. Deze bloempjes zyn van een
purperagtige koleur, die met eenige wittigheid
als gedommelt is. Deze zoort van Azi/ ver-
_ feheelt van de twee boven-gemelde zoorten „dat
deszelfs bloemen een aangename reuk uitgeven,
_ het welke ook vän de Az// of het Indigo-kruid
van Madagafcar , dat zy Bagbets (a) noemen,
getuigt word, eg
d 5:
_ De andere zoort van Azil of Indigo-kruid,
dewelke Pifo (6) befchryft, verfcheelt ongemeen
„ veel in gedaante van de drie zoorten, dewelke
Wy dusverre befchreven hebben; dezelve word
uitgebeeld Fig. 10. Pfo getuigt, dat deze ook
in Brafil groeid, en uit dezelve Indigo bereid
word ; en dat dezelve, veel hooger groeid âlsde
eerfte zoort, dewelke hy befchreven heeft. Dat
dezelve met een (tam opryft die fpongiagtig is,
en hier en daar met rofle vezelen begroeid is:
dat dezelve zodanig zappig is, dat als dezelve
_ gebroken word, het blaauwe zap daar uit vloeid :
dat de bladeren paar aan,paat uit de telgen uit-
fpruiten, en {malen langwerpig zyn: dat tuf-
fchen de bladeren , daar zy aan het bovenfte einde
van de telgen bosgewys by malkander ftaan, bloe-
men op{chieten , die:wit.en rond van gedaante
zyn, ende groote van een Magdaliefje hebben :
dat de wortel zeer dun en ook vol blaauw zap is :
dat de zedicinale kragten van dit gewas volko-
men overeenkomen met die van het welke hy
eerft
(a) Hiffoire de la Grande Ile Magdaraftar par le Sieur
de Flacourt, chapit,a6, (b)Vid, Pifon Tibr. > Loe. Citat,
mm Se heek es,
168 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
eer{t gefchreven heeft. Hy geeft ook aan dit plants
gewas den naam van Caachira, Wat de merkte=
kens vandeze plant belangt, moeten wy beken=
nen , dat dezelve niet met de gellagts- -merktekens
overeenkomen met de Aril; om dat dezelvegeen
vlinder-blom draagt ;- maar echter daarin, dat de
bladen twee aan twee groeyen , en dat uit dezelve
ook de Indigo bereid word. Maar dit moeten wy
ftellen onder de gebrekkelykheid vande geflagts-
verdeelinge dier Kruid-befchryveren, dewelkede
geflagten der plant-gewaflchen, onderfcheiden
uitde bloem, de vrugt , het zaad „enz. welke ge=
brekkelykheid, zichin allede methodens van ge-
flagt-verdelingen der planten, altyd min of meer
voorkomt; om dat de natuur gewoonelyk fpeelt
met duizende veranderingen en ongelykheden 5
waarom wy ook geenzints konnen belet worden,
deze Caachtra van Brafil te ftellen , alseen zoort
vande Azi/, of het Indigo-kruid. Definaak van
dezeplant ís ‘ook cen weinig bitteren fcherp, ge=
lyk als de voorgaande, dewelke wy Een
hebben. Pifo getuigt,dat deze plant-gewaflen we
meeft in de aan zee gelege gronden komen a
groeyen. 66,
Hernandes en Recchius («) fpreken ok van
twee zoorten van plant-gewaflen, uit dewelke
die van Mextco Indigo bereiden. De eerfte van de-
ze twee zoorten van Mexicaanfche Anil, komt
zeer wel overeen met de Caachira van Pifo, met
langwerpige bladen , dewelke wy zo even voor-
geftelt ‘hebben; zy geven aan deze planten den
Indiaanfchen naam van Xiubguilits Pitzahac, dat
is, Zudigoekruid met finalle bladen. En aan den
daar
(a) Vid. Hiftoria Mexiocang lib, 4. ,
|
Î
Ë
|
|
Ì
___Sfamuatyen February 1725 16î
daar uitbereïden Indigo, den naam van JMobuit/î
enz. Deze Indigo van Mexico, dewelke Hernan
des en Recchins befchryven, zal buiten twyffel
_vandenzelfdenaartzyn, alsde Indigo Guatima-
lo; het welke, om de nabygelegentheid van dat
__Landfchap, by het Ryk van Mexico, zeer welte
denken is. Deplant Az:/, of het Indigo-kruid ,
wil zeer wel groeyen op alle de plaatzen daar de
luchten zeer warmen de gronden tot het voort=
teelen van plant-gewaflen bekwaam zyn5 gelyk
wy getoont hebben, dat deze Kruid-heefter ge-
vonden wordin Afrika, Afiaen Amerika. Wat
Amerika belangt, aldaar fchynen de luchten en
gronden zodanig bekwaam tot het voorttelen van
deze Kruid-heefter tezyn, dat, gelyk als wy uit
Pifogezien hebben , dezelve in Brafil, en ook op
veel andere plaatzen vanzelfs voortkomt, en in
het wilde groeid, De Eerwaardige Heer DuZertre
(a) getuigt, dat dezelve groeid en ook aangefokt
word op de voor-Eylanden van Amerika, de=
welke door de Franfchen bezeten en bewoond
worden, Hy geeft aan de plant zelfs (die anders
den naam van Agil voert) den naam van Indigo.
Deze plant (zegt hy) woerd den naam van een
koftelyke Koopmanfchap , van dewelke (hy fpreekt
van de Weft-Indifche Indigo) twee zoorten ge-
vonden worden. De eerfle zoort die Guatimalo
_… _gewaamt word , ts de fchoonfte, de fynfte en de duur-
e van prys. De tweede Schyf-Iudigo genaamt
ip oeren ia de Weft-Lidien, Sa dewelke
onze Eylanden een gedeelte zyn. De flruik vande-
ze plant word redelyk groot, enn groeid tot een
L hees-
(a) Hiftoire Generale des. Antilles Habitées par les Fran-
gois tom 2..Contenant U Hiftoyre Naturelle trave 3.chap. 12;
170 Natuur-en Konff-Kabinet,
beeflertje , als dezelwe niet gekort of afgefneden
word; zy verdeelt zich in verfcheide takken en
telgen , dewelke voorzien zyn met kleine blaadjes,
die omtrent niet grooter als de nagel vande kleine
Binger zjn , enwat dik. De koleur van deze bla-
den is aan de boven-zyde hoog-groen , en aan de on-
derfle kant verzulvert groen. De bloemen zyn
roodagtig, de vragten langwerpige peultjes, die
vervult zynmet zaad het welk olyf-Rleurigis. De
befchryvinge van deze Azil, door deze oog-ge-
tuige, komt zo volkomen overeen met de Azil
van Malabar en Ooft-Indien, inde Hortus Iuds=
cus Malabaricus befchreven , dat niemand kan
twyffelen dat deze plant een zoort van een en het
zelfde geflagt is ; gelyk ook openbaarlyk blykt
aan deszelfs gedaante, dewelke in Fig. 11, uit-
gebeeld word,
A 67.
_… De Heer De Rochefort (a) befchryft ook eên
zoort van Auil, die met de Az! dewelke wy be-
fchreven hebben, zeer wel overeenkomt. Vaz
deze plant (regt.hy) word gemaakt die viool-
kleurige verw-of , dewelke Indigo genaamt word,
Dezeplant isnoch veel kleinder van gewas, als
dekleinftedewelke wy tot noch toe befchreven
hebben. En mag daarom met regt alderkleinfte
Indigo genaamt worden, Want dieHeer en oog-
getuige verzekert, dat dezelve niet hooger als
twee voeten een half komtopte groeyen. Deze
plant word uitgebeeld in Tab, xxxviuu, Fig, 12,
hier agter bygevoegd. De bladen van deze plant
zynongemeenklein; en terwyl de plant ftaat te
groeyen,
(a) Hifboire Naturelle &* Morale des Iles Antilles de
P Amerique livr.1. chap, 10, artic, 3.
Sanary en February mi Pf
groeyen , groen van koleur ; maar als de plant
rypis, worden de bladen geelagtig van koleur.
De bloempjes zyn roodagtìg van koleur, zy word
op de voor-Eylanden van Amerika voortgeteelt
van zaad , dat met regels in eest regten lyn gezaaid
word, Dereuk vandeze plant (zegt de Heer Ao-
chefort)is zeer onaangenaam, in tegendeel van
deze zoort ván Indigo-plant, dewelke gevonden
word ophet groote Eyland van Madagaftar, en
zeer kleine bloempjes voortbrengt, die zeer lieffe=
Iyk vat reuk ; en ade van koleur zyn,
5 )
‘Ferwylwy hier van de Indigo van Madagaftar
fpreken, zullen wy aan den Lezer mede deelen
het geen de Heer de Flacoart van dezelve in de
Hiftorie van Madagaftar ‚dewelke wy reets heb-
ben bygebragt, heett aangetekent. Bagbets (zegt
hy) daten Oofd-Iudien Anil genaamt word, is et-
gentlyk die plant, van dewelke de Indigo gemaakt
word. Zy verzamelen een groote menigte van dit
kruid, zo haaft als het zelve begintte bloeyen; zy
werpen het zelve omte rotten 1n een groot vat met
water, en roeren het zelve daaglyks om met een
groote flok. Zo haaft als dit kruid is verrot (het
welke gewoonlyk binnen drie of vier dagen is vol-
bragt) lezen wy uit het zelve de fleelen, en on-
mutie vezelen. Nadat zy deze flof dan wel heb-
ben door malkanderen geroert , maken zy een gat
am het benedenfte gedeelte van het vat, op dat door
het zelve zoude uitvloeyen in een ledig vat, door
een lek-zak van linnen, gelyk als door een zeef,
het water dat op dien tyd verkregen heeft een
donkere viool-koleur. By dit doorgezygde blaauwe
zap gieten zy omtrent een half-pint boors-oly, of
meer
172 __Matuur- en Konft-Kabinet }
meer of min, na de hoeveelheid van dit zap. Nas
derhand flaan zy dit zap geweldig door malkander
met een zoort vaneen draay-boom , zo lange Zok
de boom-oly met dit zap door en door vermengt is.
Naderhand laten zy dit zap flil laan, als wan-
weerde verw-flof naden grondkamt te zinken ‚in
de gedaante vant een moer , en zich van bet water
komt af te fcheiden; als wanneer zy het water
doen nitvloeyen , of weg lekken door eenzak, op
de manier als wy gewoon zyn des Hypocras door
zelekken. De moer of de geftremde verw-fbof, de=
welke van zyn water ontlaft ep over is gebleven,
Spreiden zy uit op een breden fleen, en laten de-
zelve in de fchaduwe droogen. Terwylzy onder-
tuflchen wel zorge dragen , dat dezelve ze ve
de minfte flof of vuiligheid befmet word, eze
moer, nugedroogt zynde, is de opregteeu zozeer
vermaarde blaanwe verweftof , dewelke Indigo
genaamt word, Hier ziet de Lezer nu in het kort,
op welk een wyze de Indigo op Madagafcar be-
reid wierd, op dien tyd toen de Franfche een ge-
deelte van dat groote Eyland bewoonde, Na-
derhand zal ik befchryven de verfcheide manie-
ren, door dewelke de Indigo bereid word in
Afia, Amerika, enz.
9.
Zommige Liefhebbers en Kruid-beminnaren
van Europa, en zelfs van dit ons Nederland,
hebben de nieuwsgierigheid gehad, om het zaad
"vande dzi/te ontbieden uit Ooft-Indien, en van
verfcheide plaatzen van Afia en Amerika; en heb-
ben dit-zaad geoeffent in hunne broey-kaffen, en.
het eindelyk door hunnen yver zo verre gebragt,
dat zy van het zelve goede planten hebben doen
voort-
VAE" RI:
__ SFandaryen Felruaryrzar: _ A7t
voortkomen. Hier van zyn getuigen de Kruid-
hoven van de vermaarde Hosge Schoole te Lei-
den, en Amfterdam. Ook heeft de vermaarde
en alom bekende Kruidkenner en Oeffenaar de
Heer («) Abraham Munting in zyn eigen Kruid-
hof tot Groeningen, de Azil niet alleen uit zaad
ewonnen ‚ maar zelfs verfcheide zoorten van
dezelve gehad. De Heer Muzting noemt het
zelve een heefteragtig gewas ; waar uit blykt „dat
de Azi/ geen boom -heefter, maar een kruid-
heefter is , gelyk wy te voren aangemerkt heb-
ben. Diezelfde Heer heeft driederhande zoorten
van Agil of Indigo-kruid voortgekweekt. Als
1, Axel met ronde bladeren; 2. Azil met lang-
werpige bladeren; 3. Axi/ met Lombaardfche
Linfen-bladeren, De Azi/ met ronde bladeren
van de Heer Munting, word uitgebeeld in Fig.1 3.
De blaadjes van deze Azil zyn zeer teder ‚ de
blommen hebben de gedaaute van vlinder-blom.
„Debladeren zyn wel groen, maar trekken zeer
ligt naar het geel. De blom is roodagtig van ko-
leur, en van een {waren en onlieflyken reuk. Het
fchynt uit de gedaante en befchryvingen , dat de-
Le zoort van Az:/ met ronde bladen dezelfde is,
dewelke de Heeren Du Zertre en Rochefort be-
fchreven hebben ; te meer, dewyl zy infgelyks
getuigen ‚ dat aan dezelve een onaangenaame
reuk befpeurd word, Uit de ontdekkingen de-
„welke wy dusverre gedaan hebben; blykt ook
klaarlyk , dat alleenlyk ten opzigte van de reuk
‚drie onderfcheiden omtrent de Azi/ gevonden
word. Want debloemen van de Azi/ van Ma-
8 labar
(4) Ziet Naauwkeurige Befchryvinge der Aard-ge-
wallen , door A. Munting, 2. boek, 47. Kapitt,
174 _Natuur- en Konft-Kalinet,
labar zyn geheel zonder reuk, de bloemen vait
de Axi/ van het Eyland Madagaftar zyn zeer
lieflyk en aangenaam van reuk, en de blommen
van de Aril van de voor-Eylanden van Amerika
zyn van een fwaaren en onaangenamen reuk.
70.
De Axil met lange bladen van den Heere Mfuu-
Zing, word uitgebeeld in Iig. 14. Deze zoort
groeid (na de getuigeniffe van dien Heer) wel
vyf voeten hoog ; en verdeeld zich in veele ta=
melyke dikke, afch-graauwe en ligte zyde-tak-
ken, waar aan de bladen ook by paren tweeaan
twee tegen malkander over voortkomen. Deze
bladen zyn omtrent twee vinger-breed lang, en
een halve vinger-breed in de brecdte , achter .
ftomp-rond, maar voor zeer fpits toelopende;
teder van aart; donker-groen van koleur, dog
onder bleker als boven; in ’t midden voorzien
met een regt doorlopende groote ader , waar
uit verfcheide kleinder adertjes, om hoog ge-
keert, voortvloeyen. De bloempjes van deze
Azil zyn van een witte roodagtige koleur. Als
deze bloempjes vergaan, worden zy gevolgt van
veele by malkander gevoegde zeer dunne peult-
jes of haauwkes met zaad, het welk, als het
zyn rypheid heeft bekomen, fwart is. De Azi/
met bladeren van Lombaardfche Linzen van den
Heere Munting , komt ook volkomen overeen
met die zelfde zoort van Azil,dewelke wy reeds
befchreven hebben; gelyk als blykt in Fig. 15.
Deze bladen zitten ook aan hunne telgjes met
zeven of negen paar in getal regt tegen malkan-
der over , behaiven een blad, het welke, ge-
Iyk als in de andere zoorten, aan het einde Ie
net
h il ZN fs f 4 A /
…___ Sfannaryen February 1722. 17}
het telgje komt te groeyen. Deze bladeren zyn
in het midden ook voorzien met een ruggetje
_of zigtbaar adertje. Tuffchende telgjes komen
wederom andere dunne telgjes voort, aan de-
welke vyf, zes, zeven of agt kleine bloempjes
uitfpruiten, die van een purperagtige koleur , en
van een aangename reuk zyn. Tot de oeffe-
ninge van deze plant-gewaffen , zegt de Heer
Munting , word vereifcht een zandige en lugtige
aarde, die wat verwarmdt word met tweejari=
ge paarde-miít, eenjarige duive-mift, hoender-
drek en het mol van bomen of verrotte boom-
bladeren , alles wel door malkanderen geroert;
waar uit klaarlyk blykt, dat dezelve een war-
me en te gelyk zalpeteragtige grond beminnen,
Want dat uit deze miften zalpeter bereid kan
worden, hebben wy in onze verhandelinge over
de Salpeter voor dezen in het Natuur-en Konft-
kabinet overvloedig genoeg aangewezen. Als
deze plant-gewaflen in de Lente buiten gebragt
worden , beminnen zy een opene , watime,
vrye, luchtige eu geheel ter zon gelegene
plaats , daar zy de ftraalen van de zon , van
des morgens vroeg, tot des na de middags ten
drie vuren onbelemmert konnen genieten, be-
vryd voor alle {cherpe koude en noordelyke
Winden. Zy moeten zeer weinig water heb-
ben, en het water , daar zy mede befproeid
_worden, moet eerft in de zon laauw gemaakt
„worden.
bi
}
| 71
‚_ Niet tegenftaande de Heer Manting deze
plant-gewaflen heeft voortgeteelt, zyn dezelve
‚_ _&chter zeer teder van aard in deze onze luch=
ten ;
_ x76 _Natuur- en Konft-Kabinet ,
ten; want 1 konnen zelfs in de Lente, noch
bok in de Zomer geen koude regenen, veel
minder fneeuw , ryp; of vorft, of fterke win-
den verdragen. Ook dragen zy in deze Noord-
fche Landen geen zaad. De Heer Munting ge-'
tuigt ook , dat deze plant-gewaffen hier te Lan-
de nooit blommen voortbrengen , alfchoon dië
Heer de blom op het berigt van andere befchre=
ven heeft; echter is aan ons bekent gemaaktdat zy
hier te Liaande ook zomtyds bloempjes hebben
voortgebragt. Zy moeten omtrent half Sep=
tember in huis gebragt worden , endes winters
in de ftoof-kas maar eens of tweemaal van bo-=
ven met een weinigje laauw regen-water bego=
ten worden,
72.
De Liefhebbers zyn gewoon de Anil indeze
onze koude Landen door zaad, dat varfch uit
Ooft-Indien gebragt is, aan te winnen. Dit |
zaad word in een pot, niet diep, gezaaid, met |
een waflchende maan van de maand Maart,
April of Mey. Naderhand word deze pot in
warme Paarde-Mift gezet, tot op den eerften
van de maand Juny, bedekt zynde met een gla-
zen raam, De Heer Muzting verhaalt, dat hy
op die wyze de Axtl met ronde bladeren viet
Jaren lang goed en wel heeft konneri bewaren:
Dat hy dezelve in dien tyd tot een klein boomp-
je, dat anderhalve voet hoog was, hadde op-
gefnoeyd. “De andere zoorten bevond de Heer
Munting veel tederder van aart , en duurde,
(opgegroeid zynde tot de hoogte van een voet )
maar drie Jaaren. Na welken tyd zy in ‘het
Jaar 1654, na het eindigen van den Winter;
beide
Dt si oe
_ Yanuaryen February1722. 177
evanvzelfs- zyn vergaan. Vanzelfs groeyen
heefteragtig „ en niet gelyk enkeld kruid ge-
onlyk. doed. Hun flammetje is ook hout-
„waar uit blykt, dat de Azil een kruid-
erts. Zy blyven hier te Lande in de ftoof--
kaflen,des Winters ‚en in de open lucht des
mers-altyd groen, maar laten haar onderfte
eu , door ouderdom in den Winter geel
lende, nu en dan van zelfs ter neder vallen.
Indigo, dewelke te Batavia, en op het Ei-
and’ Java groeid, word uitgebeeld in Fig16;
zovals dezelve naar het leven afgetekent is ,
door, den Heere C‚ de Bruin, vermaart Reizi-
ger, konftig Tekenaar) enz,
- ‚Na dat wy geleerd lize ‚ dat van de Axil
verfcheide zoorten gevonden worden ; is het
geheel niet.te verwonderen, dat in deze Lan-
den-zo weelderley zoorten van verw-ftof Indigo
uit fia, Afrika en Amerika worden overge=
bragt. ‚Want behalven dat deze plant in. zo
veelderley zoorten onderfcheiden is, word ook
een groot,onderfcheid in de Indigo gevonden,
uit hoofde van de-verfcheide Landfíchappen,
grûnden, luchten:enz.’, daar dezelve komt te
greyen-; daar noch bykomt , de verfcheide
_Wyze, door dewelke de Indigo by verfcheide
| volkeren, van de: Agil „gemaakt word. De
‚ waârdye van de :verw-ftof Indigo is zeer ver
fehillende „ om het. onderfcheid van deszelfs
deugd en. gebruik, gelyk als openbaarlyk blykt
zeen: Brief ‚dens welken de Heer Hendrik vaz
Zaan my over die zaak: op den, 1.8, February
| -oMIL Dees. M Tees
|
€
OAN
178 _ _Natuur- en Konft-Kabinet,
1723. gefchreven heeft , en tmet-dewelke wy _
dit flukje zullen befluiten. Ik zal inhet toe-
komende Natuur-en Konft-Kabinet vande In-
digo, deszelfs bereidinge „ gebruiken nutheidin *
de Verw-konft , Schilder-konft, Verligtery-
konft, Verlak-konft, Geneeskunde, benevens _
verfcheide Proeven omtrent den Indigo ín ’t
werk geftelt, laten volgen. „zich
BRIEF vanden Heere Hendrik van
Raat aan Willem van Ranouw , over
de verfcheide zoorten van Indigo.
MYN HEER!
OO Nader de Indigo, dewelke wy in deze Lan-
den ontfangen, is wel de voornaamtfte die
ons uit de Spaanfche Weft- Indien gezonden
word. Deze word van de Kooplieden Zwdigo
Guatimalo of Granada genaamt; na het Land-
fchap GvATiMALO, het welke de Spanjaarden
aan de vafte Kuft, niet verre van Mexico, i
de Weft-Indien bezitten , en alwaar deze Indí
go zeer overvloedig voortgeteelt en aangewon
nen word, De Indigo Gustimalo word in
roenen en ook in Kaflen overgezonden, D
zelve valt zeer ongelyk in deugd , en is oo
daarom van een zeer verfchillende prys. Wan
de eene is veertig of vyftig ftuivers meer waar
dig als de andere. Daarom moeten. wy de pryijk
van de Indigo Guatimaio noteeren var 45 1
1oo ftuivers het pond. Dat is 24 as guld,het@
Alle, of de meefte Indigo is violet-blaauw Ö
‚_____Januaryen February 1722. 179
‚ koleur, Deligfte is gewoonlyk de befie; en
de befte Indigo moet als kurk op ’t water
RYVEN. '
Vy krygen in deze Landen ook Indigo uit
‘ranfche Weft-Indiën ; gelyk als by voor-
de Indigo van Sint Domino. Onder
word ook vry wat onderfcheid gevonden,
ende van 36 tot só ftuivers het pond, Zo
dât het verfchil in dezen omtrent een guiden
op het pond zoude bedragen. De oorzaken van
dit onderfcheid van deugd, zo wel in de Indigo
auatimalo, als Sint Domingo, of ook andere
ndigo , zyn verfcheiden, en ik geloof by u
ger wel bekent, Ook twyffel ik niet, of gy
zült wel weten de oorzaaken vande minder of
eerder deugd van de Indigo in de verhande-
lingen over die {tof klaar genoeg open te leggen.
VIARTENIQUE zend ook Indigo na Eurupas
eze is omtrent waardig 40 ftuivers het pond,
ok maaken de Franfchen die op GUARDE-
LOUPE woonen Indigo , die na deze Landen
zonden word, Deze is ook omtrent 40 ftui-
vers het pond waardig. De Indigo van Guar-
oupe komt in vaten.
De treffelyke Colonien, die de Engelfchen
in de Weft-Indien hebben opgeregt, laten ook
geenzints na deze koftelyke verw-{tof Indigo te
labriceren, Gelyk by voorbeeld de Indigo Bar-
ados , alzo genaamt naar het Eyland Barbados,
dat aan de Engelfche behoord, Deze Indigo
Barbados ís de fleg{te zoort van al de zoorten.
an Indigo , en is'zó hard gls teen ; daarom
word dezelve ook gewoonlyk maar van 8 tot
2 ftuivers het pond verkogt. Deze Indigo word
ES M 2 mede
MR RL
180 _Matuur- en Konft-Kabinet,
mede in vaten overgezonden. De Indigo van …
JAMAICA is vry wat beter, Deze word van 30
tot 45 (tuivers het pond verkogt. Aiïwaar ge-
noegzaam uit komt te blyken , dat deze juift
ook niet van de befte zoort van Indigo is. Deze
komt ook over in vaten. De [ndigo van Sint
Euftace en Montferrat is door de bank noch
een weinig minder van alot, en kan in prys ge=
noteert worden van 30 tot 40 ftuivers het pond.
Ook komt dezelve zeer zelden alhier in Hol-
land, maar meeft in Engeland.
Uit de Hollandfche Weft-Indien word ook
zomtyds eenige Indigo gezonden, en word ook
niet van de allerflegte gekeurd. Want de In-
digo van: Curaflouw word in prys genoteert van
45 tot so (tuivers het pond. Deze word ook
in vaten herwaards overgevoert; hoewel zeer
weinig van dezelve overgebragt word. De Hol-
land , of bewoonders van Suriname, zyn ook
al eenigen tyd bezig geweeft met den Indigo,
maar díe voorttelinge fchynd zeer weinig op te
nemen; want de Indigo van Suriname komt
in een zeer geringe hoeveelheid ; anderzints is
dezelve ook niet van de flegtíte zoort, gelyk
uit de prys blykt, want dezelve word q0 a so
ftuivers het pond genoteert.
De Deenen hebben ook een Colonie te Sint
‘Thomas daar Indigo gemaakt word. Deze is
maar van een middelmatige deugd, en geld ge-
woonlyk 36 a 4o ftuivers het pond , en word
mede in vaten overgevoerd. Ik zoude nu noch
ook wel konnen fpreken van Afrika, daar ik
weet dat ook Indigo op verfcheide plaatzen ge-
wonnen word; maar ik moet openhartig ok
en,
Januaryen February 1722. 18t
den, dat dezelve tot noch toe niet tot myne
nifle gekomen is. En ik geloof, dat wy
ks van u zelfs zullen dienen af te wagten,
r wat Afie belangt, dat zend zeer veel In-
o na Europa, die aan my ook bekent is ge-
‘worden.
Onder de plaatzen van Afia, daar de Indigo
overvloedig voortgeteelt en gemaakt word,
noeten wy bekennen, dat het Land van den
Grooten Mogol , boven alle de andere de
kroon fpant ; zelfs in dat opzigt van alle de
Landfchappen van geheel Afia. De Indigo,
dewelke uit de eigentlyke heerfchappy van den
Grooten Mogol gebragt word , draagt de naam
van Zedigo Lauro, of ook wel van 4zdigo d’A-
gra, of ook wel van Jxdigo Biana. Maar zy
word dan na de Stad of het Dorp genaamt,
onder welkers Gebied of Kreits zy komt te
groeyen, of gemaakt word. Maar deze Indi-
go komt nu weinig over, daar zy in tegendeel
| voor dezen met zeer groote partyen van twec-
hondert en tweehondert vyftig duizend ponden
| te gelyk overgebragt wierd. Zy zeggen,
dat een Inlandfche onluft of oorlog hier van
de oorzaak is. Deze Judigo Lauro is al in
| ons Land uit Ooft-Indien overgebragt van het
| begin van de opregtinge van onze Ooft-Indi-
| fehe Maatfchappye, Xy word altyd in Farde-
len overgebragt. Uit het Koniugryk van Gu-
| füratte, daar de vermaarde Koopftad Suratte
| tegenwoordig de hoofdplaats van is, en welk
| Koningryk tegenwoordig tot een Wingewett
of Provencie van den Grooten Mogol gebragt
18, komen de twee volgende: zoorten van In-
Pas £'
kia digo ,
182 __Natuur- en Konft-Kabinet,
digo , namentlyk JZudigo Circkees , en Iudige
Famboefer. De Indigo Circkees word zodanig
genaamt, na het Dorp Circke , in het welke
dezelve gemaakt word. Dezeis de befte van
deze twee Gufuratrifche zoorten, en word me:
de in Fardelen overgebravt. Maar alfchoon
de Indigo Girckees beter als de Jamboefer is,
komt dezelve echter niet te pas by de befte
zoerten van Indigo. Gelyk als haar prys , die
van vyftien tot vier-en-twintig ftuivers het pond
genoteert word, komt uit te wyzen. De Zudigo
Jamboefer geld maar 14 a 16 ftuivers het pond.
Deze beide zoorten zyn gemaakt tot de gedaante
van Tabletten, dewelke zy vygjes noemen ; en
de jamboezer word ook overgebragt in Farde-
len als de Kaneel.
Uit de Nederlandfche Ooft-Indien word ook
ecnige Indigo tot ous overgezonden, Gelyk als
onder andere de Zudigo van Java of Batavia.
Maar deze komt tegenwoordig zo goed niet
meer als wel voor dezen. Deze Indigo van
Java word gemaakt tot ronde Zabletjes , en
deze Indigo word, na dat zy reeds haren eifch
al verkregen heeft, wederom gekookt,en noch
eens gezuivert. Dit is de oorzaak, dat dezelve
zomtyds zeer goed en zuiver en hoog in prys
gevonden word, Zy word overgezonden in
katten; en de prys kan gezoteert worden van
40 tot 80 (tuivers het pond. Van Ceylon word
ook zomtyds Indigo overgezonden, gelyk als
ook van Cormandel , maar zo weinig, datde-
zelve maar tot monfters verftrekt.
Hier te Lande word ook een Inlandfche In-
digo verkogt , dewelke plat- Indigo genaamt
word,
Panuary en February 1722. 183
ord, om dat zy in ftukjes gevormt is. Maar
tis een Compofitie, en geld van 8 en meer
ers het pond. Dezelve word veel buitens
pds gebruikt om Schapen mede te tekenen,
s anderzints. Maar alfchoon deze Compofitie
n my bekent is, zal ik-dezelve echter niet
befchryven , om het bedrog niet te voeden,
ant het is reeds te beklagen, dat met het poe-
er van de befte Indigo zo veel kunsjes gepleegt
De Indigo en de Patel zyn ‘het fon-
t van de/Blaäuw-kuip. Waar toe heden-
daags veel Erffurter Paftel, of by gebrek van
die andere, zoort. van Pattel gebruikt word.
___Maar ik zal wegens het verder gebruik van de
Indigo niet breder uitweiden , om dat aan my
_genoeg bekent is, dat die zaak overvloedig ge-
__noeg aan u bekent is. Daarom zalhetmy voor
dezen reeds genoeg zyn, het geene ik tot on-
| derhoudinge van, onze vrindíchap , en ‘Corref-
| pondentie , van de Indigo dusverre hebbe ge-
chreven. Wat de drie gezonde Boeken be-
__langd, dezelve zal ik aan ‘een vermaard Get
„___mneesheer tot Gent , die een groot vriend van
B. is, in ’t kort overzenden, Ondertuffchen
| blyve ik enz.
HENDRIK van RAAT.
| icterdai den 18.
| ‚ February 1723.
‚Einde van de Maanden January on February,
Ee
BEER E GON,
Van den 1 |
BOEKVERKOOPER.
D e Heer var Ranouw heeft aan My toege-
ftaan , om op de twee volgende Stukjes
van dit Zevende Deel , de Maanden die wy
ten agteren Zyn, te ftellen, op dat wy met den
tyd te eerder gelyk mogen geraken. Want het
“_verfchil van de dagtekeningen van de Brieven,
die zomtyds in *t Kabinet gedrukt worden , is
anders te groot , ten opzigte van den Datum
van ’t Kabinet zelfs.
AAN en Aer Bord weiss À lik Nin od
Jauary en Februari, 1722.
nf
heg
« _
\
A u k
:
OR
A
E wieren
KABINET
DER
BNATUURLYKE
à HI STORIEN,
_ WETENSCHAPPEN,
KONSTEN
HANDWERKEN,
Voor de Maanden
MAART jJULY 1722.
Verciert en opgeheldert met Kopere Plaaten.
Te AMSTERDAM,
By BALTHAZAR LAKEMAN,
Boekverkooper achter de Nieuwe Kerk,
over de Molfteeg. 1722.
Elin a ARC Ù vd ue
wt a LA: d A da H
he Lon NE alan NE
ARB n bt 5 Sr A REST heat ad Ki s
et ad > é
OA MIET MÁ er Ji
evi ARL 2 Del za eN, ATA: „rok
ANNES odd 95110 wsdbary ja)
kebert „gaafdloMt Shave Je
jd PAB
BENA TUUR
Jl EEN À
_ KONST-KABINET,
Woor de Maanden
k MAART, —- JULY.
€
1722.
Negentiende verhandeling van de ALGE-
| MEENE Natuurlyke Hiftorifchryvers ,
Ì en in de zelbe het vervolg van bet kort
| begryp en de opheldering der Natuurlyke
! Hiftorie , en de proefkundige Wysbegeerte
| van ROBERTUS BOYLE, waar in
gebandelt word vande LUCHT.
L,
We E Hoogwaardige Robertus Boyle,
G\ \P) heeft het naaukeurig en naarftig
BAS! JS onderzoek van de lucht, van zo
RAZ veel belang geoordeelt, dat hy op
| EL, A 2 die
4, Natuur- en Konfl-Kabinet,
die zaak, in het jaar 1651 aan zyn Neef ge-
fchreeve hadde, noch eentwedeaan dien zelven
Heer, en dewelke gedagtekent is tot Oxtort
den 24 Maart 1667, heeft toegezonden, En
dewyl tuflchen het Schryven van deze twee
Brieven, agt gehele jaren verlopen zyn, kan
de Lezer op een goeden grond vermoeden, dat
de vermaarde fchryverindit vervolg geen min-
der zaken zal komen te ontdekken, als in den
eerften Brief gevonden werden, Aan dezen
Brief geeft de Heer Boyle den Naam van eerfte
vervolg , om dat die Heer eenige tyd nade-
zen tweden Brief nog een vervolg heeft in ’%
licht gegeven ; gelyk als naderhand, als wy
dns het zelve komen te fpreken,ook zal bly-
en.
ze
In dezen tweden Brief heeft de Heer Boyle,
even gelyk als in den eerften ‚ten opzichte vau
de Lucht , voornaamentlyk het oog op des
Loacats fwaarte en elafticiteit, en derzelver
uitwerkingen op de lichamen enz. Tot deproe-
ven, dewelke de Heer Boyle in dit vervoig
heeft voorgeftelt, is een Luucht-pomp van een
geheel andere zamentftelling en gedaante, als _
deeerfte, den welken wy hebben uitgebeeld,ge=
bruikt. Ook hadde de Heer Boyle indien tuf-
fchen- tyd verfcheide bekwame werktui-
gen en glaze reciptenten van alderhande groote
doen gereet maken. Maar dewyl % zedert dien
tyd de Luucht-pomp zeer veel is verbetert, en
dat elk een dit werktuig na zyn verfcheide zin-
nelykheid, verfcheideuclyk kan toetakelen, ez
e
Zl b BEA
(i Maar, July, 1722. 5
deel ik het geheel niet nodig te zyn, juilt alle
de verfcheide gedaantens van Lucht-pompen
uit te beelden, dewelke van verfcheide lief heb-
_bers zyn gebruikt. Wyzullen ons vergenoe-
gen, dat wy reets hebben uitgebeeld de eer{te;
__mamentlyk die van den groot Achtbaren Otto
de Guiricke, en noch die van den Hoog waar-
digen Robertus Boyle. Voorde reft zullen wy
Ë dezen eene uitbeeldinge mededeelen van de
li
alderbekwaamf{te Lucht-pompen, dewelke na-
_derhand uitgevonden, en in een algemeen ge-
bruik geraakt zyn. De Heer Boyle klaagt in
de Voorrede van dit vervolg, over de gebrek-
kelykheit van de figuuren en platen, mäar ik
hebbe dezelve niet alleen in onzetab. XX XIX,
‚___hier agter by gevoegt verbetert, maar ook ee-
__nige werktuigen uitgebeeld, die in de platen van
den Heere Boyleniet zyn. Het welkeik voorde
‚___Lezers, dewelke de Heer Boyle komen na te
‚__zien nodig hebbe geoordeelt hier aan te teke-
‚nen.
Door verfcheide eid: is onfeilbaar ge-
bleken, dat de Lucht een zekere zwaarte heeft,
maar behalven dezelveze ondervinden. wy ook
‚__inde Lucht een wederftrevendekragt , of elaft:-
‚_eiteit, welkers te rugdryvende neiginge altyd
egaal is, met de drukkinge van deze zwaarte;
in zo verre dat een klein gedeelte lucht in een
glas zodanig ingefloten zynde , dat het zelve
‚__geen de minfte gemeenfchap met de buite-lucht
‚_ heeft, dezelfde kragt van perzinge heeft „als
‚__de zwaarte of drukkinge van den dampkring of
A 3 bui-
1
6. __ Natuur-en Konft-Kabinet
buite-lucht op de lichamen, op dewelke dit
gedeelte komt te drukken. Al {choon wyde-
ze zaak met verfcheide proeven voor dezen
hebben-bewezen, zullen wy echter de volgen=-
de proeven van den Here Boyle mededelen,
om dat dezelve buiten twyfel zeer overtuigende
en aangenaam voor den Liezer zullen bevonden
worden. Uit de volgende proef zal blyken dat _
het kwikzilver kam opgeperft werden tot een
aanmerkelyke hoogte, alleenlyk door de Elaf-
ticiteit van een klein gedeelte lucht, al zo
wel als door de zwaarte van een drametraal-
gelyke. lucht-kolom van. den dampkring.
De Heer onderzoeker beeft genomen het
glazen bakje in tab, XXXIX. fig. 1. gete-
kent met A. de vierde part van dit bakje was
opgevult met kwik, inde hals van dit bakje
wierd geftoken den glazen Zubus B, van zeer
dun glas. Dezen tubus was aan beidede einden
open , «en floot met het onderfte einde zo
nauwkeurig in den hals van het kwik bakje,
dat dezelve door behulp van cement, aldaar
lucht-dicht in gepaft was, en dat de lucht die
in de ruimte C van dit bakje nu befloten was,
geen de minfte gemeen{chap hadde met de bui-
te-Incht. Dit bakje A wierd met gemelde
tubus B gezet in een zeer langwerpigen glazen
recipient, die tot deze proef gefchikt was, ge-
Iyk te zien is met DE F, na dat nu het einde
D van dezen recipiext gevoegt was aan de
lucht-pomp , wierd de Lucht uitgepompt, en
uit den recipient en vervolgens ook uit den
glazen tubus B; zo ras als nu deze tubus B
was geworden een luchtledige plaats, rees
d daat-
REASOPODREE trsvkad
dd Mott, a Julin OP
…__daatlyk:de kwik, die in het-bakje A was, na
___boven ij-den-:tubus-B tot-de hoogfte van 27
___duim’by'Geedeze: kwik -wierd tot die-hoogte
__opgepar{taileenlyk door de-Eilafticiteis of te rug-
_ dryvende kragt van heb weinigje lucht,” het
_ welke beflooten was inde ruimte van het bak=
je C‚swant orn dat deze lucht, dewelke inde
… ruimte C. vandit: bakjes wás ; mergens konde
… Bitgaan, oeffende dezelve-zyne perzinge al-
_ leenlyk op de kwik ‚rdie in het bakje was,
__maâr ‚konde die kwik niet-op'‘perzen ‘in den
‚__tubus, omdat deze tubus vol lucht was dé+
__wyl dezelve ;, aan deszelfs boven einde open
| zynde; “volkomen gemeenfehap hadde met dè
buiten-lucht. «Maar :zo ras als‘door de lucht-
pomp zo wel uit denrécipient-D E'F , ‘en ver-
volgens-ook uit den tubus BB, de lucht was uit=
gepompt, verloor de kwikvaan die zyde de te-
genperzing van de buite-lucht,, „waar door de
perzinge vâir de lucht , diein de ruimte C'bës
floten-was, op, de kwik de Overhand kreeg,
en vervolgens de kwik inde tubus B op petf=
feri:tor de hoogtte van: 47 duin by G. hier ait
bleeksopehbaarlyk ; dat «de &lafticiteit van dé
weinige lucht, die in de ruutite CG was’, “to
veel kragt oeffende om de kwik op te petzên
tot de hoogte van 27 duim; alsde z waart vánì
de. buite-lucht dewelke nu uitgepompt wás ilt
den tecipient en glazen tubus B; door dewelke
de kwik was nedergehouden kwam te bedras
gensen dat vervolgens de perzingen van de Dlafa
ticiteit van de lucht op de lichamen egaal is,
met de drukkinge die de lucht op de lichamen
oeffent, door deszelfs twádrte. Het Welk
mar A4 noch
8 Natuur= en Konft-Kabinet
noch klaarder bleek, zo ras als de buite- lucht
wederom ingelaten wierd in den recipient D
E F, en vervolgens in den tubus B, dewyl
daar door de kwik daatlyk weder. nederzakten
in het bakje A, en de tubus B vol lucht en
„wederom ledig van kwik wierd als van te vo-
ren. Deze proef verfcheidemaal hervatzynde,
was gedurig van die zelfde uitkomft,
Zommige hebben senordseik dat uit deze
proef nog niet genoegzaam bleek, dat de kragt
van de Elafticiteit van de lucht egaal is, met
de zwaare- kragt van de lucht. Zy geloofden
dat zulk een klein gedeelte lucht „gelyk als in
de ruimte GC was ingefloten, niet magtig ge-
noeg was, om de kwik zo veel te rug te dry-
ven als miffchien een veel grooter gedeelte in-
gefloten lucht, en dat miflchien een. groot ge-
deelte ingefloten lucht door deszelfs &laftsci-
teit de kwik in een luchtledige plaats , mif-
íchien veel hoger zoude komen op te perzen
als de zwaarte van de dampkring gewoonlyk
in een Barometer komt te doen; en dat daar uit
dan zoude blyken, dat de zwaare-. kragt van
de lucht of dampkring, geheel onegaal is met de
te rug dryvende kragt of Elafticite:t van de
lucht, Al fchoon nu deze voorftellinge zon=
der eenige grond of -waarfchynelykheid is „heeft
echter de naauwkeurige Heer Boyle zulks met
de volgende proef onderzogt.
je $% -
De Heer onderzoeker nam een groot gla-
s A Zen —
Maart, —— Jul), 1722. 9
zen * vat fig. 2. getekent met A. Na dat nu
__n dit zeer groote vat ingegoten was een mag-
__tige hoeveelheit kwikzilver, wierd in dit vat
_ gefteken een zeer dunnen en langen glazen
_Zubus, dewelke gelyk als de eerfte daar wy van
… gefproken hebben in fig. r. insgelyk aan zyn
_ beideeinden open was. Dezen tubus wierd
_ @ok regt over einde geftelt in het groot glaze
_ vat A, en in de hals B van dit vat, zodanig
_Tuchtdigt met cement toegefloten en vatige-
__maakt, dat de Lucht, dewelke in de ruimte
van dit vat was, geen de minfte gemeenfchap
konde hebben met de buiten-lucht , want zulks
konde niet gefchieden. met het onderte einde
van de tubus , om dat het zelve in de kwik
was geftelt. Dit zeer grote glazen vat, be-
nevens de vaft{luitende tubus, wierd geplaaft
in een recipient die ongemeen groot en hoog
was. Nadat nu de lucht uit den recipient
was uitgepompt , konde, hoe zeer met deuit-
pompinge ook wierd aangehouden, echter de
kwik door de grote menigte lucht die in ’t
groot glaze vat in de ruimte ingefloten was,
niet hooger opgeperft werden, als de lucht op
Jr word door de zwaarte van den damp-
ring in de bekende Barometer. Waar uit
openbaarlyk blykt, dat de Elafticiteit van veel
of weinig lucht noit krachtiger is, alsde zwaar=
te kragt van de lucht, wel verftaande de EJaf-
ticiteit van de natuurlyke Lucht, zo als wy
dien inademen , maar geenzints van in malkander
geperfte of door hette aan gezette Lucht.
As 6, Als
* De Schryver zegt een kruik, maar wy oordeelen
beter een glas,
ed
zo __Natuur- en Konft-Kabinet;
6.
Als wy verfcheide Barometers die van een
zeer ongelyke wydte zyn neffens malkandere
befchouwen, zullen wy (als dezelve door een
treffelyk meefter gelyk als by voorbeeld de ver-
maarde D. G. Fahrenheid toegettelt zyn) be=
vinden, dat de kwik door de zwaarte van de
Lucht tot een evergelyke hoogte word opge-
perft, onder die voorzorg nochtans, dat wy
geen een van alle die Barometers of pypen al
te naauw maken. Om een reden dewelke wy
op een andere plaats zullen geven. Wy zul-
len bevinden, zegge ik, dat de kwik-kolom
zo hoog zal ftaan ín de naaufte tubus als in de
wydíte tubus van zodanig verfchillende Baro-
meters. De reden hier van ís van zich zelven
klaar, want dewyl een lucht-kolom de kwik
opdryft in den naauwf{ten tubus van een van
die Barometers „ behoeft zodanig een lucht-
kolom geen grooter zwaarte- kragt te oeffe-
nen , als een andere lucht-kolom dewelke de
kwik tot die zelfde hoogte op perft in de al-
derwydfte tubus van een van die onderfchei-
de Barometers; want het is wel waar, datde
kwik-kolom in den wydften tabus dikker of
groter van. diameter is, maar hier moet te=
gens aangemerkt worden , dat insgelyks de
lucht-kolom , die dezelve opperft , isen
zo veel groter van diameter is, als de lucht-
kolom die de kwik-kolom opperft in den
aldernaauwften tubus, zynde de Diameter van
elke lacht-kolorn egaal met de diameter van
de kwik-kolom die elk komt op te pet
Is
BROCMEREE 4
____Maart, July, 1722. 11
__Als dan het gewigt van een lucht-kolom van
__het bovenfte van den dampkring tot op de op-
pervlakte van de kwik die in ’ bakje van de
ometer is gerekent, egaal is,met een kwik-
olom die de hoogte heeft van 27 of 28 of
29 duim, na de onderfcheide zwaarte van den
_ Dampkring, is het ook zeeker dat de verfchei-
de kwik-kolommen , in een en dezelfde. ge-
_fteltheit van de Lucht, by malkanderen ge-
_plaatft (taande, altyd alle te gelyk moete zyn
_van de hoogte van 27 of 28 ot 29 duim, na
_dat op dien tyd de Dampkring meerder of min-
_ der zwaar is. Verfta hier geen Engelfche7dui-
_… men.
7:
Gelyk als deze zaak nu waar ís, ten opzig-
te van de zwaarte-kragt van de Lucht, wilde
de naauwkeurige Heer Boyle ook wel eens
door proeven onderzoeken, of deze zaak ook
plaats heèft ten opzigte van de te rug dryvende
kragt of Elafticiteit van de Luucht , dat is of
de lucht door deszelfs Elafticiteit de kwik in
glazen pypen van verfcheide wydte, tot eenen
dezelfde hoogte zoudeop parzen ‚namentlyk of
de opgepatfte kwik-kolom in de wydfte pyp zo
hoog zoude worden opgebeurd , als in de naauw-
fte, Hier toe nam de Heer Boyle het zelfde groot
glazen vat, het welk in fig. 2, met A uitge-
beeld is, en twee glaze pypen van een ver-
fcheiden Diameter , als dezelve by beurten in
dit glazen vat geplaatft wierden, zoude blyken
by het uitpompen van de Lucht, dat de kwik
door
12 _ Natunr- en Konft-Kabinet,
door de Elafticite:t van de Lucht hyna zohoog;
wierd op geperft ín den wydften tubus
als in den kleinften, wiens Diameter echter
wel de helft minder was. De kwik zoude
door de Elafticiteit van deze beflote Lucht
wel tot een en dezelve hoogte op geperft wor-
de als de ub: van een en dezelfde wydte wa=
ren geweelt, maar als de kwik in de wydíten
tubus wierd op geperft, is daar door veroor-
zaakt, dat de ruimte van het glazen vat daar
de lucht in befloten was, groter wierd als wan-
neer de kwik in den kleinen tubus wierd opge-
perft, en dat door het opryzen van meerder
hoeveelheid kwik , de ingefloten lucht zich
in die groter ruimte meerder kwam te verwyde-
ren,en vervolgens zwakker wierd, als dat maar
een veel minder gedeelte kwik in den naauwfte
tubus uit het glaze vat wierd opgedreven na
boven, na welke proportie de opgeper{te kwik-
kolommen ook maar kwamen te verfcheelen, en
‚_geenfints na’tgrooteverfchil van de hoeveelheid
des opgeperften kwiks. Als deze twee ver-
fcheide pypen geftelt waren geweeft in twee
verfcheide glaze vaten, en dat de proportie van
de ingefloten lucht gefchikt was geweeft na
de hoeveelheid van de kwik, en de wydte van
elke tubus, of dat dezelve te gelyk in het
glazen vat geplaaft ftonden, zoude de hoogte
van de opgeperfte kwik in de twe pypen van
ongelyke diameter egaal zyn. Waar uit ge-
noegzaam openbaar is, dat de elafticiteit van
de lucht, de kwik tot een en dezelfde hoogte
in een wyden tubus zo wel zoude opperzen,
als
ij Maart, July 1722. 13
_als in een tubus van minder diameter, zo wel
_ als de lucht door deflelfs fwaarte - kragt de
_kwik in pypen van een ongelyke drameter tot
een en dezelfde hoogte komt opte perzen.T'ot
‚vermaak van eenige liethebbers vertoonde de
Heer Boyle een Fontein, dewelke fprong door
de elaftic:teit van de lucht, zo alsdezelve na-
_tuurlyk zonder eenige inperzinge of aanzet-
__tinge van warmte geftelt is. De Heer Boyle
__nam een grote glazen Fles, gelyk als vertoont
word in Fig. 3. A. deze wierd met een be-
hoorlyke hoeveelheid water opgevult. In de-
ze fles wierd geftelt een glazen tubus B. van 36
duim lengte, Dezelve was open aan elk ein-
de, en wierd met deflelfs onderfte einde ge-
plaaft onder het water, dat in de fles was. De
hals van den fles, daar den tubus door ging,
wierd zodanig digt toe geluteert, dat geen
drup water, nog iets van de ingefloten lucht
konde doordringen. ter zyden de binne wan-
de van den hals, en den pyp. Dit werktuig
wierd geplaatft in den zeer grooten recipient C.
20 ras als door de lucht-pomp maar een wei-
nig lucht uit den recipient wierd uitgepompt,
begon de lucht die in de fles was zich uitte zet-
ten, om dat door de uitpomping van de lucht,
die in de recipient was, dezelveverfwakt was
in deflelfs egale tegenperzinge, waar door het
water dat in de fles was met geweld geperft
wierd, niet alleen in den glazen tubus B, maar
zelfs tot boven tegens den bol D. van den recz-
pient, Deze Fontein duurde zo Jang tot de
verwyderinge van de lucht E. die in de fles A
befloten was, egaal was met de luchtdie noch
in
|
|
|
|
14 Natuur-en Konft-Kabinet,
indenrecipient was. Maar zo ras wederom
eenige lucht uit de recipient wierd uit gepompt,
begon daatlyk de Fontein wederom te {prin=
gen, zo lang tot de verwyderinge vande beide
luchten wederom egaal waren. Het boventte
einde van den tubus B. was zeer naauw ge-
maakt, waar door het fpringen van de Fon= _
tein langer duurden. Op dezen tubus wierd
geplaaft het koper werktuigje F. in fig. 4. het —
welk vol pypjes was, waar door “verfcheide _
waterftralen vertoont wierden. Behalven dat
door deze proef de elafticiteit van de lucht
wierd aangetoont, tragte de Heer onder-
zoeker ook te gelyk te ondekken, of de linien
die de waterftralen befchreven in een zeer ver-
dunde lucht niet verfcheelde van de linien de- —
welke de waterftraalen maakten in een dikker
tucht. Maar hy konde zyn oogmerk om de
gebrekkelikheid des werktuigs niet bereiken.
Ook wierd door deze proef klaarlyk ontdekt,
hoe door de egaalheid van de wederzydfche
parzinge, en evengelyke elaftsciteit van de lucht
een lichaem in defzelfs ftandplaats ongekreukt
gehouden word, gelyk als aan dit water biykt,
het welke uit de glaze fles A geparft word in
de hoogte, zo ras als de lucht in den tubus B
door de uitpompinge van een weinig lucht,
maar een weinig dunder is geworden, als de
lucht die in de ruimte E van de fles befloten is,
en wederom komt op te houden met {pringen,
zo ras als deze beide luchten namentlyk die van
den recipient, en die, dewelke in de ruimte E
befloten is, van een en dezelfde verwyderinge
zyn geworden, en vervolgens met een egale
kragt
REE td en er
E __ Maart, — — July 1722. 1
ijn 3 elk-aan zyn zyde, met dewelke hy. het
water komt te raaken, op het water drukt.
_ Op dezelfde wyze als alle lichamen die daag-
_ 1yks in de lucht verkeren, hoe teder dezelve
__@ok mogen zyn, door deze egale perzing onge-
kreúke blyven, maar zo ras als deze perzinge,
het zy door de fwaarte van de lucht, of door
defzelfs elafticiteit aan de eene of deandere zy-*
de de overhand heeft, worden zy of uit hunnen
_ ffantplaetssgedreven, ‚of op de eene of de an-
_ dere wyze gekreukt, of verbryzelt, uitgeno-
_ men in ’t geval van’t volkomen rond, gelyk
als een rond glaze Bolletje , de fwaarte van
den gehelen dampkring konde verdragen, en
een platte glazen ruit met een grote flag ver-
bryzelt wierd, op de eerfte of twede uitpom-
ping van de lucht.
9.
Het vermogen van de te rug dryvende kragt
of elafticite:t dat natuurlyk aan de lucht is,‚heb-
ben wy door verfcheide proeve gezien, nietal-
leen op de vloeibaare lichamen, gelyk als het
‚ kwikzilver, of het water, maar zelfs ook op
de vafte lichamen, gelyk wy zien hoeeen blaas
met een groten flag in een recipient aan, ink
barft door de elafticiteit of uitzettinge van de
‚ Tùcht, dewelke in dezelve befloten ís, zo ras
| als de buite- lucht, die op defzelfs buitenwwan=
den met de-binnen lucht op de binnen wanden.
egaal drukt, word weg gepompt. Of als wy
zien hoe een ronde glaze bol vol lucht in een
uitgepompte recipient tot gruis-aan {tuk komt
‚ te barften, dat zo fyn is als zulverzand, Maar
bl nu
1
1
hd
En
vs
16 Natuur= en Konft-Kabinét,
nu wilde de Heer Boyle wel eens weten hoe
veel kragt een weinigje luchtkan oefenendoor —_
defzelfs elafliciteit. De Heer Boyle nam de
Varkensblaas in fig. 5. A. vaneen zeer mid.
delmatige groote, en dreef zo veel lucht uit
dezelve dat defzelfs vyfde deel maar met lucht
opgevult was. Defzelfs boventten hals B wierd
met een fterk touwtje lucht digt toegebonden,
en aan het onder{te gedeelte van den ftop G,
of den haan van de kraan, door dewelke de
lucht uit en in den recipient F gelaten word,
Aan het onderfte gedeelte D, van den Blaas is
gebonden een gewigt van 1s pondenE, zoras
als nu de lucht die in de Blaas befloten was
van de perzing van de lucht des recipient ont-
flagen wierden, kwam deze binne- lucht zich
uit te zetten, en in defzelfs volumen zodanig,
zich uit te breiden, dat dezelve de blaas ver-
vulde en dede uitzette in de wydte, tot diege-
daante in dewelke gy dezelve uitgebeelt ziet;
en dewyl de blaas door deze uitzettinge korter
wierd, was het blykbaar, dat door de Elaft:-
eiteit van de weinige lucht die inden blaas was
ingefloten, het gewigt E wierd opgetilt, juift
%o veel in de hoogte als het onderfte gedeelte
D van de blaas genadert was aan het bovenfte
gedeelte B. De Heer Boyle hervatte deze
proef met een groter blaas daar zo weinig lucht
in gelaten was, dat dezelve byna geheel flap
kwam te hangen, echter was de Elafticiteit
van dat weinigje ingefloten lucht zo vermo=
gende dat (na het u't- pompen van de lucht uit
den recipient in dewelke die blaas geplaaft was)
het zelve niet alleeniyk den blaas kwam op te
vul-
k Maart, July, 1722. 17
vullen, en uit te zetten, maar ook optilden
een gewigt van 24 ponden. De Heer onder-
_ zoeker geeft vorder in bedenkinge, of door
deze proef niet wel eenigzints zoude konnen
opgeheldert worden de beweginge en de kragt
der menfchelyke fpieren, door een zoort van
een vergelykinge by. deze elafticgue opblazin-
BA: 4
ik 10,
_ In deeerfte tyden toen de {waarte-kracht en
Elafhsciteit van de lucht eerft ondekt waren,
_ maakten de hooge Scholen zeer vele beweginge,
„en wilde hun oude ftelling, dewelke gemeenlyk
_ vacui fuga of afkeer der Natuur van ’t ledige ge-
__naamt word,op geenderhande wyze verlaten. Zy
_ gaven zeer veel moeyte aan de Heeren T orricelli,
Guericke, Merfennus , Petit, Pafcal , Boyleen
andere, Onder deze plenilten en_ tegenwor-
ftelaars bevonden zich zelfs verfcheide zeer
‚ doordringende en grote verftanden, zo dat
naauweliks eenige proef tegens haar gevoelen
gedaan wierd, daar zy niet de eene of andere
uitvlugt op witten te vinden. Als zy het water
in een pomp den zuiger (die de lucht uit des
pomps-buis uitpompt) zagen volgen, en als na
klimmen in de hoogte, oordeelen zy, dat dit
water in de pomps-buis opklom uit hoofdevan
_een afkeer die de natuur hadde van het ledige:
dat alles ja het geheel al zodanig vervult, en
niet als lichaam was, dat nergens een_ eenig
lichaam hoe dun of klein het zelve ook zyn
mogte, uit de gebuurfchap van defzelfs- om=
zingende ligchamen konde vertrekken, of des-
_VIL Deer, B zelfs
|
18 Natuur-en Konft-Kabinet ,
zelfs plaats wierde daatlyk , zonder eenige
tuffchenkomtte, vervult : dat daarom ook zo
ras als de zuiger van een pomp na boven gaat,
het water dezelfde daatlyk volgde, op dat
tuffchen den zuiger en het water geen ledig
zoude zyn. Maar het geen deze Heeren wel
voornamentlyk overhoop kwam te werpen,
was dat uit de proef van Torricelli bleek, dat
dit water in de pomp na boven geperft wierde
van de lucht, die op de oppervlakte drukt
van het water dat in de put is, in dewelke de _
pomp géplaaft (taat. En dat alleenlyk om datde —
tegenperzinge van de lucht die in den tubus van
de pomp was word weg genomen, zo ras als
die lucht word uitgepompt, en dat dit wa-
ter dat de zuiger fchynt na te volgen,tot geen
grooter hoogte kan geparft worden, als het
water dat in de bak daar de pomp inftaat door
de juifte fwaarte van de lucht die op deszelfs
oppervlakte drukt, dáar toe gedwongen werd,
en noit hoger : Dat als dit opklimmen van
het water gefchiede uit hoofde van die zo ge-
naamde afkeer van het ledige, het water ze-
lerlyk den zuiger zoude volgen tot alderhande
hoogte, al wás zelfs zulks tot honderten meer
voeren, daar nu in tegefideel het water maar
32 Rynlandfctie voeten opklimt, en altes wat
dan de zuiger vat cen pornp nog hoger opgehdalt
word een lugtlêdige plaats is, om dat het wa-
ter op 3à voet hoogte blyft ftaan,‚en de zuiger éch-
ter de lucht uit den tubus van den pomp wég-
pompt. Niet tegenftaande de Heer Boyle zich
in die ktweltie wegens het vaczi fuga of den
afkeer van het ledigen niet wilde mengen,
oor=
Maart , Julys 1722. 19
oordeelde die Heer, om dat hy nu aan beter
werktuigen geraakt was, dat hy door proeven
wel zeer klaar zoude aantoonen, dat niemant
om uit te leggen het opklimmen van het wa-
ter in den tubus van den pomp zo ras als de
‚ zuiger na om hoog gehaalt word , zyn toevlugt
tot het vacui fugam of afkeer van het ledige
__zoude behoeven te nemen.
He
Neemt een koperen pyp, gelyk als uitge-
beeld (taat in fig. 7 met A. dezelve moet ge-
Bogen zyn, gelyk als dezelve uitgebeeld is,
laat aan het dikfte einde maken de koperen
kraan B, en fluit dat einde lucht-digt in de
_pyp C van de lucht-pomp , daar dezelve door-
_fteekt door het tafeltje D. luteert lucht-digt aan
het dunfte einde E van den gebogen koperen
pyp den glazen zubus F. deze tubus moet so
duimen lang zyn. Plaats dezen glazen tubus
| perpendicunlair of regt overeind, en met heton-
derfte einde G. in het glazen vat met kwik H,
dat dit einde een weinig in de kwik ingedom-
pelt is. Pompt dan de lucht uit den glazen
pyp F, en de kwik zal noit hoger als 30 dui-
men, dat is by r opklimmen, hoelang gy ook
met pompen moogt aanhouden. En in dezen
tubus F. die so duimen lang is zal een ruimte
die twintig duimen lang is, dat is van 1 tot F.
overblyven. Om dat de lucht-pomp K, die
‚op de oppervlakte van de kwik in het glaze vat
|H, komt te wegen, juift net zo fwaar en niet
{fwaarder is. Na dat nu de dampkring de eene
{dag lichter of fwaarder weegt, en dat deze
B 2 lucht-
20 __ Natuur- en Konft-Kabinet ,
lucht-ftraal K, derhalven meerder of minder
komt te parzen, zal de kwik-kolom ryzen of
dalen, op 28. 29. of byna 30 duim. Als nu -
een vogt ligter bevonden word, als de kwik,
zal het zelve ook na mate dat het lichter is,
daatlyk hooger ryzen. Het welk daatlyk blykr,
“zo ras als gy in de plaats van kwik in dit glaze
vat H, water giet, want zo ‘ras als dan de
lucht gepompt word uit de glazen tubus F',
zal het water niet alleen klimmen tot aan het
bovenfte einde van den tubus, maar zelfs ook
overlopen, en als de tubus de lengte hadde,
zelfs tot de hoogte van byna 32 Rynlandfche:
voeten, om dat de kwik-kolom van 3o duim
zo fwaar is, alseen water-kolom van 32
Rynlandfche voeten, en deze elk egaal wegen
met de lucht-kolom. Dewyl dit kwikzil-
ver en het water op het vitpompen van de lucht
nu op dezelve wyzè na bovengaat, als het wa-
ter in de houte pypen van de gewoone lange
pompen,blykt klaar door uitpompen en uitzuigen
dat het kwik-zilver noch het water nier hoger
konnen opgevoert worden , als doorde {waar-
te van de lucht, of door des zelfs Elafticizeit,
en dat wy deze zaak ook geenzins met het vacuz
fuga of afkeer van * ledige behoeft uit te leg-
gen,
rar
Het zyn zeer aangenaame proeven, waar
door wy betogen, dar wy door het uitpompen
van de lucht konnen ontdekken de proportie
van de fpectficgue {waarte, dewelke de vogten
onder malkander hebben. Neemt by voor-
beeld
-
Maart , — July, 1722 af
beeld gelyk in fig. 8. uitgebeeld word, een ko-
peren pyp A. voegt aan deszelfs dik {te einde een
koperen kraan B. en fluit dit zelfde einde lucht-
digt in de pyp C. van de lucht-pomp , daar de-
zelve door de tafel D. doorfteekt, het andere
_&inde E. moet gemaáäkt zyn met een dwars-pyp
_F. in het einde G. van de dwars-pyp moet
lucht-digt geluteert worden den glazentubus X,
deze glaze tubus moet met deszelfs onderfte
inde perpezdiculair geplaatft (taan in het glazen
Bakje met kwik H. in het einde I. van den
dwars-pyp moet luchtdigt geluteert worden den
glaze tubus K. deze glaze tubus moet met
zyn onderfte einde perpendiculair geplaattt (taan
in een glazen vat met water L. als gy nude
lucht zult pompen uit dit werktuig , moet
zeer voorzigtig gehandelt worden. Want om
dat deze glaze pypen niet langer zyn als so duim,
kan niet veel lucht uit dezelve gepompt wor-
‚ den, of de lucht-kolom M. zoude het water
| zekerlyk al te hoog op perzen, door den tubus
‚ K; om dat dezelve het water in een geheel
\ luchtledige plaats zoude opdryven tot 32 voet
| gelyk als wy getoont hebben,
13.
De Heer Boyle onde dat zodanig. een
‚ werktuig zoude konnen gemaakt worden. met
‚ Een redelyk getal glazen pype, en dat op die
‚_wyze in het doen van eene proef verfcheide
vogten te gelyk tegens malkanderen zouden
‚ konnen gewoogen worden , en te gelyk ontdekt
| worden de hoogte die elk vogt beklom, ende-
| welke beantwoorde de proportie tuflchen de
Ik B 3 trap
22. Natuur-en Konfte Kabinet ,
trap van parzing, en de fpectficgue {waartens
de vogten. Zo ras als nu op een zeer naarzig-
tige wyze een weiniger lucht was uitgepompt
kwam het water daatlyk inden glazen tubus K.
op te ryzen tot de hoogte van 42 duim en by
N, en op dien zelven tyd was de kwik maar
opgerezen omtrent drie duim in de tubus X.
by O. het welk zeer wel kwam te beantwoor-
den aan het onderfcheit van {waarte dat gevon.
den wierdtuffchen de kwik en het water ,zynde
de kwik veertienmaal fwaarder als het water, ge-
Iyk als indezetwe vloeibare floffen kwam te bly-
ken. Want dek wik veertien maal waarder zyn=
deals het water , rees het water ook veertien maal
hoger als de kwik. De Heer onderzoeker ver-
volgde deze proef en bevond met groot ge-
noegen dat door het uitpompen of wederom in-
laten van een weinigje lucht, deze twe vloei-
bare ftoffen kwamen te ryzen en te dalen ge-
proportioneert op malkander , en elk na zyn
fpecificque {waarte. Uit deze proef blykt on-
wederfprekelyk , dat het opryzen van de kwik
eu van het water niet gefchied uit hoofde van
de zo genaamde afkeer van het ledige, maar
enkelyk en alleen door de fwaarte-kragt vande
lucht. Anders zoude zekerlyk de kwik in een
en dezelfde gefteltheid van verdunde lucht op-
ryzen tot de hoogte van 42 duimen zo wel als
het water.
14
Om het onderfcheid van de fwaarte van an-
dere vloeibare vogten, door deze proefbevin-
dinge te ontdekken, ledigde de Heer Boyle het
glazen
—__ Miart, — July, 1722. 23
__ glazen vat H. van deszelfs kwik, en goot in
dit vat een zeer ligte pekel die geraakt was van
gemeen water met keuken- zout. Na dat de
glazen tubus X. met deszelfs onderfte einde
geftelt was in die pekel, op dezelfde wyze als
te voren in de kwik, wierd wederom voor-
zigtiglyk een weinig lucht gepompt uit de beide
glazen pypen X en K, ftaande den tubus K.
_ wederom als voren in het vars water, dat in
het glazen vat L. gehouden wierd. Op deze
uitpomping rees daatlyk het vars water weder-
om als te voren op de hoogte van 42 duimen;
maar de pekel die {waarder was rees niet hoger
als nauwelyks tot 40 duimen. Waar uit date-
1yk konde gecalculeert worden hoe veel de pekel
fwaarder was als het water. Maar om dat dit
onderfcheid niet groot was, uit hoofdedat de-
ze pekel zeer flap gemaakt was, wilde de Heer
. onderzoeker dit onderfcheid van fwaarte tuf=
fchen de alderkragtigfte pekel en gemeen water
eens navorfchen; daar toe nam die Heer een
goede hoeveelheid gemeen zout, en liet het zel-
ve fimelten, tot een alderfwaarfte pekel in een
vogtige lucht. Deze pekel in de plaats vande
ligte pekel in den tubus X. gedaan zynde, en
de lucht als vooren voorzigtiglyk uit de beiden
glaze pypen gepompt zynde kwam, toen het
värfch water wederom op de hoogte van 42
duim-was, deze fware pekel 75 lager te ftaan
als<het varfeh water, Door het inlaten van
een „weinige ‚lucht „ het verfch water gezakt
7ynde tot ‚op ‘een ‘hoogte van 21 of 22,0f 23
duimen; was de ‚hoogte van -de fware ‚pekel
ook swederom 3 of ier duim lager als.die van
B 4 het
24. Natuur- en Konft-Kabinet ,
het varfch water. Onder de pekels of logen
word mede het fwaarfte loog geacht dat van
pot-afch gemaakt is, door de potafch van zich
zelfs te laten fmelten in een kelder. Zodanig
een loog wierd door den Heer onderzoeker
insgelyks eens tegens malkander in dit geeftige
werktuig gewogen „en bevonden dat toen het
varfch water was opgerezen tot de hoogte van
42 duimen de loog van potafch niet hoger
was opgeparft als byna tot maar 30 duimen,
zo dat de kolom van dit loog ruim twaalf duim
korter was, als de kolom van het vers water.
Niettegenftaande zy elk waren opgeperft door
twe lucht-kolommen die egaal fwaar waren.
Als het water niet hoger wierd opgeperft als
tot 21 duim, ftonde ook de loog-kolom 6
of 7 duimen lager, als de op de helft ver-
korte water-kolom. Uit dit alles blyktklaar-
Iyk dat door zodanig een werktuig en de
lucht-pomp op een zeer openbare wyze kan
ontdekt worden de fpectficgue fwaarte van elk
vogt , en de proportie van fwaarte tuffchen de
vloeibare lichaamen of vogten, Hoe wel ech-
ter de fpecificque fwaarte van elk vloeibaar
lichaam of van de vogten en proportie van der
zelver fwaarte onder malkanderen, opeen ge-
heel andere wyze gelyk ik na dezen zal be-
fchryven veel accurater kan gewogen worden,
Want om dat de Damp-kring op zommige ty-
den van {waarte byna een veertiende gedeelte
komt te veranderen gelyk door de Barometer
daaglyks aangewezen word , zouden wy de
Jpecificque fwaarte van elk vloeibaar lichaam op
deze wyze zonder behulp van een daar nevens
ge-
_ __ ‘Mart, —— July, 1722. 25
geftelde Barometer befwaarlyk in de uiterfte
graad van netheid konnen bepalen, en al fchoon
de fwaarte dewelke de damp-kring op zodanig
_ een tyd hadde al door een daar nevens geftelde
_ Barometer wierd aangewezen, op dien tyd als
_ wy zodanige proeven kwamen in het werk te
' ftellen, zouden zich noch al verfcheidebelem-
__meringen op doen , dewelke eenigzints hin=
derlyk zouden konnen zyn. Neemt maar
eens by voorbeeld, dat wy daar toe een Baro-
meter kwamen te gebruiken , die niet van de
uiterfte volkomenheid was; gelyk als de meefte
Barometers zyn, dewelke toe geftelt zyn ge-
worden van menfchen die in diezaken dik wils
onkundig, of zeer onervaren en niet opletten-
de genoeg zyn. Want als de lezer eens ge-
liefd in agt te nemen die zaken, dewelke de
naauwkeurige Heer Fahrenheid in zyn brief,
die gevonden werd in het Natuur- en Konft-:
__ Kabinet, voor de Maanden January en Fe-
bruary 1722. getoont heeft, dat waargenomen
moeft worden ín het maken van Barometers,
zal klaar genoeg blyken, dat de meefte Baro-
meters, die van onbedagtzame gemaakt zyn,
de eigentlyke fwaarte van de Lucht niet ftipz
telyk komen aan te wyzen ; gelyk als blykt
uit de ongelyke lengte van de kwik kolommen
in verfcheide zodanige Barometers, daar zy op
een en dezelve tyd naaft malkanderen geplaaft
worden.
1e.
Terwyl de Heer Boyle bezig was, om te
onderzoeken de evenredigheit tuflchen de
| B 5 fwaarte-
26 Natuur-en Konft-Kabinet,
fwaarte-kragt van de lucht en des zelfs Elaft;-
citeit, heeft hy de uitwerkingen van de Elafti-
citeit van de ingeflote Lucht, nog verder ver-
volgt , en onderzogt of door de Elafticiteit,
even gelyk als door de fwaarte-kragt te gelyk
zoude konnen aangewezen worden, de fpecz-
fyegue (waarte der vogten tegens malkanderen
geconfidereerd. De Heer onderzoeker nam
een zeer fterke kruik van een pint, in deze
kruik wierd een goede hoeveelheid kwik-zilver
geftort, en boven op dit kwik-zilver wierdeen
menigte water gegoten. In de kruik wierden
twe glaze pypen geplaatft, namentlyk een lan-
ge en een korte; de lange was voor het water,
en de korte voor de kwik; om dat het water
veel hoger als de kwik opgeperft werd van een
egale kragt. Deze tweglaze pypen warenaan
hun beide einden open, en wierden in de kruik
zodanig geplaat{t, dat het einde van de kortíte
pyp tot in de kwik reikte, en het einde vande
langíte pyp in het water, werdende in de hals
van de kruik lucht-digt geluteert met Cement.
Zonder dat de lucht die in de kruik boven het
water nog overgebleven was , op enigerhande
wyze eenige gemeenfchap konde hebben metde
buite-lucht, die in de beide glazen pypen was,
om dat de eene met des zelfs einde in de kwik
ftak , en de andere in het water dat boven de
kwik ftond. Deze kruik wierd geplaaft in een
recipient die van gedaante zodanig geftelt was,
dat deze beide glaze pypen in des zelfs langen
hals konden geburgen worden ; omtrent op
de wyze aìs dien recipient, dewelke in fig. 1.
uitgebeeld werd. Na dat nu de lucht uit de
reci=
Maart, — July, 1722. 27
recipient maar een weinigje begonde uitgepompt
te werden , begonde daatlyk de kwik en het
water elk in zyn glazen pyp op te ryzen : niet
__om dat de kwik en het water opgepar{t wier-
den door de fwaarte van de lucht, gelyk als in
fig. 7. uitgebeeld werd, maar door de £laftici- -
geit van de lucht, dewelke befloten was in de
kruik. Want de buite-lucht, die in de glaze
pypen was, eenigzints vermindert werdende
door het uitpompen van een weinigje lucht uit
den recipient, parft daatlyk minder op het wa-
ter door den glazen pyp, die in het water fton-
de, en ook minder op de kwik door den gla-
_ zen pyp die in het kwik-zilver ftond; waar
door verloren zynde het evengewigt, dat deze
buiten-lucht hadde met de beflote lucht van de
kwik in de parzing , op de kwik en op het wa-
ter, noodzaakelyk de kwik zo veel in des zelfs
glazen pyp, gelyk als ook het water in de zyne
moeften opryzen, als de overmaat van kragt,
die daar door in de binne-lucht van de kruik
geboren was, kwam te bedragen. Uit welke
proef niet alleen openbaarlyk blykt, dat de
lucht door des zelfs Elafticiteit net zo veel
perft als zy door des zelfs fwaarte of gewigt
komt te drukken, maar ook dat de lucht door
des zelfs Elafticiteit elk vloeibaar ligchaam
zo wel tot de hoogte na des zelfs fpecifycgue
fwaarte opdryft, als door des zelfs fwaarte-
kragt : gelyk als kwam te blyken. Want
als de kwik in des zelfs glazen pyp twe duim
kwam op te ryzen, klom het water op tot
de hoogte van agtentwintig duim; om datde
kwik veertienmaal fwaarder is als het it
at
28 _ Natuurs en Konft-Kabinet ,
dat is dat twe duim kwik zo veel weegt als
agtentwintig duim water: Als het mogte ge-
beuren dat de liefhebbers uit vermaak deze
proef-ondervindinge eens beliefden in het werk
te ftellen, zal het beter zyn, dat hy zich be-
dienen van een doorfchynende glazen fles als
van een kruik , om dat het opryzen van de
kwik, en ook van het water in der zelver
pypen, niet eer kan gezien worden, als daar
de pypen boven uit de kruik komen , daar
alles door een glazen fles gezien kan wor-
den,
Ió.
De Heer Boyle ín aanmerking genomen
‚hebbende, dat, niettegen{taande door de Hee=
ren Petit en Pafcal te Rouaan alover langen
tyd de proeven waren in het werk geftelt,
door dewelke kwam te blyke de fpecrfycgue
hoogte, tot dewelke het water kan opge
pompt worden, noch zeer veel geleerde man-
ne op verfcheide hoge Scholen, en op ande- -
re plaatzen gevonden wierden, dewelke hun
out gevoelen, zamentlyk dat het-water in een
pomp den zuiger volgt, uit een afkeer dewelke
de natuur beeft van het ledige , op geenderhan-
de wyze wilden verlaten, en vervolgens- aan
de proef-ondervindingen vau de Heeren Tor-
__ricelli, Pafcal en Petit, weinig geloof fchenen
te geven, zich miffchien inbeeldende dat het
water onder het in t werk ftellen van die
proeven tot geen groter hoogte als ruim 32
Franfche voeten hadde konnen opgepompt
worden, uit gebrek van de werktuigen „ de-
welke
\ Maart, — July, 1722. 29
welke die heren daar toe hadden gebruikt, of
uit andere onbekende oorzaaken. Dit alles be-
woog de Heer Boyle, om deze zeer aanmerke-
lyke proef ook eens met de alderuiterfte naan-
keurigheid en voorzigtigheid in het werk te
“ ftellen.
17.
De plaats, dewelke tot deze proef uitgeko-
ren wierd, was een plat op een huis, het wel-
ke 30 voeten van den grond hoog was, gelyk
gezien kan worden in tabula XXXIX., fig. 8.
met Â. dit plat was bezorgt met zeer hegt en
fterk traly-werk B. uit gebrek van een glazen
buis van de vereifchte lengte, liet de Heer
Boyle een pyp C. toeftellen van 31 ‘Engel-
fche voeten lengte, en dewelke diametraal
een duim wydre hadde, van Cypersblik; en
niettegenflaande deze pyp uit verfcheide delen
aan malkandere gemaakt was, wierd echter
dezelve volkomen lucht-digt gemaakt, door
_foudeerzel, cement en diergelyke voorzorgen.
In het boven einde van deze blikken pyp wierd
een zeer fterke glazen pyp De, van omtrent
drie voet lengte, vaft en lucht-digt gelgteerr.
_Op dat als het water hoger kwam te klimmen,
als de lengte van den blikken pyp bedroeg, het
zelve in dezen glazen pypzoudekonnen gezien
worden. Aan het bovefte einde van dezen
glazen vyp wierd wederom lucht-digt ge/uteert,
een pyp van blik, die de gedaante hadde als
een omgebogen Arm; gelyk te zien is by E
deze pyp rekte met zyn tak F. tot aan het
werktuig G, dat op het plat A geftelt was.
Om
3o __Natuur- en Konft-Kabinet,
Om aan dit werk de behoorlyke valtigheid te
geven , waren gemaakt de dwars-{porten il en
[, benevens nog verfcheide touwen, Bomen,
en andere bindzeis ‚ dewelke alhier niet uitge-
beeld worden „door dewelkealles onbewegelyk
valt gemaakt wierd. Het onderfteeinde vanden
langen blikken pyp ftak in het vat K , in het
welk zo veel water wietd gegoten, als tot de-
ze proef vereifcht wierd. Na dat nu alles klaar
was, wierd de lucht-pomp G. aan de gang ge-
bragt , en vlytig bewogen door den Arbeider
die op het plat verbeeld ftaat met L.
18.
De verfcheide ongemakken en toevallen de-
welke onder dit pompen voorvielen te boven
gekomen zynde, heeft de Heer Boyle bevon-
den, dat het water, dat in het vat K was, op
gebragt wierd in den glazen pyp D. na dat nu
met alle kragt van pompen het water niet ho-
ger konde gebragt worden als by D, heeft de
Heer Boyle door een meetfnoer nauwkeurig
afmeten de hoogte van de water-kolom vande
oppervlakte van het water by M; en bevond de
lengte van deze water-kolom te zyn 33 voeten
en Ó6 duimen Engelfche maat. Om nu de
fwaarte van den dampkring op dien zelfde tyd
door kwik-zilver te wegen, gebruikte de Heer
Boyle een Barometer, en bevond de kwik-
kolom 29 duim en 3 a 4 linien Engelfche maat
lang. Waar uit klaarlyk kwam te blyken dat
de water-kolom juift tot die lengte was opge-
bragt, welker fwaarte over een kwam met de
fwaarte van den Dampkring op dezen tyd, en
met
Maart, — Jarl, 172 3t
met de fwaarte van de kwik-kolom dieindien -
tyd in de Barometer gevonden wierd. Waar
uit genoegzaam bleek , dat de water-kolom tot
de hoogte van 33 voeten en 6 daimen Engel-
fche maat opgepar{t was, door de diametraal-
‚ gelyke lucht-kolom N, en geerzints door het
fuga vacni of den afkeer, dewelke de natuur
kwanzuis zoude hebben van het ledige, na de
ftellinge der pleniften, om dat van Dtot E een.
lucht-ledige plaats was, daar het water dan ze-
kerlyk ook in opgeklommen zoude hebben;
maar dat nu door geen kragt van pompen kon-
de gefchieden, om dat de lucht niet fwaarder
op dien tyd kwam te wegen.
19.
Op dat nu niemant aan de waarheid van deze
proef-ondervinding zoude konne twyfelen,
heeft de Heer Boyle tot getuigen laten roepen
de zeer beroemde Heren Dokter Wallifius,
Wrenus, en Millington, dewelke by herha-
linge van deze proef het water noit hoger kon-
den brengen als tot 33; voet Engelfche maat.
_In het op-pompen van het water wierden aan
het bovenft gedeelte van de water-kolom on-
| fange veel lucht-blazen gezien, het welk de
| lucht was die in het water tevoren ingewikkelt
_ was geweelt, gelyk wy reêts hebben aangewe-
‚_ gen, dat zich altyd lucht'in het watert komt te
| bevinden. Deze lucht ís om des zelfs licht-
‚_heid en om het weg gaan van de lucht die de
‚ oppervlakte van het water te voren nederper-
| fte, eerft gereet om de luchtledige plaats van
‚_den langen tubus in te nemen; en dit is ook de
oor-
|
32 Natuur-en Konft-Kabinet;,
oorzaak dat die lucht-bellen boven geftadig los
kwamen te barften, terwyl wederom andere
van onderen opkwamen, en der zelver plaats
vervulde, het welke zo lang duurde tot de
meefte lucht die in het water als opgefloten
geweelt was, daar uit was vertrokken; hoe-
wel de Heer Boyle bekent, dat dit zeer lang
duurde, en dat hy deze lucht-bellen eindelyk
wel kragtig heeft zien verminderen, maar noit
zodanig geheel zien agterblyven, dat niet nog
een geduurige wemeling van lucht-bellen in
het water gezien wierde. Het welk een teken
is dat de lucht, díe zich gewoonlyk in het wa-
ter bevind, al veel hardnekkiger met het water
verknogt en als vereenigtis, als anderzints wel
geoordeelt zoude worden.
26.
De geleerde oordeelde in dien tyd, in de-
welke de Heer Boyle dit eerfte vervolg gefchre-
ven heeft, dat de gefteltheid van de lucht zeer
veel verandering konde toebrengen aan de veer-
kragt der elafiycgue of veeragtige ligchamen.
Om dit te onderzoeken dede de Heer Boyle in
een recipienteen matig ftuk balein, het welke
door gewigt een weinigje gebogen was, en de
minfte verandering van deszelfs Elafticiteit ge-
noodzaakt was aante wyzen , door een ge-
wigt. Maar de verandering dewelke de Heer
Boyle op de uitpomping ondekten, was zoda-
nig gering, dat de Heer onderzoeker oordeel-
de dat de proeven, dewelke door een zak-hor-
logie, of diergelyke tedere werktuigen, om-
trent die zaak gedaan werden , veel bek wa-
mer
Maart, —— July 1722. 33
mer zyn om deze geringe verandering te on-
_ dekken.
Ld
21,
De Heer Boyle oordeelde dat het niet ot-
mogelyk was, om eer: regelmaat of aanwyzer
uit te vinden, door dewelke naaukeurig aan=
getoont, en als gepeilt wierd , de nette hoe-
veelheit van lucht „dewelke in elke recipient na
de uitpomping overblyft. Onder verfcheide
werktuigjes, dewelke de Heer onderzoeker
oordeelde dat bekwaam zouden konnen zyn
om te konnen aanwyzen de hoeveelheit van
lucht , dewelke uit een recipiegt is uitgepompt,
kwam hem voor om blaafen van alderhande
grote na de ruimte van de recipienten te ge-
bruiken : deze blazen byna geheel te ontledi-
gen van lucht, behalven een weinig lucht, om
zich te konnen uitzetten : zodanig een blaas
te doen in den recipient, uit de welk de lucht
uitgepompt wierd, om te konnen Calculeren
aan het uitzetten van de blaas, door de Elaft:-
citeit van de lucht die in zodanig een blaas be-
floten was, de hoeveelheid en de fwakheid of
kragt van de lucht, die nog in zodanig een re-
ciptent overgebleven is. Maar de Heer Boyle
bevond zo veel gebreken aan deze blazen, dat
hy naar andere middelen omzag.
22,
De Heer onderzoeker nam een klein glazen
tubusje, dat maar eenige duimen lang was,
maakte het zelve hermetifche gefloten, aan des
zelfs eene einde, goot het zelve vol’ kwik-
VI, Deer. C zilver,
34 Natuur-en Konft-Kabinet,
zilver, en keerde het zelve voorzigtiglyk het
onderfte boven in een klein flesje of bakje, in het
welkeinsgelyks een‘weinigjekwik-zilver gedaan
was. Dewyl nu zodanig een glazen pypje
maar eenige duimen lang was, bleef dekwik
zeer lang in dezelveftaan, al {choon dit werk-
tuigje al geplaaft tonde in een reciptezt, daar vry
wat lucht uitgepoimpt wierd , maar als eindelyk
ongemeen veel lucht uit zodanig een recipient
was uitgegaan, en dat de lucht, dewelke nog
in dezelve overig was ‚niet kragtig genoeg was
om de kwik zo hoog op te perzen als het glazen
pypje lang was , begonde de kwik allengskens te
zakken , waar door zeer net kondealsafgeperkt,
en gepeilt worden de hoeveelheid van lucht,
dewelke altyd min of meer in de recipiexten na
de uitpompingen over blyft.
23:
Zodanig een RP was echter noch ook
al veel ongemakken in de behandeling onder-
worpen, om dat de kwik die in het bakje was,
of het pypje dat in dezelve geplaaft ftond ,
de behandelinge en beweginge van den
recipient niet al te-wel konde uit{taan. Daar-
om heeft de Heer Boyle alles aangewent, om
een ander werktuigje uit te denken, door het
welk de lucht inderecipient kondegepeilt wer=
den, en inalle gevallen gebruikt konde werden. «
Zodanig een werktuigje heeft de Heer onder-
zoeker eindelyk uitgevonden, en het zelve be-
kwaam gevonden tot alderhande gebruik, en
dat het in de meefte recipienten dewelke gebruikt
Wierden konde geplaat{t worden. :
24.
GEND PA
d
Maart, —= Huy, 1722. 35
24.
Zodanig een werktuigje was gemaakt van
Een glazen pyp, die zeer dun en van de ge-
daante van een cylinder, en omtrent 6 of 8 of
zo duim lang was, en de dikte hadde van een
ganzefchagt. Dit pypje wierd gebogen aan de
lamp; tot de gedaante gelyk als in fig. 9. uit-
gebeeld word. De om hoog geboge armen
van deze cylinder zyn een weinig ongelyk van
lengte, gelyk te zien is aan de langearm A ‚ende
korte arm B, in het einde van het eene armtje A.
dat hermetifche toegezegelt is, werd omtrent een
duim of een halve duim breed natuurlykelucht
gelaten, in het overige gedeelte van dit armtje
gelyk ook in den andere arm die boven by B.
open is, is kwik-zilver gedaan. Als dit nu
geplaaft werd in een recipient, zal noodwen-
dig de kwik in elke arm moeten ryzen of dalen,
na dat uit de recipiezt lucht uitgepompt is, of
ingelaten werd. Om nu met graden zeer naau-
keurig afte perken , word een {novertje met zeer
fyne koraaltjes gehangen buiten aan het armtje
À. nadat nude kwik inditarmtje A komt te ry-
zen of te dalen, kan zeer naaukeurig gecalcu-
deert werden de hoeveelheit van lucht, die ín
den recipient C gevonde werd, Want als het
ebeurd, dat de lucht zeer wel uit den recipient
is uitgepompt, werd de kwik-kolom in B min-
der geperft door de opening van B, als de
kwik-kolom in A, door de lucht die in dat
armtje dat by A toegezegelt is overgelaten was:
Zo ras als nu de kwik in A van de Elaftici-
teit van de ingeflote u meerder geperft ade
, 52 za
36 Natuur-en Konft-Kabinet ,
zal de kwik zakken tot aan D, en in het arm-
tje B zal de kwik ryzen tot aan E of lager of
hoger. Ditkan nu alles zodanig fcherp en naau-
keurig aanwyzenentoegeltelt worden , dat zelfs
het aldergeringfte gedeelte lacht, dat noch in
den recipient ‚ na’t witpompen mogt komen
over te blyven, kan otidekt worden; of dat
ook daatlyk kan ondekt werden de aldermintte
lucht die door eenige opene {cheurtjes of reetjes
onverwagt wederom in den recipient mogte in-
geflopen zyn.
25.
Die niet by uitftekendheid naauwkeurig en
oplettende is, zoude miffchien oordeelen, dat
zodanig een lucht-verklikkertje ineen recipient
weinig nut en dien{t zoude konnen doen ; maar
een naaukeurige zal daatlyk konnen zien, dat
nauwelyks op eene proef , die in een lucht-
ledige recipient gedaan word, een goede cal/-
culatie kan gemaakt werden, zonder zodanig
een verklikkertje. Om dat alde lucht noit ge-
heelelyk uit een recipiezt kan uitgepompt wor-
den; om welke reden wy ook noit moeten
befluiten, over de uitwerkingen dewelke wy in
uitgepompte recipienten zien gebeuren, als of
dezelve voorvielen in een plaats die volkoment-
Iyk lucht ledig was. Als dan nu door zoda-
nig een lucht-verklikkertje , onder het doen
van elke proef in een uitgepompte recipient
openbaarlyk word aangewezen de hoeveelheid
van kragt, dewelke de lucht, die noch altyd
in uitgepompte recipientenis overgebleven; op
de ftoffen, die om te onderzoeken in den. re-
cipient
Maart, — July, 1722: 37
cipient gedaan zyn, komt te oefene, konnen
wy in het opmaken van onze befluiten , of ca/-
eulatien , de hoeveelheid van die kragt at trek-
ken of by voegen, of op een andere wyzeon-
zen aandagt op dezelve veftigen,
26.
De Heer Boyle heeft ook verfcheide proeven
in de Barometer aangeftelt met kwik, onder
dewelke eenig tin gemengt was. De Heer
onderzoeker was van gedagte, dat na matedat
onder het kwik-zilver tin gemengt was, zo-
danig een kwik-kolom, ook door de tegen-
wegende lucht-ftraal , hoger opgeparft zoude
worden, als een kwik-kolom van zuivere
kwik ; om dat het kwik-zilver daar tin onder
is, in een en het zelfde volvmen zo veel lich-
ter is, als zuivere kwik , als het tin minder als
het kwik-zilver komt te wege. Maar om dat
bet kwik-zilver door byvoeginge van tin in een
Amalgama overgaat, word deszelfs vloeibaar-
beid niet alleen zeer veel belemmert , maar als
maar eenig tin van belang onder het kwik-zil-
ver gemengt werd, geheel benomen; in zo
verre , dat zodanig een Amalgama in de hoeda-
nigheid van een deeg, of ook wel in degedaan-
te van een poeder overgaat. Dit was de oor-
zaak , dat de Heer Poylé zyn oogmerk niet wel
konde bereiken; want hoe weinig tin ook on-
der het kwik-zilver gemengt werd, zal daar
door niet alleenlyk eenigzints benoomen wer-
den de vloeibaarheid van het kwik-zilver, maar
het kwikzilver verkrygt daar door ook een ze-
kere kleverigheid, door dewelke het eenigzints
C 3 als
38 Natuur-en Konft-Kabinet,
als vaft kleeft aan de wanden van den glazen
Barometers-buis, waar door het gewillig opry-
zen zeer veel belet word.
27:
Als het kwik-zilver deszelfs vloeibaarheit
kwamte behouden, als in het zelve tin‚of gout,of
zilver, of loot gefmolten wierd, zoude door
deze proef konnen gevonde werden de propor-
tie van elk metaal , al fchoon dezelve onder
malkander gemengt waren, Gelyk zulksinde
logen, wyn, water, en andere vogtigheden,
dewelke zeer vloeibaar en niet kleverig zyn,
doorgaat. Als de kwik kleverig gemaakt werd:
door de Amalgamatie met tin, is dezelve niet
bekwaam om de regte fwaarte van den Damp-
kring aan te wyzen. Want de refsfteutie de-
welke het glas aan het kleverige kwik-zilver
komt te doen, moet afgetrokken worden, van
de fwaarte-kragt van de lucht-kolom, die zo=
danige kwik komt op te perzen.
28.
Om de fwaarte van den Damp-kring op ver-
fcheide, verre van malkander afgelegen plaat-
zen, zo wel in verfcheide landfchappen van
Groot Brittanje, als in verfcheide andere ge-
weften van de Waereld, op een en dezelfde.
momenten des tyds, door behulp van Barome-
ters te ondekken, oordeelde de Heer Boyle,
dat de Barometers van zynen tyd daar niet be-
kwaam genoeg toe waren, en wel voorna-
mentlyk, dat op de Barometers, die in vers
ícheide andere landen toegeftelt waren , niet
altyd
do volk MG
ij '
Maart, —= Fulys 172% 39
altyd wel ftaat te maken was. De rede hier
_ van kan de lezer nazien in den Brief * vanden
_ Heer D. G, Fahrenheid, op den 18 February
1723 over die Itof aan my toegezonden.
il 29,
gl De Heer Boyle heeft verfcheide voorftellin-
gen gedaan, om Barometers toe te flellen „de-
_ welke bekwaam zouden zyn, om over zee ver-
_ voert te werden , en in dewelke de kwik-
_ kolom in een en dezelfde fwaarte van den
Damp-kring, in verfcheide Barometers op een
_ Corredte egale hoogte kwam te ftaan. Maar
dewyl aan dien Heer het geheim niet bekent
__was, om de tubus van een Barometer met kwik-
zilver te vullen, zonder dat eenige lucht inde-
zelve onder de kwik kwam in te fluipen, be-
“ halven nog verfcheide andere inconvententen,
hier alle niet te melden, was zulks voor dien
_ naaukeurigen Heer genoegzaam ondoenlyk,
o. }
De konft van en Barometers en Ther-
mometers toe te ftellen, is nog niet zo alge-
meen bekent, als wel in *t gemeen geoordeelt
werd. „Hier komt nog by, dat zeer. weinig
menfchen naaukeurig en bekwaam genoeg zyn, -
om de veranderingen des damp-krings en des
weers vaan de Barometers en Thermometers
‘zodanig waar te nemen, als dat eigentlyk wel
behoort. Anderzints zoude het van een onbe-
denkelyke nutheit zyn , dat te gelyk op dezelf-
C 4 „ fide
% Zie Natuur-en Konft- Kabinet January en Februa-
Ey 1722 i
45 __Naftuurs en Konft-Kabinet ;
de moimenten des tyds, op verfcheide plaatzen
van Àfia, Afrika, Amerika en Europa, de
dagelykfche veranderinge des dampkrings, en
de des weers waargenomen en aangetekent
wierde, Hier uit zoude verfcheide redenen
van zommige vloedenen bewegingen des luchts
van zomm ge doorgaande winden, faifoenen ,
onftuimige, ftormagtige, tille, vogtige ‚droge,
koude, hete faifoenen en jaargeryden , vrugt=
baarheid, en onvrugtbaarheid zelfs gezondheid
en ongezondheid der tyden, konnen ondekt,
en veel zaaken voor uit gezien worden.
ks
Zommige plelbdemdiels hebben geoor-
deelt, dat de hoogtte wolken niet veel hoger
vanden grond zyn, als een Engelfche myl, en_
dat de toppen van de hoogfte bergen niet boven
twe Engelfche mylen van den grond verheven
zyn. Maar niettegenftaande het zeer moeye-
lyk is, om deze zaak wiskonftig te bepalen,
wat de hoogte der hoogfte wolken belangt, is
het echter zeker, dat de hoogfte wolken op
zommige tyden veel hoger als een ‘Engelfche
myl van den grond verheven zyn; en wat de
toppen der hoogíte bergen belangt , zulks is
niet wel te ondekken om dat zommige bergen
zo ongemeen hoog zyn, dat geen menfch ook
tot der zelver uiterften top zoude konnen gera=
ken, zonder zyn leven te verliezen. Want
wy konnen maar in een zekere hoogte van den
Damp-kring leven, en als wy in een hoger ge-
welt van de lucht opklimmen, word ons
lichaam niet alleen daatlyk zeer ontftelt, maar
de
wk an
ú Maart, —= July, 1722. 4r
_ de lucht is aldaar te fyn, en wy konue in de-
__ zelve nier leven, Het fchynt dat de vlam des
levens, die ín de lucht is, door dewelke het
_ leven der Menfchen en der Dieren met heet
ij bloed onderhouden werd, in de benedendelen
_ van den Damp-kring, en niet indeszelfs hoog-
fte gewelten gevonden werd,
de
__ De Piek van Ride op het Eyland Tene-
riffa werd gehouden voor een van de hoogtte ber-
gen van alle die op den aardkloot bekent zya,
De Heer Boyle heeft de naaukeurigheid gehad
om uit verfcheide ooggetuigen te vernemen,
alles wat by hen van de Piek van Kanarie on-
dekt mogt zyn. Zommige reizigers hebben
voorgegeven , dat zy op een afftand van 60
Duitfche mylen den Piek van Kanarien uit zee
konden zien; núaar een zeker verftandig man
_ heeft aan den heer Boyle verzekert, dat hy de
top van den Piek van Kanarien op een afltand
van 40 uren heeft konnen zien : Dat op dien
afltand de hoogfte top van de Piek van Ka-
narien zich op deed, als een blaauwagtige py-
ramide, dewelke boven de wolken uitftak,
Andere ooggetuigen verklaren nogtans, dat zy
de Piek van Kanarie van veel grooter afftand
konden zien. Het ís ook zeker dat zulks veel
van de helderheid en dunheid van de lucht komt
af te hangen. De voornaamf{te mannen ko-
men over een, dat de Piek van Kanarien in een
perpendiculatre linie veel meer als zes uren hoo
is, waar uit komt te blyken, dat de hoogfte
bergen veel hooger zyn, als ouwelinks geoor-
© deelt
42 __Natuur- en Konfl-Kabinet,
deelt is geworden. Wat de manier belangt,
om de hoogte van een Berg te meten door be-
kulp van de Barometer, dezelve zal den lezer
bekent zyn, want wy hebben dezelve voordezen
in ons Natuur-en Konft-Kabinet geleerd.
33:
De Pleniften dewelke in dien tyde toen de
Heer Boyle dit eerfte vervolg van zynen
brief aan de Vicomte Clifford en Dungar
kwam te fchryven, het fuga vacx1 met alder-
hande uitvlugten trachtede {taande te houde,
deden zy, ten opzichte van de onderfteuning des
kwik-koloms in den Barometer, een zeer on-
gegronde tegenwerpinge. Alsde kwik-kolom,
door de fwaarte van de lucht alleenlyk opge-
dreven wierd tot de hoogte, gelyk wy dezelve
in een lucht-ledige tubus, zo wel in de open
lucht, als in de beflote kamers of vertrekken
komen te zien, oordeelden die Heren, dat dan
de kwik-kolom die in een befloten kamer op-
geperft word in een lucht-ledigen tubus, niet
van dezelve hoogte zoude konnen zyn, als een
kwik-kolom, die buiten het huis in de open
lucht opgeparft word, om datde tegenwegen-
de lucht-ftraal ín een befloten vertrek, volgens
de perpendiculaire , maar zoude konnen gere-
kent worden de lengte te hebben van de zol-
deringe van zodanig een befloten vertrek ; daar
in tegendeel de wegende lucht-kolom door de
welke de kwik-kolom buirens-huis opgeparf{t
werd, de lengte heeft van de uiterfte hoogte
van den Damp-kring, tot op de kwik die in
het bakje van de, Barometer is, en vervolgens
ook
va
al
[ja
Á
1
wh
1
Ne
Ki
ry
:
nk
\
a
Maart, — — July, 1722. 43.
ook zeer veel {waarder moer wegen, als de
lucht-kolom in een beflote kamer.
34
Om te begrypen dat de bovengemeldetegen-
werpinge zonder grond is, moet aangemerkt
worden, dat de lucht van cen beflote kamer
of door een fchoortteen , ot door de reten der,
deuren en vengfters, altyd gemeenfchap heeft
_ met de buite-lucht, en dat de lucht deszelfs
fwaarte-kragt zo wel oefent door fchuinfche
__als regte linien; gelyk als gezien kan werden,
als een Barometer met twe takken fchuins ge-
houden word; of als aan een Barometer ge-
maakt werd een perpendiculaire tak, dewelke
boven bermetifche gezegelt „en lucht-ledig, is,
en een {chuin{che tak die boven open is voor
het doorlaten van de lucht, zal de kwik in de
_ lucht-ledige tak van de Barometer zo-wel tot
deszelfs gewoonlyke hoogte opgeparft worden,
als of de lucht-{traal perpendicu/air op dezelve
geparft hadde, Zelfs zien wy, dat de lucht
deszelfs {waarte kragt oefent door de alder-
naauwf{te doortogt, want als detak „die boven
open is aan deszelfs boven einde , zodanig
nauw was gemaakt, dat de diameter van die
naauwe opening tien maal kleinder was , als
de overige ruimte van dien tak , en van den
lucht-ledigen tak ‚zoude echter de luchtde kwik
door die zeer nauwe openinge tot dezelfde
hoogte opperzen, als of de Diameter van die
opening egaal was geweelt, met de Diameter
van de kwik-kolom , de oorzaak hier van isde
vloeibaarheid van de lucht, die op de kwik
komt
44 Natuur-en Konft-Kabinet,
komt te wegen. Om deze zaak nog klaarder
te begrypen, hebben wy uitgebeeld in fig. 10
een Barometer A, wiens korte tak B omgebo-
gen is by C, en deszelfs einde D, dat open-
gelate werd voor de lucht, zeer dun en ver-
volgens naauw is, De lucht, dewelkenu door
deze naauwe opening indringt, zal de kwik in
de lange tak A, die lucht-ledig , en boven ge-
floten is, by E opparzen tot de hoogte van F';
en de kwik-kolom van G tot F zal van de-
zelfde {waarte zyn, als de lucht-kolom H.
Dit zelfde vermogen oefent de lucht ook door
deszelfs Elafticite:t. Want laat, gelyk uitge-
beeld word in fig. rt. in de Barometer A de
kwik door de fwaarte van de lucht opgeperft -
ftaaû by B; fluit cef zegelt dan het open einde
van dekorte-tak by C, dat geen lucht meer
kan dringen door de geflote opening , zal ech-
ter de kwik blyven {taan by B, niet langer zo
hoog opgeperft wordendedoor de fwaarte-kragt
van de buite-lucht, om dat deszelf invloed is
belet, maar alleenlyk door de &lafticiteit van
de lucht, die nu befloten is in de ruimte van
C tot D.
Ik heb onlangs eens aangetoont *, dat het
water ín zeer naauwe pypjes van zelfs, en zon=
der eenige parzinge konde opklimmen, toteen
zekere hoogte boven defzelfs fource , en dat het
zelve in de naauwf{te pypjes hoger zal opk lim-
men, als in de glaze pypjes die een weinige
wyder
* Zie Natuur-en Konft-Kabinet, November en De-
cember 1721, pag. 417, tab. XXXVI. fig 3,
Maart, Julys 1722. 45
hi wyder zyn. In een glaze pypje, welkers dia-
_ meter ; van een linie is, zal het water opklim-
men omtrent twe duim breed boven deopper-
vlakte van het water, in het welkezodanig een
_ pypje (taat. De Heer Boyle heeft verfcheide
bedenkingen gemaakt over middelen van het
water uit zich zelfs, en zonder eenige parzinge
van lucht of‘van. vuur te doen opklimmen in
de hoogte. Die Heer nam een zeer lagen gla.
_ zen pyp, die een bekwame wydte hadde, en
‚in dewelke het water, om deszelts wydte,
__boven deszelfs fource , niets zoude konnen op-
_ klimmen. Deze pyp was over de dartig dui-
__men lang, en aan deszelfs beide einden open.
De Heer onderzoeker oordeelde „ dat door mid-
del van eenige tof, in dewelke t water gre-
tiglyk intrekt, in zodanig een pyptedoen,aan
het water gelegentheit zoude konnen gegeven
worden, om in zodanig een pyp tot een rede-
\ Iyke hoogte van onderen na boven op te klim-
men.
he
u
36.
Dat het water uit zich zelfs, en zonder op-
geparft te werden in zommige ftoffen, in de-
welke het zich van ondere heeft ingedrongen
kan opklimmen, blykt genoegzaam, als wy
een wollen lapje met het eene einde leggen in
een roemer met water, en met hetandere einde
daar buiten; gelyk als ik in hetzelfde Kabinet,
en in dezelfde tab. dewelke wy zo even aan-
gehaalt hebben, voor dezen hebbe bygebragt.
Maar de Heer Boyle verkoor hier toe goede
meny, om dat die Heer oordeelde, dat een
me-
46 __Natuur- en Konft-Kabinet ,
metaal-kalk , die door het vuur fyn gecalcineert
is, zeer bek waam zoude zyn om het water in
te ‘lurpen ‚daar het zelvedie kalk of meny kwam
te raken, en dat de zeer fyne deeltjes van de _
meny, om hunne ongemene fynheid, zeer
bekwaam zouden zyn, om de water-deelen ,
door dewelke zy nat waren geworden, mede
te delen aan die menydeeltjes, dewelke haar
naalt lagen en kwamen te raken; dat ook het
water doordringende genoeg zoude zyn, om
te penetreren tuflchen deze deeltjes, en in de
zeer kleine hokjes of tuflchenruimtentjes, die
deze deeltjes noodzakelyk tuffchen malkander
maaken; en dat op deze wyze het water gele-
gentheid zoude krygen, om allengskens op te
klimmen van het onderfte gedeelte van zoda-
nig een met meny gevulden glazen pyp, na
deszelfs bovenfte einde, wanneer deze pyp met
deszelfs onderfte einde eenige duimen ín ’t was
ter geplaaft wierde.
vi
Onze Nile onderzoeker geloof:
de, dat deze proef zo wel zoudekonnen in het
‚werk geftelt worden met geftoten glas, zand,
kry:, gekapte fpongie , Boomwol, of iets
diergelyks; maar het behaagden dien Heer voor
deze reis zulks te onderzoeken met meny. Na
dat nu deze glaze pyp met meny was opgevuld,
wierd aan deszelfs onderfte einde een doekje van
linde gebonden, op dat de meny niet zoude
konnen uitítorten , en het water echter van on=
deren door dit doekje zoude konne dringen in
den glazen pyp. Deze pyp wierd perpendiculair
se-
DRE =
Maart, —— July, 1722. 47
gezet in een potje met water dat zeer wyd was,
op dat het water in het potje niet te hoog zou-
de ftaan, en echter genoeg zoude zyn, om in
den pyp te konnen opklimmen. Hetonderfte
gedeelte van dezen pyp (tond omtrent tweduim
in het water, en het overige van den glazen
pyp (tond omtrent 32 duim in de hoogtebuiten
het water. Het water begonde allengskens te
dringen in de meny, en zelfs op te klimmen
na boven, het welk konde gezien worden,
om dat de meny hooger koleur hadde aange-
nomen, zo ver als dezelve nat was geworden.
Dit daurde zo lang, tot dat het water de hoog-
te van 30 duimen bereikt hadde. Naderhand
wierd deze proef nog eens hervat, en toen was
het water in een glazen pyp, die langer was tot
een hoogtevan 40. duim opgeklommen. De
Heer onderzoeker oordeelde, dat op diergelyk
een wyze het water tot vry aanmerkelyker
hoogte zoude opklimmen, als daar toe nog
andere middelen aangelegt wierden.
Zommige geenfdd barnes hebben geoor-
deelt, dat het opklimmen der zappen ín de pyp-
jes der plantgewaffen konde uitgelegt worden,
door de proef van het opklimmen van het wa-
ter in de zeer dunne glazepypjes, vandewelke
wy in Artic. 35 gefproken hebben. Maar wy
konnen wel toeftemmen dat de kleverigheid
der zappen , wel eenige gelegentheid geeft om
op te kruipen langs de wanden der kleine vaat-
jes, maar deze ootzaak zoude alleen niet mag-
tig genoeg zyn, om een gehele circulatie dêr
zap=
48 Natuur- en Konft-Kabinet,
zappen voort te brengen, gelyk als wy in de
bomen, plantgewafleu, en zelfs in de vrugten
k.men te ondekken. In de zap vaatjes der
plant-gewatfichen zyn verfcheide hulpmiddelen,
die mm deze tyne glaze pypjes niet gevonden
werdeu, gelyk als onder anderen de klap-vlies-
jes, en kronkelingen , door dewelke de een-
maal opgeklomme zappen belet worden in het
zeifde vaatje wederom nederwaarts te konne
gaan. Ook ondekken wy een genoegzamen
corzaak om de zappen uit de wortel op te par-
zen tot de bovenfte gedeelte der plantgewaf-
fchen : namentlyk de warmte der zon, deuit-
damping des aardryks na boven, de bewegin- -
ge die verwekt werd door het onderaardíche
vuur, de fynheid en vlugheid der deeltjes uit
dewelke de meefle zappen der plantgewaffchen
beftaan. Want dat onder de zappen der plant-
gewaflen zich zeer veel fyne en vlugge deelen
bevinden, getuigt genoegzaam de aangename
reuk van de houten, fchorfen, bladen, bloe-
men , bloeizels, vrugten , en zaden der plant-
gewaflen. Alle welke zaaken als medewer-
kende oorzaken konnen aangemerkt worde,
omtrent het opklimmen van de zappen der
plant-gewaflen uit hunne wortels, en uit de
diepe gronden der aarde, tot in de hoogfte de-
len der boomen en planten.
39.
Wat nu eigentlyk het opklimmen van het
water uit en door zich zelfs, zonder eenigede
alderminfte parzinge, of aandryvende oorzaak
van beweginge belangt, oordeele ik dat deze
ont-
eben nt ER
_ Mhart, — July, 1722. 49
ontdekkinge dikwils gelegentheid zoude kon-
nen geven, van werktuigen te vinden „door de
welke het water zoude konnen opgebragt wor-
den van de laagte in de hoogte, zonder per-
zingen van vuur, of lucht of overmalinge, of
_Op-pompinge; maar alleenlyk door deszelfs
voortkruipende beweginge, en opklimminge
langs een {tof van het eene deeltje van zoda-
nig een {tof na het andere, als by een ladder
van de eene {port op de andere, Ik twyfel niet
of wy zouden, als wy op deze zaak yverig
kwamen te werken; ftoffen vinden, die het
Water veel gretiger zouden opflurpen als de
meny daar wy van gefproken hebben. Want
zommige ltoffen , die zeer togtgatig , zeer
droog en natgierig zyn , zien wy dikwils in een
zeer korten tyd een grote menigte water van
Onder opflurpen ‚ en geleiden na boven. Al
Íchynt een ondekkinge of proef int begin zeer
gering, gebeurd het echter dikwils, dat nader-
hand uit dezelve gehele konften en een groot
getal aanmerkelyke handwerken voortgekomen
“zyn. Getuigen hier van zyn de wyduitgeftrek-
te {cheepvaart door de ondekkinge van de by-
zondere eigenfchappen des zeilsfteens : de
vuurwerk-kunde met al zyn groten aanhang
en werktuigen van kanon, bomben, granaten ;
Mmynwerken, alleen door de ondekkinge van
de hoedanigheden van een onnozele vermen-
ging van houtskool, fwavel en zalpeter „tot een
poeder dat wy buskruid noemen : de Druk-
konft : de Glasblazers-konft, en alle de kon-
ften van het maken vanamauzeh, van hetamo-
lieren „van het maken van alderhande glas,
_VIL Deer, D van
so. __Natuur- en Konft-Kabinet ,
van verre-kykers, vergroot-glazen „ fpiegels,
brillen, brand-glazen, die alle voortgekomen
zyn, uitde enkelde ondekkinge van de hoe-
danigheid, dewelke een mengzel van zand of
vuurfteen met een valt zout , het zy pot afch
ot fouda komt te verkrygen, door de uiterfte
tormenten van het vuur, enz.
o.
De Heer Boyle heef wegens het opklim-
men van het gekreftaltizeerde out, aan de bin-
nen wanden der vaten een aanmerkinge , die
veel overeenkomt heeft met de proef van de
opklimming des waters, daar wy boven van ge-
handelt hebben. Als een fterke pekel van zee-
zout, of een fterke folxtte van vitriool, ofeen
andere kragtige loog, gedaan werd in een wyd
glas, by voorbeeld een zuiker-glas, en in de
warmte van de zon geftelt werd , zullen de
waterdelen allengskens voor een groot gedeelte
wegwazemen, door de warmte van de zon,
en het zamengeftremde zout , of de vitriool,
zal niet alleenlyk den bodem van het glas be-
dekken, maar zelfs langs de wanden van het glas
zullen eenige zout- of vitriool-kryftallen op-
klimmen, veel hoger als de oppervlakte van
de pekel, of de flutte of het loog-zout zelfs
geftaan heeft. De Heer Boylegetuigt , dat me-
nigmaal door hem ondervonden is, dat, door
lang in de zon te ftaan, dit zout eenigeduimen
hoog boven de oppervlakte van deszelfs loog
was opgeklommen na boven, aan de binnen-
wanden-van het glas. Het welk menigmaal
tot zulk een hoogte îs opgerezen, dat het zelve
En
sarah
; f
Maart, === July 1722. Sr
miet alleen kwam te beflaan de bovenfte rand
van het glas, maar zelfs daar overheen was ge-
„klommen, en zelfs een korft hadde gemaakt
_< aan de buitenfte wanden van het glas. Uit de-
ze proeven kan de lezer ondekken, dat zom-
mige ligchamen door hun eigen textuur en aan=
eenfchakelinge, het vermogen konnen hebben
van op te klimmen van de laagte nadehoogte,
alleenlyk uit hen zelfs, en zonder behulp van
eenige opparzende oorzaak. Het welk als de
ondervindinge zulks niet klaarlyk aantoonde,
anderzints zoude fchynen te ftryden tegens de
fwaarte van de lichamen, waar door zy moe-
ten neigen en bewegen van de hoogte na de
laagte, en geenzins van de laagte nade hoogte.
Deze opklimming na boven is nog te meerder
te verwonderen, dat dezelve gefchiet in zoda-
…_nige {waare ligchamen als het zout, dat dik-
wils gelyk als het vaftezout , door geen geweld
van vuur kan opgevoert worden van de laagte
‚na de hoogte,
| 41.
De perzing van de lucht daar wy zo menig-
maal in deze NATUURLYKE HIST'O-
RIE VAN DE LUCHT van gefproken, en
dezelve met zo ongemeen veel proeven bewe-
zen hebben, ondekt zich ook zeer baarblyke=
lyk in de werkinge der koppen met dewelkede
menfchen hen daaglyks laten koppen. De Ge-
neesheeren onderfcheiden de koppen in blinde
koppen en in bloed-koppen. De blinde koppen
worden genaamt, als ín een glazen, of ande-
„te kop, een weinigje de werd aan brand ge-
Pp fto=
sz Natuur-en Konft-Kabinet,
ftoken, en als door de hitte van dit gefwinde
vaur de lacht uit de holligheid van de kop ver-
dreven zynde, dezêlve fchielyk geftelt word op
het menfchelyk lichaam, alwaar onder zoda-
nig een blinde kop, het vlees, daar dezelveop-
geplaalt (taat, tot een zeer groot gefwel word
opgeperft, Bloed-koppen werden genaamt, als
de huit op een plaats met zeer veel kleine
fneedjes werd door gekwitft, en devanbinnen _
heet gemaakte kop daar op geftelt zynde, in
defzelfs holligheit een goed gedeelte Bloed word
opgeparft. De onk.indige oordelen over dit
verfchynzel gewonelykwerkeert; wantzy ges
loven dat door de kop het bloed getrokken
word uit het ligchaam : en dat door dekophet
gefwel, dat in de blinde koppen zich vertoont,
insgelyks word opgetrokken. Maar dit vers
fchynzel moet uitgelegt worden door de wer-
king van de iucht,
42.
Door het vlammetje, van het aangeftoken
vlas, word de lucht, die in de holligheit van
de kop is, voor een groot gedeelte uit dezelve
gedreven. Als de kop dan gefwindelyk op het
ligchaam geplaatft word, is de holligheid van
de kop een plaats die byna luchtledig is ; om dat
het weinigje lucht, dat noch in de holligheid
van,de kop is Óvergebleven, weinig tevenper-
zinge-kan doen; dewyl‘de kop zeer haaltiglvk
is hout, geworden. Als nu de buite-lucht, die
de kop aan alle tyde omringt, belet word te
dringen ij de hotligheid van de kop, om te ver-
vullen die Plaats, uit dewelke, door het vlam-
hat metje
Maart, == Jus 1722. 63
metje van het aangeftoken vlas, de lucht is uit=
gedreven, word de kop, door het gewigt van
den gehelen -Dampkring , opde huid geparft,
__in zo verre als het weinigje verfwakte lucht,
__dat in de holligheid van de kop noch was over-
gebleven „door defzelfs. klaftsc:teit op de, bin-
nenwanden van de kop minder kragt komt te
oeffenen,, als de buiten-lucht op de buiten wan-
den. pi
43: 3
Als wy begrypen dat de holligheid van de
_ kop die op het ligchaam. geplaatft ftaat , een by-
na lucht-ledige plaats-is, konnen ‚wy zeer ligt
_ verflaan, door welk een-oorzaak in dekop word
opgeparft het vlees van de, plaats daar, de kop
over geplaault ftaat. Want dit vlees, of dar ge-
deelte van de huid, geen, drukkingegenietende
van de buiten-lucht, die egaal is met de druk-
kinge dewelke de buiten-lucht. oeffent, op alle
de uitwendige delen van het ligchaam „: moet
noodzakelyk tot een gefwel opryzen inde byna
lucht-ledige holligheid van de kop. Om dat dit
vlees van achteren of inwendig meerder parzin=
ge geniet, als op die plaats, de huit uitwendig.
Als-de buite-lucht wierde weggenomen van den
omtrek van ons geheele ligchaam, zoude, ons,
geheele ligchaam ongemeen veel komen opte
„fwellen, gelyk als wy zien aan de Dieren met,
heet bloed, wanneer zy. in, een recipient 1yny
daar.de lucht uitgepompt werd. Want de lucht
_en het vuur, die altyd van.binnen in ons lig=
chaam zyn, parzen met dezelfde kragt , als;de.
buite-lucht, om te beletten dat ons lichaam van
53 TD 3 de
4
s4 ___Natuur- en Konft-Kabinet ,
de buîiten-lucht uiet plat en in malkander ge-
par{t word. Als dan nu de buiten-lucht opde
plaats over de welke de byna lucht-ledige kop
geftelt is, niet kan parzen, verkrygen de bin-
nen lucht en onze bewegende zappen zo veel
overmaat van kragt op die plaats, en parzen het
vlees in de gedaante van een gefwel, om te
vervullen de lucht-ledige plaats van dekop, tot
zo lange als de uiterlyke tegenftreving met de
inwendige en na buiten parzende kragt egaal
is.
14
Ik heb dit verfchynzel een weinig omftandi-
ger uitgelegt, op dat uit deze ophelderinge te
gelyk ook zoude konnen verftaan worden de
reden, waarom niet het vlees, maar het bloed
in de bloed-koppen opgeparft word , om de
lucht-ledige plaats van de kop te vervullen, Als
het gebeurd, gelyk veeltyds gefchied,en in een
glazen kop gezien kan worden, dat het vlees
niet zodanig komt te wellen, of het bloed zo-
danig uit te fpatten, dat de gehele ruimte van
de kop vervult word, maar dat een gedeelte
van de holligheid van de kop zonder vleis of
bloed gezien word; gefchied zulks, om dat in
de kop noch zo veel lucht was overgebleven.
Want door het vlammetje van het aangeftoken
vlas word juift al de lucht die in de kop was
niet geheel uitgedreven. Deze lucht die dan
nog in de kop komt over te blyven wederftreeft
het vlees, of het bloed, en belet dat het zelve
niet kan dringen in het gedeelte van dekop , het
welke zy zelfs komt te beflaan, Gelyk ook
gezien
bes: 4
Maart, — July, 1722. 55
_gezien kan worden als zodanig een aangelto.
ken kop, in de plaats van op het menfchelyk
ligchaam , geftelt word op kwik-zilver, of op
water; want de kwik nog het water zullen in
__de kop niet zodanig opgeparft worden, dat zy
de geheele ruimte van de kop komen te vervul-
len, maar in de kop zal overblyven een groote
of kleine lucht-bel , dat is de plaats in dewelke
zich de lucht bevind, die nog in de kop was
overgebleven, en nu om het verliezen vandes-
zelfs hitte, in deszelfs natuurlyken ftaat geraakt
zynde, in deze kleinen ruimte by malkanderen
geparft is.
45:
By het leven van den vermaarden GASSEN-
„DUS, en den uitmuntenden DESCARTES
begonden zich in verfcheide hoge Scholen twee
Seétens op te doen; tuffchen dewelke een he-
vig verfchil was omtrent de ruimtens en onin-
beeldelyk grote afltanden, die gevonden wor-
den tuflchen de aardeen defterren, en tuffchen
de eene planeet of vafte fter ende andere. Aan
de eene zekte wierd den naam gegeven van A-
tomiften, en‚aan de andere van Kartefianen.
De Atomiften die Navolgers van Epicurus
(wiens naam Gaflendus heeft getragt te verde-
digen) waren, oordeelden dat die grote ruim-
tens ledig waren, en dat door dezelve niet als
de ftralen van het licht paf/eerden. De Kar-
tefianen oordeelden dat deze groote tuffchen-
ruimtens exadfelyk vervult waren met een ftof,
die fynder als de lucht is, etn aan dewelke de
Kartefianen den naam van fynehoofd-ftof, fyne
4 ma-
s6 _Natuur- en Konft-Kabinet,
materie, of Ether geven. De Heer Boyle heeft
in zynen tyd, in dewelke deze kweftie het mee-
fte gerugt maakte, zich geenzints in dezelve be-
lieven in te wikkelen , gelyk als die Heer in
het algemeen geen liefhebber van defpeculative
geleerdheden was. Ik weet van goeder hand,
en uit een Man die zeer lang gemeenzaam met
de Heer Boyle verkeerd heeft , dat het, zo iras
als de Heer Boyle bemerkte dat een Schryver
in de plaats van een proefkundige, onder ftel-
kundige zaken voort bragt, en in de plaats van
op proeven, op onderftellingen, en opgefinuk-
te fpeculatien en opinien bouwden , aan dien
Heer naauwelyks de moeite waardig was, de
boeken van zodanig een Schryver eenste lezen,
Daar is ook niets dat ons oordeel meerder be-
derft, en onze eigen wysheit meerder opwekt,
als het veel lezen van /peculatsve-boeken , en het
onderwys van onderftellende leermeefters,
46.
De Heer Boyle merkten aan, dat het voor-
naamfte gedeelte van het bekende heel-al niet
anders zoude zyn als zodarige fyne materieder
Kartefianen, by aldien het waarheid was dat al-
le de bovengemelde ruimten, zodanig metdeze
fyne materie vetvult waren, dat niet het alder-
minfte ledig, zelfs niet zo klein als het alder-
kleintte deeltje, van deze fyne materie zelfs,
tuffchen beide gevonden wierd. Want als wy
alleenlyk maar eens op ons gezigt, een rouwe
“calculatie maken, tuffchen de groote van deze
ruimten, en die van alle de fterren, planeten,
zon, maan, aardkloot, en alles wat wy zien,
Riks is
Maart , —— July, 1722. 57
is de ruimte van ’tgeheel-al dat wy konnen zien,
_by de fterren, en alle de lichamen te vergely-
ken, als den bekenden Ociaan, by de Vif-
{chen die in dezelve fwemmen. Als wy dan
(om de voorftellinge van de Heer Boyle nog
__ van meer gebruik tot opheldering te maken)
_ ook eens-begrypen, dat de deelijes van deze
ubtiele Kartelìaanfche materie, zodanig digt .
_ ín malkanderen gedrongen zyn, dat nergens in
_dezelve eenige onttoffelyke ruimtetjes gevon-
den worden, zoude noodzakelyk moeten vol-
gen, dat in de plaats, dat deze oninbeeldelyke
— ruimte van het zigtbare geheel-al, ledig en van
__alle materie, behalven de ftralen des lichts ont-
bloot zoude zyn, dezelve in tegendeel in een
evengelyk wvoluimen, meerder ftoffelykheid -
zoude beflaan , als de ligchamen dewelke in
dit oninbeeldelyk groot ruim van ons gevonden
worden, en zelfs als de {waart{te onder dezelve,
namentlyk het gout. Om dat het gout noch
tocht-gatig is, en ook door die tocht-gaatjes
wezens door laat, die vry wat ligter en onftof-
felyker zyn als het gout zelfs. Want als de
__ligchamen dewelke komen te dringen door het
| goud, gelyk als by voorbeeld het vuur, meer
__ftoffelyk en in míalkander gedrongen waren als
het gout, zoude het goud noodwendig fwaar-
| der wegen, met deze ligchamen vervult zynde,
| als zonder dezelve, door de vermeerdering van
een ftoffelykheid, die zelfs (toffelyker en {waar-
| der moefte zyn als het gout, het welk echter
niet gefchied , om dat elk wezen na deszelfs
| meerder of minder ftoffelykheit in een even ge-
| _ 1yk volumen, fwaarder of lichter komt te wegen
Ds 47- Als
58 _ Natuur-en Konff-Kabinet,
47° f
Als nu een zeer groot ligchaam, gelyk als
by voorbeeld de maan of de aard-kloot zeer
fnelleyk door zodanig een ruimte kwam te be-
wegen, zoude het in der daad niet waarfchy-
nelyk zyn, dat zulks zo vaardiglyk , als wy
sten dat zuiks gebeurt, van de eene plaats in .
de andere zoude konnen verhuizen , om de
fteffelykheid, en vervolgens tegenftrevendheid
en folsditeit van zodanig een fyne materie, die
fwaarder en ftoffelyker zoude moeten zyn, als
het goud. Om dat wy dan openbaarlyk , en
met onze oogen zien , dat de oninbeeldelyke
ruïümntens van het bekende geheel al, zeer be-
kwaam zyn, om door te laten gaan de Aard-
kloot de maan, deandere planeten „de ftarren en
verfcheide hemel-ligten ,kanik niet zien, dat wy
tor het uitleggen van de verfchynzelen die de
natuur aan ons daagelyks, en ook op aange-
ftelde proeven vertoont, deze fubtiele matery
van Deskartes en zyn navolgers van noden
hebbeu.
Ik weet ook niet die welke reden wy zou-
den genoodzaakt zyn, om te geloven, dat in
deze oninbeeldelyke groote ruimtens, niets an-
ders zoude gevonden worden als de ftralen van
het ligt. Waarom zouden in deze ruimtes niet
konnen zyn uitvloeyzels van alderhande fyne
fioffen, die voortkwamen uit zon, maan, pla-
neten , commeten , vafte fterren enz.? want
niernant van ons zal immers oit konnen weten,
hoe-
slet deld '
k Maart, —= Julys 1722. 99
_ hoedanig deze ontzagchelyke ligchamen geftelt
_ zyn, zelfs tot dienft van ons en aller dieren le-
Î ven; tot dienft van onzen aard-kloot, en van
malkanderen. De fcherpzinnige Luocke zegt
_ op een zekere plaats, dat als van het groot ge-
5 tal (terren eens een eenige {ter te niet gedaan
__ wierde, wy niet verzekert zyn of wy in zoda-
it nig een geval wel zoude konnen in ’tleven bly-
_ ven, en of de zaken die nu op den aard-kloot
gebeuren wel zouden konnen beftaan.
9,
___ Omdat zo hideaken veel menfchen in de
_fubtiele materie van Deskartes, als in een nieuw
fnofje behagen hadden, kreeg de natuurkunde
van Deskartes zeer veel aanhangers, om dat
dezelve kwam te ruften op fpeculative redene-
ringjes , en maar eenige verkeerdelyk uitgelei=
de proefjes, om deze redeneringjes te begun-
fligen, en de half blinde zand in de oogen te
ftroyen, en hen zelve te doen inbeelden, dat
_zy zonder eenige moeite van belang, en zon=
der een groot getal moeyelyke, koftbare en zeer
werkzame proefondervindingen aan te regten,
of van proef kundige natuurkundige, die geloof-
baar zyn, geleerd te hebben, binnen zeer kor
ten tyd konden werden Philofofen en Natuur-
kundige, die alle andere zouden voorby ftre:
ven. Het welk ook van die uitwerkinge is
geweeft, dat binnen zeer korten tyd de nyders
_endewevers ‚de dames aan het A lombertafeltje,
‚de vergulde jonkers der zaletten, en wel
‚ voornamentlyk de jonge Studenten, de luid-
_ rugtigfte Natuurkundigen des Werelds wier-
den,
60: Natuur-en Konft-Kabinet;
den, en openbaarlyk den draak ftaaken metde _
ondervindinge, en-moeyelyken en koltbaren
arbeid der grote mannen. Om deze en dierge-
Iyke reden heeft de Heer Boyle ondernomen
te onderzoeken of de fubtiele materie en des-
zelfs gwaltficatien gemakkelyk door op onze
zinnen werkende proeven, uit deszelfs fchuil-
hoeken zo ligt voor den dag tehalen zoude zyn,
als dezelve door /peculat:ve redeneringjes aan eik
een beduid wierd.
so;
Om dit uit te voeren, ftelde de Heer Boyle,
gelyk als in fig. 12, aangewezen word, in den _
recipient A, het gewigt B op den bovenften
bodem C van de geizventeerde blaas-balk D.
De onderfte bodem E hadde de Heer Boyle on-
beweeglyk vatt gemaakt aan het Blok F ; alles
in dier voegen dat de Bovenften Bodem Cdoor
de wervel G geheel konde opgehaalt worden,
na boven, en op die wyze de gehele holligheid
van den blaas-balk ten vollen konde werden
verwyderd, in de gedaante als dezelve verbeeld
ftaat in fig. 12. «Maar om nu te weten of uit
de holligheid van de blaas-balk ook eenige ftof
uitging, na dat de lucht, en uit derecipient A,
en uit den blaas balk D in deze gedaante ge-
ftelt zynde, uitgepompt was, wasook gemaakt
een zeer dun pypje, gelvk gezien kan worden
in fig. 13. met de letter H‚ boven inde boven-
ften bodem C van de blaas-baïk D, boven de
opening van dit kleine pypje B wierd geplaaft
het ongemeen fyn en licht pluimveertje 1; op
dat zo haaft als maar eenige ftoffe uit den blaas-
ion balk
of zn Asti x, l,
Maart, —— Julys1722. Gr
‘balk door het pypje Hkwam vloeyen, zulks
__daadlyk zoude konnen ondekt werde, uit de
_ beweginge van de pluisjes van dit ligte enfyne
__ pluimveertje. /
hi
A st.
De Heer Onderzoeker oordeelde , dat de
Pleniften een groot en proefkundig bewys te-
__ gens de vacuitten die het ledig (tellen zouden
… konnen inbrergen, als uit de opening van dit
_ kleine pypje H een uit(trominge vaneenigefyne
_ materie konde ontdekt worden, na dat de lucht
uit den recipient A, en uit den blaas-balk D
wel was uitgepompt, zo ras als door het op-
_zakkeude gewigt B, de blaas-balk nedergedrukt
wierd. Maar als uit zodanig een groten lucht-
ledige ruimte, als de holligheit van die blaas-
balk kwam te bedragen, door het {chielyk te
zamen parzen van den blaas-balk, geen vloed
konde verwekt werden, door het naauwe pyp-
je H,‚ dewelke zigtbaar was door debeweginge
van de fyne pluisjes van het zeer klein pluim-
veertje 1, zouden de vacuiften geoordeelt heb-
ben, dat de fyne-hoofdftaf der Cartefianen en
andere Plenitten zeer befwaarlyk door proeven
te bewyzen zoude zyn,
. $2, Ì
Maar dewyl de geheelen zamenhang ,— van
alles wat die Kartefiaanfche- Natuurkundige in
de Natuurkunde weeten „> gebouwt isop deze
fubtile materie, zoude alles wat zy omtrent die
zaken geleerd hebben , geheel vervallen , en on-
waar bevonden worden, als hen konde aange-
Ee 8 toont
62 Natuur-en Konft-Kabinet,
toont worden, dat zodanig een fyne materie
niet is. Dit is de reden dat zy op proeven van
die natuur, als wy boven gemelt hebben, hun
ftellinge van de fyne materie zo ligt niet zouden
verlaten, te meer daarzy hun fyne hoofdftof zo
ongemeen fyn ftellen, dat dezelve zondereens 5
te raken, door verfcheide zaken kan heen
vloeyen, en dat zo ras als deze luchtledige
blaas-balk D fchielyk komt neder te vallen,
hun fyne hoofdftof met dewelke de gehele ruim.
te van den blaas-balk na hun oordeel volko-
mentlyk vervuld is, uit deze ruimte uitvloeid
door het leer, en het hour van den blaas-balk ,
en dat vervolgens hun fyne hoofd -ftof niet eens
verpligt is, om juift uit te gaan door de ope-
ninge van het pypje H, en het pluimveertje Ì
te bewegen.
53.
Om echter zo het nete was zodanig een
fyne hoofd-ftof, door dewelkealle lucht-ledige
ruimtens volkomentlyk , na het gevoelen der
Kartefianen vervult worden, met proeven aan te
wyzen, gebruikte de Heer Boyle daar toe alle
middelen die maar eenigzints konden dienen
em zyn oogmerk te bereiken. Daar toe liet
dien Heer blaas-balken aan ftellen die niet van
leer, maar van blaazen gemaakt waren , om
dat bevonden was dat deze veel eerder komen
te barften, eer zy eenigede minfte dun gemaak-
te of fyne lucht zouden door laten, gelyk wy
in verfcheide gevallen gezien hebben, als wy in
dezelve de kragt van de Elaftiteit van de lacht
hebben aangetoont. Diergelyke Mn,
E Iet
vi ‚ Maart , July, 1722 63
liet die Heer, tot nog meerder voorzorge om
te beletten, zo het mogelyk was, dat die fyne
_materie niet overal daar uitvloeide, en meerder
verpligt mogt worden uit te gaan door het dun
_pypje H, en het pluimveertje 1 te bewegen,
eral beftryken met ongemeen vaft en digt
vernis. Maar in weerwil van ditalles, koude
aan de pluisjes van het zeer fyne pluimveertje 1
_niet de minfte beweginge befpeurd worden (door
_ dewelke zoude komen te blyken, dat uit de
ruimte van de lucht-ledige blaas-balk D cen
_fyne ftoffe kwam te vloeyen door de openinge
van het pypje H,‚) op dien tyd als de luchtie-
_dige blaas-balk D daar zy legt ín de lucht-ledige
recipient A door de fwaarte van het gewigt B
fchielyk wierd neder geparft.
DE
Behalven de bovengemelde proef heeft de
naaukeurige Onderzoeker ook nog andere proe-
ven in het werk geftelt, tot dienít van de lief.
hebbers, en om te ondekken, of zodanig een
fyne materieis, dewelke datelyk de ruimtens,
daar de lucht uitgepompt werd, volkomentlyk
wederom vervult. Maar die Heer heeft door
‚de aldernaaukeurigfte proeven geenzinshetaan-
zyn van zodanig een fyne hoofd-ftof, als Des-
kartes en zyne navolgers begrypen, konnen be-
wyzen. Op dat nu de lezer de natuur van dit
onderzoek onderfcheidentlyk mag begrypen,
‚ ftaat te letten , dat wy' niet met de vacuiften,
‚ dewelke het ledige ftellen , moeten geloven,
‚dat doorde ruimtens , daar de lucht uitge-
‚ pompt werd, niet anders komt tepafferax alsde
À Bas « ligt-
\
|
64 _Natuur=en Konft-Kabinet ;
ligt-ftralen, Want de ondervinding zal ons het
tegendeel leeren ; om dat de zeil-fteen in een
lucht-ledige recipient komt te werken op de
naald, die buiten den zelven gehouden werd.
Waar uit blykrdat het wezen, waar door het
yzer naar den zeil-fteen beweegt zich alzo wel ,
als de (tralen van het licht, of als het vuur „
komtte bevinden in een recipient, al fchoon al
de lucht uit dezelve is uitgepompt. Maar de-
wyl niemant aan deze wezens tot noch toe zo
veel floftelykheid toegefchreven heeft, om een
plaats, daar de lucht uitgepompt is, zodanig:
wederom te vervullen , datdie gehele plaats
niet als enkeld ftof, matery, of lichaam zon=
der eenig ledigheit, of zo als gy dat beliefd te
dopen is geworden , kan het wel waar zyn „dat
in een recipiezt, daar de lucht uitgepompt is,
zich bevinden, en ook uit en in dezelve kon-
nen dringen, verfcheide wezens die zeer ligt
en zelfs weinig ftoffelyk zyn, en vooralles zo
wykbaar zyn, dat zy geen de aldermintte bewe-
ginge koomen te verwekken aan de fyne pluis-
jes van het zeer tedere pluimveertje 1. als wy
dan konnen begrypen dat diergelyke wezens
van verfcheide foorten, en van zo ongemeen
weinig ftoffelykheid ,‚ konnen vloeyen in en
door de lucht-ledige ruimtens , gelyk als wy |
door de proefondervindingenen waarnemingen
geleerd hebben, volgt daar geenzints uit , dat
wy insgelyks ook konnen begrypen , dat alle
Jucht-ledige raimtens , en de oninbeeldelyke
lucht-ledige plaatzen, dewelke in ’t geheel-al
tuffchen ons en de ftarren, en tuffchen de ftar-
ren zelfs gevonden worden, vervult zyn met
de
han
Maart, July, 1722. 65
de fyne hoofdftof na het denkbeeld van Des-
kartes en zyn navolgers: dat is, zonder dat e-
__ nig ledig gevonden word, en alles niet als met
_matery vervult is. Want by te brengen dat
ker licht-ftraalen, het, vuur enz. in dierge-
_ Iyke ruimtens zyn, zich overal bevinden, en
vervolgens die gehele ruimtens vervullen,dezel-
ve voor een bewys veritrekken , dat zodanige
ruimtens volkomen en overal met ftoffelykheid
voorzien zyn, is door onze voorbeelden, die
wy voor dezen by gebragt hebben van den rook,
‚van de reukdelen , enz. al genoegzaam beant-
_ woord.
55:
_ De Heer Boyle heeft ook de curieusheid
gehad,-om te onderzoeken, of in de uitge-
pompte en lucht-ledige. recipient niet overge-
— bleven was een wezen, het welke bekwaam
is, om de kleine vlokjes, of ligte pluisjes,
die neder vallen van de hoogte tot in de laagte
van zodanig een uitgepompte recipient ‚in hun-
ne beweginge te doen heen en weder gaan ‚en
met verfcheide kromme linien , wentelingen
en draaijingen hun nedertogt te doen volbren-
_ gen, dan of die ligte pluisjes door een regte
_ Jyn na beneden vallen. Hier toe liet de Heer
Onderzoeker blazen den recipient uitgebeelt
Fig. 14: met A. Door het draaijen van de
wervel. BB wierd na genoegen geopent of ge-
floten het tangetje C, waar door op hun tyd
los gelaten wierden de ligte pluisjes D DD.
Na dat nu de lucht zo veel als zulks doen-
Iyk was, uit de recipient A was uitgepompt,
wierd een pluisje los gelaten, het welk in een
VII. Deez, E reg.
he, bin ad
66. __Natuur- en Konft-Kabinet ,
regte lyn, als een ftuk leod,zonder de min-
fte omdraaijinge nederzakte, gelyk als gezien
word met DDD. De Heer Onderzoeker her-
vatte deze proef nog eens,en dezelve was van
dezelfde goede uitkom(t. Naderhand wierd
in den recipient de lucht ingelaten, en na dat
de recipient met lucht vervult was, wederom
diergelyk een. pluisje los gelaten; maar dit
pluisje zakte niet zoo ras na beneden, als de
pluisjes, dewelke in de lucht-ledige reciptezt
nedergevallen waren, maar maakte veel om-
draaijingen en wentelingeneer het op den grond
kwam.
56.
Nu is aan elk liefhebber genoegzaam be-
kent, dat al de lucht noit zodanig uit de reci-
pienten gepompt word, of in een zogenaam-
de lucht-ledige recipient is altydt noch een
weinigje uitnement verdunde lucht overgeble-
ven; dewelke ook door de gehele ruimte van
den. recipient verfpreid is. Niet tegenftaande
nu in deze verdunde lucht noch meerder te-
genftrevinge is, als in den recipient gevonden
zoude worden wanneer de zelve volmaakte-
Iyk van alle lucht ontbloot ware , gelyk als
blykt door de lucht-verklikkertjes daar wy van
gefproken hebben. Wat moet nu de Rede
zyn, dat deze dunne verfpreide lucht, die noch
altyd in de uitgepompte recipienten overblyft,
geen tegenttrevinge vertoont aan de nederval-
lende pluisjes DD D, in de luchtledige rec#-
pient A van Fig. 14? De oorzaak is buiten al-
le tegenfpraak de weinig ftoffelykheid, of lig-
_cha-
'
\
‘
til oe A
mj nt
Maart, —— Jäh 1722. 67
chamelykheid van die ongemeen weinige en
zeer wyd verfpreide lucht, na mate van des-
zelfs groot volumen ; want Zo ras ais meer
lucht in den rectpiezt ingelaten word, verto-
nen de pluisjes in het nederzakken draaijingen
__en wentcelingen, door de tegenftrevinge van
de lucht, door dewelke zy na beneden zak-
ken ; waar door wy onderwezen worden,
dat in een lucht-ledige recipient zich wel kon-
nen onthouden verfcheide uitvloeizels „wezens,
verdunde lucht, vuur , licht{tralen , klank-o-
vervoerende materte, magneetftof, enz in de
welke, na de ruimtens dië zy beflaati, maar
zeer weinig materie gevonden word. Als
dan ook de lucht na mate van deszelfs ftoffe-
Iykheid, of geheel geen of enige belemmerin-
ge geeft aan deze pluisjes, in het nedervallen;
wat belemmeringe zoude dan de fyne hoofd-
ftof van Deskartes, en deszelfs navolgers wel
moeten veroorzaaken, aan deze pluisjes, als
zy door dezelve kwamen neer te zakken, om
dat deze hoofdftof digter , ftoffelyker en ver:
volgens ook {waatder moet zyn als het goud;
dat is zonder enige ledigheid, of onligchame-
likheid toe te laten in deszelfs volumen?
AGSTE VERHANDELING.
Van de BYZONDERE NATUUR-
LYKE HISTORISGCHRIVERS, en
in de zelve het vervolg van de natuurly=
ke hiftorie en de bereidinge rvan de Indigo.
E 2 De
68 _Naur- en Konft-Kabinet
I.
E Indigo-tuinen, in dewelke de Fran-
fchen en Engelfchen op de voor-eylan-
den en eylanden die zy in Amerika bewonen
de. Indigo voortkweken, worden toebereid
van goede aarde, die kragtig is, en zeer wel
bearbeid en gelyk gemaakt word. In deze aar-
de maken zy kleine putjes, die omtrent een
voet van malkander zyn; in elk van deze put-
jes werpen zy zo veel zaat van Anil, als zy
met den duim en de twee voorfte vingers kon-
nen vatten; dit zaad bedekken zy met om-
trent twee duim breed aarde; gelyk als uitge-
beeld word in Tab. XL met AAAA. Zy
nemen dit zaijen gewoonlyk waar op een re-
genagtigen tyd, om dat deze de bekwaamfte
is om het zaad te doen {wellen, en eerder uit
te doen fchieten , als in een groote hitte en
langdurige droogte. Als de regen zagt en
enigzints aanhoudende is „of dat de grond door
voorgaande regen vogtig genoeg is, komt om-
trent vier dagen na den tyd van de zaijinge de
Anil al te voorfchyn , voornamentlyk als zy
het geluk hebben, dat op of onder den regen
een bekwame warmte komt te volgen.
2.
Als de Anil in goede aarde, en in een be-
kwaam (zifven gezaid is, verkrygt de zelve
binnen den tyd van drie maanden zodanig een
bekwame hoogte, dat dezelve voor de eerfte
maal afgefneden kan worden. Dewyl zy het
zaad van de Anil niet enkeld , maar met vin-
\ „ger
Maart, July, 1722. 69
gergreepjes in zodanige putjes zaijen , komt
zodanige gezaide Anil te voorfchyn , niet by
enkelde planten, maar by bosjes, gelyk als
__ gezien kan worden met BBBB. Dit gefchiet
_ op datzy binnen zeer korten tyd zeer veel jong
_ loof of jonge bladeren zouden verkrygen.
__ Want als zy elke plant byzonder kwamen te
_zaijen, zouden zy of meerder plaats van no-
__den hebben, of minder kruid in zodanig een
__ korten tyd voort teelen. Deze eerfte (nee, of
\_ dit afgefneden kruid, is dan eigentlyk die Anil,
_ van dewelke zy de zeer vermaarde verf{tof In-
__digo bereiden, zonder dat zy zo lang behoe=
ven te wagten dat het zelve zyn volkomen
__ hoogte bereikt, tot een heefter opgefchoten is,
el ie blom , vrugt of zaad voortgebragt
_heett.
3:
| Na deze eerfte (neede, bot de ftam weder-
om uit, maar veel overvloediger als van te
\_ voren, om dat elk ftammetje dan veel takken
‚__uitfchiet, die in zes weken wederom volko-
|
|
|__men bekwaam zyn, om gefneden te worden.
\_Op dezen tyd moet zeer naauw agt gegeven
“worden, op dat de plant niet tot deszelfs vol-
| _komen rypheid kome. Want dan laat de-
zelve daatlyk al zyn bladeren vallen , en de
Indigo-bereiders zouden meer als zes gehele’
weken moeten wagten , eer wederom nieu-
we bladeren gegroeid waren. Het welk zeer
fehadelyk voor de Indigo-makery zoude zyn.
E3 Het
zo Natuur- en Konft-Kabinet ,
Het voornaamíte kwaad, dat aan deze A-
nil plantery, of aan deze planten overkomt,
is een zeker zoort van rufpen, die zomtyds
binnen ene nagt voortgeteelt worden ; hoewel
het ene land{chap zulks meerder onderworpen
is als het andere ; want op het Eyland Sint
Kriftotfel gebeurd dit zomtyds wel eens, maar
op Martinike , volgens’t berigt van ooggetui-
gen, wederom zeer zelden. Als deze ryp in
de Anil komt te graszeren , zien de inwoon-
ders daatlyk meeft al hun fchoone hoop van
voordeel verdwynen. Nechtans komen zy
deze fchade zomtyds enigzints te gemoet , met
daatlyk al de Anil af te fnyden, zo ver als de
zelve dan maar gegroeid mag zyn, enrhet af-
gefnede kruid met rufpen en al in de kuip te
werpen, en zich van het zelve tot de Indigo-
bereiding te bedienen. Andere komen dit on-
gemak te hulp met een fcheidinge te maken,
tuflchen de Anil, die van de ryp aangetaft is
geworden, en de Anil , die noch volkomen
daar van bevryd is gebleven. Deze fcheidin=
ge word gemaakt door het affnyden van de
Änil, in dewelke de ryp reets graszeert. Maar
dit hulpmiddel heeft geen plaats als int geval,
wanneer maar zeer geringe plekken befimet
zyn, en dat de overige Anil noch geheelelyk
bevryd is.
$-
Als de Anil deszelfs rypheid gekregen heeft,
word dezelve, gelyk aangemerkt is, afgefne-
den
wehl” OAN Meen de ei > heid 6
à AN
id eid
b
k |
k:
Maart, ——= Jus 1722. 71
den voor dat dezelve in Bloei gaat, met zekre
daar toe bekwame mefzen, dewelke byna de
gedaante hebben van een Sikkel ,gelyk als uit-
Rid word met C. Terwyl de fwarten
DD met de mefzen C de Anil affnyden
word die tot bundels gemaakt, gelyk uitge-
beeld is met EE. Maar als het kruid nog
te kort is word het zelve in linde-zakken ge-
daan , om gebragt te worden in de Indigo-
makery , dewyl de Indigo bereideryen zomtyds
__al een redelyke tu{lchenwydte van de Anil-
tuinen afgelegen zyn. Naderhand word de
Anil in de kuip H geworpen, gelyk als uit-
gebeeld word met FFF. Aan deze kuip H
word den naam van de uitwerk-kuip gege-
_ ven. De Anil in deze kuip geworpen zyn-
de word gefchikt, gepakt, en met de’ voeten
_op malkander valt, geftampt, of digt in mal.
__kander gedrukt; en naderhand word op de
zelve een groote raam gelegt, die valt ge-
drukt word met een groot ftuk houd dat over
dwars gelegt word, op dat het water , dat
naderhand in de kuip gegoten word, zoude
konnen ftaan boven de ingepakte Anil. Daar
na worden geopent de kranen ** van de wa-
terbak +, op dat het water allengskens zoude
lopen in de uitweek-kuip H; het welk zo
lang vervolgt word , tot dat het water even
boven de oppervlakte van het kruid komt te
ftaan. Naderhand begint de doorgeweekte
Anil te geften, zeer heet ‘te worden, en zo-
danig te broeijen , dat het water een half ko-
kende beweging krygts * : 1;
dik De-
72 Natuur en Konft-Kabinet;
6.
Deze giftinge of opbruizinge is zeer nood-
zakelyk tot de bereidinge van de:Indigo; om
dat door dezelve wel voornamentlyk de fcho-
ne Blauwe koleur „en flym daar de Indigo van
gemaakt word, veroorzaakt en als opgewekt
word. Als zonder deze Broeijinge en geflin-
ge het water op de-Anil gegoten was, om des
zelfs zap maar enkelyk uit te trekken,en als
op te lofzen , zoude voor eerft niet zo veel
ligchaam en flym uit de Anil getrokken wor=
den, en de vereifchte blauwe koleur en ftof-
felykheid, die wy den Indigo noemen, zoude
daar niet wel uit bereid konnen worden. Waar
uit klaarlyk blykt dat de Indigo niet is een en-
keld uitgetrokken zap van de Anil, maar een
wezen het welke van dit kruid door middel
van een verrottende geftinge,als half op nieuw
voortgebragt word.
Alfchoon wy nu aan deze zo zeer noodza-
kelyke Broeijenge den naam van geftinge ko-
men te geven , moeten wy echter de zelve
van de ware geftinge onderfcheiden ; om dat
deze broeijenge meerder overeenkomft met de
verrottinge als met de volkomen geftinge
heeft. Deze beweginge is geen volkomen
geftinge , dewelke ftrekt. om een ef/eztie en
wynig wezen te bereiden, en de vuiligheden
af te Ícheiden, en boven:uit te fchuimen of na
den grond te ftoten: maar buiten en behalven
de volkome geftinge gefchieden in de ligcha-
LG | ES! men
Maart, —— Jul, Wax: 73
men ver{cheide geftende en bruizende bewegin-
4 gen, de welke baftert-geftingen konnen ge-
___naamt worden. Ook kan om ver{cheide re-
__denen deze Broeijenge van den Anil geen vol-
komen verrottinge genaamt worden , door de
_ welke een ftof, in dewelke de volkome ver-
rottinge gebeurd , geheelelyk in een ander
wezen komt over te gaan, want den wezens-
__band van de Anil word niet zo volkomentlyk
_ontwezend, of in den Indigo, die uit het fly-
__mig zap van de Anil gemaakt word , komen
ik nog over te blyven verfcheide hoedanigheden,
die in het kruid Anil gevonden worden. Daar=
om moeten wy begrypen dat de Broeijeng van
__de Anil een ontbindende beweginge is, die ten
_ delen uit de geftinge, en ten delen uit de ver-
_rottinge beftaat, en aan beide komt te partici-
_ peren. Hoe veel veranderinge van koleur,
_ reuk, fmaak en kragt de verrottinge en de
geftinge nu aan een wezen konnen toebren-
gen, is zeer wel bekent aan zodanige ftof-
fcheidkundige mannen, die de Chymifche
werkdaden in den grond verftaan. Door de
verrottinge worden de wezens-banden der ftof-
fen niet alleen los gemaakt, maar de olyde-
len, en zoutdelen, die in de ftoffen als ver-
fcholen en voor de zinnen als verburgen la-
gen, worden fyn geflepen op vrye voeten ge-
bragt , en dikwils zodanig ligt gemaakt, en
van hunne kerkers en windzels ontflagen, dat
zy uit dezelve uitgaan als een vlug en olyag-
tig zout, gelyk als de fware ftanken, en de
vlugge zouten die door verder verrottinge uit
zommige kruiden gemaakt worden , ‘ over-
a? E s vloe-
Se
74 __Natuur- en Konft-Kabinct,
vloediglyk getuigen. De aanmerkelyke uit-
werkinge van de geftinge konnen wy ook
gewaar worden , als wy agt geven , hoe
door de geftinge uit alderhande koren ko-
renwyn, uit honing, en uit zuiker , wyn en
brandewyn, en uit het zoete zap der druiven
geeltige wynen, en uit de Brouwers gyl fter-
ke en dronken makende bieren voortgebragt
worden.
8.
Als de doorgeweekte Anil in het hevigfte
van deze broeijende beweginge is} geeft de
zelve een groten {tank van zich. Het welk -
een openbaar bewys is, dat de fyne olydelen
en vlugge zouten door die beweginge los ge-
maakt worden. Deze ftank konnen wy ook
zelfs nog gewaar worden aan de blauwkui- —
pen, in de welke met de Indigo blauw geverwd
word, als ook aan het blauwgeverfde lin-
den en andere blauwgeverfde {toffen. De
{maak van het kruid Anil is zeer bitter , waar
uit blykt dat in de Anil zeer veel fcherp zout
en oly gevonden word, gelyk ook blykt aan
de Indigo , om dat dezelve in het vuur gewor-
pen zynde zeer wel vlam wil vatten en bran-
den. , Waar door ook genoegzaam getuigt
word dat zy is een brandende ftof, in de wel-
ke oly en zoutdelen gevonden worden.
9.
Alfehoon nu deze broeijende geftinge tot
het bereiden van de Indigo zo hoofdnoodzake-
Iyk is, moet echter zeer naukeurig agt gege-
ven
d
BEETA 9 {
Maart, - Jus 1722. 75
ven worden, op een zeker tydpunt, in het
welke deze beweginge de Anil-pap tot een ze-
_ kere graad van koleur , reuk en cor/ijtentie
gebragt heeft. Dit tyd-punt waer te nemen,
is een kennifle, die door de ondervindinge
verkregen word,en in de welke de voornaam-
fte kont van de Indigo-bereidinge beftaat. Want
_ als deze verrottende gettinge al te lang wierde
_ toegelaten, zoude alles noodzakelyk beder-
_ ven, de Indigo-pap zoude in een vappa , of
_ verfchaalde en kragteloze flyk, of bedurven
ftof , overgaan, en alle deszelfs af?:ve zoute,
‚vette, lugtige en fynfte olydeeltjes verliezen,
_ gelyk wy zulks in de totale verrottingen, en
_ zommige geftingen, daaglyks ondervinden, in
de Azynmakeryen , Bierbrouweryen, Wyn-
_ wordingen , Korenbrandewyn-{tokeryen ,
__Brood-bakkeryen, enz.
OE en —
\
10.
__Het naukeurig agt geven op zekere tyd-
punten heeft plaats in de bereidingen van
meeft alle ftoffen. De voorbeelden hier van
zyn zo veel en overvloedig, alst groot ge-
tal der verfcheide konft-gewrogten. De ftaal-
temperinge, het hegten en wellen der metalen,
het koken van de glas-fpys, zelfs het toema-
ken, koken, bakken en braden van onze da-
gelykfche voedfels, het verwen, het koken en
rafineren van Zuiker, Borax , Sperma Ceti,
Camfer, het maken van Vermilioen, het ko-
ken van Verniffen, het maken van Buskruid,
} van Lymen, van Lakken, het koleuren der
| Amauzen, het maken van de ronse, en
Uie
|
26 _Natuure en Konft-Kabinet, —
duizende andere produtten van de konft zyn
hier volmondige getuigen. Zelfs heeft de
natuur ín het voortbrengen van de natuurlyke
fchepfelen zekere tydpunten van de uiterfte
volmaaktheid, tot de welke de fchepzels ge-
bragt worden. |
TE
Als wy de verrottende geftinge , door de
welke de Indigo-pap geboren word, in een
zeker opzigt befchouwen, konnen wy dezel-
ve ook vergelyken by de kokinge. Want
gelyk als de kokinge door het vuur verregt
word, en de wezens tot verfcheide verande-
ringen doet overgaan, fpeelt insgelyks het
vuar alhier de voornaamfte rol , gelyk als
komt te blyken uit de herte die onder deze ver-
rottende opbruizinge van de geweekte Anil
zich komt te vertoonen. Als wy dit alles o-
verwegen, zullen wy ons geenzints behoeven
te verwonderen, dat wy uit het kragtigekruid
Anil, de aanmerkelyke ftof , die Indigo ge-
naamt word, zien te voorfchyn komen. Want
de ftovinge, broeijinge , kokinge, vetrottin-
ge, en geftinge zyn operatien die alderhande
nieuwe zaaken doen te voorfchyn komen.
Door een zapte en egale Broeijinge zien wy
een weinig flym in een levendig kuiken ver-
anderen, en de meefte dieren voortkomen uit
beginzels , die nergens minder, als na de die-
ren die daar uit voortkomen, gelyken.
I2.
Als onder het Broeijen en geften van de A- _
nil
Maart, —— Puls 1722. 77
nil het behoorlyke tyd-punt gekomen is, in de
welke de Anil in de Indigo-flym verandert is,
moeten zeer promptelyk de kranen GG van
de uitweek-kuip H geopent worden , op dat
dit flymige zinéluur, uit de uitweek-kuip H,
« zoude vloeijen in de flag-kuip L. Loven over
deze flag-kuip I is gemaakt een houten rol K
met zes kanten , aan elk einde van deze rol
zyn twe yzere bouten LL, de welke konnen
| Draijen in twe gootjes van yzer MM. Aan
de twe zyden van deze rol zyn vaftgemaakt -
_zes pyramidale flagers , aan elke zyde drie by
_NN, de welke hier niet konnen gezien wor-
‚den, en een perzoonO beweegt gedurig deze
“rol K, op diewyze, dat alsde drie flagers aan
__de ene zyde opgaan, de- drie, die aan de an-
dere zyde zyn, na beneden worden gedrukt.
‚ Deze beweginge gefchied gedurig, en zo lang
tot de koleur van dit flymige zZin&uur zeer
fchoon hemelsblaauw word.
ABe 7e j
___Terwyl het (lymige afverfzel van de Indigo
geklopt word, gieten zy‚by beurten enige le:
pels met oly van olyven in het zelve, om te
beletten dat het zelve niet komt te fchuimen;
of zich te verbinden met het water tot een e=
gaal. wezen. Want zonder deze oly zou het
onmogelyk zyn , hun oogmerk te bereiken.
Omtrent het kloppen en bewegen van dit af-
verfzel, moet ook naukeurig op het behoor-
lyke tydpunt agt gegeven worden. Dit tyd-
punt is geboren wanneer het Indigozap de ver-
eifchte hemelsblauwe koleur heeftsaangeno-
… men,
bud
78 Natuur- en Konfl-Kabinet,
men. Want als zy na dat zulks gefchiet is,
nog langer met hèt kloppen kwamen aan te
houden, zoude de Indigo-grein, die door den
bekwamen tyd van kloppen zich geformeert
heeft, wederom met het afgeflagen water ver- _
enigen , en zy zoude zeer veel Indigo-grein
verliezen. Als zy ook het Indigo-zap niet
lang genoeg geflagen hadden, zoude her grein
van de Indigo, dat zich noch niet geformeert
hadde, onder het water vermengt blyven. Als
onder het kloppen het indigo-zap de vereifch-
te blauwe koleur heeft aangenomen, is zulks
een teken, dart al het grein van de Indigo zich
van het water heeft afgefcheiden , daar in ge-
holpen zynde door de ingeftorte oly.
14.
As wy begrypen dat de oly een zeer tak-
agtig en kleverig wezen is, het welke zich
met het water niet kan vermengen , konnen
wy zeer licht verftaan, dat de gomagtige , tak-
agtige, zoute en hersagtige deelen van het zap
van de Anil zich, door dit kloppen en flaan,
piet de olydelen komen te verenigen, en zich
vervolgens van het water af te fcheiden tot
een wezen; in welke af{cheidinge van de wa-
terdelen, en te zamen menginge van de tak-
agtige olydelen de fchietinge van het Indigo-
grein eigentlyk beftaat. Door dit Irdigo-grein
moeten wy niet anders verftaan als een zeker
ftremzel, dat zich ontdaan heeft van de wae=
terdelen, en het welke niet anders is als de
eflentie van de Anil, die door de verrottende
geftinge uit de Anil voortgebragt is. Ee dit
rem
Maart, Julys 1722. 79
_ftremzel word met regt den naam van Indigo-
_grein gegeven, om dat tuffchen het zelve en
de Indigo geen ander onderfcheid ter wereld
ís, als dat dit ftremzel nu nog nat, en de In-
_digo droog is. Als dit ftremzel, na dat het
zelve behoorlyk is geklopt, van zyn meefte
waterdelen afgefcheiden is, en deszelfs zeer
fchone blauwe koleur aangenomen heeft ‚door
onkunde nog langer geklopt word, laat het
zich door het {laan wederom met veel wa-
terdelen vermengen, het verlieft zyn blauwe
koleur , en de Indigo die daar uit voort-
komt verkrygt een morzige en fwartagtige ko-
leur, gelyk als de Smits kool.
15.
___Na dat nu het indir Hen behoorlyk is te
_ zamen geftremt, word het zelve in ruft gela-
ten, als wanneer het zelve zich binnen een
kwartier van een uur zagtelyk komt te zetten
op den grond van de flag-kuip, even gelyk ais
een wyu-moer, terwyl het water , daar dit
ftremzel zich van afgefcheiden heeft, op het
zelve komt boven te dryven. Om nu al het
‚ water zeer voorzigtiglyk van dit firemzel of
Indigo-grein af te fcheiden, word het zelve
zeer zagielyk uitgelaten , door openingen of
gootjes, de welke daar toe de ene boven den
\ anderen in de flagkuip gemaakt zyn. Op dat
‚nu van het Indígo-grein geheel niets verloren
| zoude gaan, laten zy het water dat boven het
\ zelve ftaat niet lager boven van het zelve aflo-
pen, als tot dat het helder en klaar en onge.
| kleurt blyft, “Want zo ras als het zelve met
[|M eni-
|
Î
me
lend ad
ie
80 __ Natuur-en Konft-Kabinet,
enige koleur, en met de ligíte delen van den
Indigo vermengt, komt uit te lekken, word
dit water daatlyk gevangen in een tobbe, of
een bekwamen bak, uit de welke het zelve,
benevens het overige ludigo-ftremzel, over
egoten word in lekzakken van linden
PPPPPP, door de welke het water word
door gelekt, en de Indigo behouden , die on-
der dit water vermengt was. Na dat nu het
water uit het Indigo-ftremzel is uitgelekt,
worden deze lekzakken gedragen door de
fwarten QQ, en de Indigo uit dezelve uitge-
ftort in platte vierkante Bakjes van hout
RRRRRRRR, die omtrent een duim breed
diep of hoog van randen zyn, om in dezelve
de Indigo te drogen.
1ó.
Als de Indigo in deze platte houte bakjes
enige tyd gedroogd heeft, begint dezelve enig-
zints te Íplyten door de droogte. Op dien.
tyd word de Indigo gefneeden in tabletten, en
na dat de zelve op die wyze nog enigen tyd
geftaan heeft, beginnen zich de zelve door de
droogte te fcheiden van malkanderen ; en van
de randen en den bodem van deze platte houte
kiftjes of bakjes los te worden, als wanneer
deze zabletten worden het onderfte boven ge-
keert, om ook insgelyks aan de andere zyde
te drogen, en hart te worden, om tegens al-
ke bedervinge en fchimmelinge wel te konnen
uren.
A
In zommige landen gebruiken zy tot het
be-
Maart, —= July, 172 B
„bereiden van de Indigo brak water , maar
zulks gefchiet uit gebrek van zoet en verfch
water; want de ondervindinge heeft geleerd,
dat het alderligtfte en alderzoetfte water tot
de bereidinge van de Indigo het bekwaamfte
‚bevonden word; daar in tegendeel het brakke
… water dikwils de oorzaak is, dat de Indigo
_uit de lucht enige vogtigheid na zich komt te
_ trekken, waar door fchimmelagtigheid ver-
oorzaakt word: Gelyk als wy weten dat het
_ zee-zout, dat ín het brakke water gevonden
_ word; zeer licht door de lucht vogtig komt te *
8 worden. Maar om dit gebrek voor te komen,
__word in zommige landen , gelyk als in de
_ heerfehappy van den groten Mogol, in Cam-
_ baye, en zelfs ook in Guatimalo, de Indigo
en gedroogt op heet gemaakte yzere
plaaten. 1 JORD AKE
18:
In zommige landen. word de Indigo wel e=
__nigzints op een andere wyze bereid, maar hét '
komt alles maar uit op het zelfde oogmerk.
Behalve dat zommige onder het Indigo-ftrem-
‚ zel andere ftoffen , uit een bedriegelykheid ;
komen te vermengen ,gelyk als onze kooplie-
den tot hun grote fchade dagelyks gewaar wor-
den. Of, gelyk als zommige minder zoorten
komen uit te wyzen, en daarom ook veel
minder in prys verkogt worden. Hoewel
ook zommige Indigo flegter en fwakker van
verwe is, om dat de Anil, daar dezelve uit
gemaakt word, minder bekwaam en deügd=
zaam vald in het ene landfchap als in het an=
VIT. Deer. F dere;
Dn
825 Natuur-en Konft-Kabinet ;
dere ‚en zelfs in den enen tyd van;het jaar als:
in den anderen. Waaruit ik, oordeel dat de
Lezer nu genoegzaam begrypen kan de oor-
zaak van het groote onder{ícheid dat in de ver-
fcheide zoorten van Indigo gevonden. word.
19. Lod
Al de kuipen , dewelke tot de Indigo-berei-
dery gebruikt worden , moeten gemaakt wor-
den van (teen, die door kalk eu-cement wel
aan, malkanderen;gehegt is. Zommige hebben
dit zomtyds ondernomen in. kuipen van hout,
maar de ondervinding heeft hen ‚tot hun {cha-
de, geleerd dat het hout de fcherpheid van’ het
zap. van de Anil niet kan wederftaan; want
het zap van de Anil of het Indigo-kruit is zo
doordringende en fcherp „dat het zelve door
het hout geheelelyk komt te pezetreren. Waar
uit wy genoegzaam konnen begrypen, dat in
het plantgewas Anil een. uitftekende a@Zivsteit
en fcherpheid. verburgen is. _ Gelyk. ook ge-
noegzaam blykt uit de groote broeijinge, op-
geltinge en verrottinge , die het zelvein de uit-
week-bak komt aan te regten; maar wel voor-
namentlyk aan de onverdragelyke ftank „ de-
welke deze plant onder de bereidinge komt uit
te wazemen; die zelfs zo ongemeen kragtig
en fchadelyk is, dat: de Negers, die nog niet
gewoon. zyn in de zelve te werken, daar zeer
dikwils van komen-te fterven. Zelfs bevinden
daaglyks de arbeiders „ die hier in onze pakhui-
zen, met het ftorten en zuiveren: van de Indi-
go, bezig zyn, aan hunne neusgaten; ia-hun
keel „ in de borft en zelfs: in het hooft,’ dat uit
[ide
re + Jelke NK
Mûart, ——= July, 1722. 83
de Indigo zeer fcherpe deeltjes uitwazemen,
door de welke hunne lichamen dikwils zeer
worden uitgedroogt „ en de vliezen van de bo-
vengemelde delen aangegrepen ; hoewel de e=
ne die ongemakken minder onderworpen is,
_ als de andere, en de ene menfchook veel eer+
der tot het verdragen van de uitvloeizels van de
Indigo komt te gewennen als de andere.
20.
Aansmy is, onder verfcheide proefjes, ge-
geven door den Heer van Tiel, een takje van.
de Anil plant, zo als het zelve van de Heefter
in Weftindiën afgeplukt is gelyk als in Tab,
XL Fig. 1 met A uitgebeeld word. Dittak-
je was by den Heer van Tiel al verfcheide ja-
ren bewaard, en nochtans. zodanig volkomen
_frifch , gezond , ongemytert , en zonder
fehimmel, dat ik niet het: allerminfte gebrek
aan het hout, of aan de peultjes, of aan de;
zaadjes „die in de peultjes befloten leggen;
kan ontdekken. Waar uit de duurzaamheid
en beftendigheid van het;hout„ de vrugt „en ’,
faad genoegzaam komt te blyken. _ Ik hebbe
het zelve naar het leven, en zo groot als. het-
in der daad is, in de gemelde Tab. XL la-
ten uitbeelden. De peultjes BBB zyn donker:
bruin van koleur. Het zaad CG is bruin geel’,
van koleur en gekauwd zynde ongemeen zil-,
tig, en, zeer lang in de mond gehouden. zyn»
de „een opdrogende en zamentrekkende fmaak;,
die een weinigje bitteragtigheid over zich had-
de. Het fteeltje DDD is zeer egaal, dun,
hart en houtagtig. 3:
84 Natuur-en Konft-Kabinet ;
21. |
De Indigo van Sint Domingo is tegenwoors
dig al zeer veel in ’t gebruik, en onder dezel-
ve worden (lukken gevonden ,die uitmuntend
fchoon, zuiver en kragtig van. verwe zyn;
maar ook worden onder dezelve wederom
fltukken gevonden, die zeer flegt, ja zommi-
ge die byna valfch zyn, en de welke vry wat
meer van malkander in waardy komen te ver-
{chillen als anderzints het onderfcheid van de
prys van de Indigo van St. Domingo, nament-
Iyk van 36 tot s6 ftuivers komt te bedragen.
Maar dewyl de kwade ftukken onder de goede
gemengt worden konnen wy wegens het onder-
fcheid, dat gevonden word tu{lchen de befte
en de flegfte St. Domingo, ter wereld geen
ftaat maken op het onderfcheid en den onder-
fcheiden prys der fortimenten. Daarom heb
ik laten uitzoeken alderbefte St. Domingo,
middelmatige St. Domingo, en de flegfte St.
Domingo. Ik hebbe van elks een geheel ftuk-
je, zonder het zelve tot poeder te ftampen ;
gewurpen in fchoon gemaakte, en welgerei=
nigde glaze wynkelkjes, die met regenwater
twe darde opgevuld waren. Ik heb,zonder de
{tof te roeren, dezelve laten {taan twe aren in
de Zon, op den na den middag ten twe u-
reti. Ik vonde geen andere veranderinge van
koleur aan dit koud regenwater, als dat zich
onder op den grond een weinig doorfchynende
geelagtigheid vertoonde, waar door ik ont-
dekte, dat in de Indigo gevonden word een
ftof, behalven de blauwe koleur ;die door wa=
oe ter
"d ned il on
Maart, — July, 1722. Sp
ter opgeloft zynde, een geelagtigheid vertoont,
en dat deze {tof ook. zeer gereet is om zich
met kout water te verenigen, en zich eerder
te laten opioflchen als het blaauw van den In-
digo.
22.
Zo haaft als ik in elk kelkje byzonder met
een fchoon ftukje van een gladde en fchone
_toebakspyp begonde te roeren , fcheide de befte
Indigo van St. Domingo daatlyk van malkan-
der, en het water wierd zeer hoog Blauw van
koleur. Ik liet het geen dat nog niet gefmol=
ten was weder zagtjes na den grond zakken,
en het water wierd helder, enigzints door-
fehynende en fchoon blauw van koleur. De
koleur van dit blaauw trok een tintje naar
het groen, het welk ongemeen veel verfcheeld
van de koleur van deze zelfde befte Indigo, als
zy droog is, en doorgebroken zynde, op zyn
fchoonfte bezien word. Want dan is dezelve
alderfchoonft violet blaauw, of befte paars
van koleur, de welke in der daad zeer aange-
naam voor het oog is. Na dat deze befte [n-
digo van twe uren tot zes uren, dat is vier u-.
ren in het koud water in de Zon geftaan had-
de, en dat noch veel meer koleur in het wa-
ter opgeloft was geworden, was het groene
tintje verdwenen, en het water hadde een vol-
komen blaauwe koleur. Dit groene tintje
was, na myn gedagten, veroorzaakt van het
geel, daar wy van gefproken hebben , want
geel en blaauw maakt-groen. Maar van dit
geel is zo weinig in de Indigo, dat het zelve
’ F aan
86 _Natuur- en Konft-Kabinet,
aan de koleur geen. veranderinge kan geven,
zo ras als de Indigo maar meerder opgeloft
word.
Jel
Na dat de middelzoort van de Indigo van
St. Domingo, insgelyks eerft twe uren in de
Zon geftaan hadde, en wel omgeroerd wierd,
bleef echter het ingeworpe ftukje in deszelfs
geheel, en zulks al vry hartnekkig , zonder
dat het water door dit roeren enige andere ko-
leur kreeg als een alderbleekft en nauwelyks
„kennelyk blaauw. … Maar de flegfte Indigo die
byna valfch was en even lang in het water ge=
ftaan hadde , wilde zich gants niet laten ont-
binden, en gaf aan het water geen andere ko-
leur als het geel daar ík van heb gefproken,
en het welke ik geloof voort te komen van
een muffige en fchimmelagtige ftof die altyd
aan de (tukken Indigo min of meer gevon-
den wordt. „ De middelzoort Indigo hadde
zelfs te zes uren nog. maar een weinig meer-
der koleur gegeven , en liet zich door het roe-
ren met de pyp ook nog geenzints breken, als
maar enige kleine brokjes, die afgeweekt
fchenen te zyn. Maar van de flegfte zoort was
niets. afgeweekt , veel minder liet de zelve
door het roeren met de pyp zich breken , en
gaf ook niet de alderminfte koleur aan het
water , als een ongemeen bleek tintje van
geel, dat naauwelyks gezien konde worden.
24e
Uit deze proeven, van de Indigo uit zich
zelfs
_ Nin Aad
Maart, — July, 1722. 8
zelfs door kout water-te doen oploffchen, kon-
de ik zeer licht het grote onderfcheid van de
Indigo van St. Domingo ontdekken, en ik
wierde ook door deze proeven gewaar, datde
ftof, met de welke zy de Indigo te St. Do-
__mingo vervalfchen ‚geen de minfte koleur aan
_ het koude water, al fchoon ‘het zelve in de
_ Zon ftaat, van zich komt af te geven. Het
_Onderfcheid van de Indigo kan ook zeer wel
___door het gezigt aan de Droge Indigo gezien
____worden. Want als de befte Indigo doorge-
_ broken, en van binnen gezien word, vertoont
de zelve een ongemeene fchone viool-ko-
leur, als de middelzoort word doorgebroken
wel blaauw , maar veel minder purper of
___paarfch. Maar als de flegfte zoort doorge-
__broken word, is de koleur die van buiten
‘blaauw is, om dat zy by de beter zoorten
vermengt gelegen heeft, van binnen fwart-
agtig en onaangenaam voor ’t gezigt.
25.
‚ Door de {waarte kan de Indigo ook zeer
wel onderfcheiden worden. Want de alder-
befte is zeer ver de ligfte en de middelzoort
volgt daar aan, maar ‘de flegfte is rna
fwaar en zo hart als zagte fteen. - T'oen ik
het droge. ftukje van de befte Indigo in het
koude regenwater kwam té werpen dreef het
zelve zeer luchtig en ook omtrent een mi-
nuit van een uur lang. Als ik het zelve na
den grond kwam te (toten ging het van zelfs
wederom na boven;-tot dat het eindelyk
doorweekt van water {cheen te zyn en ook
11 F 4 on-
88 _- Natuur- en Konft-Kabinet,
ongemeen veel lucht-bellen hadde uitgelaten,
wanneer het na den grond zakte. Het ftuk-
je van de middelzoort dreef omtrent de hon-
derfte gedeelte van een minuit op ’t water
en ging toen daatlyk na den grond van het
glas. Het ftukje van de alderflegfte St. Do-
mingo zonk , in ’t water geworpen zynde,
daatlyk als een fteen na den grond. De deugd
van de Indigo kan ook gekent worden aan de
fchimmel met de welke de Indigo-ftukken
uitwendig befchimmelt zyn. Het is aan de
Indigo zeer eigen van buiten aan fchimmel uit
te werpen. De bete Indigo werpt de meefte
fchimmel na buiten. Het fchynt dat de min-
der zoorten niet zo togtgatig en ligt zyn, om
deze deeltjes door te laten ,„ of het fchynt
dat in de mindere zoorten minder van die
vlugge en zeer fyne fchimmel-deeltjes zyn.
Ook is de fchimmel van de befte Indigo de
witfte van koleur. Op de alderbefte ftukjes
zet zich een {chimmel, dat zo wit is als
fneeuw , en het welk op de Indigo legt als
een fyn meel, of zeer witte blom. Zodanig
een witte Bloem zien de kooplieden van den
Indigo liever, als dat de fchimmel van den
Indigo zeer fchrael, dun of van een graauwe
koleur is. Want deze zeer witte bloem geeft
te kennen dat de Indigo zagt, fyn, vet, wel-
gevoed, zuiver en vol koleur is; daar de an-
dere {chimmels een fchraalheid van den Indi-
go betekenen.
26.
Des avonds ten 1o uuren, na dat de flegte
en
k
Maart, Julys 1722. 89
en middelmatige zoort van Indigo 8 uren te
_ weken geftaan- hadde, gaven zy nog geen het
___minfte afverfzel aan het water, daarom goot
__ik op het ftukje van de flegtte Indigo kokend
water in een thekopje, waar door het zelve
week wierd, en zich door een {tampertje van
yzer aan tuk liet vryven, zich met het water
kwam te vermengen , en aan het zelve een
_fwarte Blaauwe koleur kwam te geven. _ Ik
__ bevond dat zo ras als de Indigo in het kokend
__ water ontbonden was geworden, de zelve een
‚zeer onaangename reuk en walgelyke (tank
nit gaf, het welk ík in alle de zoorten van
Indigo en zelfs in de belte ondervonden hebbe.
Deze ftank is een eygen reuk, en kan nergens
‚ by vergeleken worden, als na. de kuipen der
blaauwverwers, en na het blaauwe linden, net
welk noch eerft varfch geverwt is. Ik goot
dit hoog aftrekzel van de flegfte Indigo weder-
om by het koude water, in het kelkje daar dit
ftukje Indigo niet in hadde konnen fimelten,
om te ondervinden of de koleur , ín het kou-
de water gewurpen en geheel kout geworden
zynde , ook wederom zoude nederftryken na
den grond, en het water of helder , of ten
-minften weinig afgeverwd zoude nalaten, ge-
Iyk als wy omtrent veel koleuren zien gebeu-
ren, de welke in kout water zonder loog niet
konnen opgeloft, of verenigt worden, en door
de hette des vuurs verenigt zynde, wederom
„naar den grond zakken, zo ras als zy koud
worden, en uit het water vertrekken na den
grond, zo ras als zy van het vuur en van de
hette ontbloot worden. . Maar niet tegenftaan-
F s Pi de
99 _ Natuur-en Konft-Kabinet, |
de veel grove en ongefmolte delen uit dit af-
verwzel wegzakten na den grond, bleef echter
het water enigen tyd zeer hoog blaauw „en vry
wel gefatureert. Waar uit kwam te blyken,
dat de flegite Indigo niet gelyk als de befte ,
zich in kout maar wel in kokend of zeer heet
water wilde laten ontbinden en oploffchen.
Naderhand goot ik ook op de zelfde wyze ko-
kend water op de middelzoort van de Indigo
St. Domingo, maar ik hadde byna de zelfde
uitkomft , als met de eezfte zoort, en bevon-
de dar ik ook een zeer flegt ftukje uit het mon-
ftertje van de middelmatige zoort van Indigo
aangetroffen hadde.
27
Naderhand heb ik zeer zagtelyk al het wa-
ter of afverwzel afgegoten van de befte Indií-
go, en ik bevonde dat dit afverwzel, het welk
uit de befte Indigo getrokken was, alleenlyk
maar met kout water „in dentyd van agt uren,
dat was van twe uren tot des avonds ten 1o
uren, veel hoger van koleur, en meer verza-
digt was, als de afverwzels van de twe bo-
vengemelde zoorten, die door kookend water
ontbonden waren. Op de ftof die niet ge-
{molten was, en op den grond van het kelk-
je leide, goot ik (dezelve in een thekopje ge-
daan zynde) een weinigje kokend water, in
het welke de zelve daatlyk met een weinigje
vryven van het yzeren ftampertje kwam te
fmelten voor het groot{te gedeelte. Ik goot
dit by zyn eigen afverwzel wederom. in het
kelkje,en bêvond dat dit afverwzel ongemeen
: fwaar
ns
nt ee
8 ATOMEREON 0
k Maart, —— Julyy 1722. Or
__fwaar verzadigt was, endat in deze befte zoort
| ongemeen veel meer koleur was als in de twe
__boven gemelde zoorten.
\
} 28.
____Na dat deze drie zoorten van Indigo van St.
Domingo in het regenwater nog in ’t geheel
te week geftaan hadden 24 uren, was de ko-
leur van de middelzoort en flegfte zoort meeft
wit het water en na den grond weg gezakt,
_zynde in het water maat overgebleven een zeer
fchraal afverwzel, elk na mate van deszelfs
deugd. Dit afverwzel was na verloop van 5
‚dagen ook geheel na den grond gezakt, en het
„water van deze twe zoorten byna klaar en wit
_ geworden. Waar uit kwam te blyken, dat
__deze twe zoorten van Indigo zeer flegt waren,
__en dat het water niet gekoleurd was geweeft
__door een gefimolten zapagtigheid , maar alleen-
lyk door een zeer fyn poeder, het welk door
de hette van het vuur was opgeheven, en om
deszelfs ligtheid en fynheid in het water hadde
gedreven „en op die wyze een koleur vertoont,
zo langê tot het zelve allengskens wederom
geheel na den grond gezakt was. Maar in de
befte zoort was de blaauwe koleur niet alleen
volftandig blyven ftaan , maar zelfs nog meer-
der geworden. Waar uit blykt dat de regte
Indigo zich met het kout water zonder enige
toezetting van loog of fcherpigheid zeer wel
komt te verenigen.
29:
Om te onderzoeken of de Indigo van een
zuur=
9x __ Natuure en Konft-Kabinet,
zuurtemperende of alkalyne hoedanigheid was,
heb ik een lepel van het afverfzel of tizciuur
vande befte Indigo gegoten in een ander {choon
kriftallyn kelkje. En om dat deze tinduar,
gelyk als boven gemeld is, zeer gefatureerd |
en fwaar van koleur was, heb ik by de zelve}
gegoten twe lepels zeer zuiver en helder regen- |
water, om de #:zêuur te verdunnen. Echter
bevond ik de blaauwe koleur nog zodanig
fwaar, dat dezelve nog niet geheel doorfchy-
nende was. Waar uit ik ontdekte dat het re-
genwater ongemeen veel blaauw afverfzel van
de Indigo kan dragen, en in zich verfwelgen.
In dit verlengde afverfzel ftortte ik vyf drup-
pels oly van vitriool die ongemeen kragtig en
{waar was; maar ik leerde tot myn verwon-
dering, en geheel buiten myn verwagtinge „dat
de blaauwe koleur van deze zeer fcherpe, by-
tende en alderwreedfte oly niet het alderminfte
kwam te verfchieten of te verkleuren. Waar
uit ik ontdekte; dat in de Indigo geen alkalyn
wezen ontdekt wierd; 2. dat de Indigo onder
de wrange en te zamentrekkende wezens be-
hoort; 3. dat de Indigo is een zeer vafte ko-
leur, en zeer beftendig voor de lucht, en voor
de zure Vitrioolagtige en zure Sulferagtige de-
len, die zich gemeenlyk in de lucht bevinden,
en noodwendig boven alle andere koleuren
kan beftaan. Ik liet dit onveranderde afverf- _
zel een half uur ftil ftaan, maar toen bevond
ik dat enige delen naar den grond waren ge-
pretipiteert. Waar door het tinluur zo veel
echter maar verdunt was geworden, dat het
zelve nu eenigzints doorfchynend blaauw was.
In
Maart, — Jul, 1722. 93
vee
In dit zz uur nd ik enige druppels fter-
_ke loog van pot-as, om de zure delen van de
__oly van vitriool op te lofzen, en te ondekken
welk een verandering deze zeer kragtige loog
‚zoude toebrengen aan de blaauwe koleur.Maar
de loog van pot-as was van geen andere uit-
Werkinge, als dat zy de ftof die naar den grond
\ geprecipiteert was door de oly van vitriool,
weder naar boven dreef en de koleur een wei-
pigje blaauwer maakte. Ik goot in een ander
glazen kelkje een lepel vol van het kragtige
#ndluur van de befte Indigo dat door water
uitgetrokken was, zonder het zelve te verlen-
gen of te verdunnen. Hier by ftortte ik zeer
‚ veel van de fterke loog van pot-afch, maar de
‚zelve maakte geen verandering in de hooge
_ blaauwe koleur van dit gefatureerde afverfzel.
_ Waar uit openbaarlyk kwam te blyken, dat
__de Indigo-koleur ook zeer beftendig is tegens
_ de Alkalyne en zuurbrekende zouten, en dat’
de blaauwe koleur van de Indigo ook zelfs
zeer beftendig moet zyn in die varfche luchten
de welke met veel fyne zuurbrekende of Al-
kalyne delen bevrugt zyn.
ker Ie
Kn Aeit de" Bbvcheemidlde proef-ondervinding
ontdekken wy ook, dat de Indigo een zeer
byzonder wezen uit de plantgewafzen is ,want
als ín de uitgetrokke blaauwe zappen uit bloe-
men of kruiden , het zy van violen, van het
kruid Orfeilje, of de Lakmoes, of he; ve
A EDE=
94 _Natuur= en Konft-Kabinct,
kebeziën, of van deze of gene blaauwe bloe-
men, ingedrupt word een loog van pot-afch,
worden zy groen ; gelyk ook zelfs de meette
zappen van de bloemen of kruiden, van wat
koleur zy ook mogen zyn. Maar als in de
blaauwe zappen ingeftort worden oly van vi-
triool, of van zure geeft van falpeter , of van
fwavel, of van keuken-zout, of andere fwa-
te mineralifche ture geelien , worden deze
zappen rood. Naar welken regel het blaauw
uittrekzel van den [ndigo, door het inftorten
van de oly van vitriool, rood , en door het
inftorten van de loog van pot-afch groen
hadde behoren te worden. Waar door ook
enigzints beveftigt word dat de blaauwe ko-
leur van den Indigo geen gewrogt van de
vegetatie of het uittrekzel van den Anil of
het Indigo-kruid is , maar dat deze blaauwe
koleur in dit zap naderhand voortgebragt
word, en een gewrogt is van de rottende
geftinge , en het flaan daar ik van gefproken
hebbe. Waar door wy de oorzaak een wei-
nig beter konnen zien, waarom de Indigo
zo zeer byzonder is in vergelykinge van de
andere blaauwe zappen der overige plantge-
waflen.
\ x.
Ik goot le Eej. lepel vol in een an-
der fchoon glazen kelkje van het zeer kragti-
ge tinétuur van de befte Indigo , en verlengde
het zelve met twe lepels fchoon regenwater.
In dit verlengde #induur deed ik een matige
hoeveelheid van Aluin, die in regenwater ge-
Ímol=
AA
VI LTN
| Maart, —= Fulysr7i2. op
fmolten, en door een kladpapier gelekt was.
_ Maar de Aluin gaf ook zeer weinig verande-
ringe aan de blaauwe koleur; als dat deszelfs
doorfchynendheid daar door een weinigje wierd
opgeheldert „en. de dofheid van-het blaauw een”
weinigje weg genomen. Waar toe ook ge-
woonlyk den Aluin van de verwers gebruikt
… word , om de dofheid der koleuren en verf-
_ ftoffen, by de welke de aluin te pas komt, op
te helderen en deftoffen tedoen aangrypen, Uit
deze proef blykt ook klaarlyk dat de blaauwe
_ koleur vande’ Indigo de kragt van-den aluin
wederftaat; het welk zo zeer. niet te verwon-
_ deren is,om dat zeer veel verfftoffen den aluin
__konnen verdragen, maar den: aanval van de
pot-afch „ «en oly van vitriool ongekreukt te
konnen verdragen, is van veel belang in verf-
ftoffen die van plantgewafzen bereid worden;
B ah
Wy ondervinden cat de wittrekzels met-wa=>
ter van zamentrekkende plantgewafzen, gelyk
als-het afziedzel van de gâlnoten van eyken=
bladeren of het afziedzel. van de fchors van’
eykenhout het trekzel vansthe; van {umaâch;,
en diergelyke: zamentrekkende-ftoffen „daat="
lyk in een {warten Inkt veranderen „zo ras als
daar by gegoten word vitriool die in water is
gefimolten; en dewyl de Indígo’ een zaimen=”
trekkende {maak heeft, goot ik. een lepel vol.
van het -meergemelde hooge tinduur vande"
befté Indigo-van: St. Domingo ineen poftelei=*
ne kopje; zonder het zelve met: water te vere”
lengen.” -Ik-ftortte in dit kopje énige druppels:
Add, groes
96. _Natuur- en Konft-Kabinei ;
groene vitriool van yzer die in regenwater ge=
Ímolten was, maar het tizéiuur van de Indi-
go wierd niet fwart, maar begon te fchifteny .
en binnen enige minuten wierd het zinéfuur
geheel klaar water, en de Indigo, die in het
zelve gefmolten was geweeft, zakte op den
grond van het kopje in de gedaante van een
dik en drabbig poeder. De delen van devi-
triool hadden de delen van den Indigo aange-
grepen, de welke malkander omhelft hebben-
de hun water verlieten en na den grond zak-
ten. Jk goot het water dat helder en klaar
was zagtelyk boven van het poeder af, in een
ander kopje , en bevond dat het poeder zyn
blaauwe Indigo koleur wel niet geheel verlo-
ren hadde ,maar dat het zelve echter veel don-
kerder en als een blaauwagtig groen, het welk
morzig is en na den fwarten trekt, was ge-
worden. Ik goot het water, dat in een the-
kopje van het poeder afgegoten was , weder-
om op het poeder, en ftortte in het zelve eni-
ge druppelen fterke loog van pot-afch. Hier
door wierd het poeder dat op den grond lag
wederom aangegrepen, en liet zich wederom
met het water mengen, maar niet op de wyze
van een Zinc uur , maar als een drabbig groen
zap, in het welke de Indigo verfpreid en ver-
deelt was in zeer kleine en ligte deeltjes, die
om hunne ligtheid nu niet langer op den grond
bleven leggen , maar door het gehele vogt
kwamen te dryven, maar op een wyze dat ik
oordeelde dat de zelve allengskens wel weder-
om het water zouden verlaten en nadengrond
gaan; gelyk als ook binnen twe minuten ge-
N fchied«
\ „bd
ki
ki
|
"
Eke Koch A
„Maart, mm fal, i722. “97
fchiedde zals wanneer het water wederom klaar
was, en ‚op den grond een zeer ligt en bewe-
gelyk. poeder, dat zeer groen van koleur was,
nedergezakt was. «Dit poeder was veel fyn-
der van delen en ookveel lichter als het eerfte,
ter noch de pot-afckr in het zelve ingeftort was;
want op de minfte fchuddinge en beweginge
van het kopje liet het zich met het water men-
‚gen, en vertoonde een groen en drabbig #7
uur. … Om dat de pot-afch de vitr'ooldelen
en deszelfs zuur had aangegrepen , en daar
door de Indigo-deelen voor een gedeelte van de
vitriool-deelen waren ontflagen. Na dat dit
gezonken poeder twaalf uren geftaan hadde,
_was eindelyk de blaauwe koleur geheel veran-
dert in een groene koleur, en enige delen als
van yzerroeft. Ook gaf het poeder een reuk
van zich gelyk als het yzer, wanneer wy op
het zelve pot-afch water, of andere zuurtem-
perende vogten komen te gieten, die voortge-
bragt wierd door de werkinge van de pot-afch
op de vitriool vam yzer.
4
Door deze proef Der wy de oorzaak
ontdekken waarom de fwartverwers hunne
befte ftoffen die fwart geverwd moeten wor-
den, eerft blaauw verwen: Want om dat de
vitriool , die in de fwarte verwen is, zo gre-
tig op de Indigo aanvalt ; ende zelveomhelft,
is het niet te verwonderen dat de fwarte verwe
wonderlyk wel aan de ftoffen komt te hegten,
op een blaauwen grond ; behalven dat nog de
Indigo. de vreedheid Rn de fwarte verwe e-
8 : nig=
-98 Natuur en-Konft-Kabinét,
nigzints, verzagten’te gemoet komt; in zo
verre als dezelve de fcherpheid van de vitriool,
door des zelfs omhelzinge, komt te breken;
gelyk als de. fwart-verwers ook wel gewent
zyn een ligte roden-grond in de plaats van
een blaauwen te leggen op de ftoffen „de
welke zy fwart verwen, of dat zy Brafilien
hout, af ander root verwhout gebruiken on-
der het fwart verwen , om de vreetheid van ,
de vitriool en galnoten te verzagten. -
í8 35.
> Om te onderzoeken op welk een wyze
de vlugge en alkalyne pis-zouten zich komen
te gedragen omtrent den Indigo, heb ik ge-
goten een lepel vol van het meergemelde _
fware tinttuur van de befte Indigo van St.
Domingo in een fchoon glaze kelkje,en heb
het-zelve verdunt met twe lepels vol regen-
water y «in zo verre, dat dit fchone blaauwe
tinctuur byna doorfchynende was geworden.
Ik ftortte in dit verdunde zinuur. een. wei-
nigje vlugge geeft van Armoniac-zout, maar
dit gaf geen verandering aan de blaauwe ko-
leur.» als dat het:de-doorfchynendheid een
weinig -benam „gelyk: de piszouten gewoon-
lykr de,afverwzels „der verfltoffen wel een
weinigje, troebél maken. … Ook ‘hadde: dit
vlugge zout in destiaëzar verwekt een reuk ,
die enigzints na,devreuk: van rozen fweemde.
Ik ftortte hier byzenige, druppelen zeer goede
en zure-geeft van fälpeter , het. welk de zin&uar
wel. een weinig, ‘wederom ophelderde >maar
geheel geen nadeel aan deszelfs blaauwe koleur
ie kwam
€ 8
VET Gi
_ Maart, —— July; 1722. «99
kwatn toe te brengen. Waar uit de beftendig-
‘heid van de blaauwe koleùr van de Indigo o-
penbaarlyk kwam te blyken. Want de ande-
re verfitoffen zouden alle deze zure geeften,
_en kragtige en fcherpe zouten op geenderhan-
de wyze, met zo weinig veranderinge , kon-
nen uitftaan. Gelyk als by voorbeeld de rode
koleuren vande Gonchenilie, Karmozyn-beyen,
rode houten, Chineefe Lak-verw „of de fwar-
te koleur van vitriool met galnoten, Sumach,
the of andere te zamentrekkende bladeren,
vfugten, fchorzen enz. of zelfs ook de ande-
_re blaauwe koleuren van Lakmoes, of Orfeil-
__je, of violen, krakebeyen , alderhande blaau-
we bloemen, of de bruine en gele koleuren,
_ dewyl deze door het byvoegen van de boven-
gemelde zure geeften en {cherpe zouten, zeer
veel veranderingen omtrent hun koleur onder
_ worpen zyn.
$
| N 6.
„Onder de zure pre ‚ de welke zeer krag-
tig zyn. om de koleuren uit te wiffchen „
of ten minften te veranderen, word niets zo
vermogende „gevonden als het fterk water,
Daarom ftortte ik een lepel van het fware tiz-
&uur van de Indigo wederom op nieuw in een
fchoon glaze kelkje, en zonder het zelve mét
water te verlengen ftortte ik in het zelve ryke-
lyk veel feer fcherp ftark water of agua fortis;
maar de blaauwe koleur bleef even beftandig
alste voren. Het welk ik niet geloof dat by-
‚_ na een enige koleur ter wereld , zodanig als
‚__de Indigo zoude konnen uitftaan. Waar door
GA wy
roo …Natmur- en Konft-Kabinet ,
wy ontdekken dat wy ons nu niet langer be-
hoeven te verwonderen over de beftendigheid
van de blaauwe koleur die met den Indigo ge-
verwd word.
37°
Onder de vlugge delen en zouten die ín de
plantgewafzen gevonden worden „is een zout,
het welke wy kers-zout noemen, en het wel-
ke gevonden word in kruiden die tegen de
fcheurbuik gebruikt worden , gelyk als de le-
pel-bladen’, de tuin-kers, de water-kers, debe-
keboom enz. Dit zout is wel zeer hitzig, maar
ook zeer ligt, vlug en fyn ; want als deze
kruiden gevreven of geftampt worden, verlie-
zen zy dit kerszout zeer fchielyk, dewyl het
daatlyk vervliegt. Ik was nieuwsgierig om te
weten hoe zig dit zeer ligte en vlugge zout
zoude gedragen met een wezen dat zo beften-
dig en te gelyk zamentrekkend ís als-de Indi-
go. Ik goot wederom op nieuw een lepel
van het bovengemelde kragtigetizétuur vande
Indigo in een fchoon glaze kelkje, en ftortte,
zonder het zelve met water te verdunnen,daar |
in een goede hoeveelheid zeer kragtige geeft
van lepelbladen, die met voorloop van bran- «
dewyn gediftilleerd was. Maar ik ontdekte «
niet de allerminfte veranderinge aan de blaau-
we koleur van het fchone #zénur van de In-
digo. Niet tegenftaande verfcheide andere
verfltoffen , die uit plantgewafzen bereid zyn,
zigtbare veranderingen en ophelderingen door
den voorloop van brandewyn onderworpen
zyn. Ik verwagtte van het vlugge kerszout
der
Ef OENE) RAMON Nl 4 t 5
— Maart, —— Súly, 1722. ref
_ der lepel-bladen wel geenzonderlinge verande-
__ringe omtrent de koleur. van de Indigo , maar *
_… wel enigzints omtrent den reuk. Het welk
_ Echter niet gebeurde, als dat de reuk van de
__depel-bladen uit het #nuur van de Indigo veel
_ eerder was verdwenen, als uit een evengelyk
_ gedeelte water, in het welke ik in een ander
__the-kopje de zelfde hoeveelheid van geeft van
8 lepel-bladen ingeftort hadde, in het welke de
_ reùk nog zeer lang was overgebleven , na dat
de zelve al zeer lang uit het afverwzel van
de Indigo vertrokken was geweeft. Even
als of het kers-zout zich zo wel met het ge-
fatureerde Indigo-tin&uur niet konde vereni-
_ gen als het zelve nog wel voor enigen tydzyn
_ Verblyf kwam te houden inhet fchoon regen-
_ water.
38.
Het gebeurd zomtyds dat de vegetabile‘zu-
ren, als by voorbeeld de Azyn, het zap van
Citroenen, aalbeffen, appelen, zuringe, drui-
ven en andere zure vrugten of kruiden, op
zommige zaken komen te werken , dezelve te
verbyten, of te ontbinden , daar dikwils de
minerale zuren, als de zure geeft van vitriool,
_ van gemeen zout, van fwavel, van zalpeter,
of de Clyffus van Antimonie enz. minder
magt op komen te oefenen. Om dit, ten op-
zigte van den Indigo ,te onderzoeken ftelde ik
twe fuïvere glaze kelkjes, en goot inhet eene
twe lepels vol fchoon regenwater , eri in het
andere twe lepels vol helder Citroen-zap , het
welk ik zo nT uit een friffche Citroen
In 3 ge-
zoz Natuur-en Konft-Kabinet,
_ gedrukt hadde. In elk kelkje goot ik vervol-
gens een lepel van het dikwils gemelde krag-
tige tindinur van de befte Indigo ; maar beide
de tinAuren waren egaal blaauw van koleur,
als alleenlyk dat de #ztiuur met het Citroen-
zap niet zo doorfchynende en helder was als
die met het water. Het welk veroorzaakt
wierd door de dofheid van het Citroen-zap,
Anderzints was de blaauwe koleur in beide
van een en de zelfde hoogte van tint; hebbene
de vervolgens de blaauwe koleur van de Indí-
o niet het allerminfte geleden door dit zeer
yne en kragtige vegetabile zuur , namentlyk
het Citroen-zap : het welk echter zeer weinige
koleuren (gelyk als na dezen, als wy over
andere verf{toffen komen te handelen , nader
zal blyken ) konnen uitftaan, en waar uit wy
‘een uitmuntend bewys trekken van de beften-
digheid en de vaftigheid van de blaauwe ko.
leur van den Indigo.
Alfchoon ik een ad een zeer vermaart
pis-zout, namentlyk de geeft van het zout van
Armoniac, een proef op den Indigo genomen
hadde, wilde ik echter zulks noch eens nader
onderzoeken met de pis zelfs. Ik ftelde twe
zuivere glaze kelkjes, en goot in het ene vier
lepels fchoon regenwater , en inhet andere
vier lepels wel gekookte en hoog geel geko-
leurde Menfche-pis. Ik goot in elk kelkje
een lepel vol van het dikwils gemelde {ware
tinbuur van de Indigo. Maar het was zeer
Sangenaam om tezien, dat het Indigo-ziz& var,
Ì het
FAD
__ Maart, Ju 1722. 103
het welk in de pis gegoten’-was,- bleef hangen”
_ inhet bovenfte gedeelte van de ‘pis „ omtrent.
tot een breedte vantwe Linien of een zesde van
een duim, terwyl ondertufichen het andere
gedeelte van de pis geheel helder en klaar was
gebleven. « Daar in tegendeel de Indigo-tin-
Enur die in het water geftort-was daatlyk zich
door het gehele water kwam te verfpreiden. Ik
bewoog het glas van de pis enige reizen van.
de laagte naar de hoogte, waar door de:{terke.
Indigo-tinduur , in de gedaante:-van wolkjes,
wel naar beneden gedrongen wierd ,: maar el-
_ ke reis wederom, en zulks ook al zeer fchie-
_lyk, naar boven klom.
o.
De oorzaak van ie verfchynzel is, om dat
de Indigo zeer ligt is, en zo lang als de zelve
droog is op het water als kurk komt te dry-
ven. En dewyl nu de Indigo-®inâuur een by=
zondere wezens-band hadde aangenomen door
den langen tyd , in den welken de Indigo in
het zelve gefmolten was, kwam dit zindluur
te dryven op de pis, die wederom een andere
‚ wezens-band hadde met ‘deszelfs loogzouten;
waar door de pis ook fwaarder van gewigt was
als het #:7@ uur van Indigo dat op het zelve als
een blaauwen rand bleef ftaan. Als ik door
dezen rand horizontaal door zag, was de ko-
leur volkomen blaauw, gelyk als de fterke
tinétuur van de Indigo ; maar als ik van boven
in het glas door dezen rand na den ‘grond van
het glas kwam te zien „ fcheen alles tot inden
bodem van het glas zeer fchoon groen. „het
| G 4 welk
zo _Natwar= en Konft-Kabinét,
welk veroorzaakt wierd van de gele koleur
van de pis, en de blaauwe koleur. van de In-
digo die op de pis kwam te dryven. Want
blaauw en geel maakt groen. Dit zelfde zult
gy zien gebeuren, als gy een pikdonkere ka-
mer maakt, en een rond gat in een vengfter
boort, door het welke het ligt alleenlyk maar
kan doorgaan. Zo ras als gy voor dit gat een
blaauw glas ftelt zullen, als gy daar door
komt te zien, al de voorwerpen buiten op de
ftraat blaauw fchynen. En als gy op dit blaau-
we glas nog een glas , dat geel is, komt te
plaatzen, zullen alle de voorwerpen die gy
daar door ziet groen fchynen. Na dat nu de-
ze pis met de rand van de Indigo zonder het
minfte te veranderen een geheel uur geftaan
hadde, roerde ik met een lepel dit mengzel
ondet malkander. Waar door de wezens-band
van elk in zo verre verbroken wierd, dat zy
te zamen mengden en een zeer fchoon en
doorfchynend groen tizcuur uitmaakten.
L.
Uit de bovengemelde proef ondervindin-
gen is nu de deugd en beflendigheid van de
blaauwe koleur van de befte Indigo genoeg-
zaam gebleken , maar behalven deze proeven
gebruiken de kooplieden van de Indigo ook
nog een andere manier om de waardy en deugd-
zaamheid van de Indigo te ontdekken , na-
mentlyk door het vuur. Zy leggende Indigo
op het vuur , en als de zelve geheel weg brand,
nemen zy zulks voor een teken dat de Indi-
go opregt is. Maar indien de Indigo geheel
geen
OAT Rs RT Urd aen
PN Hili
N
Pd
ze Maart, — Julys 1722. 109
wdd 5 /
en vlam vat, of dar dezelve een f'waar caput
_mortuum of uitgebrande ftof overlaat, oordee-
‚ Yen zy dat de indigo of geheel ondeugend of
vervalftis. Ik leide om deze proef in de befte
indigo van St. Domingo infgelyks ook aante
_ftelien een ftukje indigo van tien grein op een
brandende en vlammede kool. Zoo ras als
_de indigo vlam vatte gaf dezelve een zeer fwa-
ren Rook uit, die voor een gedeelte blaauw ,
en voor een gedeelte rood purper van koleur
… was, en een zeer {waren onaangenamen ftank
_ hadde, Deze ftank of reuk kan genoegzaam
_ nergens by vergeleken worden , als by den
__fwaren reuk van de blaauw kuipen , of by het
linden , dat nog vars met indigo blaauw ge-
geverwd is. De indigo vatte wel vlam , zo
lang als dezelve in de vlam van het vuur was,
en veranderde eindelyk in een gloeyendekool,
die echter niet zodanig beftendig was, dat de-
zelve in zyn geheel bleef, maar door het aan-
raken viel dezelve van malkander. Om dit
noch nader te onderzoeken, hield ik een ftuk-
je indigo in de vlam van de kaars , het welk
infgelyks vlam vatte, en ook met een zeer
witte vlam brande , zo lang als het zelve in
de vlam gehouden wierd , maar zo ras als het
zelve te rug uit de vlam van de keers gehaalt
wierd, ging de vlam daatlyk uit, niet in ftaat
zynde om uit zich zelfs de vlam te voeden. Het
gedeelte van de indigo dat op deze wyze ver-'
brand was , hield ook geen gloeyende kool ,
maar verroonde een uitgebrande donkerbruine
ftof, en daar het zelve een fcheidinge maakte,
tuffchen de onverbranden indigo van het zelfde
G s ftuk-
zo6 Natuur-en Konft- Kabinet,
ftukje, vertoonde zich een purperagtige roden
kring, de welke zeerglintterdeen blonk. Dee.
ze gliniteringe. wierd veroorzaakt van een groot
getal kleine deeltjes, die als robynpuntjes uit-
ftaken , zynde elk puntje zo klein als de punt
van een fyne naald. De uitgebrande kool van
de indigo fcheide ik met een zeer dun mesje van
de onverbrande indigo af, het welke. zichzeer.
licht lietaffcheiden, en viel by het gemeldero-
byn koleurig ringetie af , opeen wit papier „.
het welke ik daar onder gelegt hadde. _ In het
nedervallen brak de kool in zeer kleine ftukje,
die omtrent van grote ware als de korrels van
zeer fyn buskruit , en ook omtrent zoo hatd.
Ik wierpdeze uitgebrande korrelties wederom,
op een kool vuur, van de welke de as was
afgedaan , op dewelke dezelve wel gloeynd
wierden , maar echter hunne hardigheid zeer
lang behielden. Ik vreef dezelve met een zeer
klein mesje zeer fyn op de kool , maar dezelve
veranderde doorhetvryven wel ineen poeder
dat bruin van koleur was ‚, maar verteerden niet
als voor den tyd van 3 minuten toen alles in
een donkere as verandert was. Waar uit ge-
noegzaam komt te blyken dat deeze befte in=
digo van St. Domingo niet geheel weg bran-
dede maar een matige hoeveelheid van Caput
mortnum kwam na te laten.
Is.
Ik nam een ftuk van een dragma van de
flegíte zoort van de indigo St: Domingo, en
hield het zelve in de vlam vande kaars, maar
het wilde geen de minfte vlam vatten, doch
gaf
Maart, =— July, 1722 107
f cd zich een onverdragelyk ftank , dievol-
omen en geheel met de ftank van de befte
indigo over een kwam. Ik leide dit ftuk ‘op
_een brandende kaol , daar het zeer lang lag te
„ Ímeulen, maar geen vlam vatte , en gaf een
_ftank uit die zich door het. gehele huis ver-
_ fpreide, Na verloop van twee minuten , gaf
_ dit ftuk geen meer rook noch ftank van zich
1
… af, enlwas verandert in een fwarte en harde
«kool , byna van gedaante als een uitgebrande _
__fmitskool. Ik nam deze kool die gloeyend
was met een klein tangetje van het vuur , en
_ leide dezelve op een koude yzere plaat omte
verkoelen. Zo lang als de rook van dit ftuk
_ flegfte indigo kwam te duren was de reuk
van de ftank tot het laafte toe volkomentlyk
egaal met de ftauk van de rook van de alder- —
befte indigo , maar het caput mortuum was
eindelyk zo fchoon uitgebrand dat in het zel-
ve niet de alderminfte reuk meer overig was.
Toen het caput mortuum kout geworden was;
vond ik het zelve nog in zyn geheel , en zo
hard dat het zich zonder van malkanderen te
vallen genoegzaam liet behandelen: ik konde
egter het zelve vryven op een wit papier. En
om te ondekkenof ook zand onder het zelve
gemengt was, kaauwdt ik een gedeelte van!dit
poeder tuflchen de tanden, maar fchoon het
zeer knarfte, ondekte ik echter dat geen zand
onder deeze {tof gevonde wierd. Maar dat
de Rof beftond in een fmakeloos, en aardag-
tig ligchaam , dat ongemeen vreet en té za-
mentrekkende was. LAD
16,
to8 Natuur- en Konft-Kabinet, Lj
16.
Uit de ftank en ’t caput mortuum van dee-
flegte indigo bemerkte ik genoegzaam, dat de
flot, daar de indigo te St. domingo medever-
valfcht word , niet anders is als de droezem
van de indigo die ondeugend en kwalik uitge-
vallen is, te meer om dat dit caput mortuums
na lang op een kool vuur gelegt te hebben.
kwam te verteeren in een afagtig wezen. Het
welk niet zoude gefchied zyn , als het zelve
in een onverbrandelyke aerde , of zand hadde
beftaan. Maar alfchoon die van St. Domingo
hunnen indigo nu op deze wyze komen te
vervalfchen , namentlyk met onder de befte
indigo een meer of minder hoeveelheid (tuk-
ken van de flegfte ook wel middelmatige in-
digo te werpen, zyn daarom de middelen door
dewelke de Indigo vervalfcht word niet over
al de zelfde. Want de Indigo-Bouwers van ver-
fcheide plaatfen onder het gebied van de
‚ grooten Magol, laten dikwils hun nat Indi-
go grein, in de plaats van in houte bakjes ,
gelyk als wy befchreven hebben , drogen op
het zand , waar door zich vry wat zand
in deze blauwe verfltof komt in te wik-
kelen. Waar door zy het gewigt van den
Indigo merkelyk weten te doen vermeerde-
ren. Maar de Indiaanfche en andere Koop-
lieden, dewelke tot Suratte, Bengale, en in
verfcheide andere plaatfen den Indigo kopen,
zyn in tegendeel ook afgeregt op proeven die
dit bedrog komen te ontdekken.
Om
_ Om de beftendigheid van de blauwe koleur
__van den Indigo nog nader te onderzoeken ‚heb
ík nog verfcheide andere proeven, mer dezelve
__gedaan , door de kragtige tinduar te werpen
_ in Brandewyn, in Wyn-Azyn, in Olie van
_terpentyn; menfchen-quyl, in gefmolten Ar-
‚mmoniac zout , en nog in verfcheide andere
_floffen, in dewelke anderzints een grote kragt
en vermogen om de ligchamen te ontbinden
en te veranderen befpeurd word. Maar de
_ Veranderingen dewelke deze alle aan de be-
__ftendige en vate blaauwe koleur van de In.
digo toebragten waren zo gering , dat de zel-
ve niet waardig zyn vm aangemerkt te worder;
als alleenlyk in de Franfche wyn. Ik ftelde
twe zuivere glaze kelkjes; in het eene kelkje
goot ik twe lepels vol regenwater ‚ En in het
andere twe lepels vol Franfche wyn, die zeer
blank en kaars-fchoon was, Ik goot in el
kelkje een lepel vol van de fware Indigo ko-
leur ; maar de koleur van het tin ux met wyn
was veel levendiger, doorfchynender, helder-
der als de tizdluur met water. Ook was dè
koleur van de #inéluur met wyn een weinigje
groen van tint.
:
)
|
18.
Na dat het tinluur met wyn twaalf uren
geftaan hadde, was al de Indigo op den grond
van ’t kelkje gezakt, en de wyn was weder-
om gekeel klaar , wit «en. doorfchynende get
worden. Ik goot de wyn zeer zagtelyk; van
gol het
tn
«ro Natuur-en Konft-Kabinet s
het poeder af, en goot op het zelve wederom
kout regenwater , waar door het poeder we-
derom van de grond wierd opgeligt,, en zig
_ met het regenwater verenigden, en een Blauwe
&inétuur vertoonden. In ditzrcuur dreven zeer
veel ongemene tyne deeltjes, als een zeer fyn
ftof van den Indigo, hetwelk zich echter niet
met het water wilden verenigen, maar na ver=
loop van 6. uren op den groud van het kelkje
kwam te zakken, en een zeer ligt blauw en
doorfchynend tizéluur in het water. nalieten.
Ik proefde de klare wyn dewelke ik vande In-
digo hadde afgegoten ,en bevond dat dezelve
zeer te zamentrekkende en vrang was gewor-
den. Deze Stypticiteit of zamentrekkendheid
van de wyn, die vry vrang was, wierd voort-
gebragt van eenige zamentrekkende delen de-
welke de wyn uit den Indigo hadde opgeloft ,
en gefmolten. „Waar uit klaarlyk blykt „ dat
dedelen van den Indigo diede blaauwe koleur
verwekken , niet in den wyn zodanig komen
te fmelten , dat dezelve zich tot een wezens-
band, met dezelve verenigen, gelyk als in het
water; maar wel de vitrioolagtige en famen-
trekkende delen van den Indigo, die geen
blaauwe koleur geven. Dat de indigo in de
wyn ook na dengrond wierd geftoten , wierd
veroorzaakt , om dat de zwaarfte zure delen
van de wyn met de zwaarfte delen van den In-
digo malkander hadden aangegrepen, en om-
helft ; waar doorde blauwe Indigo-delen in
malkander geknepen zynde , zwaarder waren
geworden , en na-den grond van het kelkje wa-
ten gezakt. Maar zo ras alsop dit poeder wa-
zat ter
t
df on or
Maart, —— Fulys1722. Tre
ter gegoten wierd, vermengde zichdit neder.
geftoten poeder wederom met het water ‚, om
dat door ‘het water de wyn zouten , ofhet zuur
van de wyn gedileert en van de Indigo deelen
_afgefcheiden wierden „ en op die wyze de In-
_digo wederom in {taat gebragt wierd , om ín
_het water te konnen fimelten-, en een blauw
_Zinduur te vertoonen, behalven enige fyne en
“harder ligte ftofjes , die-als eeri zeer fyn poe-
_der door het wâter dreven; en-allengskens we-
_derom na den grond zakten. Hier uit konnen
de Liefhebbers: ondekken dát de wyn , in %
__blaauwverwen met den-Indigo , aan de Indi-
__go-verf byzet een meerder vreedheid , buyten
alle twyfel niet onbekwaam, om de Indigo de
wolle of linde ftoffen beter te doen aangrypen,
en het afwerven , dat de- Indigo zeer onder
“worpen is, ín de eerft blaauw geverwde ftof-
fen te beletten voornamentlyk als- maar “wel
gelet word „ dat niet al te veel wyn by de In-
digo gegoten word, om dat:anders de Indígo
zoude komen te fchiften „ gelyk wy gezien
hebben in het zinduur van de Indigo daar ik
by ene lepel #uduur twe lepels vol wyn inge-
goten hadde. Lo} 13
ep vil dj6 rg. 1034 1 |
Het zal mifchien aan den lezer wel bekerit
‚zyn wat wy door een magtigeen zwakke verf=
ftof verftaan , déwyl wy daaglyks in de oly=
verwen ondetvinden, dat de-ené verfftof veel
‚ meerder uit ffykt als de“andere ; of dat wy
‚ meteen porid'van de ene verwe dikwils zo veel
‚ „wolle, linde-of zyde ftoffe zóude konneû ver-
| wen
a date
rrz _ Natuurs en Konft-Kabinet ;
„wen als met drie of vier ponden van een ans
dere verwe. In dit opzigt moet de Indigo on-
der de magtige verfltoffen geagt worden. want
een kleine hoeveelheid Indigo is bekwaam om
een grote menigte „water blaauw te, verwen:
‘Toen ik het hogen tindnur met kout
water en de befte Indigo van St. Domingo kwam
te bereiden,hadde ik in het glazen kelkje gewor
pen een ftukje van die befte Indigo dat maar
25 greinen fwaar was. op dit ftukje hadde ik
gegoten een gemeen wynkelkje met {choon re-
‚genwater. na dat ik dit fware zixélunr dat door
dit. water afgetrokken was verbruikt hadde tot
de proeven; vond ik op de grond van het kelk-
je nog zeer veel poeder van dit (tukje In-
digo leggen, ik goot opdit poeder in een fpoel-
‘kom gedaan zynde vier kelkjes kout-regen-
genwater ; het welk wederom een zeer hooge
‘blaauwe koleur uit dit poeder kwam uit tetrek-
ken. Waar uit kwam te blyken, dat het wa-
ter, toteen zekere graat van hoeveelheid met
de blauwe koleur-delen van den Indigo verza=
digt zynde; geen meer blauwe koleur-delen van.
Indigo in zyn boezen konde bergen of dragen :
gelyk als kwam te blyken aan de blaauwe kor
eur delen die uit die zelfde Indigo van het wa-
ter van de vier kelkjes en nog agtandere kelk=
jes opgenomen wietden.
20;
Na dat ik nu de vier kelkjes van dit hoog- |
gekoleurde blaauwe ziuétuur van het poeder |
wederom hadde afgegooten , goot ik op het «
zelve wederom vier andere kelkjes {choon re« |
gen- |
_ Maart, — Fulyy 1723. 113
__wâter, het welk wederom als al het voor-
. gaande een zeer hoog blaauwe en wel ge/atn-
reerde koleur verkreeg ; zynde nu reets het
water van negen wyn kelkjes , elk omtrent
__ van twe en een half-ons water , zeer hoog
__ blaauw gekoleurt geworden van 25 grein In-
__digo ik goor het zinctuur vande vier laafte wyn-
_ kelkjes wederomaf, en vondop de grond van
__de pofteleyne fpoelkom nog veel poeder van
_de gemelde 25 grein Indigo leggen. Ik goot
_ wederom op dit poeder vier kelkjes kout re-
_ genwater , het welk infgelyk een zeer hoog
__blaauwe koleur verkreeg. Maar dewyl deze
_koleur een tintie , dat even te onderfcheiden
was , ligter was , als de koleur van alle de
voorgaande kelkjes , vervolgde ik niet langer -
water te gieten op de ftof , die van de vyfen-
twintig grein Indigo nog op den bodem van de
fpoelkom overig was. Ik hield my vergenoegt
_met te ondervinden , dat 25 grein Indigo een
zeer hoog blaauwe en wel gefatureerde koleur …
hadden konnen geven aan ruim 33 onzen kout
regenwater. of liever dat 25 grein Indigo een
| zeer hoge blaauwe koleur konde geven aan meer
| als r1ooo grein water behalve nog de koleur
van de Indigo die verlpilt was ; en dewelke
| ook nog overgebleven was op den grond van
‚ de fpoelkom. Het welk nog wel zoo veel
| kwam te bedragen, dat wy vryelyk mogen be-
‚_ fluiten , dat een grein van de befte Indigo van
| St. Domingo , de kragt heeft om aan soo
\_grein water een hoog blaauwe koleur tegeven.
‚waar uit klaarlyk blykt dat de Indigo een van
| de magtigfte verf-{toffen is,en in verf-kragt
VEREN II DEEL H zelfs
114 Natuur-en Konft-Kabinet,
zelfs niet behoeft te wyken voor de magtige
verf-{tof die wy conchenilie noemen.
21.
Myn beftek laat niet toe om de aanmerkin- -
gen, dewelke ik over de andere zoortên’ van
Índigo gemaakt heb, en de proeven. die met
dezelve gedaan zyn in deze verhandeling me-
de te delen. dit voor het toekomende. Ik
zal alleenlyk nog maar bekent maken dat
de bereidinge van de Indigo in de land-
fchappen van den groten Mogol , enigzints
op een andere wyze gefchiet , als wy gezien
hebben dat die van de voor-Eylanden van A-
merika met het bereiden van den Indigo ge-
went zyn om te gaan. De Indigo word in
verfcheide plaatzen van het ryk van den groten
Mogol gewonnen ; maar zy heeft verfcheide
hoedanigheden na de verfcheide plaatzen daar
de anil geteelt, en den indigo bereid word. De
befte van alle die zoorten komt van het land
Biana, Indova, Korfa ; welke landfchappen
een, en zommige twee dag reizen gelegen zyn
van Agra, de hoofd{tadt van het ryk des Mo-
gols. Deze Indigo is de befte, en word in ’t
algemeen Zudigo lauro genaamt. Maar in ’
landfchap Gufurate omtrentagt dagreizen van
Surate, en twe mylen van de (tad Amababat ,
werd een dorp gevonden , het welk de naam
heeft van Sarkefle , daarom werd de Indigo
die aldaar bereid werd Jrdigo Cirkees gea
naamt. Deze Indigo is door malkander niet
half zo ‚duur als de Zwdigo lauro ; want de
prys is van 1< tot 24 ftuivers het pond , gelyk
als wy in onze eer(te verhandelinge reets ge-
no-
fl, did
_ Maart, —= Julys 1722. If
noteert hebben. Deze Indigo Cirkees is uit-
erlyk optoog zeer blaauw „ maar in het dopr-
breken byna van de zelfde koleur van binnen
als van buiten, en geenzints violet, of paars,
_ gelyk’als de befte zoort. Het blaauw van de-
_ ze indigo fweemt meerder na de koleur van
_ het lakmoes. Deze Indigo word gemaakt tot
_ brokjes of tabletten , die byna een gedaante
} hebben als ronde rype vygen , gelyk ook aan
_dezelve den naam van vygjes gegeven werd.
‚ De Indigo Cirkees is zeer bros in het door-
breken, en niet zo vaft van zelfftandighe'd als
_ de Judigo van St. Domingo, veel minder alsde
Jndigo guatimalo , of lauro , want die is zeer
ligt valt en hart. De andere zoort van Gufu-
_ rattifche Indigo , die den naam van jamboezer
heeft, werd ook in diergelyke brokjes diewat gro-
ter zyn gemaakt , en die niet zo zuiver in ° door-
breken als de Indigo Cirkees. Ook is de Indigo
jamboezerveel fwaarder en ook veel flegter als de
Garkees. Gelyk alsde prys die van 14 tot 16 ftui-
vers genoteert word, genoegzaam komt uitte
wyzen. Als de jamboezer door gebroken werd,
js dezelve van:binnen vol witte ftipjes , even
als of onder dezelve droge kalk gemengt was.
De Circkees ende jamboezer befmettten ook
veel meer de handen, in het handelen, als de
Judigo lauro , guatimalo of St. Domingo. Ook
is die befmettinge meerder donker en vuil „even
| als een meelagtige ftof van een zeer brofze
| Paftel, of {merige Crion.
| 2à,
| Te Baroche in het land van den Mogol
‚ $yerd ook Indigo gemaakt, die zeer veel over=
| HiAm- een.
|
1 16 _- Natuur= en Konft-Kabinet,
een komft heeft met de jamboezer gelyk als.
ook in delanden vanden koning van Golkon-
da, die byna van dezelfde natuur en prys is
als de Circkees. Ook werd in her dorp,Raout
en in verfcheide kleine dorpjes gelegen „om-
trent het groote dorp rahourt Indigo ge-
maakt tuffchen furate en Brampor. reifie
gers getuigen dat de inwoonders van Raout
jaarlyks meer als voor honderduizend rou-
pien van deze Indigo verkopen. Uit Bengala -
komt ook Indigo, die met de fchepen na Ma-
flipatan gevoerd word: maar deze is ook flegt
en al zo weinig als die wy gemeld hebben by
de Iwdigo lauro te vergelyken.
23.
In het land van den’ Mogol werd de In-
digo op zommige plaatzen driemaal in een jaar
van dezelve zayinge van den Anil gemaakt.
Zy beginnen deze zayinge als de grootfte re-
gentyd voor by is, en dat de gronden door-
weekt zyn , en van een daar op volgende
wermte zeer gekoefterten geftooft werden. Als
nu de Anil omtrent twe voeten hoog is, ge- |
fchied de eerfte af{nydingetot omtrent een half-
voet boven den grond, op dat de Anil weder-
om haaftiglyk zoude konnen uitlopen. De In- |
digo van deze eerfte {ne is wel twaalf ten hon-
dert beter als van de twede aflnydingeen de
Indigo van de derde {hee is nog wel twintig
ten hondert flegter als die van de twede. De
Indigo van de eerfte {nee isin’t doorbreken van
een fchoonder, levendiger en blinkender viool
purpere koleur als van de twede , en die wee
derom
Mart , mmm fly, 1722. 117
___derom nog veel levendiger en purper agtiger van
___koleur als van de derde. k
alit MIDAS it 350
EER. A 24. ax
___ Desefeidinge van de Indigo in de landen van
en Mogol gefchiet in kuilen , die wel
reden in hunnen omtrek en in den grond
elt zyn , en zodanig zyn toegettelt ,
__dat zy het water , als het Zwdigo-grein door
… de verrottendegeftinge, roeringe en kloppinge
_ gefchoten en blaauw geworden is, daar uitkon-
“afltappen ; als wanneer zy het Zrdigo-grein ,
__in de plaats van linde zakken, in fyne mantjes
__ laten uitzyperen , en in de gedaante van door
_ gefneden bollen, in de zon, en naderhand
op hete yzere pannen laten drogen en zeer hard
_ worden. dewyl zy gewoonlyk met dezen In-
digo wat rouw komete handelen , geraakt veel
itof- van Indigo als anderzints onder dezelve ,
en dewyl op de Indigo , die uit het land ge-
voerd werd tol taat; laten de kooplieden om
den tol te befparen, dit ftof eerft uitziften. In
de hete landen daar de lucht zeer fcherp en fyn;
__en deligehamen droog zyn , moeten dezifters
zig zeer voor dit (tof behoeden. waarom zy ook
hun aangezigt met lywaat, daar twe openin=
gen voor haar ogen ingemaakt zyn, bedekken.
__Dieftof is in die warme plaatzen zo ongemeen
doordringende en fcherp:, dat het zelfs , val-
‚_ gens de getuigenifle van den Heer Tavernier
door de {chaal van een Ey komt door te drin=
gen, en het ey van binnen blaauw te maken ,
als het zelve-enigen tyd in deze (tofziftinge ge-
legen heeft. Wy-hebben geen reden om dit te
LED H 3 N ont-
And <1
118 Matuur- en Konft-Kabinet,
“ontkennen. want in zommige fteen-breken van
Duitfland word dagelyks ondervonden , hoe -
ongemeen het ftof dat onder het fteenbreken
gedurig komt te ftuiven door alles kopt heen
te dringen. j
25. :
Het tinêuur van de befte Indigo van St,
Domingo met water getrokken, én daar ik
van gefproken hebbe , hadde ik twe dagen la-
ten (taan , elk in een byzonder glas , om te
onderzoeken of de delen van de Indigo , die -
alderlaaft uit de Indigo uitgetrokken waren ,
even zo vaft aan het water quamen aan te kle-
ven , en zich inu” beftendig met het zelve
te verenigen, als de delen van den Indigo, de-
welke aldereerft door het water uitgetrokken
waren. Maar ik ondervonde hier in een No-
tabel onderfcheid. Ik hadde van het ziz@uar ,
van het aldereerfte kelkje met het welk ik ver-
fcheide proeven, gelyk gemelt is, gedaan had-
de , omtrent nog een lepel vol overgehouden ,
en het zelve zeer zagtelyk van het Indigo=poe-
der , dat op den grond lag , afgegoten in een
wyuke!kje van zeer dun en helder glas ;-en de
eerfte vierkelkjes tizéfuur , het welke ik van
dit poeder hadde afgetrokken, waren insgelyks
zeer zagtelyk afgegoten in een zeer dun en
helder lee. glas, gelyke als ook de twede vier
kelkjes , en de darde in twe diergelyke bier-
glazen.
26.
Na dat ik deze glazen in hunne order naaft
mMalkander hadde geplaaft, bevond ik een zeer
groot
ot onderfcheid omtrent de Blaauwe koleur ;
want in het eerfte kelkje , in het welk de le-
pel vol eer{t atgetrokke zizuur was, bevond
ik niet de mintte verzakkinge: in het eerfte
_ de verzakkinge nog meer en vry wat zetzelop-
den bodem van het glas ; in het derde Bier-glas
__… was de Indigo nog veel meer weg gezakt, en
_ hadde in het water veel {chraalder koleur na-
_gelaten en veel zetzel op den grond gemaakt.
waar uit kwam te blyken, dat de delen, die
__uit de Indigo eerft door het water opgeloft wor.
den , veel eelder ligter en zappiger fchynen te
zyn: dat dezelve veel meer overeenkomft heb-
ben met het water als die daar na door het wa-
ter uit de de Indigo opgeloft werden. Op deze
___wyze zouden wy ook uit een grote hoeveel-
heid Indigo konnen bereiden een bloem van
de befte delen van de Indigo.
VEERTIENDE VERHANDELING,
Van het GOUD enz. sn dewelke een aanvang
gemaakt word met de befchryving der
JUWELIERS KONS7. nd
' | - 2e
Wi hebben in dartien verhandelingen. van
V_ het Goud en alle.de andere metalen en
H 4 5 mi-
rzo Natuur-en Konft-Kabinet,
mineralen te gelyk befchreven. 1.de BER G-
WERKEN ; 2 de METAAL- EN MlI-
NERAAL- GRAVERYEN EN BERG-
_— BOUWERYEN ; en wy zyn volgens ônze
beloften nog fchuldig te handelen 1 de BEREL-
DINGE DER ERTZEN , ZUIVERING
EN SCHEIDING DER METAALEN EN
MINERALEN; 2 de BESCHRYVINGE
VAN DE WEZENS-STANT-VERWIS-
ZELINGOF VEREDELING DER ME-
TALEN. Het welk wy aan den lezer, als
wy volgens onze order daar toe gekomen zyn,
en wy leven , na dezen zullen mede delen.
2.
Dewyl het voornaamfte oogmerk in dit Na-
tuur-en Konft-kabinet altyd is geweeft , om
natuur en konft als verenigt te befchryven ;
Heb ik nodig geoordeelt , by de verhandeling
van elk natuurlyk wezen ook te gelyk te be-
fchryven de konften en ambagten , van de-
welke zodanig een natuurlyk ligchaam eigent-
Iyk het ftoffelyk onderwerp bevonden word te
zyn. Daarom hebik , na dat onder de be-
fchryvinge der metaalen het Goud zeer om-
ftandig afgehandelt was, daar by gevoegt die
konften en handwerken vandewelkehet Goud
is het ftoffelyk onderwerp ; gelyk als daar zyn
het reets afgehandelde ambagt der Blad-goud-
flagers : 2 het Goud-draad trekkers ambagt:
het Goud-draad-pletters ambagt : 4 de kon
van vergulden. Nu is-omtrent het gout nog
overig de JUWELIERS-KONST , en het
Goud-fmits-ambagt. Om dan nn de
on=
Maart, — Fays 1722ì Tat
konften en ambagten van ‘het gout allengskens
afte doen, zal ik tegenwoordig gaan befchry-
ven de Juweliers-kontt, Wy mogen deze we-
__tenfchap met regt als een groote konft aan=
merken „voornamentlyk daar onderdezelve van.
ons gebragt zullen worden. 1 de kennifle der
_ &dele gefteentes : 2 de Diamant-zagers kont.
3de Diamant-klievers konft, 4 de Diamant-
_ Álypers-kunft : 5 de Juweel-zetters-kunft : 6
_ Het grofzetters handwerk: 7 de Robyn-{lypers-
_ kunít, 8 de wetenfchap der bereidinge van de
foelien 9de Amolieer-konft: 1o het maken van
alderhande gekoleurde tenen, {malten en amau-
fen door kuuft: 11 Het infchilderen van alder-
hande figuren „als van boomen ,bofchen , plans
ten , dieren, infekten, menfchen enz, in ver-
fcheide gefteentes , als of dezelve van binnen
en natuurlyk in dezelve gegroeid waren. het
welk inderdaad geen geringe Ambagten zyn ,
maar als zeer kunftige handwerken , dewelke
by weinige bekent zyn, moeten geagt worden.
RO
Om de Juweliers-konft ineen goede ordre
voor te {tellen , zal ik eerft-aan myne lezers
mededelen een nauwkeurige befchryvinge der
edele en andere gefteentes in ’t algemeen ,
en naderhand-een befchryvinge van elke zoort
van ftenen in ’t byzonder. want het is ten hoog-
ften noodzaakelyk dat een leerling van de Ju-
weliers-kun{t, heeft een natuurlyke en proef-
kundige kennifle van de edele gefteentens,
en alderhande (toffen die onder dezelve …be-
hooren. Als wy ook aanmerken de vermaard=
Hs heid
122 Natuur-en Konft-Kabinet
heid van de cacle gefteentens, en.daar uit ge-
maakt kon{t-ttukken en juwelen , en hoe die
wetenfchap zelfs het aangename tyd verdryf is
van de koningen en wereld-grooten komthet
ons voor, dat byna cen ygelyk „ die of zeer
wel opgevoedis, of een goede ommagang met
aanzienlyke menfcheu hectt, of dieeenige lief-
hebbery bezit voor Rariteiten en verwonderens-
waardige nauurlyke ligchamen en kunft ge-
wrogten , enig genoegen uit deze onze ver-
handelingen over de juweliers-konft zal kon-
ken gerieten Zelfs dunkt my dat de juwe-
liers-konft , een aanzienelyk gedeelt behelft
van de natuurlyke hiftorie en van de hiftorie
der konften. De Chymiften en andere proef-
kundige natuur onderzoekers, die zo veel ver-
maak {cheppen in het nabóotzen van de edele
gefteentes en paarlen door kuuft, zullen hier
ook geen geringe onderregtinge konnen ver-
keygen, dewyl wy te gelyk ook zullen be-
fehryven de kunft om alderhande edele geko-
leurde ftenen door konít te maken. De na-
tuurkundigedie zo veel-moeitedoen in het na-
vorfchen van de oorzaaken en manieren, door
de welke de dingen gevormt en voortgebragt
worden, zullen hier ook uitmuntende en ver-
wonderens waardige voorwerpen uit hunne be-
fchouwingen en fcherpzinnige befpiegelingen
ontmoeten.
4.
De meefte fchryvers dewelke over de Edele
gefteentes gehandelt hebben zyn zo onvoor-
zigtig geweeft, in het vertellen van wonderen
en
|
VA
Maart, — July, 1722 123
en fabelen wegens de hoedanigheden en krag-
ten derzelver , dat zy door hunne verhande-
lingen de agtinge van de natuurlyke hiftorie
der edele gefteentens enigzints gekrenkt heb-
ben. Onder de fchryvers worden echter enige
evonden , gelyk als by voorbeeld de Griek-
_ fche THEOFRASTUS , CONRADUS
_ GESNERUS ANSELMUS BOETIUS
__ DEBOOT, JOANNES DE LAAT, RO-
_ BERTUS BOYLE, JOHANNES KUN-
_ ‘KELIUS , die met veel meer voorzigugheid
over de Edele gefteentens gefchreven hebben.
Echter werd onder de fchryvers niemant ge-
vonden, die met meer roem over de Edele ge-
fteenten gefchreven heeft als A NSE L-
MUS DE BOOT van Brugge , lyfarts
van Keizer Rudolphus de twede. De {chry-
vers die voor onzen A. Boetius de Boot over
de Edele gefteenten gehandelt hadden , bedien-
den zich van geen bekwame ordre „ of metho-
de, in de fchikkinge en verdelinge vande ge-
fteentens en der zelver zoorten. Zommigebe-
dienden zich van de ordre vain het A.B.C. „ge-
lyk als by voorbeeld PLINIUS, en het boek
dat op de naam van ALBERTUS MAG-
NUS over de Deugden der,gefteenten om-
fwerft, en LUDOVICUS DULCIS.. An-
dere hebben geen ordre ter wereld gehouden. ,
maar onder een gemengdt van de gefteenten ge-
handelt; gelyk ‘als by voorbeeld FRANCIS-
CUS RUEUS , ANDREAS BACCIUS,
GARDANUS enz. Hoewel echter CON-
RADUS GESNERUS nog enigzints een
order gevolgt heeft, en de {tenen in claffes jen
eelt
f24 Natuur-en Konft-Kabinet ,-
deelt heeft; daar hy handelt van de'gedaantens
en de gelykheden der gefteentens. Maar A.
Boetius de Boor heeft daar omtrent een geheel
andere verdelinge gemaakt ; als by voorbeeld
1 van de ongekoleurde doorfchynde koftelyke
edele gefteenten als de diamant;2 de door-
fchynende gekoleurde dierbaarlte Edele ge-
fteenten , en onder die dewelke rood van
koleur zyn; 3 van de paerlen , om dat deze
gewoonlyk wel de darde van rang in prys en
koftbaarheid zyn; 4 de edele gefteentens met een
Blaauwe koleur ; $ van de gefteentens die groen
van koleur zyn ; ten 6 van de gele flenen ,
en dewelk half doorfchynende zyn; 7 vande
ondoorfchynende gefteenten ; & van de fte-
nen die van de dieren afkomttig zyn ; 9 van
de (tenen dewelke onedelen ftenen of grove
faxe zyn ; en 10 van de (tenen die van de ou-
deen ook van zommige hedendaagfche Schry-
vers verfiert zyn geworden , en die nergens te
vinden zyn, Hoe wel echter de fchryver zelfs
noch niet eens behagen in deze ordre hadde „
daarom heeft de Boot nadat het werk alteveel
gevordert was om verandert te werden , twe
tafels medegedeelt, in de welke aangewezen
word , dat de ftenen zo wel in geflagten en
zoorten konnen verdeelt werden als de
plantgewaflen of dieren.
5.
Op dat het gene aan deze. onze Natuur-en
Konft Hiftorie der edele. gefteente mogt ko-
men te ontbreken , de lezer by de fchryvers,
dewelke over dezelve gefchreven hebben , en
f te
_ Maart, Juh 1722. 123
' te gelyk onze verhandelingen by hunne ontdek.
_ kinge vergelyken zoude,konnen vinden, zal ik
__de voornaamtte fchryvers, die van de edele ge-
__fteentens gefchreven hebben aantekenen. Ik zal
over de waardy en het gewigt van deze fchry-
_versniet in het byzonder oordelen, maar zulks
overlaten aan myne lezers die hen van dezelve
_komente bedienen. Van THEOPHRASTUS
__ERESIUS die in het 3652. jaar na de fchep-
__pinge der wereld, of 310 jaaren voor de ge-
_ boorte van Kriftus geleeft heeft hebben wy een
klein boekje over de ftenen. het welk by ver-
fcheide andere werken van dien vermaarden
Griek gedrukt is. EVAX een Arabifch ko-
ning , en de welke geleeft heeft volgens de
aantekening van Juftus na de gebogrte van
Kriftus ín *t jaar sg. heeft een boek gefchreven
over de edele gefteenten. Dit werkje is uitge-
ile door Henr. Rantzovius, en gedruktzot
eipfig 1595 in 4. of dit boek echt of van
later datum is, zullen wy alhier niet bepalen ,
want Salmafius , Harduinus en andere grote
oordeelkundige}ontkennen enigzints den gehe-
len koning Evax, maar MARBOD ZEUS een
Franfch-Digter van de elfde eeuw na Kriftus
geboorte en die ook van de edele gefteentens
gefchreven heeft, zegt dat Evax een boek over
de edele gefteentens aan Keizer Tiberius heeft
«opgedragen. PLINIUS die ten tyde van Kei-
zer Vefpafianus , dat is na de geboorte van
Chriftus in ’t jaar 72 geleeft heeft. Heeft uit
‚__de fchryvers die voor hem geleeft hebben zeer
|+ veel wetenswaardige zaken: aangeteikent van
‚… de edele gefteentens, in het gehele 37 boek
| ij van
A
}
\
126 Natuur-en Konft-Kabinet ,
van zyn Natuurlyke Hiftorie. Wy hebben ook
een Boekje dat op de naam van MACER om-
fwerft, en in vyf boeken met latyníche verfen
de medicinale ítoffen befchryft; de vier eerfte
Boeken handelen van plantgewaszen dieren
eu derzelver delen , maar het vyfde en laatfte
Boek befchryft de edele gelteenten, Als dit
boekje van EMILIUS MACER een ver-
maart digter te Verone was, gelyk als die
ene dewelke de naam van Macer voor dit
nen geplaaft heeft fchint te willen beteke-
nen , zoude dit boekje al van den tyd van kei-
zer Auguftus, onder de welken milius oema=
cer gebloeid heeft moeten zyn. Maar Gau-
dentius Merula oordeelt dat de fchryver van
dit boekje is geweeft enen ODOBONUS.
Het is uit de onzuiverheid van ’t latyn, en om
dat de fchryver Pliniusen Galenus die lang na
Himilius Macer geleeft hebben citeert, genoeg-
zaam openbaar dat deze befchryving van de E-
dele gefteenten op de naam van Macer vaneen
jonger datum is. HABDARAMAHNUS ,
van geboorte een Egyptenaar , heeft in *t Ara-
bifch een boek gefchreven over de medicina-
le eigenfchappen en kragten van de dieren „
planten en edele gefteenten. Dit boek is uit
het Arabifch in ’t latyn overgezet uit een ma-
vufcript van de Bibliotheecg van den Kardinaal
Mazarin , en tot paris gedrukt by Sebaft. en
Gabr. Cramoify 1647 in 8.
6.
Onder de oude Schryvers kan ook geftelt
worden. PSELLUS die gefchreven en een
aam-
TE en 8
Maart , — July, 1722. 127
Naamwyzer vande Edele gefteenten , diemeeft
in *t gebruik zyn, met derzelver genezende
kragten. Dit boekis uit het Grieks uitgegeven
1594. in 8 door CLAUDIUS A CAN-
TAERUS ‚dewelke daar aantekeningen en
ophelderingen bygevoegt heeft. DE LISCOP
EPIPHANIUS heeft een Boek gefchreven
over de twaalf ftenen die aan de kledinge van
Aaron waren. Dit boek ís gedrukt met het
werk van Gefnerus, over de bergftoffen ; ook
te vinden in de werken van Epiphanius en in
andere. MARBODZEUS een Franfch digter
van de elfde eeuw heeft een Boek gefchreven
over de gedaantens , gefteltheden en kragten
van de edelegefteentens. Dit boek is gedrukt
te keulen 1539 in 8 met aantekeningen enop-
helderingen van Alardus Amfterdammer ,
%.
Onder de later Schryvers die over de edele
gefteenten gefchreven hebben kan geftelt wor-
den ADAMUS LONIGERUS die geboren
is tot Marpurg in Hefzen ; in ’t jaar 1528.
want hv heeft een werk uitgegeven tot Franc-
fort 1551 in Folio, over de natuurlyke hifto-
tie in het welke onder andere gehandelt werd
van de Edele gefteenten , metalen enz. De
vermaarden Italiaan ANDREAS BACCIUS,
beroemt wegens zyne uitmuntende Natuurlyke
_Hiftorie en befchryvinge van alle de bekende
wynen des aarbodens , als ook wegens zyn
boek over de bad{toven en wateren , heeft in
het [taliaans een verhandelinge uitgegeven we
gens de kragten en het gebruik van de edele
ge-
A
128 Natuur-en Konft-Kabinet ,
gefteentens. _WOLEGANGUS GABEL-
CHOVERUS heeft dit boek uit het Italians
in het latyn vertaalt , en met aantekeningen
„en waarnemingen zeer vermeerdert, en uitgege-
ven tr francfort. 1603 in 8. het is aldaar her-
drukt 1643. in 8.
8.
ANSELMUS BOETIUS DE BOOT,
van den welken wy gefproken hebben, mag
wel onder de voornaamfte {chryvers over de
edele gefteentens geftelt worden. Hy heeft zyn
Hiftorie van de edele gefteentens en grover
fteenen , en fteenftoffen eer{t uitgegeven tot
Harover 1609 in 4. in dit werk word gehan-
delt van den oorfprong, gefteltheid, kragt en
wardy der gefteenten. Ook word befchreven
de manier om uit de ftenente bereiden olien,
zouten, afverwzels, ef/entie en alderhande ge-
heime geneefimiddelen door behulp van de ftof-
fchey-kunde. Ook vinde ik in deze fchryver
verfcheide verfcheide wyzen van de gekoleur-
de ftenen door konft te bereiden. Benevens
een korte befchryvinge van verfcheide werk
tuigen om de ftenen te flypen , te graveren ,
te polyften en te bereiden tot juwelen. Dit
boek is naderhand nog twemaal gedrukt ; eens
in ’t jaar 1636, en naderhand 1647. in groot
Odtavo , met de aantekeningen en ophelderin-
gen van ADRIANUS TOLLIUS M. D.
9.
CONRADUS GESNERUS , die gebo-
ren is te Zurich in Switzerland in den jare
> 1G,
Maart, —— July 1722. iag
ij 1516, en door zyn weergaloze geleerdheid en-
onnavolgbare {chrifteneen onfterfelyken naam
al heeft verkregen, was onzen Boetius de Boot ;
__gelyk wy aangemerkt hebben, enigzints voor- _
__ gegaan in het befchryven der Edele Beente
__ maar een bekwame leer-ordere en goede metho-
de; want hy heeft een Boek uitgegeven over
_ de gedaanten en gelykheden van de Bergftof-
__ fen, Stenen, en Juweel-gefleentens, gedrukt
te Zurich 1565 in Oétavo met Liguren. Dit
__boek beltaat uit 14 kapittels. Het 1 kapittel
_ handelt van de gefteenten in welke meerder
_ aangemerkt worden deftrepen, punten en op-
__pervlakkige gedaanten, als wel derzelver vafte
ligchaam of form. Het 2 kapittel handelt
van de ftenen die iets gemeen hebben metde
Sterren, Zon, Maan, of andere Elementen.
Het 3 kapittel handelt van de ftenen die hun-
__ne namen hebben ontleent van de Meteora of
__verhevelingen des luchts. Het 4. kapittel be-
fehryft de ftenen en metalen die genaamt wor-
den na levendige aardfche ligchamen , of der-
zelver delen. Het $. kapittel vertoont de onder-
aard{che ftoffen, dewelke enige konft ftukken
natuurlyk komen na te bootfchen. Het 6ka-
pittel handelt van verfcheide Konft-ftukken die
ke zyn uit metalen, ftenen of edele ge-
eenten. Het 7 kapittel befchryft de onder-
aardfche ftoffen die de gedaante van zommige
Plantgewafzen verbeelden. Het 8 kapittel (preekt
van de Heefters en takken of delen van bo-
_ men , die in fteen zyù verandert. Het 9 ka-
Pittel handelt van verfcheide onder-aardfche
delfftoffen , en bergftoffen, die enige overeen=
VII Deer, | komft
136 Natuur-en Konft-Kabinet,
komft hebben met de Bomen en derzelver de-
en. Het 1o kapittel handelt van het koraal.
Het tr kapittel van zommige zee-kruiden die
in fteen veranderen. Het 12 kapittel han-
delt van de (tenen die gevonden worden in de
menfchen en in de dieten ; als ook van defte-
nen die genaamt worden na de dieren of der-
zelver delen. Het 13 kapittel befehryft de fte-
nen dewelke groeyen in de vogelen , of
van dezelve hunne namen ontlenen. Het 14
kapittel vertoont de ftenen dewelke de gedaan=
te van zommige viflchen ‘en waterdieren ver-
beelden. Ik heb deze zaken een weinig om-
ftandiger voorgeftelt , op dat de lezer zoude
konnen zien, welk een onderfcheid gevonden
word in de ordre van Conradus Gefherus en
die van Anfel. Boetius de Boot.
10.
In het bovengemelde Boek van Conradus
Gefnherus worden nog gevonden de volgende
verhandelingen als 1 J. KENTMANUS
VAN DRESDENS naamwyzer van alle de
berg-ftoffen en deif-{toffen,die gevondenworden
voornaämentlyk in Meiffen, en in ândere länd-
fchappen. 2 Kentmanus befchryvingevan 12 ge-
flägten van ftenen, dewelke komen te groey-
en in het menfchelyke ligcháam en des zelfs
delen. 3 Verfcheide aanmerkingen en waar-
hemingen van GEORGIUS FABRITIUS
Wegens de metaal-ftoffen en der zelver namen
die door Agricola niet aangemerkt zyn.4 SE-
VERINUS GOEBELIUS van de Brand-
Reen. 5- Valerias Cordus over het Sperma
4 tet.
Ee
bd hat lie bd
Maart, _—_ July; 1722. 13E
ceti. 6. EPIPHANIUS over de twaalf fte-
nen in het kleet van Aaron. 7 GHR, RUEUS
over de edele gefteenten, en voornamentlyk van
dewelke in de openbaringe van Johannes ge-
fproken word.
IL.
ERASMUS STELLA geboortig in
Meifzen heeft ook een klein boekje gefchre-
ven over de edele gefteenten. Dit werkje is
gedrukt te Strasburg 1530. in 8. Agter het zel-
ve is bygevoegt PLINIUS over de edele ge-
fteenten. Zynde het 37 Boek van de natuur-
Iyke hiftorie van Plinus daar wy van gefproken
hebben. In het begin en in ’t midden van de
feftiende eeuw is veel onderzoek gedaan op den
aart en de natuur der edele gefteenten , gelyk
als gebleken is uit eenige fchryvers dewelke
wy hebben aangehaalt en daatlyk zullen voor-
ftellen. De luft en de begeerte die toen over
al befpeurt wierd tot de kennifle der berg-{tof-
fen prikkelde verfcheide mannenaan, om niet
‚alleen op dezelve te doen een natuurkundig on-
derzoek, maar ook om hunne bevindingenen
waarnemingen in het ligt te geven. CAMIL-
LUS LEONARDUS heeft in het jaar 1502
in het ligt gegeven {yn Spiegel der tenen, ge-
drukt te Pefaro in Quarto. Dit Boek is nader-
hand herdrukt te Augsburg 1533 in Quarto en
naderhand te Paris 1éor in Otavo. CHRI-
STOPHORUS EUCELIUS gaf te Franc-
fort in ’t Jaar 1557 in Oëtavo. een boek uit
over de metaalkunde, in het welke gehandelt
word van den oorfprong , van de verfchei-
2 dent-
132 _-Natuur- en Konft-Kabinet
dentheid , en natuurlyke gefteltheid der me-
talline ligchamen , tenen, en edele getteen=
tens. In ’t jaar 1531 gaf GEORGIUS PIC-
FORIUS zyne verklaringen over Marbo-
deus befchryvinge der edele gefteentes in het
ligt te Francfort in Oêtavo. Pittorius voeg-
de by dit boek een gedigt over de mole-fteen.
ALARDUS Amfterdammer gaf dit zelfde
Boek uit van Marbodeus agt jaar daarna na-
mentlyk 1539 in’t ligt te Keulen in Oétavo,
en met nader verklaringen en aanmerkingen
opgeheldert. In het jaar 1515 wierd geboren
VALERIUS CORDUS , dewelke buiten
‚alle tegenfpraak geftelt mag werden onder de
grootfte kenders der Natuurlyke Hiftorie.
Deze man heeft onderzogt meeft alle metaal-
groeven en bergwerken van geheel Meifzen 3
en ganfch Saxen-land. Agter zyn aanmerkin-
gen over Diofcorides , dewelke uitgekomen
zynte Zurich 1561 in Folio, word gevonden
een uitmuntende befchryvinge van de meefte
bergftoffen , metalen , en STENEN die ge-
vonden worden in Duitfchland. ín het jaar
1585 heeft JOHANNES THOMAS FREI-
GIUS uitgegeven te Bazel zyn natuurkundige
twift-reden in 36 Boeken in Oétavo , van de
welke de 26 eerfte Boeken handelen van de
metalen, ftenen ‚en edele gefteenten,
HIERONYMUS CARDANUS die ge-
boren is te Milaan 1sor en gefchreven heeft
tot aan het jaar 1576 handelt in zyn boek de
fubtilitate ook zeer veel van de gefteenten. In
*% jaar 1599 heeft de vermaarde FERRAN-
TUS IMPERATUS uitgegeven zyn ae 4
yke
VDE RPUE, C
3 4
Maart, ——= July, 1722. 133
Iyke hiftorie te Napels in Folio , ín dewelke
uitmuntende ontdekkingen gevonden worden
van de gefteentens en fteenagtige gewaflen.
_BERNHARDUS G. PENOT US heeft in
‘t jaar 1594 verfcheide verhandelingen uitge-
geven over de paerlen en derzelver ef/ezte ,
“over de olien van verfcheide edele gefteentens
Enz. gedrukt te Francfortin O&tavo. Dit Boek
is verfcheidemaal herdrukt. Gelyk als ook
‚het werkje van FRANCISCUS RUEUS
het welke eerft is uitgekomen te Paris 1547 in
Odtavo. Ik heb van den inhout van dit boek
geproken ; maar PASCHASIUS BAL DUI-
NUS heeft in een Brief over het zelve enige
aanmerkingen gemaakt ‚en in dezelve ook
gehandelt over de hebreeuwfche namen der
edele gefteenten, als ook over de verwonde-
renswaardigheid dier. kleinodien , der zelver
gebruik ‚misbruik en kragten. Deze brief werd
agter verfcheide drukken van Rueus gevonden.
Brig:
Met het begin van de zeventiende eeuw be-
gonden zich wederom verfcheide naukeurige
onderzoekers na den aart en natuur der ftenen
en edele gefteentes op te doen. Want 160
af WOLFGANGUS GABELCHOVE-
US zyn aanmerkingen en Waarnemingen
over het Boek van Andreas Baccius van de
edele en koftelyke gefteentens in het ligt te
Francfort in Oâavo. Hier was ook byge-
voegt een twiftreden over de voorttelinge van
het goudt, en over deszelfs temperament,
MICHAEL ZANARDUS heeft in het jaar
1 3 1619
134 _ Natuur- en Konft-Kabimet,
1órgverfcheide twiftredenen in’ ligt gegeven,
die gedrukt zyn te Venetien in groot Quarto,
en in dewelke verfcheide wetenswaardige za-
ken van het gefteente worden gevonden. VIN-
GCENTIUS BURGUNDUS heeft in vier
Foltanten uitgegeven ‘zyn Spiegel der Natuur,
of natuurlyke Hiltorie enz. Gedrukt te Dou-
ay in Vlaandere 1624. In het eerfte deel word
gevonden een hiftorie van de (tenen. In het
jaar 1631 is een boek zonder naam van den
Schryver uitgekomen te Francfort over de na-
tuurlyke en konftige toverkunft; in het wel-
ke zeer veel zaken gemelt worden van de ede-
Te gefteenten en grove (tenen. BERNHAR-
DUS GEESIUS heeft 1636, in 't ligt gege-
wen een befchryvinge' van de metalen , mine-
ralen ,‚ftenen en Edele gefteenten “in Folio.
CONRADUS HORNEIUS heeft gemaakt
een ‘kort begrip vande STENEN , metalen en
mineralen gedrukt te Helmftadt 1624 tu Oâta-
vo. JOHANNES DANIEL M Y LIUS
heeft een geneeskundig en ftoffchey-kundig
werk uitgegeven in ’t jaar 1618 te Francfortin
Quarto, in het welke in een traZaat byzon-
der gehandelt word van de edele gefteenten.
JOHANNES GUIDIUS heeft in % “jaar
1627 in * ligt gegeveneen boek over de mine-
ralen in Quarto gedrukt te Francfort. In dit
“werk word een byzondere verhandelinge ge-
vonden over de edele gefteenten; En eenzrac-
Paat over de vercierfelen enz In het jaar
1635 heeft BARTHOLOMZEUS HORN-
DOERFER een boek gefchreven vver het af=
verfzel der edele gefteenten in’ Oétavo. -
4 ° Î 13:
1 U bl
0 RT AN
_ te handelen.
Maart, memmen July, 1722. 135
3:
Onder de Puik-Schryvers van alle die over
de edele gefteenten gehandelt hebben mag met
goet regt geftelt worden JOHANNES DE
BOOT van Antwerpen, vermaard wegens zyne
treffelyke befchryving van Amerika. Hy heeft
„een Boek ‘in ’t ligt gegeven over de edele ge-
Îteenten en grove ftenen, het welk gedrukt
iste Leiden 1647 in O&tavo. In de bekende
Reisbefchryvinge van Jan Baptift Tavernier
werden in de reifen van Indien het twede boek
van het 15 Hooftdeel tot het 25 Hooftdeel
verfcheide befchryvingen gevonden van de dia-
manten, paerlen, robynen , gekoleurde ftenen,
Bezoar en andere edele gefteenten van Ooftin-
die, benevens een befchryvingeder diamantmy-
nen parelvificheryen enz, $
14.
Zommige fchryvers Ae verhandelingen
en aanmerkingen in het ligt gegeven over deze
of gene byzondere zoort van ftenen, gelyk
als by voorbeeld over de Barnfteen , over de
Ooft of Weft-Indifche Bezoar-fteen, over de
Piedro del porco , over de Lapis Armenus ,
over de Bloed fteen , over de harte fteen „over
delapis ZEtites, over de ligtende fteen van Bo-
logne, over de lapis Liyncurius , over de Gra-
veelfteen , en verfcheide andere gefteenten.
Maar van deze fchryvers zal ik byzonderlyk
Ípreken op de plaats daar wy van dezelve in
onze natuurlyke hiftorie van de ftenen komen
I 4 KSe
136 Natuur-en Konff-Kabinet,
15.
Garcias ab Horto heeft in het Portugyích een
Boek over de uitlandfche gewatlen gefchreven.
De vermaarde (Carolus Clufius heeft dit werk
in het latyn vertaalt, en benevens zyn werken
laten drukken in Folio in ’t jaar 1605. Dit
werk van Garcias is in twe Boeken verdeelt,
op het laatfte van het eerfte boek is een ver-
handeling over de edele gefteenren. En dewyl
Garcias ab Horto is geweelt lyf-arts van den
Portugyfchen onderkoning der Indien , heeft
hy gelegentheid gehad om te fchryven van de
Ortentaalfche juwelen verfcheide zaken, die an-
dere niet hebben geweten. Hy handelt wel
meeft van den diamant, van den fimaragd, van
den Robyn, van de fapphier , van de hyacinth ,
van de granaat , van de jafpis , van depaer-
len enz. Op die wyze fchryft ook J. HU YGEN
VAN LINSCHOTEN. THOMAS ERAS-
TUS heeft 1572 te Bazel in Quarto uitgegeven
zyn boeken tegens Parafelfus , in dezelve
word gehandelt van de voorttelinge der fte-
nen, enz,
16.
Gelyk als Conradus Gêfnerus in zyn veer-
tiende kapittel, daar wy van gefproken heb-
ben, van de ftenen handelt, de welke de ge-
daante van zommige vifzen en water-dieren
vertonen, heeft ook de vermaarde kender der
Natuurlyke hiftorie MART'INUS LISTER
in ’t jaar 1579 te Londen in quarto uitgege-
ven €en Hiftorie van de Spinnekoppen en
Slakken van Engeland, benevens een Verhan-
deling over de tenen van dat zelfde-Eyland,
e
NONA SAT
fa bel
Maart, —— July, 1722. 137
| k die enigzints de gedaante van flakken verto-
nen. Zommige Schryvers hebben gefchreven
over de vifzen, fchulp-vitzen, hoorntjes, ze-
© gewafzen, planten, bloemen, zaden, houten,
_ dieren de welke in (teen verandert, en in de
__ diepe gronden gevonden zyn, maar van deze
en nog verfcheide andere Boeken zullen wy
op zyn plaats nader preken. CAROLUS
NICOLAUS LANGIUS heeft gefchreven
een Hiltorie van de ftenen met gedaantens, van
Switzerland. Dit werk is gedrukt te Vene-
tien 1708 in quarto; en is een zeer voortref=
felyk werk. Onder de Nieuwe Schryvers
kan ook geftelt worden EMANUEL KO-
NIG. Deze heeft in zyn boek (genaamt het
Mineralifche Koningryk, nu laaft gedrukt te
Bazel 1703 in guarto) in de derde afdelinge
ehandelt van de (tenen. Het 1. kapittel han-
delt van de ftenen in het algemeen en van der
zelver natuur of gefteltheid. Het 2. kapittel
van de oorfprong en de voorttelinge der fte-
nen. Het 3. kapittel van de verfcheidentheden
der (tenen. Het 4. kapittel van de kleine e-
dele gefteentens, van der zelver deugden, en
van de voortbrenginge der zelver door konft.
Het $. kapittel van de alderkoftelykfte edele
efteentens, namentlyk de Diamant, Robyn,
Karbonkel’ Granaat , Hyacinth , Sapphier,
Smaragd, Chryfolyt, Topaas, Turkois, O-
paal enz. Het 6. kapittel handelt van de ede-
le gefteentens , die groot van volumen zyn;
Als daar zyn de Jafpis, de Agaat, de Ame-
thyít, de Carneol de Calcedoon, de Onich 5
het Kryftalenz. Het 7. kapittel van de min-
US, der
138 Natuur-en Konft-Kabinet,
der koftelyke ftenen, die echter klein van vo-
lumen zyn, gelyk als de Zeil-fteen, de Bloed-
fteen, Splyt-{teen , de Smirgel , de Lazuur-
fteen, de Armenius of het bergblaauw, de /a-
pis gloflopetra of Serpentstong , de Star-
fteen, de Joden-fteen , de Dadei-fteen, de
Morochthus of Melk-fteen, de ierfche fteen,
de Arent-fteen, enz. Het 8. kapittel van de
ftenen die de gedaantens van verfcheide Na-
tuur- of Konftgewrogten hebben, en van de
wyze op de welke zy voortgeteelt worden.
Het 9. kapittel van de grove en harde fteenen,
als de Saxe, de keijfteen, de vuurfteen , de
flyplteen, het marmer. Het ro. leapittel han-
delt van de onkoftbare grote {lenen , die zagt
zyn, als by voorbeeld de kalk-fteen, de Gyps,
de fteen van Bologne, de Puim-{teen ‚de T'o-
phus, de drup-fteen, die van druipend of lo-
pend water ftremt, de Ofteocolla , de Corzu
fofile, of berg-yvoor, de Amiant of vlas-
fleen, de Spiegel-fteen , het ys van Maria,
Talk-fteen. Het rr. kapittel handelt van de
koralen. PAULUS BOCCONE, Edel-
man van Sicilie, heeft een klein boekje uitge-
geven in ’t Franfch, onder den titel van Na-
tuurlyke Opfporingen en Waarnemingen omtrent
de Koraal, verfcheide gefteentens enz. Dit
boekje is gedrukt te Amfterdam 1674, in duo-
… decimo. De Heer Johannes Jacobus Scheuch-
ferus heeft gefchreven een Natuurlyke Hifto-
rie van Switzerland „die gedrukt is int Hoog-
duitfch te Zurich 1716, 1717, en 1718 in
guarto. _ In het darde deel befchryft die ver-
maarde Schryver x. de aarden van Switzerland,
en
ji
iN Maart, —= Ful)s 1722 139
__ en zo wel vette als magere teelaarde. 2. De
‚_ftenen, en onder de zelve verfcheide zoorten
‚van Saxen-fteen , van de fteen uit de welke
_ vaten, potten en huisgeraden gedraayd wor-
_ den, van de Zandfíteen en van het zand, To»
_ _fusfteen, Molefteen, Kalkfteen, Gyps,Wet-
‚ fteen, Marmer, Albaft, klein grof gefteente;,
_ als keizelfteen, Amianth of Vlastteen , Talk-
__fteen, Moskovifch glas, doorfchynend vrou-
wen ys of Cryftalagtige {teen , Goudfimits
__fpathendeftenen die verfcheide gedaantes ver-
_ beelden; Graveelfteen , Kat-oog , Agaat, Gra
naat, Amethyft , Karbonkel, Kryttal , val-
fche of Europifche Diarnanten , Vuurftcen of
Swavelfteen, Berggroen, Glimmer ; een om=
ftandige befchryvinge van (tenen, of verfteen-
de dingen, dewelke de Heer Scheuchzer aan-
merkt als merktekens , gewrogten en over-
blyfzels van de Zondvloed. In het jaar 17os
is in * Hoogduit{ch te Neurenberg wederom
herdrukt, en vermeerdert in ’ licht gekomen
KONST- EN WERKSCHOOL, in twee
delen in guarto. Het vierdeboek van het eer-
fte deel handelt van de natuurlyke edele ge-
fteentens, van de paerlen , van de koralen;
van de grove ftenen, van de Seilfteen. ‚In het
twede Boek van het eerfte deel word gehan*
__delt van de bereidingen van allerhande edele ge=
| fteentens ‚en Amauzen te maken, vari alderhan=
de zoort van koleur-glas , glazuringen en foe=
lien te bereiden. Dog, altes-is.meeft van woord
_tot woord gefchreven uit het boek van Kunke
__lius , daar wy daatlyk nader van zullen {pre-
ken. BENEVENUTOCELLINI „eenver-
maard
r40o _Natuur= en Konft-Kabinet ,
maard Juwelier in Italien, heeft in de feftien-
de eeuw een Boek gefchreven over de {teen-
werkers koatt het bereiden en zetten der edele
gefteenten, over het maken der foelien, over
het goudfmeden enz. Het welk zeer hoog ge-
waardeert word. Maar wat moeite ik ook heb-
be aangewend heb ik tot nog toe dit boek niet
konnen magtig worden.
17.
Enige treffelyke liefhebbers van natuur en
konft hebben op aldernande wyze getragt de
edele gefteenten na te maken door kont. Zom-
mige hebben over deze zaak Boeken gefchre-
ven, of in hunne werken Verhandelingen in-
evoegt. JOANNES BAPTISTA Bl-
ELLI heeft in het lraliaanfch een boek ge-
fchreven over de konften, geheimenen konft- —
ftukken van metalen en mineralen. Dit boek
is in het Hoogduitfch vertaalt door Petrus
Uffenbach , en onder den tul van GUL-
DENE KUNST gedrukt te Frankfort 1603
ingzarto. Dit werk beftaat uit 13 hoofdftuk-
ken. Het agfte hoofd{tuk of boek handelt van
de edele gefteenten die door konft gemaakt
worden: van het maken der Smaragden , Ro-
bynen , Granaten , Hiacinthen , Sapphiren,
Turkoifen, Topaazen, koralen, paarlen, en
een groot getal andere koftelyke ftenen : ins-
gelyks van het graveren der edele gefteenten,
het maken van Spiegels, vernifzen,foelien enz.
18.
ANTONIUS NERUS van PFlorenfen
heeft
#s
4 vl
} 5
Maart, = Julys 1722. 14r
_ heeft een Boek in ’t Latyn gefchreven , het
_ welk gedrukt is te Florenfe in guarto, en na-
db derhand 1668 te Amfterdam in duodecimo, en
__ paderhand te Amfterdam wederom herdrukt
_ 1686 in 12. In dit werk word zeer naaukeu-
_ rig befchreven de konft om glas te maken: de
_ glasblazers konft : het toebereiden van alder-
_hande zoort van Amauzen : alderhande edele
_ gefteentens na te maken door konft: het ma-
_ ken van foelien en alderhande zoorten van
_fehilder-lakken: het bereiden van Spiegel-fpys.
CHRISTOPHORUS MERRET, Engels-
man, heeft zeer geleerde aanmerkingen er
aantekeningen over dit werk van Agtonius Ne-
rus uitgegeven, die ook agter het werk ges
drukt zyn met een aanhangzel over de glas-o-
vens, en werktuigen der glasblazers met Fi-
guren uitgebeeld.
LEME
JOHANNES KUNKELIUS heeft in
het jaar 1679 in ’t Hoogduitfch uitgegeven
zyn vollkommene Glasmacher-kunft, gedrukt
te Frankfort in guarto. Het eerfte deel be-
helft een overzettinge van het boek van Anto-
nius Nerus met de aanmerkingen van Chrifto-
phorus Merret, uit het Latyn in ’t Hoog-
_duitfch. Verrykt met ophelderingen en ver.
klaringen van Kunkelius, in de welke het
maken der edele pefteenten, Amaufen, Dou-
bletten, en Spiegels, zeer veel verbetert word.
Het twede deel handelt van de kont van glas- «
fchilderen of inbakkeu van koleuren in glas:
het maken van Delfs poftelein : van a
eent.
i4z Natuur- en Konft-Kabinet ,
fteentjes met alderhande fchone koleuren: het
glas-blazen met de lamp: van het gieten van
alderhande bloemen, lof en kruiden van zul-
ver: van alderhande Gypswerken : van zeer
fchone lak-vernifzen: vergulde en gemarmer-
de pampieren : het maken van alderhaude
ftrooyglanzen en goudkoleurige bronzen : ver-
fcheide verburge konften enz. Agter dit zeer
uitmuntende werk word gevonden een ver-
handelinge over de natuurlyke edele gefteen- —
tens, paerlen en juwelen.
n 136:
Van alle de welke tot noch toe gefchreven
hebben over de konft van glas te maken, als
ook over het maken van edele gefteenten door
kontt , heeft niemant met zo veel zekerheid
en welbeproefde en ondervonde kennifle ge=
fchreven als deze Johannes Kunkelius. Als
de Lezer de volgende Schryvers , als ook de
teetsgemnelde over die zelfde ftof benevens Jo- _
hannes Kunkelius geliefd na te zien, zal ’s
mans proefkundige wetenfchap baarblykelyk
genoeg doorftralen. JOHANNES JACO-
BUS WECKERUS van Bafel, die gebloeid
heeft in ’t jaar 1562, heeft een werk gefchre-
ven over de geheime konften, het welk in 17
boeken verdeelt en te Bazel 1582 in Qdfavo
gedrukt is. Dit boek is dikwils te Bazel her=
drakt; áls ín de jaren 1588. 1592. 1629,
1642 én 1662. Deze Schryver handelt in
"het elfde boek over de geheime konften der
ftenen eh édele gefteentens.
GE
(4,
PE
Maart, — Julys 17i2. 143
21.
JOHANNES BAPTISTA PORTA,
Napolitaan, die gebloeid heeft 1560, heeft
een werk gefchreven over de Natuurlyke To-
_verkonft, of de wonderwerken der Natuur,
gedrukt te Antwerpen 1561 in O@Zavo, en
verdeelt in 4 boeken. Dit werk is naderhand,
in 20 boeken verdeelt, verfcheide maal her-
drukt. Als te Napels 1569 in folio. Te
Frankfort 1591 , als ook 1597, en 1607 in
otavo. Te Hanover 1644 in o@avo, Te
Leiden 1644 en ook 1ószin 12. Te Am-
_fterdam 1664 in 12. De Schryver handelt in
het zesde boek van dit werk over het Nama-
ken der edele gefteenten, het maken van du-
_bletten, van Smalten of Amaufen; in het ze-
vende boek over de wonderlyke werkinge en
aart van den Zeilfteen. enz.
22:
ATHANASIUS KIRCHERUS heeft in
zyn boek De Orderaardfche Wereld (het welk
gefchreven is in ’ Latyn ; en te Amfterdam
1664; en ook naderhand in ’t Nederduitfch
vertaalt, gedrukt is in fo/zo) over het namaken
der edele gefteentens gefchreven. Maar deze
Schryver {chynt vandiezaken zelfs zeer weini-
ge proef-ondervindingen gehad, ende Schryvers
maar op goed geloof uitgefchreven [te hebben.
Want het grootfte gedeelte van zynvoorftellin-
gen en befchryvingen van het namaken der Ede-
le gefteenten zyn niet goet: _ Anderzints heeft
hy zeer naarftiglyk by malkander vergadert ,
en ook in een zeer goede ordre voorgeftelt een
aeer brede befchryvinge ván de ftenen ‚ onder
den
144 _ Natuur-en Konft-Kabinet ,
den tytel van STEENAGTIGE ZELFS-
STANDIGHEID DES AARDRYKS: ‘In
dewelke Aircherus veel meer uit eigen bevin“
dingen en eigen oordeel befchreven heeft als
over de bovengemelde tof. Hy handeit 1.
van de veelvuldige verfcheidendtheid der fte-
nen , 2. van de oorfprong der bergen ; 3 van
de verfcheide koleuren der grovc en edele ge=
fteentens ; 4 van de oorfprong der Diaman-
ten en doorfchynende gelteentens , $ van de
verfcheide gedaantens, formen en beeltenifzen
der grove en fyne ftenen ; 6 van de oorfprong
des zaps door de welke zommige zaken ver=
fteent worden; 7 van verfcheide zaken die in
fteen verandert zyn; van de ftenen die in de
Dieren gevonden worden; 8 van het onder-
aardfche hout en de fteen-kolen ; g van de
Asbeft en van de Barnfteen; ro een tafel van
de geftaltens en kragten der edele gefteentens;
ir van de twaalf (tenen van den Borftlap ; 12
van de edele gefteentens die in Tyrol gevon=
den worden; 13 van de ftehen die in de zee-
wateren voortgeteelt worden ; 14 van de gla-
zen de welke Amaufen of Smalten genaamt
worden, en de welke gebruikt worden tot a=
molieerfel, en tot het nabootzen van de geko-
leurde edele gefteentens ; 15 van de manier
door de welke de gekoleurde ftenen uit de
Amaus of het fmeltglas bereid worden; 16
van de foelien die onder de gefteentens ge-
plaaft worden, enz.
dat
Over het bereiden van de edele gefteen-
tens
Maart, — July, 1722. Has
__tens door konft hebben ook gefchreven AN-
_ TONIUS MIZALDUS, ALEXIUS
_ PEDEMONTANUS, LEVINUS LEM-
__NIUS van Sirkzee, SCALIGER, SCO-
TUS, en enige andere, van de welke wy
__na dezen nader zullen {preken. Verfcheide
__Alchymiften, die by malkander vergadert zyn
_ in het bekende Zheatruim Chemicum,het welk
ij in fes dikke o@aver gedrukt is te Frankfort
__1602,1613,1622 en 1661 , hebben verfchei-
de wetenswaardige zaken verhandelt van de
‘oorzaken , voorttelinge , fchikkinge, te za-
__menftellinge, koleuren , bereidingen , deugden
en kragten der grove en edele gefteentens ,
paarlen, koralen, fteenzappen enz. Maar de-
wyl deze fchryvers zeer veel fabelen , onderftel-
lingen en bygelovige vertellingen onder vele
goede zaken gemengt hebben , moeten dezel-
ve met veel onderfcheidinge gelezen worden.
| ò4.
Nadat wy nude antie Schryvers, de=
welke over de grove en edele gefteentens en
derzelver bereidinge door konft gefchreven heb-
ben, aandenlezer hebben bekent gemaakt , zul-
len wy overgaan tot de algemene befchryvinge
van de grove en fyne gefteentens. Het
onderfcheid zo wel van grove als fyne ftenen
is zo menigvuldig , dat de Schryvers, die al te
methodifch over deze (tof gehandelt hebben, daar
door zomtyds niet weinig in verwarring ge-
„raakt zyn. Want zo ras als zy door een al-
gemene defizitte hebben. gaan bepalen wat zy
verftonden door grove ftenen , en door welke
BEN DEE. ’ K hboe-
146 __Natuur- en Konfl-Kabinet ,
hoedanigheden de fyne ftenen van de groven
moeften onderfcheiden worden, is hetdikwiis _
gebeurt , dat zommige onder de fyne (tenen
maar als grove ftenen, zyn angemerkt en re
boek gettelt. Zommige hebben onder de fyne
gefteentens geftelt.de barnfteen , de gitíteen ,
de Bezoar , zommige geftremde zappen , of
zeer fyne en harde aardagtige lichaemen „dewel-
ke wederom van andere uit het geflagt der te-
nen geheel uitgemonftert zyn: maar wy zullen
ons met alle die gezogte en fchoolfche fubti-
liteiten in het aiderminfte niet belemmeren ,
en onder het gefteerite aannemen alles , dat
door het gebruik , en in het algemeen daar voor
gehouden word. Buiten deze zaak isook myn
voornemen om over de-ftenen te handelen op
een vryen en ongebonden trant, Want dewyl
de natuur in deze zaken zo vol verandering ,
zo menigvuldig en zo ryk is „ oordeel ik dat
wy aan dezelve te kort zouden doen , als wy
dezelve in een fyflematifche order wilden be-
klemmen. Het zal ook aan een leerling veel
minder verwarringe , of gelegentheid tot on=
nutte twiftingen baren , dat wy in onze be-
fchryving komen te volgen den natuurlyke or-
der, alsdeftyve en fchrale leer- of fchool-order.
aks
Wy vinden een Natuurlyk of wezentlyk
onderfcheid in de (tenen , ten opzigte van groor-
heid en kleinheid. Want zommige ftenen ko-
men te groejen tot de grootheid van ontzache=
lyke bergen, rotzen als eylanden „ ja halve
landfchappen ; daar in tegendeel andere ia!
8 er=
__ Maart, == Jul, 1722. âgy
_deromzeef klein zyn, als de Diamant, en ver-
__fcheide andere fyne en edele fteentjes ofgem-
_ men. Het verfchil tufichen zagt en hard is
_ook zeer zakelyk in deftenen te vinden. Want
___de Diamant kan zonder tegenfpraak voor het
_ _hardíte ligchaamdes;werelds gehouden worden.
__Daar ondertuffchen in vergelykinge van die en
__andere harde edele ftenen, de Gyps , de Talk,
__de Puim-fteen, het Albaft , de Barn-fteen, de
_ _Gitfteen, de Amiant enz. Zagt zyn. Het
onderfcheid van hardigheid is zo aanmerkelyk ,
dat een zeer ervaren Diamant-Slyper en groot
juwelier my verzekert heeft, dat de hardigheit
van de alderhardfte gekoleurde fteen , by den
diamant is, als een tegens tagtig , datis dat den
diamant tagtigmaal harder is als de Robyn, of
of Sapphier, de alderhardfte onder de gekoleurde
edele gefteentens , dat zelfs geen Diamant is.
| zó.
Ten opzigte van de Doorfchynendheid en
| ondeorfcheynendheid vinden wy ook een be-
ftendig en natuurlyk onderfcheid in de ftenen.
Want zeer veel ftenen zyn doorfchynende, en
andere , gelyk als genoegzaam bekent is ‚ on-
doorfchynende en donker ; gelyk als by voor-
beelt onder de Edele gefteentens zyn doorfchy-
nende de Diamant, de Robyn, de Karbonkel,
de Hyacinth , de Sapphier , de Smaragd „de
Beryl, de Prafius of look-groene fteen , de
Chryfoprafius’, of look-groene ftenen met gout-
geel. doormengt , de. Rubicellus , ( een fteen
tuflchén de Spinellen en: Hyacynten , ) de Spi-
mel-Robyn „de Granaat, de Chryfolyt , de
Bi K 2 Aman-
nn tan nnn nne nd
148 Natuur-en Konft-Kabinet,
Amandin , de Ballaflius , ( een minder zoort
‘van Robyn) de Almandyu, (een {teen tuflchen
de Granaat en Robyn) en noch verfcheide an-
dere; En onder de edele (tenen zyn wederom
ondoorfchynende de T'urcois, de Sardonyx ,
de Opaal, en verfcheide andere; gelyk als ook
dit onderfcheid van doorfchynende en ondoor-
fchynende onder de grove ftenen zo algemeen
bekent is, dat wy het geheel onnodig oordelen
omftandig van het zelve te fpreken.
B.
Het onderfcheid van lelyk of fchoon , als
ook van overvloedig of weinig en zeldender ,
is of niet ftellig en natuurlyk, of hangt enke-
yk maar af van deagtinge der menfchen. Maar
niemant zal tegenfpreken , dat de ftenen we-
zentlyk onderfcheiden zyn in gekoleurde en
ongekoleurde ftenen. . Ten opzigte van de be.
naminge der tenen diend de leerling ook aan-
temerken , dat de geleerde door den naam (te-
nen gemenelyk verftaan allerhande grove fte-
nen en door de benaminge van edele gefteen-
tens , alderhande dierbare, konftbare, of fyne,
of verwonderenswaardige {tenen ; Maar on-
der de Naam van gemmez worden afzonder-
lyk alderhande kleine, of doorfchynende , of
fchitterende, of zeer koftelyke juweel {teentjes
verltaan,
28. '
De ftenen moeten zo wel onder de leven- |
dige ligchamen geftelt worden als de plantge-
wafzen want zy komen voort uit zdad; zy
wor-
Bn Maart, —= July 1722: 149
worden gevoed, vermeerdert , en: groeyen „in
de gronden of in hunne moer leggende ,daag-
B, jks zoo lang aan, tot zy eindelyk hunnever-
_eifchte volmaaktheid bereikt hebben ; ook ko-
men zy te fterven , of te bederven „ of uit
hun zelfs , of ook wel,door verrottinge , of
door ontbindinge , veroorzaakt door lichamen,
_die tegens hunne gefteltheid ftrydig zyn. Alle
deze zaken gebeuren in de ftenen zeer lang-
zaam „en minder baarblykelyk voor het: oog’
__der menfchen als in de menfchen , dieren ,
plantgewaflen , eriz, „Als wy zeggen dat de
{tenen leven , zal de lezer wel aanmerken,
_dat wy door dat leven niet anders verftaan als
het vegebatile , en. geenzints het dierlyke le-
ven ; Het welk onderfcheiden is door: de ver-
mogens van denken ‚ gewaarworden „ of voe-
len, en zich uit zich-zelfs.te bewegen. Welk
leven tot nogtoe niemand (die geen manne-
tjes in de maan wilde fchilderen ) aan de (tenen
heeft toegefchreven |
_
KE „29.
___ Dat de ftenen hunnen oorfprong hebben uit
vloeibaare of ten minfte uit zeer zagte en we--
ke delen ontdekken wy uit verfcheide waar-
neminger , en word met veel ondervindingen
beveftigt. Want wy ontmoeten verfcheide bron-
nen en vloeibaere, wateren, dewelke!of geheel
in {teen veranderen ‚of van dewelke ftenen
komen te groeyep aan de wanden van de bui-
zen , door dewelke dezelve komen:te vloey-
en, of aan de wanden, randen, en gronden
over dewelke dezelve over ftromen., of be-
Ale K 3 ne-
nn le di
yo _Natuurs en Konft-Kabinet „
nevens dewelke dezelve komente vloeyen, of
in: dewelke verfcheide ligchamen:in. {teen ko-
mea te veranderen; van de verwulften van zom-
mige onderaard{che kelders , fpelonken „ uit-
geholde, (teenrotzên, badítoven., zyperen ‚en
druppeu vloeibare zappen”, diein (teen veran-
deren, en:-alderhande gedaantens aannemen.
Van zommige Hooge lteenrotzen ‚en ontza-
chelyke fteenbergen „ lekken en druppen vloei-
bare (toffem, die allengskens in zeer grocte fteen-
kegels „die zeer helder en doorfchynende zyn,
als zy geklooft worden ,-komen te verande-
ren.’ t 30 JEN
ai 7 rj 30% Î
--De bovengemelde aanmerking geeft. ons
licht om te konnen’ verftaan ‚de ongemene
doorfchynendheid van zommigesedele gefteen-
tens , die buiten alle twyfel , eer zy nog tot
hunne kardigheid gekomen zyn.geweeft „ be-
ftaan hebben uit vloeybare:en doorfchynende
delen, gelyk als het helder en doorfchynendt ys, |
uit helder en doorfchynend water , of gelyk
als de heldere en doorfchynende kryftallenvan
opgelofte metaalen , mineralen , zouten van
potafch , of van ontelbaareandere logen „meet
of ‚minder doorfchynende en helder zyn , na
dat die logen: zelfs zomtyds meer of min. ge-
zuivertiengefsltreert zyn geweeft. Maar alfchoon _
de doorfehynende gelteentens geboren worden
uit zuivere en doorfchynende zappen, moeten |
wy nieb!menen dat deze zappen enkeld: water
zyn. Geenzints, Wy konnen zelfs de {waarfte |
rmetaalen en mineralen zodanig in zommige
fmelt-
|
Í
_ Maart, — Jul), 1722. LSE
fimeltvogten oplofzen , dat dezelve „in de
boezem van deze vogten ‘hangende , niet an=
ders fchynen te zyn als zeer heldere en door-
fchynende wateren. Wy konnen de metalen
en mineralen tot kryftallen maken , en deze
kryftallen laten fmelten in fchóon regenwater,
zonder dat het regenwater daar door deszelfs
vloeibaarheid, of ‘doorfchynendheid in het al-
derminfte komt te verliezen. Gelyk als blykt
in devitriool van yzer, koper, Chryftallen van
zulver, van kwik- zulver enz.
Ks
__Om ‘aan een’ onkundig lezer hier van een
denkbeeld té geven , zullen wy met een zeer
ligte proef ophelderen,’ en aantoren hoedanig
het fchoon régetn-water , kän in zich beflui-
ten een f\vaar metaal , mineralifche Chriftal-
len en zoute ligchaamen , en echter zyn zeer
vloeibaar, helder en klaar. . Neemt fublimaat
van kwik-zulvér, Het welke niet anders is
als kwik-zulver, dat met het zuur van vitriool
zout en falpeérer is vaftgemaakt , en in 'krif-
tallyne bloemen is opgeheven ‚ of gefublt=
meert aan het bovenfte gedeëlte van het /xb/i=
meerglas. Weerpt een groote menigte van de-
ze fublimaat in fchoon regenwater, en gy zult
‚ de fublirmnaat voor uw ogen zien verdwynen ,
enin het water zien weg fmélten. Het wa-
ter word door deze ingewurpen fublimaat of
opgeheve kwik wel zeer verwonderens waar=
dig fwaar vangewigt, maár niet het aldermin:
Île troebel, of onklaar ; in tegendeel fchynt
het water daar door te worden veel doorfchy-
K 4 pn nen-
isz Natuur-en Konft-Kabinet,
nender en helderder ; ten minften verkrygt het
zelve een blixemende zulverkleurige glans ,
die wel waardig is om met aandagt befchout
te worden. Als wy nu in agt nemen welk
een {waren ligchaam het kwik-zulveris , hoe
grof de ligchamen zyn die met deze fublimaat
vermengd zyn,nameatlyk de zuren van ons keu-
ken-zout, van de vitriool, en van de zalpeter ;
blykt uit deze proef overvloedig genoeg , dat
enkeld regenwater in deszelfs boezem kan dra-
gen en befluiten metalen, mineralen, en fwa-
re zouten, zonder dat daar door deszelfs door-
fchynendheid of vloeibaarheid in het aldermin-
fte word belet. Het welk wy,als zulks hier
vereifcht wierd , met een ontelbaar getal an-
dere proeven zouden konnen beveftigen.
3Àe
Als dan de vloeibare en doorfchyrende zap -
pen , uit dewelke de doorfchynende ftenen
hunnen oorfprong hebben, geen enkeld water
zyn, maar in hunnen boezem konnen verber-
gen alderhande fware lichamen en metallyne ,
mineralifche of zoute wezens , moeten wy ook
niet geloven , dat de ftenen zo wel grove als
fyne uit enkeld water komen te groeyen ;
maar uit zappen , die met alderhande delen be-
vrugt en befwangert zyn. De verfcheidenheid
van de ftoffen, dewelke zich in zodanige zap-
pen bevinden , zyn ook de oorzaak van de
verfcheidenheid der tenen. Hier moet in zom-
mige gevallen ook bygevoegt worden een on-
derwerp, in het welke zommige van deze zap-
+ pen
rad
B,
fin
rijs
_ Maart, — July, 1722. 1yà
en Zich komen in te wikkelen want na dat
et onderwerp verfcheiden is , daar zodanig
een fteen-makend-zap zich inboezemd zal ook
buiten alle tegenfpraak de fteen , die daar uit
te zamen geftelt word , onder{cheiden zyn.
Het is zeer wia Here dat de koleuren
van rood, blaauw , geel, groen , paars , en
vorder alleandere koleuren, dewelke wyinde
Edele gefteenten vinden, geboren worden van
de metallyne en mineralifche dampen, of zap-
pen , door dewelke dezelve gevoed of door-
trokken en doorwazemd worden. De lezer
zal hier zelfs niet begeren aan te twyfelen ,
als hy agt geeft op de twe volgende aanmer-
kingen ; Als eerftelyk: dat in Ongarien, Bo-
hemen ‚Saxen „en verder in verfcheide andere
plaatzen van Duitífchland , mitsgaders in En-
geland , Vrankryk, Italien , en buiten twyfel
ook ín Ooft- en Weft-Indien , of over aldaar
metaal en mineraal-aderen in de gronden ge-
vonden worden, de edele gefteentens gemeen-
lyk groeyen , en gevonden worden , niet al-
leen in de metaal- en mineraal-rykegronden,
maar zelfs op die gedeeltens van de gronden ,
alwaar de metaal en mineraal dampen het meeft
komen door te wazemen. Op de plaats van % *
gebergte of van de gronden, alwaar een me-
taal- of minerael-ader onder de gronden door-
loopt , geeft dezelve zyne voornaamfte uitwa-
zemninge. Wy moeten een metaal- of mine.
taal-ader aanmerken als een wezen dat een
‚ fcheidinge in de gronden of in de ontzagchelyke
ber-
rs4 __Natuare en Konft-Kabinet, -
bergen maakt. Dewyl dit wezen in de ber-
gen , of onderaardfche gronden , door het on-
deraardfche vuur gekookt, en tot zynerypheid
word gebragt van de dampen en onderaard{che
zyden en van alle wegen uit het gefteente en
van onderen na dit wezen toe komen te fchie-
ten „, konnen wy ook wel begrypen , dat de
overtollige dampen hunnen meeften uittogt
„maaken op die plaats van de gronden of bergen ,
daar zich deze metaal aderen op het kragtigfte
komen te bevinden, en in diergelyke plaatzen
worden de meefte Edelegefteentens gevonden.
En dewyl deze dampen met alderhande meta-
Iyne en mineralifche delen bevrugt zyn, is het
zeer wel te begrypen , dat de koleuren , die
wy inde Edele gefteentens bevinden, voortko-
men van de metalen en mineralen.
24.
Detre zaak word nog nader beveftigt, als
wy overwegen de manier , door de welke de
Edele gefteentens worden nagemaakt, “Want
dit gefchiet door een zeer zuiver en fchoon
glas , dat wy van metaal-afchen, en van het
gewoonelyke zuiverfte, en befte glas maaken,en
door het byvoegen van enig metaal of mineraal
zodanige fchoone koieuren geven, als wy zelfs
begeren. Want elk metaal geeft aan het zui-
vere glas zyn byzondere koleur. Gelyk ik op
zyn plaats nader zal bewyzen. Maar omdateen
leerling aan de kennifle van de mineralifche
vitdampingen. uit de -metaal-aderen zeer veel
„Belegen legt „, om,te begrypen den regten oor-
fprong
fyne geeften , dewelke van onderen van ter -_
EE
br
td
td
en APE
Maart, == July 172 155
_fprong van de fchone koleuren die in de edele
_gefteentens gevonden worden zal ik van die
zaak nog een weinig meerder fpreken.
SRE roa e 25- En
„Op die plaatzen, onder dewelke de metaal-
aderen lopen , worden in de dek-aarde, of
teel-aarde gevonden leem, zand, kleyen , mer-
gels, vette .aardens „ afgebrokkelde (tenen en
eentjes van alderhande geeftige koleuren , of
letten die dikwils zyn vol fchoone verwen.
Deze koleuren- worden in die verfcheide we-
zens , infgelyks als wy van de edele gefteen}
tens gezegt hebben , voortgebragt van de mi-
rieralifche en metaalagtige uitwazemingen en
dampen „die uit de metaal-aderen of mineraal-
aderen opryzen, en door dezelve komen hene
_ te dringen.in-hunner uitgang, in de opene en
__Yrye lucht „of dag , zo als wy zulks noe-
men. ge
„op 3 „126:
„Even onder de teel-aarde , door dewelke de
metaal-aderen, overdekt worden „legt gewoon-
lyk nog eenander dekzel, het welk de naam
heeft van zeep-fteen. ‚Dit dekzellegt ook zom.
tyds wel -bloot:„-op die plaatzen daar geen
teel-aarde „ of keizel, of bomen , of andere
ftoffen gevonden worden. Dit dekzel is een
Ímerige fteenachtigheid even alsof die gehele
berg met: {paaùfche zeep „ die een weinig vit
… den groenen «ziet, beftreken: was, en over
„al met kleine fcheurtjes gefcheurd was. Maar
deze zeepfteen iszadanig open ‚ en togtgatìg,
8 dat
156 __Natuur- en Konft-Kabinet ,
dat de metaal-dampen zeer licht door dezelve
komen heen te dringen. Want de zeepfteen
verkrygt van deze dampen al zo wel , als de
daer nog opleggende teel-aarde alderhande ko-
leuren van root, geel, bruin „en zelfs wel fwart;
gelyk wy dik wils zien dat de teel-aarde ‚boven
de yzer en de tin-aderen dikwils fwart van ko-
leur komt te worden. Door deze koleuren
worden zomtyds wel nieuwe mynen ontdekt;
voornamentlyk als dezelve, als byzondere ro-
de , gele , bruyne , groene, fwarte en andere
ftreken over ’t gebergte, of langs de gronden
voortlopen,
27
Deze gekoleurde ftreken zyn zeer ongelyk
van breedte , want de breedte van de metaal
aderen is zeer ongelyk. Zommigezyn breed
tien treden , S treden , vyf, en drie treden ,
een el, andere een halve el, andere een voct,
zommige maar een halve voet, of 4, of 3;
of 2 duim. In de bergen , door dewelke de-
ze aderen doorkruizen, vertonen zich aan
wederzyden van de metaal-ader fcheuren, de-
welke zich naer het zelfde geweft het zy ooft,
weft, zuiden of noorden ftrekken „daar de me-
taal-ader na toeftrekt , deze voort ftrekkinge
word geboren van de kragt van den metaal-ko-
kenden damp , die deze fcheuren in ’tgeberg-
te langs de metaal-ader komt te maken , en
dewelke voortbrengt die koleuren, die gevon-
den worden in de zeepfteen, in de teel-aarde,
kleyen, vette berg-kleyen,liemen , fteentjes,
en zelfs ook edele gefteentens , die dik-
wils in deze ftreken gevonden worden. }
28.
/
Maart,
July, 1722. 157
28.
Op dat een leerling nog klaarder zoude
konnen begrypen, dat de gekoleurde edele ge-
fteentens gevued worden door de zelfde voed-
zels , door dewelke de metaalen geteelt wor-
den ; ftaat aan te merken : dat de vrugtbaar-
heid van de metaal-aderen al zoo wel afhangt
van den overvloed van fcheuren , en vervol-
gens dampen , als de overvloet van de edele
gefteentens , van de metaalrykheid en metal-
lyne doorwazeminge van den grond. Alseen
metaal-ader geheel zonder enige T'oevallighe=
den door een gebergte voortftrykt , is dezelve
gewoonlyk zeer arm van erts, maar als tot
dezelve invallen, of door dezelveheen {nyden
andere metaal-aderen, {cheuren, kloven enz.
verkrygt dezelve daar door een groote vrugt-
baarheid , en erts-rykheid. want dewyl de me-
taal-ader hun voedzel moet trekken uit het
gehele ligchaam en gelteente des bergs „kan zy
niet genoeg gevoed worden, als de vafte (teen
des bergs door de natuur niet word gekloofd,
gefcheurt , “doorgekruift , en doorboort met
alderhande aderen , kloven en fcheuren. want
deze fcheuren zyn de kanalen , door dewelke
de dampen worden gedreven, om de metaal
ader te voeden , en deze dampen , door de-
welke de erts word gevoed , zyn ook die
zelfde , door dewelke de edele gefteentens
hunne fchone koleuren verkrygen. Waardoor
aan onzen geeft zeer openbaar. word , dat de
gekoleurde edele gefteentens een uitftekenden
overeenkomft. hebben met de metalen, en me-
tallyne mineralen, 29.
158 __Natuur- enn Konft-Kabinet,
29.
Het is niet alleen eigen aan de edele gefteen-
tens , hunne koleuren te: ontvangen van de
mineralifche en metallyne dampen-en uitwa.
zemingen „ maar ook aan de grove ftenen,
van dewelke gehele bergen gegroeid zyn. Want
de bergen , in dewelke metaal- of mineraal-
aderen groeyen , zyn gewoonlyk van de ene
of de andere koléur. In de bergen welker
fteen van een blaauwe koleur is, worden dikwils
metàal-aderen gevonden. Het goud, of zul-
ver , of koper , of zomtyds wel alle drie te
zamen verenigt , want die drie metaalen zyn
%X, die gewonelyk ook in eene erts groeyen,
waut zelden gout zonder koper en zulver ,
word menigmaal gevonden in bergen , welker
fteen is fchilferagtig, blaauw van koleur, vaft
en zeer zuiver, Zomtyds is ook wel het ge-
fteente van de bergen , in dewelke de goud-
aderen groeyen’, donker-blaauw , “zuiver en
mild, Het zulver-erts groeit ook dikwils in
blaauw gefteente , dat zeer vaft , fwaer en
zeer helder is. ‘Zommige goud-aderen , of
ook wel zulver-aderen en zomtyds ook wel
tin-aderen worden gevonden ín bergen , wel-
kers gefteente blaauw en zeer fplytachtig , en
vol wilde granaten is. Zomtyds worden ook.
de zulver-aderen gevonden in bergen , welker
fteen is blaauw en zeer fplytachtig met veel
wilde granaten , kalkagtige adertjes , en kalk
klompen , en vol querts ; het welke een har-
de, droge en dorre bergftof is. Zomtyds wor=
den ook koper-aderen gevonden in Ee
-_ WEel-
Maart, July, 1722. 1fg
ker fteen blaauw en fchilferagtig is, met kleine
adertjes , en groene kloven. Ook worden
zomtyds goud-aderen gevonden in gefteente
dat donkerblaauw is, en in het welke gevon=-
den worden rode , bruine, groene en witte
aderen. Zomtyds worden zulver- aderen ge.
vonden in bergen, welker gefteente is van een
donkere water-blaauwe koleur. Een zeer hoog
donkerblaauw gefteente wy{t lood aan. Een
helder witachtig-blaauw gefteente wy{t dik wils
goud aan. Zomtyds worden ook lood-my-
nen gevonden in gefteente dat wit en blaauw
is. Zomtyds word ook goud-erts gevonden
in bergen welker gefteente groenachtig blaauw
van koleur ís. Uit deze waarneminge blykt
genoegzaam, dat de metallyne dampen, door
dewelke de metalen gevoed worden, geboren
worden uit bergen , welker gefteentens geko-
leurd zyn.
"30.
Het fchynt echter dat de natuur niet gebon=
den is aan de bepaalde koleuren van de ftenen ,
maar met dezelve fpeelt, alfchoon dezelveeen
en dezelve metaalen. voortbrengt. Want ge-
lyk als verfcheide zoorten van blaauw goud
erts voortteelt, word ook gouderts gevonden
in bergen welker gefteente bruin van koleur is.
Zelfs worden gout-aderen voortgeteelt in ge-
fteente van alderhandeverwen, als fwart-bruin,
groen van. hardigheid als werfteen. Zomrtyds
worden lood-aderen gevonden in bergen welt
ker gefteente bruin en roodachtig van koleur is,
Zelfs worden goud-aderen gevonden in ber-
} gen
£6o __Natuur- en Konft-Kabinet,
gen welkers fteen kool-fwart is. Een fwart
donker- bruin getteente wyttinfgelyks goud aan.
Een fwart fchilferagtig gefteente teelt koper
voort. Een gefteente dat fwartagtig-graauw
is , en korftachtig , als met een vatte huid
overtrokken , en vol fchierl of ontaarde tin-
erts gevonden word , draagt goud-erts. Een
wic-graauw gefteente, met blaauwe Afch-ftof,
en groene aderen wy{t lood aan. het gebeurd
zomtyds wel dat metaal-aderen gevonden wor-
den in bergen , welker gefteente wit of zeer
weinig gekoleurd is, Want een witachtig ge-
fteente, dat zeer mild is, wyft zomtyds zul-
ver aan , zomtyds tin , en zomtyds ook ko-
per. Een witachtig gefteente met veel katte«
zulver wyft zulver aan. Dit katte-zulver is
een berg{tof , die ledig is , zeer fchoon blinkt
en fchilferagtig op malkander groeid , gelyk
als de talk. Zomtyds word wel yzer-erts ge-
vonden in een wit zand achtig, en gruzelig ge-
fteente. Ook word in dat zeltdegefteente wel
gevonden of koper, of blende, dat een blin-
kende fwarte , en ook zomtyds gele berg{tof
is , of een mineraal-marcazyt die glants ge-
naamt word. Zomtyds worden jn wit ge-
fleente , dat fchilferachtig is ‚gevonden of zul-
ver-aderen, of yzer-erts, of tin-aderen. Zom-
tyds word ín een zeer helder en klaar wit ge-
fteente kwikzulver-erts gevonden : in zom-
mige tinbergen word goud gevonden , in een
gruifachtige zandigheid : een ander witgefteente
heeft voorgeteelt goud , vitriool, en Aluin.
Een ander zuiver zandagtig gefteente wy{t zom-
tyds aan rode gulden-erts, en zomtyds zulver-
erts.
zine da hi
| Maart, —— July, 1722. 161
erts. Ik heb over deze zaaken voor dezen
zeer wydlopig gefchreven; * maar enige van
dezelve alhier herhaalt , om aan te tonen hoe
geeltig de natuur komt te fpelen , met alder-
hande aangename koleuren, in de metaalryke
‚ ftenen en gronden.
e gt.
Al zynde Dampen ‚door de welkede (tenen,
en Edele gefteentens gekoleurd worden, juift
geen enkeld water , konnen wy echter het
water niet geheel uit dezelve uitfluiten ; maar
moeten het zelve aanmerken , als een vebicu-
_lum , door het welke de metalyne geeften ,
en mineralifche uitvloeyingen worden gedraa-
gen. Deze Dampen konnen aangemerkt wor-
den ‘als bet fweet der bergen , en dat dezelve
verzelt zyn van water, blykt , om dat de
bergen ook haar meefte water uitgeven , op
de plaatzen daar de metaal-aderen door pafzeres „
even als of die grouwzame grote klcmpen
fteen , en ontzagchelyke bergen , aldaer eene
ontlaft plaats hadden , voor hunne uirwaze-
mingen of hun fweet. Dit (weet, of uitge-
wazemde water vertoont zich omtrent de me-
taal-aderen in de gedaante van Bronnen ,Born-
putten ; hete of warme W ater-wellen, Fon=
teinen , Beekjes en Zyperingen van alderhan-
de Mineralifche wateren. Maar op de plaetzen
van de metaal adefen , daer het onderaardfcle
VIL Deer. L vuur
% Zie Natuur- en Konft-Kabinet Maart en
April 1720, van pag. 319 tot pag. 340, en op ,
vekfcheide andere plaatzen. )
r6z __Natuur- en, Konft-Kabinet,
vuur , door het welke de metalen worden ge-
kookt en ryp gemaakt , kragtiger is , gaat dit
fweet op na de lucht, in de gedaante van een
onzichtbaren damp, en deze damp is eigentlyk
mede een wezen, door het welke de {tenen en
de edele ftenen wordengevoed, en alderhande
fchone koleuren komen te ontvangen. Als de
bergen deze damp met-boven gewoon geweid
komen op te íloken, word dezelve in demor-
genftond veeltyds gezien , als een zeer dik-
ke nevel en rook „gelyk aan niemand die om-
trent die piaatzen verkeert heeft, onbekent kan
zyn.
32
Zomtyds word gefpoelt, door langzaamheid
van tyd boven van de metaal-aderen en bergen,
een (tof, die zich vergadert in de dalen, inde
laagtens , in zommige groote holtens, en
putten van de bergen , of beneden gronden „
of ook wel in de beeken, rivieren , en water-
kanalen. Deze ftof word genaamt zift-ftof ;
om dat uit dezelve het goud uitgezift word.
In deze ziftftof worden ook gevonden alderhan-
de edele gefteenten , maflyf-goud , goud-kor-
len, ftof-goud , Ryke goud-erts , die fwart ,
bruin, geel, of lyf verwig van koleur is; ook
wel lazuur-fteen , granaat-{teen , alderhande
marcazyt ‚, zulver, kwikzulver-erts enz. In
diergelyke zift-ftof worden te Eule in Bohe-,
men gevonden, de wilde granaten , alderhan-
de wilde mineralen, als Schier! , yzer-korlen,
gout-korlen met alderhande koleuren , als
bruin, en met {warte punten, gele, en Iyfver-
wige plekken, enz. Ja
Maart; July, 1722. 163
ue 33
‚ In zommigemetaal-ertzen worden zomtyds
zulke ongemeen fchone koleuren gevonden k
dat de koleuren van deberg-{teen ‚van dewelke
wy gefproken hebben, by dezelve niet eens in
vergelykinge komen , en zelfs zo ongemeen
fehoon , en ook zommige zodanig helder
_en doorfchynende zyn, dat indien de zelve niet
_al te zagt van zelfftandigheid waren, zy zom-
tyds voor gekoleurde Edele ftenen zouden kon-
nen doorgaan , gelyk als onder een groot ge-
tal anderen, by voorbeeld die zulver-erts, aan
welken wy den naam geven van glas-erts , is
_ zomtyds ongemeen fehoon van koleur zen
doorfchynende , op. de wyze als het heldere
Hoorn, het welke gebruikt word in de- lan-
taarns, in de plaats van glas. Zommige van
dezezulver-erts is van een uitmuntende groene
koleur : zommige is ligt rood ‚doorfchynende
als een Robyn ; Andere is donker rood; aan
zommige word de naam gegeven van rood-_
gulden erts ; aan andere van wit-gulden-erts
zommige is van koleur ligt bruin.
Ld
34e
In zommige gefteentens en ertzen word zo-
danig een kragt vanl koleur en verfitof ge=
vonden dat dezelve alle andere verf-ftoffen te
boven gaan, gelyk als blykt aan verfcheide zoor-
ten van mineralifche afchen , aan de ultrama-
rin verw die uit de lazuurfteen gemaakt word,
aan het fermilioen dat niet anders is als erts van
kwik , aan het fpaansgroen, aan de kobolt of
12 ‘fwarte
164 _ Natuur- en Konft-Kabinet
fwarte arfenicum , uit dewelke het blauwzel
ende faffer gemaakt worden, aan het konings-
geel of het auripigment of geel arfenicum „
het welk een uitwerpzel van de goud-erts is. Aan
de mifpikkel vande welke het rus-geel gemaakt
word ; aan de verfcheide okers, affchen enz.
waar uit zeer baerblykelyk opkomt dat de fcho-
ne koleuren van de koftbare en fchone edele
ftenen en gemmen geboren worden van de me-
talline, en mineralifche dampen , waazemsen
zappen der aardens , Metalen en Mineralen ;
en Berg-ftoffen in en omtrent dewelke zy wor-
den voortgeteelt.
/
35:
Zommige ertzen , uit dewelke koper ge=
kookt word, zyn zodanig fchoon van koleur
en doorfchynend als deedele gefteentens zelfs,
voornamentlyk die erts of berg-ftof , dewelke
koper-glas genaamt word. De koleuren fpe=
len in deze ertzen dikwils met zoo veel ver-
anderinge van Rood, Geel , Blaauw „en Groen,
als of men defchone koleuren van den regen-
boog kwam te zien. Zommige koper-ertzen ver-
beelden zeer fchone gele {tenen , andere we-
derom groene , zommige hemelsblaauwe, an-
dere fwarte, Bruine, Rodeen een groot ge-
tal middel tinten van alle deze hoofd-koleu-
ren.
36.
Zommige lood-ertzen beflaan infgelyks uit
deorfchynende en gekoleurde (tenen ; zom=
mige van dezelve hebben de gedaante van al=
baft,
NB Ade ld ‘
Maart, —— July, 1722. 16f
baft, andere zyn {wart van koleur , andere
fchieten zeer aangename punten uit een moer
“als wit kryflal. Deze punten zyn zo onge-
meen gladt en blinkende als geflepe Diaman-
ten. De tin-fteen, uit dewelke het tin gekookt
word, vertoond zich ook met ongemeen vele
_€n verfcheide fchone koleuren ; van dewelke
zommige zyn rood, wit, fwart, bruin, vaal;
ensdezelve zyn zomtyds zo ongemeen hart ,
_dat zy even als de Diamanten in het glas kon-
__nen krafzen. Onder de tin-fteen vermengen
zich veel andere gekoleurde ertzen en minerale
ftoffen, als by voorbeeld , doorfchynende querts,
of wit-biinkende Mifpickel, blinkende tal-
kachtige , fchyfachtige bergftof , die zagt en
van koleur ís als paerlemoer , en katte-zulver
genaamt word.
Eli
De yzer-ertzen zyn ook van zo ongemeen
vele en verfcheide koleuren , dat wy byna
geen ander metaal van noden hadden alsalleen-
lyk maar het yzer, om te bewyzen dat de
grove enfyne fteenen „en edele gefleentens, en
fchitterende Gemmen hunne fchone koleuren
verkrygen van de metallyne en mineralifche
dampen , uitwazemingen of zappen. Uit zom-
mige erts-klompen van -yzer-erts komen ook
pyramidale uitbottingen , gelyk gezien kan
worden in Tab. XVIII Fig. 3. die gevoegt
is agter ons Natuur en Konft-Kabinet voor de
maanden July en Augu(ti 1720. en van dewel-
ke ik gefproken heb in het zelfde (tukje pag.
161. Deze uitbottingen vertonen zich insgelyks
L3 : als
t
166 Natuur-en Konft-Kabinet ,
als edele gefteentens , en zyn zo glad en aan-
genaam als geflepe diamanten , zy zyn piet
doorfchynende maar, van verfcheide koleuren,
namentiyk blaauw rood, geel; op dezelf=
de wyze als het Stael dat aan de lamp geko-
leurd is. De yzer-aarde, yzer-erts, of yzer-
fteen is van ongemeen vele en zeer verfcheide
koleuren ; en ook zodanig overvloedig door
den gehelen aardkloot verfpreid , dat dezelve
zich byna over al laat zien. Zy word gevon-
den by en omtrent alle aderen van aiderhan-
de metalen en mineralen. Zy vertoont zich
ongemeen veel in de Boven-gronden en aan
den Dag , en even onder de veld-of Bouw-
aarde , als ook onder alle de andere ertzen ;
onder de ertzen van gout, van zulver , van
koper, van lood enz, Het vzer is zeer over-
vloedig in de Rode hoorn-fteen, en in deber-
gen van rood-gefteente. Zomtydsis de yzer-
fteen een fchone witte Blinkende en {ware
key-fteen , of een Blinkende Bruyne {ware key-
fteen. Zommige yzer-{tenen zyn geel-rood ,
andere bruin-rood , gelyk als de Bloedfteen ,
andere is wit-bruin van koleur.
38.
De zulver marcazyt, of bifmuth is wel
niet zeer gekoleurd, maar echter word uit de-
zelve met tin vermengt een fchone blauwe
afch gemaakt. Op die wyze worden door by-
voeginge uit de metalen en ‚mineralen de
fchoontte koleuren des werelds gemaakt ; En
dat de Dampen van de metalen en metallyne
mineralen bekwaam zyn om aan de Eelt ge-
een-
Ree
|
Se
Mrs dE ach
Maart,
Julys 1722. 167
flteentens , en ook aan alderhande {tenen , en
aardens byzetten fchoone koleuren, blykt aan
de ftreken en gekoleurde ligchamen, dewelke
boven de metaal-aderen gevonden worden ,
_en daar wy van gefproken hebben. Gelyk als
daar zynde Hoornfteen, en de doorfchynende.
quertzen van alderhande fchone koleuren ,„
de fwaerwigtige fpath , dat een {ware berg-
erts is, van gedaante als een keyfteen van al-
derhande koleuren , wit-blinkend misz-pikkel,
talkagtig katte-zulver , kley-aarde die vet is
en van alderhande {chone koleuren ‚als graauw ,
groen , bruin , rood , geel, wit, fwart en
veel middeltinten en gemengdekoleuren. Ver-
fcheide zoorten van bergmergel, die of geel ‚of
bruin, of rood, en van alderhande gemengde
koleuren gevonden worden. De goutenko-
per-erts-Aderen dragen dikwils op haar boven-
fte delen een fchoone Blaauwe lazuur-koleur,
hoewel het zuyvere koper-erts veeltyds op
het Bovenfte van zyn Aderen een groene ko-
leur draagt. Het yzer of het tin dragen veel.
tyds aan de bovenfte gedeelten van hunne ade-
ren een gele of een rode koleur. Het lood-
erts draagd dikwils aan het bovenfte gedeelte
van zyn Aderen een licht blaauwe koleur.
Op deze zelfde plaatzen worden ook , gelyk
als wy aangemerkt hebben, de meefte Edele
gefteentens gevonden.
9.
Boven elk rondes metaal en ook in elke
byzondere Mynen worden ook byzondere E-
dele gefteentens gevonden. Want elk byzon-
L 4 der
168 __Natuur- en Konft-Kabinet,
der metaal geeft zyn eigen en byzondere ko-=
leuren. Maar dat ook boven en in een en
dezelfde metaal aderen verfcheide zoorten van
Edele gefteentens gevonden worden, gefchiet
om dat de metaal-aderen zelden zuiver zyn ,
maar meeft altyd vermengt, of met andere
metalen, of met andere mineralen. Het welk
ook de oorzaak is , dat de ertzen van een en
het zelve metaal , als by voorbeeld van het
goud , of van het yzer, of van het koper ,
zo ongemeen verfcheide van koleur gevonden
worden. Dekoleuren zyn zodanige blykbare
gewrogten van de metalen , dat dezelve me-
nigmaal tot bewys verftrekken van het aanzyn
der metalen. Want als een vette kley , of
andere aarde maar hoog van koleur is, word
zulks altyd gehouden voor een bewys dat on-
der dezelve legt een metaal-ader ; voornament-
lyk als zelfs ontdekt word een zeer fchone ftreek
van verfcheide koleuren van de boven aarde,
dewelke wy de bouwaarde of teelaarde noe-
men ; of als gevonden “word in de bovengron-
den een droge aard-ftof , die of geel, of wart,
of rood , of een andere fware koleur heeft ,
want de koleuren moeten zelfs aangemerkt
worden , als een metaalachtigheid , of een
roeft van enig metaal , of metallyn mine-
raal „en de hoge koleuren vande bovengronden
geven een onderaarfche kokinge te kennen , :
en een uitdampinge van dezelve.
40.
Behalven de metalen worden ia de mynen
zelfs ook gevonden alderhande ftoffen , die
Te
Ae Ald
Maart, —— July 1722. 169
bekwaam zyn tot fchone en zeer beftendige
verf , en fchilder koleuren. In de zulver-myn
van SCHEMNIT Zin Hongarien, word vol-
gens de getuigenifle van de Hr. Brouwn in
zyne reize door Ongarien gevonden een
rode erts die zy aldaar noemen Cinaber van zil=
ver. Als deze gemalen en met olie vermengd is
geeft dezelve een fchoon rode vermilioen-ko-
leur, byna als het eigentlyke vermilion, of de
Ciraber van de kwik. In dezelve zulvermyn
worden ook gevonden Amathiften, en in de
grote kloven der bergen van Schemmnitz wor=
den zelfs mengzels gevonden van Amathift,
In de vermaarde en ryke koper-mynte Herrz-
grundt word gevonden een groen zetzel, van
een groen water , dit zetzel is eigentlyk die groe-
ne Aarde , dewelke de fchilders gebruiken ,
en die wy berg-groen noemen. Hier worden
ook {tenen gevonden van een zeer fchone groe-
ne , of ook wel van een uitmuntende blauwe
koleur. Onder deze ftenen is een zoort , op
dewelke zy zomtyds turkoizen gevonden heb-
ben. Waarom zy ook aan dezelve den naam
van moer van den turkois gegeven hebben. By
Banca twe Ongerfche mylen van Preiftad °,
zyn veel hete Baden , by dewelke gevonden
word een fteenkuil , die gegraven word’ in
een kryt aarde , dewelke zeer vermakelyk ,
en aangenaam isom tezien. * De Heer Brouwn
getuigt dat dit kryt van alderhande koleuris, be-
halven de groene koleuren, dat deze koleuren zo
ongemeengeeftig door malkander gemengt zyn,
Ls veel
* Zie gedenkwaardige Reizen door Honga-
syen 5 deel 1 Hoofdftuk,
170. Natuur-en Konfl-Kabinet,
veel fraayer als gemarmert papier. Digt by
de zulver-mynen van Schemuttz, daar ik van ge-
fproken hebbe, is een hoge lynregte rots, waar
van een gedeelte, van de grond tot boventoe,
uitermaten geverwd is, met blinkend fchoon
blaauw , zommige delen groen, en enige plek
ken geel, het welk een fchakeerzel is dat ailes
teboven gaat. Diergelyk een Berg die zeer íleil is,
word ook gevonden omtrent de mynen van
Potofzien Delporco in America. Van dezelve
word getuigt , dat de fchakeringe van deszelfs
fchone koleuren , zelfs de inbeeldinge in
fchoonheid van koleuren en glanzen te boven
gaat.
41.
„Te Glaflchitten een Ongerfche myl van
Schemnitz vyn zeer veel natuurlyk heete Baden ;
de zyden en kanten van deze Baden zyn vol-
gens den gemelden Heer Brouwn „ door ’t
geftadig druppen dezer hete wateren bedekt
met een rode , witte, en groene ftof , het
welk zeer aangenaam en bevallig voor het ge-
zichteis, Te Eizenbanch, vier Engelfchemy-
len van Glasfchitten , en vyf van Schenmzitz
zyn ook hete baden. Het zetzel van dezeis
rood en verandert in fteen. Waar uit zeer klaer
blykt , hoe bekwaam de metallyne dampen ,
uitwazemingen en/zappen zynom ftenen voort
te brengen, of in de groove en insgelyks inde
fyne edele gefteentes voort te brengen zeer
fchone en aangename koleuren.
42.
nd bo __
ld: AAT: adh
ke
Maart, July, 1722. 174
42.
Deze metaal-dampen, wazems en zappen ver-
wekken niet alleen koleuren in de metaal-ert-
zen , aardens , ftenen , edele gefteentens „
maar zelver ook in de zouten , en in andere
zamenftremzels , die op de wyze als de edele
gelteentens „in zeer veel metaal en mineraalryke
gronden komen te groeyen. Een half uur
gaans vande (tadt Eperzes in opperhongaryen ,
is een zeer voorname zout-myu , in een aard-
achtige en geen fteenrotzigegrond. Ditzout
is fteen zout, en alfchoon het in de myn zeer
kout en vogtig is, word het zout echter niet
gefmolten. Dit zout krygt van zyn verfcheide
aarde , ook verfcheide aangename koleuren „
als fchoon blaauw , of geel, en is zeer door-
fchynend , en zodanig hart byna als edel ge=
fteente. Ik heb van diergelyke gekoleurdeen
vafte zouten in myn verhandelinge over de
Zalpeter, en ook elders veel breder gefchre-
ven. Behalven in het zout, zien wy ook de
zelfde natuurlyke verwingen van de natuur
oefenen in de vitriool. In de gout-myn van
Chremnits in Hongarien word , volgens de
waarneminge van den gemelden Here Brouwn,
gevonden witte, rode , blaauwe en groene
vitriool. Op de zelfde wyze worden ook in
de vermaarde koper-myn van Herragrundt ver=
fcheide zoorten van witte, groene, blaauwe
en rode vitriool gevonden , die zeer doorfchy-
nende „en als gekoleurd edel gefteente zich
vertoont. Wy vinden ongemeen veel fchone
koleuren van wit, rood, groen, en zeer
: fchoon
172 __Natuur- en Konft-Kabinet,
fchoon blaauw in de vitriolen en chalcanten.
Zomtyds groeid de chalcant in de fpelonken ,
op de wyze als de uitbottende bladeren vande
palm-boom; en de vitriool is bekwaam om
alderhande koleuren als wit, groen, blaauw,
rood , ros , geel, fwart, graauw enz. aan-
tenemen , gelyk wy ook elders aangetekent
hebben,
43
De Berg-Kryftallen verftrekken ook voor
zeer grote bewysftukken, dat de ftenen , edele
gefteentens , en gemmen voortgeteelt worden,
en ook hunne íchone koleuren ontvangen van
de metallyne dampen, uitwazemingen en zap-
pen. Het kryftal ís een zoort van lteen-{chie-
tinge , dewelke in hardigheid aidernaaft komt
aan de edele gefteenten. Dat het zelveechter
uit een vloeibaer wezen of een zap tot zeer
groote klompen komt te groeyen , blykt uit
de pluisjes, diertjes en ftrootjes, die van bin-
nen in deszelfs wezen gezien worden. De
kryftallyne ligchamen zyn natuurlyk helder ,
klaar , en doorfchynende , zonder vermen-
ginge van koleur uit hen zelfs, maar zy ver-
krygen echter dikwils koleuren van de meta-
len en mineralen, omtrent dewelke zy in de
gronden gevonden worden. Zomtyds word
het kryftal gevonden dat het ene gedeelte een
gele, of fiool-kleurige, of een fwarte, of an-
dere koleur heeft aangenomen , en het an-
dere gedeelte van het zelfde kryftal , is- geble-
ven helder. doorfchynende en water-wit.
44.
Maart, — Fulys 172% 173
44.
Verfcheide rene: de berg-kryftallen
en edele gefteentens en gemmen groeyen met
zekere bepaalde gedaantens, op de wyze , ge-
Iyk als wy zien ftremmen uit de Zgveurez van
het falgemme of Îteen-zout, van het zee-zout,
van dezalpeter, van de vitriool ‚van de aluin,
van de pot afch, van de Borax, van de kan-
dy-zuiker, degekryftallyzeerde zouren , of we-
zens, elk tot zyn eige en bepaalde gedaan-
te ; en dewyl deze gekryftailizeerde ftoffen
daar in met veel edele gefteentens van bepaalde
gedaantens overeenkomen,en dat dezelve (trem-
men uit vloeybare vogten „of logen door de
kryftallizatie , en zelfs al tot een matige har-
digheit , verftrekken zy eenigzints tot een be-
veftinge „dat deedele gefteentens,de ftenen en
kryftallen voortkomen en gevoed worden door
zappen en vloeibare wezens.
>
45.
In zommige edele gelteenten zyn zodanige
openbare tekenen , dat dezelve geboren wor:
den , en hunne koleuren ontvangen van me-
tallyne zappen en vloeibare wezens, dat de
ene helft van een en dezelve fteen dikwils een
geheel andere ftcen is, als de andere helft, De
opregte en harde Diamanten konnen zel& iiet
ontwyken „dat zy zelfs gele,blaauwe, rode en an=
dere koleuren aantrekken uit mineralifche gron-
den, ìn dewelke zy voortgeteelt worden. Wy
vinden de {choonfte edele gefteen-fchietingen
des werelds van {tenen , dewelke behoren ons
der
174 Natuur en Konft-Kabinet,
der de metaal-ertzen, daar wy van gefproken
hebben , en ook van andere die zonder me-
taal zyn , en ten opzichte van der zelver al-
deruitmuntenfte koleuren met de edele getteen-
tens uit(tekend over een komen ; maar zy zyn
niet- alleen weker als de edele gefteentens en
gemmen , maar zelfs ook zagter als het kry-
ftal. Want tegens malkander geflagen zynde
geven zy geen vuur van hen uit , gelyk als
het kryttal, ook zyn zy te week om geflepen
en gepoly{tte worden. Tot een bewysdat deze
fchone {tenen ook hunne koleuren ontvangen
van mineralifche en metalyne dampen diendt ,
dat zy in het vuur gelegt zynde, wel niet {melten,
maar hunne fchone koleuren verliezen en uit-
wazemen. Als deze {tenen in ’t vuur gehouden
worden kraken dezelve en derzelver vonken
en afgefpronge {plinters vertonen een vuur,
als aangeftoken fwavel , maar van ’t vuur geno-
men zynde vertoonen zy een gedaante als een
wit zout „en dekoleuren zyn vervlogen, Zom-
mige vertonen een doorfchynende fmaragd,door
het heerlyk groen dat zy zomtyds van koper-
agtige uicdampingen hebben ontvangen. Zom.
mige zyn voor een gedeelte gekoleurd ‚en voor
een gedeelte ongekoleurd. Enige zyn voor-
zien van verfcheide fchoone koleuren. Zom-
mige vertonen een koleur alsde blaauwe fap-
plier. Zommige-hebben een koleur als zee-
groen,doormengt met een viool-koleur van den
Amathift, vertoonende op zommige plaatzen
een fchoone goud-koleur. Zygroeven dik wils
tot zeer grote brokken en klompen, Onder de
Orangery van den vor{t van Wolfenbuttel, is
een
re
Maart, ——= July, rr 175
éen ongemere grote enzeer konftig gemaakte
grot , alwaar een groote menigte van deze
ftenen gezien worden, welker koleuren voor
‚geen edele gefteenten behoeven te wyken. Zy
worden ín zodanig een overvloed omtrentde
_metaal-aderen gevonden, dat indien zy de har-
digheid van het kryftal kwamen te evenaren ,
de hooge prys der edele gefteentens daatlyk
zoude moeten vervallen; Zommige zyn zo
groot, dat van dezelve geheele Aderen ges
vonden worden, gelyk als wy boven reets
aangemerkt hebben, daar wy van dezelve ,
onder de naam van verfcheide metaal-ertzen
gefproken hebben. Nogtans konnen wy de-
zelve om derzelver fchone koleuren , door-
fchynendheid en glans Onder de onvolmaak-
te edelgefteen-fehietingen ftellen.
46.
Dat de edele gefteentens hun oorfprong van
heldere en: doorfchynende zappen en vloei-
bare wezens hebben is ook zeer waarfchyne-
Iyk , als wy agt geven op de heldere door-
fchynendheit der Diamanten , Robynen, Sap-
phieren , en andere gemmen. * De Heer
Boyle insgelyks van dit oordeel zynde, brengt
hetvoorbeelt by van de delen van het zulver die
duifter en ondoorfchynende zyn , maar zo’
ras als dezelve gefinolten worden in (terkwa-
ter, of fterke gediftilleerdé Azyn , vertoont
zich daatiyk de fo/utze niet alleen doorfchynen-
_de,maarfchiet zelfs ook als wy willen door-
fchynende kryftallen. Behalven dat wy uit.
de’
* De gemmarum origine ac virtutibus,
176 _ Natuur-en Konft-Kabinet ,
de puntige en bepaalde gedaanten, die zich
in vele edel-gefteenten-{chietingen vertonen ,
ook reden hebben om te geloven „ dat dezelve
ftremmen als de kriftallen die wy door konft
maken van de zouten , daar wy van gefpro-
ken hebben, worden ook veel edele gefteen-
ten gevonden , dewelke , noch rouw en on-
geflepen en ongepolyft zynde, verfcheide ge-
daantens verbeelden , even als of zy gegroeid
waren in vormen , welker inwendige cozca-
meratie Of ruimtens-gedaante zy hebben aan-
genomen, Gelyk als wy zien aan de zou-
ten die wy niet tot hunne bepaalde kry{tallen „
maar tot grote broden of klompen doen ftrem-
men , ook komen aan te nemen de gedaante
van de vormen „in dewelke zy komenteftrem-
men. De Heer Boyle getuigt dat hy verfchei-
de edele gefteenten uit hunnen moer heeft
genomen , zodanig als dezelve rouw in dezel=
ve gegroeid waren: dat hy onder andere ver-
fcheide Indiaaníche granaten uit een vreemde
ftof , of een moer heeft uitgelicht, aan de-
welke verfcheide Geometrifche gedaantens wa-
ren ‚ dewelke over een kwamen met de ge-
daante van de holligheden en celletjes , die
in de gemelde moer gezien wierden. In En-
geland worden verfcheide Europifche diaman-
ten gevonden, dewelke aldaar genaamt wor-
den Briftolfche ftenen. Deze heeft de Heer
Boyle laten graven uit de rotzen , in dewelke
dezelve quamen te groejen, en aan verfcheide
van dezelve gevonden zeer nette en wel ge-
fchikte Geometrifche gedaantens , die zeer veel
overeenkomft hadden met de gedaatte van de
kry-
at
Ke
Kobi N
ik Maart, —— July, 1722: 199:
kryftallen vande falpeter. Diergelyke In-
landfche diamanten worden. ook zomtyds
_ gevonden op andere plaatzen van Engeland,
__en ook in lerland. Het zelfde word ook
__dik wils- waargenomen aan de robynen, nament-
_ Iyk dat dezelve komen te groeyen in de ge=
_daante van bepaaldefiguren. Dit zelfde word
ook waargenomen in de opregte en harde dia-
_ manten, dewelke hebben een oppervlak-
te, die te zamen geftelt is uit verfchei-
_de driehoekkige vlaktens , dewelke zelfs
_ nog niet volkomen vlak zyn, maarin hunne
__vlaktens noch veel kleine driehoeken hebben,
_ die voor het meefte gedeelte in een punt te
_ zamen lopen , dat enigzints ftomp is. Dege-
| daante der diamantens is zelfs zodanig bepaal-
_ delyk aan hun eygen , dat zy daar door van
de meefte edele gefteentens konnen onder{chei-
den en gekent worden,
47:
De Heer Boyle varken, dat aan hem be-
kent was een byzonder fcheivogt in het welke
die Heer verfcheide edele gefteentens had la-
ten fmelten, en dat naderhand door konft de-
zelve tot fmakeloze kryttallen kwamen te
fchieten , die doorfchynende en zeer net van
gedaante waren. Waar door zeer kragtig be-
_veftigt word dat de edele gefteenten voortko-
men uit vloeibare wezensof zappen, die opde -
wyze als de kryltallen der zouten door de
natuur gekryftallizeert engeftremt worden. In
de baftert diamanten van Briftol heeft dien
_zelfden Heer ook aangemerkt dat het gedeelte
_van die diamanten, het welke voor derzel-
‚Ver wortel kan gebonden worden , veel min-
| der-
178: Natnar- en Konft-Kabinet, -
der doorfchynendeis, jazelfs zomtyds duifter ,
en ontbloot van alle gereguleerde gedaante ,
daar nochtans het boventte gedeelte van 20-
danig een fteen netjes van figuur is, beltaande
uit zeven vlakke zy- wanden die als{chuins ge-
fneden van hun boveneinde zes driehoeken uit=
rhaakten, die in het boven einde komen te
eindigen als een pyramide van drie hoeken.
De oorzaak waarom het onderfte gedeelte van
den (teen , met het welke de fteen , als met
een wortel noch aan defzelfs moer komt aan
te kleven , noch duifter en van geen bepaal=
de gedaante is, zal buiten twyfel zyn , om
dat dezelve aldaar noch befmet is met de lym-
achtigheid van deszelfs voedzel en deszelfs
moer , terwyl ondertuflchen deszelfs boventte
deel niet alleen gevormt is geworden door de
zuiverfte en vloeibaarfte en fyníte delen van
het voedzel , eer noch het luchtige wvehicalum
van deszelfs voedzel geheel was uitgewazemt ,
_ maar dat de fteen aldaar een genoegzame on=
belemmerde ruimte heeft omte (tremmen , in
zodanige een hoekige en nette gedaante , als
met deszelfs natuur overeenkomt, gelyk als
wy zulks gewaar worden in het fchieten van
de door konft bereide kryftal-zouten ; de-
welke aldervolmaakft tot hunne natuurlyke
gedaante fchieten , op die plaatzen in de gla-
zen, daar zy in hunne &riftallizatie de mintte
tegenftand of belemmeringe van vuiligheid of
troebelheit ontmoeten. Dit blykt ook zeer
openbaar ín de kryftallyne bergftoffen , de=
welke als uit huine wortels en moeren , in
zeer net bepaalde geometrifche gedaantens koo-
men té groeyen.
48,
Maart, == July, vjiz. 19
GE ree Be5sof
48.
Dat de edele gefteenten uit vloeibare ftoffen
en zappen geboren en geftremt worden, blykt
___@ok aan de kleine deeltjes , uit dewelke de-
_ zelveeyntezamen geftelt. Dat zelfs de harde di-
__amanten hunne nat uurlyke draden en vafte loop
van fibren en af{fcheidingen van hunnefchyfjes en
opmalkander gegroeide laagjes en dunne {chil
fertjes hebben, blykt uit de Diamant-Klovers
konít. Want de Diamant-klovingeis eigentlyk
___geen klovinge maar een {plytinge ‚diedoor een
___mietal te fcherp gereedfchap verregt word,
___gelyk wy het hout zien fplyten na den loop
‚van zyne veezelen , op het in{laan van een
___fware en ftompe wigge. Als' de diamant-
_klovers hunne {plytinge ook niet ondernamen
na den loop van den draad der diaman-
ten , zoude de kloving, of niet , of -kwalyk
gefchieden. In verfcheide andere edele gefteen=
tens word ook diergelyken loop van grein ,
of loop ván fibren gevonden. De IndifcheGri-
zolyt, laat zich na den loop van deszelfs greïn
zeer licht kloven. Volgens de getuigeniflë van
den Here Boyle konnen wy zelfs wel byzon-
_ derlyk in de Hyacint en de Sapphier , als de
_ zelve wel gefneden en gepolyft zyn , en op
een verfcheide wyze tegen het licht worden
gehouden, zeer fyne hegtingen en te zamen-
‚ voegingen gewaar worden. In de granaten ,
__ die ín Engeland eerft uit de grond gehaald
waren, konde den loóp en de naden en heg-
tingen van derzelver opmalkander leggende
blaadjes zeer klaar gezien worden.
E& 49.
_ „Het is zelfs zeer waarfchynelyk „-dat. de
3 M 2 ko-
ze
180 __Natuurs en Konft-Kabinet 5
koleuren der edele gefteentens van buiten aan
_ dezelve worden aangebragt , of door minera-
lifche en metallyne dampen, of door geko=
leurde zappen ; om dat zelfs meeft alle ede-
le gefteentens , behalven de Boheemfche gra-
paat , hunne koleur komen te verliezen, als
dezelve al te lang in het vuur gehouden wor-
den. Een voornaam Juwelier , en zeer ver-
maart kender en koopman hier tot Amftérdam
in de gekoleurde Edele gefteentens heeft my
ook verzekert , dat zelfs de lucht door zeer
langen tyd de koleuren der edele gefteentens
doed verminderen ; en dat hy in verfcheide
zeer oude en vorftelyke Juwelen , waargeno-
men heeft , dat de koleuren , door den tyd
zeer vermindert geworden waren. Hlet is
ook een grote waarfchynelykheid „ dat de ko-
leuren van buiten aangebragt worden in de
edele gefteentens , dewyl zommige edele ge-
fteentens gevonden worden , uit dewelke de
koleuren konnen uitgetrokken worden, door
zekere daar toe bereide vogten. De Heer
Boyle verhaelt dat aan hem bekent was een
vogt,het welke,na dat hy in het zelve gelegt had -
degranaten, een fchone koleur van die {tenen
kwam te verkrygen. $o.
Het fchynt ook datde Edele gefteentens hun-
ne koleuren van buiten ontvangen , om dat
zelfs edele gefteentens , dieals zy volkomen
ryp , fchoon en zuiver zyn, de fchoonfte ko-
leuren des werelds hebben , gelyk als de Ro-
bynen , Sapphieren: enz. zomtyds „gevonden
worden of. zeer bleek , of‚ook wel geheel on-
gekoleurd, of befmet met vremde en oneigen
koleuren. Ik heb kennis aan een Heer die
ons
Müart, — July, 1722. 18r
ongemeen veel rouween ook gefleepen Ro-
bynen bezit, en in dezelve en andere edele
gelteentens een zeer grote handel doed, en
_ ook lange jaaren gedreven heeft ; By dezen
_ Heer heb ik een zeer groot getal Robynen
_ gezien van alderhande koleuren. Het is zeer
eygen aan den Robyn dat een en dezelve fteen
veelderhande koleuren heeft, die onder het
flypen en opmaken moeten afgenomen , en
_van het fchone en zuivere gedeelte moeten ge-
_ fcheiden worden. Zomtyds worden fteenen
k gevonden, die aande ene kant zyn Robynen,
en aan de andere kant zonder koleur , en
andere (tenen , die aan de twe uiterfte einden
… zyn van andere koleuren , en in het midden
robyn. De Heer Boyle getuigt dat hy een
ring aan zyn vinger droeg, in de welke was
een Sardonyx, dewelke beftont uit drie opmal-
kander leggende delen. Het bovenfte gedeelte
was fwart , het middelfte van een kaftanje-ko-
leúr,en het onderfte zoo blaauw als een turkois,
Het welk geheel niette verwonderen is. Want
als wy de edele gefteentens in byzondere ge-
flagten gingen onderfcheiden , om de byzon-
_ dere koleuren, zoude de. Sardonyx alleen in
{taat zyn , om een ontelbaar getal verfcheide
geflagten van edele gefteentens uit te leveren;
_ want de. Natuur fpeelt wonderlyk door ver-
_ fcheidendheid van koleuren in de Sardonyx.
De vermaarde Benevenuto Cellini {preekt by
de Heer Boyle van witte en ongekoleurde
_ Robynen, Beryllen, topazen en Amethyften.
_ Het wezentlyk onderfcheid van de Edele ge=
_ fteentens-word by de groot{te kenders geftelt
‘
ks
in derzelver onderfcheiden hardigheid; want
„0 M 3 ver=
182, Natuur- en Konft-Kabinet ; »
verfcheide {lenen worden gevonden van een en
dezelve hardigheid,en-hoedanighedenjen dienog-
tans zeer veel van malkanderen komen te ver-
fchelen. ín koleuren , gelyk alsdaar zynde ro-
bynen, en de Sapphieren ‚waarom dezelve ook
wezentlyk een en_dezelfde zoort van Edele
gefteentens uitmaaken , en niet als maar in
koleur ‚dat is toevallig van malkander ko-
men te_verfchelen. „Dat de Edele gelteenten
in onderfeneide zoorten alleen. maar uit hoof-
de van hunne onderfcheide hardigheid moeten
onderfcheiden worden. , blykt ook aan den
Diamant , dewelke. alleenlyk maar gekent „
en vanalle de andere edele gefteentens onder-
fcheiden word, door deszelfs alderuitmuntentte
hardigheid ; waar in dezelve meer als tachtig
tegen een te boven gaat de hardigheid van de
alderhardfte edele gefteentens , namentlyk de
Robynen en Sappbieren, Onder de Diamanten
worden, ook verfcheide gevonden „ dewelke
gekoleurt zyn.,maar-de gekoleurde diamanten
worden daarom geenzints onder andere zoor-
ten van fteenen;geftelt, om dat. zy van de
zelfde. hardigheid zyn „als de witte of. onge-
koleurde diamanten „dat is van een-Diatmants
hardigheid, Als dan de, Diamanten miet -uit-
gemonfterd worden am hunne verfcheide ko-
leuren.„hebben wy ook geen reden , om de
andere {tenen in andere zoorten te onderfchei-
den „om de verfcheidentheid. van koleuren
anaar wel om derzelver onderfcheiden-hardig-
heid, _Zommige (tenen die de hardigheid:des
„Sapphiers bezitten worden, genaamt witte fap-
phieren om dat zy ontberen het {chone blaauw
„daar dekoftelyke Sapphier zo hoog-om gefchat
word.
os a
f Maart, krens July, 1722. 183
word. Zommige diamanten zyn van koleur
zeer flaauw geel , andere wederom van een
_— hoger geele koleur. Zommige Diamanten zyn
__blaauw-achtig, en andere wederom uit den
__groenen, ja telfs zeer fchoon groen, roos-rood,
en ook van anderekoleuren. Alseen gekoleurde
diamant volmaakt fchoon en wel gefatuteert
_ en hoog van koleur is , word dezelve waar-
_diger gefchat als degewoonelyke ongekoleurde
Diamanten ;maar om dat het zelden gebeurd ,
‚dat de gekoleurde Diamanten {choon en zui-
__ ver , hoog van koleur en perfeét zyn , wor-
__ den wederom de ongekoleurde Diamanten ho-
_ ger gefchat , als die met al te flaawe of
__morzige en onaangename koleuren of vlekken.
sr.
De Edele gefteenten van. minder waarde ,
gelyk als by voorbeeld de Agaat en andere ,
__bewyzen ook genoegzaam, dat zy hunneko-
_ deuren van buiten, het zy door dampen, of
__gekoleurde zappen ontvangen. Wy zien ín
den agaat zo veel wonderlyke fpelingen van
alderhande fchone , en door malkander wer-
__ kende koleuren, als of dezelve niet an-
_ ders als uit alderhande gekoleurde fteenzappen
en mineralifche afverwzels ware te zamen ge-
_ flremt. Onder de grove ftenen zyn onder an-
_ deren het zelfde ook by uitftekendheid in de
marmers , van alderhande doormalkander we-
melende fchone'koleuren. ‘Hoe veel vermo-
gen hier omtrent ook de dampen hebben ,kon-
nen wy daar uit ondekken , dat wy door ver-
fcheide zappen , door verfcheide mineralifche
en „metallyne dampen „in de ougekoleurde
Marmers , „Albatten , -Agaten , eu andere
ls M 4 door-
es
\
“84 __Natuur- en Konft-Kabinet ,
doorfchynende en witte (leenen, en in het
harde kryftal , konnenvoort brengen al-
derhande koleuren. En al-fchoon wy zulks
ook konnen verregtendoor zappen, van plant-
gewafzen, vankruiden, van vrugten, van za-
den, van wortels , van bloemen , van hou-
ten, van dieren, moeten wy echter, hier niet
buiten fluiten de mineralifche dampen. Want ik
zal op zyn plaatsbewyzen dat de planten, en de
zappen en delen der dieren, hunne koleuren ver-
krygen uithet onderaard{che koningtyk der me-
talen en mineralen. suk
Als wy-op de verfcheide koleuren , die in
den agaat , of in andere edele gefteentens ge-
vonden worden, naaukeurig acht geven, ver-
tonen dezelve zich veeltyds als een ozgeregu-
leerde vloeyinge „en golvinge van alderhande
gekoleurde zappen ‚ door den fteen. Het is
wel zeker dat deze ongelykheid van koleuren
veroorzaakt werd door de ongelykheid vande
verf-{toffen , met de welke die ftenen geko-
leurd worden ; het zy dat dezelve beftaan in
gekoleurde zappen ‚ dewelke op die wyze als
in fteen veranderen ; het zy , dat deze verf-
ftoffen beftaan in verfcheide dampen „ die in
een en dezelve fteen-ftof verfcheide koleuren
verwekken. De rede waarom zommige fte-
‚men aan het eene gedeelte gekoleurd zyn , en
aan het andere gedeelte dikwils geheel zonder
koleur,oordeeld de HeerBoyle te konnen zyn uit
gebrek van koleur-{tof , namentlyk dat de ko-
leur-ftofzich mengende met de ftof van denfteen,
terwyldezelve noch week was,niet genoeg was
de om zichte verfpreiden door al ftof vanden
gehelen fteen ; of dat het eene gedeelte zaan
| en
__Maart, Fuly, 1722. 18f
_den fteen reets te hart verfteent is geworden „
en daar door de koleur-ftof belet is geweeft,
ieper te dringen door deszelfs gehele zelf(tan-
digheid.
53:
In zommige ftenen worden gevonden weer
barftige (totfen, die in dezelve zyn ingegroeid,
en als tuffchen de fyne en zeer zuivere fteen-’
zappen zyn als tuffchen in gefchoten : aan de-
ze konnen wy geen beter naam geven als kam-
__men en doornen, die vergeleken konnen wor-
den by de kammen van fchrale of harde vuur-
fteen, of keifteen , die zomtyds in een ryke-
metaal-ader komt in vallen, en dezelve onder-
drukt, of dwingt een anderen weg om te lo-
pen. De doornen konnen wy vergelyken by
de knoeften en kwaften der bomen. -Deze
kammen en doornen zyn dikwils zodanig ont-
aart van de natuur van den (teen, dat zy uiteen
gehele byzondere tof fchynen tebeftaan. Het
welke zeer klaar ontdekt word in den Agaat /
als wy indezelve door konft met zappen enige
koleuren en tekeningen trachten te maken „ge=
Iyk als ik geleerd hebbe van den vermaarden
Here Walraven, dewelke boven zyne uitmun=
_ tende kenuifte van de Edele gefteentens , dé
… konft om van binnen ín de zelfftandigheid van
_ de Edele gefteentens, door ingedronge zappen,
_ ín te tekenen alderhandefiguren , als of dezetve
_ natuurlykin dezelve ingegroeid waren, tot zulk
_ een hogen trap heeft uitgevonden, dat wy met
_ de uiterfte verwonderinge verfcheidemaal de
__konftftukken „daar ik op zyn plaats ook nader
_ van zal {preken , van dien Heer hebben be=
_ fchouwd, en ondervonden dat de koleuren
M s der
186 Natuur-en Konft-Kabinet,
der zappen niet wilden verenigen en beftendig
blyven in de tLenen die met doornen en kammea
gekwelt waren. Het welk aan den Agaat
ook by uitftekendheid gemeen is.
54
De Jezuwyt Ath. Kircherus, vommige{chry-
vers van de Mifcell. Curzof. Germanor. en an-
dere befchryven verfcheide tenen , in de wel-
ke ingegroeid zouden zyn, gelyk als in een jaf-
pis (leen, het beeld van de Heilige maagd met
het kindeke Jezus, als ook van een {teen die
in den berg Gottes-wald in Switzerland in het
jaar 1659 gevonden zoude zyn en in welkers
midden zich insgelyks vertoonde een Maria-
beeld met het kindeke Jezus; in andere (tenen
een Mruifjefix ; in andere ffenen de letteren
INR I, en diergelyke Heilige en verwonde-
rens-waardige uitbeeldingen , dewelke deze
Heren dM ekeen aanzien, Ik wit de won-
der-werken Gods in geen delen krenken , of
derzelver aanzien door zottefpeculatie onteren
of verminderen , maar het zoude echter wel
konnen zyn, dat de bovengemelde uitbeeldin-
en niet door de natuur , maar door konftinde
A met doordringende zappen voortgebragt
waren ; ten min{ten is het de waarheid, en die het
niet geloofd zullen wy het laten zien, dat de
gemelde Heer Walraven diergelyke wonder-
werken door kenft kan doen. Want ik heb
zelfs by die Heer verfcheide malen gezien, in
verfcheide koleuren van binnen indedoorfchy-
nende felfltandigheid van de ftenen , afbeeldia-
gen van Beren, Apen , Leeuwenen alderhande
Dieren, in boffen en ftruellen. Als ook het
pertrait van den koning Georgevan Engeland;
} d et
4
___ Maart, — July 1722. BZ
hetportrait van den tegen woordigen koning vans
Pruizen , en andere zaken meer, Het geen
my ook noch te kragtiger heeft bewoogen te
E oordelen , dat de {chone koleuren der Edele
gefteentes geboren worden uit zappen , dam-
_pen, wazems en alderhande vloeibare wezens,
8 SS
_ Dit gevoelen word ook kragtig beveftigt
door de vertoninge van de koleuren van zom
_ mige gefteentens zelfs, want behalven dat veel
koleurengolfachtig en als zappen van verfoheide
_koleuren door malkander wemelende gezien
worden, verminderen ook zommige koleuren
den tint van bupne koleur:, in hunnen voort-
gang op de wyze als een wazem of rook „die
hoe hoger naboven hoe dunder word. De Heer
Boyle verhaalt dat hy onder andere kleinodien ig
Jralien gezien heeft een ftuk kryftal,betwelk om=
trent twe vuiften groot was, en welkers pyr
vamidaal gedeelte doorfchynend groen was”
Dat dit groen aan het bovenfte toppunt 20
__ _fehoon was alsde koleur van een Smaragd
maar dat de koleur, hoe langer dezelve van
dit toppunt afliep „ook tegelyk verminderden
in den bazisof het onderfte gedeelte van. het
Kd kryftal zodanig te niet hiep „datalddar-hetkry{-
tal geheel ongekoleurd en wit doorfchynende
was. _ Jofephus Acofta getuigt ook by -den
_ Heer Boyle dat de fmaragdenin ftenengroeyen,
die even gelyk zyn als het kryftal : dat dit
derytal fchynt te zyn de moer van de
__fmaragd : dat zy in dezelve meer en meer
dikker groter en:ook ‘zuiverder worden : dat
zommige Smaragden , diehy op siempen Ien
188 Natuur-en Konfl-Kabinet,
hadde, nog maar groen waren aan het eene ge=
deelte en aan het andere gedeelte wit: dat
zommige noch geheel wit waren „en wederom
andere geheel {choon en volmaakt groen.
56.
Dat onder de Edele gefteentens noch zom=
mige gevonden worden, in dewelke van bin-
ben in derzelver zelfltandigheid nog zelfs vloeis
bare zappen en ook andere zaken gevonden
worden, kan níet alleen voor een bewys ver-
ftrekken , dat de ftenen van zappen of weke
of vloeibare wezens groejen , en gekoleurd
worden , maar dit bewys is zo kragtig , dat
door het zelveal onzetwyfelinge genoegzaam
benomen word. De Heer Bqyle verhaald dat
een Aanzienlyke dame van zyn kennis, onder
andererariteiten van een reis hadde medegebragt
een ftuk kryftal, in welkers midden in gefloten
was een drup water , die door de beweginge
zeer onderfcheidentlyk gezien konde worden.
Het zelfde word ook getuigt van een gryzolyt.
Zomtyds worden ftenen gevonden, in dewel-
ke heldere, doorfchynende {teentjes zyn inge-
groeid. De Heer Boyle heeft een fteen gezien,
die zo hart was als een vuurfteen , en die noch-
tans van binnen een holligheid hadde, in dewel=
ke waren ingegroeid zeer fchone en doorfchy-
nende kryftal punten. Als of dezelve geftremt
waren van helderedoorfchynende en witte wa-
terdruppelen. De Heer Boyle hadde zelfs ook
een Bleke Amethyft, in dewelke gezien wier-
den verfcheide ftreekjes als bruine haartjes, die
op verfcheide wyzen hunneitreken volbragten,
en van dewelke zommige een roode koleur te
rug kwamen te kaatzen, als zy by de kaars ge-
zien wierden. De
_ Maart, — — July, 1722. 139
BER L 37 St
___ De harde diamanten beveftigen niet alleen
__door hunne verfcheide koleuren cat de vloei-
__bare,en weke ftoffen tot in hun binnenftezelf-
_ftandigheid toegang komen te krygen,maar door
de vremde ftoffen , die zelfs dikwils in deze
harde ftenen gevonden worden, blykt overvloe.
dig, dat de diamanten zo wel als de andere (te-
‚men, voortgebragt en gevoed worden door zap-
‚pen, vloebare wezens en dampen. in zeer veel
Diamanten worden gevonden vlekken „ of
_ wolken, door de welke die Diamanten dik-
wils ook naar hun volwmex veel fwaarder van
__gewigt zyn als andere Diamanten, die ruuw
zyn. Door de Naaukeurige Reizigers, die zelts
_by de Diamant- mynen in Ooft- Indien verkeerd
hebben, is ook waargenomen, dat de Diaman-
if ten in twederhande foort van gronden gevon-
den werden, als inaardeen in {teen ; maar dat
_de Diamanten die in de fteen, of omtrent de-
zelve gevonden worden, gewoonlyk veel
_fchoonder en zuiverder zyn, alsde Diamanten
_die in de aarde gevonden worden, om dat die
… gewoonelyk eenigzints deelachtig zyn aan de
\_koleur, alsanderzinsvande Aarde, in dewelke
_dezelve komentegroeyen, in zo verre, dat als
__deaarde zuiveren een weinigje zandachtig is, de
_ Diamanten, diein dezelve gevonden worden,
‚ gemeenlyk dan ook zuiver zyn; als de aarde vet,
of {wart,of root, of van de eene of de andere ko-
_ Teuris, dat dan dik wils des zelfs afverwzel door-
gedrongen bevonden word, in de Diamanten,
dieinde zelve gevonden worden. Als het ge=
beurt dat de gronden laag, modderig of moeraf=
zigzyn, wordende Diamanten ook dik wils be-
Rich von-
bs
«90 Natuur-en Konft-Kabinet;
vondente neigen na den fwarten, als de grons
den {wart, of na den roden alsde gronden rood
zyn. Gelyk als een zeker Frans Schryver zonder
naam by de Heer Boyleverhaalt, dat naaft ce-
nige jaaren in de Diamant-myn van Golkonda
op een zekere plaats de Diamanten alle on-
rein, en of fwart, of geel gevonden wierden, en
dat zelfs zulks de oorzaak was, dat aldaar opdie
plaats het Diamant zoeken verboden was.
58. ‚
Dat deEdele gefteentens verfcheide aandoenin-
“gen vande metallynedampen genieten, en ook
zeer veel overeenkomft hebben met de metalen ,
blykt ook zeer klaar uit derzelver verfcheide
fwaarte. De Heer Boyle heeft door de waterwe-
ginge ontdekt,dat eenige Wett-IndifcheGranaten
vier maal {waarder van gewigt waren, als zui-
ver en Ooft-Indifch Berg-Kryftal vanhet zelfde
volumen. Wy konnen alleen door het wegen op
onze handen de onderfcheiden fwaarte van de
Edele {tenen zomtyds genoegzaam gewaar wor-
den; en daar uit ontdekken , dat de eene veel
meerder Metallyne hoedanigheden bezit als de
andere. De Metaal- en Mineraal-ftoffen, door
dewelke de Edele gefteentens hunne koleuren
ontfangen, zyn hier genoegzame bewyzen van.
Om dat zeer dikwils die Edele gefteentens de-
welke alderfwaardft gekoleurd zyn, ook dik=
wils fwaarder van gewigt bevonden worden, als:
de ongekoleurde ftenen.
el
‚ Het fchyndtook dat de doorfchynendheid van
de Edele gefteentens en derzelver duifterheid zeer
veel afhangen van de Metallyne verfftoffen of”
zappen , door dewelkede ftenen gekoleurd ried
n en
____ Matt, Je, 1722. 10X
_den. Ik heb dik wils ondervondenonder het bee
_reiden van de fmalt of het Atmolieer- glas, dat
een Amaus die niet doorfchynende moelt zyn,
_doorfehynend wierd, als dezelve al te lang in
het veur gehouden werd, om dat het vuur de
_rhetaal- verw ‚of van koper ‚of van yzer, of van
_zilver,of van Antimonie,of van azripigmentam,
‚met dewelke wy meeft gewoon zyn de Edele
_ gelteentens en de Amagazen te kleuren , weg-
ftookt. Wy konnen zelfs deze verwen zo geheel
weg ftoken, datde Amauzen niet anders als we=
derom een ongekoleurd en doorfchynend glas
werden. Gelyk wy ook zelfs dekoleuren uit de
meelte fyne gekoleurde {tenen konnen weg fto-
ken. Waar uit wy ook eenigzins konnen beflui=
ten , dat de ondoorf{chynende Edele gelteentens,
_ alsde Turkois ‚de Onyx ,deSardonyx „de Rode
__Agaat,de Lazuur-fteen, meer vervult zyn met
__Metallyne verf-ftof, als de doorfchynende Edele
_ gefteentens. Want de overvloet van deze Metal=
_ Iyneverf-ftof, belet de doorftraling van de lucht-
_ftralen in de ondoorfchynendeftenen , gelyk als
_dieverf-{tof de lucht-ftralen verbuigt, in de ge-
‚ koleurdedoorfchynendeftenen.
60.
__In de Jafpis, en in de Agaat zien wydik wils
__dedriederhandegefteitheden van zuiver ongeko=
_denrd doorfchynende „gekolenrd ondoorfehynende,
en gekoleurd doorfchynende , even als of ín zom-
mige delen van het fteenzap „ daar den Agaat
_uit-ftremt, geheel geen koleur {tof was geko-
| men,en wederom in zommige delen alte veel
koleur-ftof was ingedrongen, en in zommigede-
Ten juift maar zoo veel verf-{tof, als bekwaam
was
Pla Al
zoz. Natuur-en Konfl-Kabinet, »
was om de ftralen van het ligt te verbuigen. De-
ze ongelykheid van doorfchynendheid en on-
doorfchynendheid in een en dezelve {teen word
zelfs waargenomen in de Diamanten ; dewyl
in dezelve dik wils vlakken gevonden worden,
die geheel ondoorfchynende zyn. Gelyk als
ook diergelyke donkere vlekken gevonden wor-
den in de opalen , robynen . granaten , enz. en
ook zomtyds doorfchynende plaatzen in (tenen,
die volgens hunne gewoonelyke gefteltheid
ondooríchynende zyn „als by voorbeeld de Sar=
donyx enz.
Ór. 2
De glasachtige hardigheid belet, dat wy niet
zo wel uitde edele gefteentens als uit andere fte-
nen en fteenachtige metaal-ertzen konnen uit-
trekken „de metalen. Echter heeft de Heer Boy-
le uit zeer fwaarwegende granaten , door middel
van een fcheyvogt een yzer-achtige (tof weten
af te fcheiden. Als ook de onkoften niet te
zwaar, de moeite niet te groot’, en de nut-
heid niet te gering was, is het buiten enigen
twyfel wel bedenkelyk , dat wy uit verfchei-
de edele gefteentens ook zouden uittrekken
verfcheide metaal-ftoffen. Maar wy zullen hier
mede fluiten onze eerfte verhandeling over de
Natuurlyke Hiftorieder ftenen. Want wy oor-
delen dat wy nu genoegzaam hebben getoondt,
dat de ftenen zo wel grovealsfyne vcortgebragt
en ook geverwd worden door zagte lichamen,
vloeibare zappen , en mineralifche dampen. In
onzetwedeverhandelinge zullen wy befchryven
de verfcheide manieren van groeyen, en de ver-
fcheide natuurlyke gedaantens der flenen.
Bl N DE.
BN NONDOAAA dede WW)
ORONDAGD OOOMON VOONOMONDAON)
4
7 EET
OOAD
Maart Juli. 1
Gaza.
IE
NA
AN
nn A
Add LA DEI
HNE
ECT
MEENT
ER Mm
OE fe
berte Lt
EAA
MITEL in
KABINET
DER
NATUURLYKE
HISTORIE N,
_ WETENSCHAPPEN,
KONSTEN
EN
HANDWERKEN,
Voor de Maanden
AUGUSTUS DECEMBER 1722,
Verciert en opgeheldert met Kopere Plaaten.
Te AMSTERDAM,
By BALTHAZAR LAKEMAN,
Boekverkooper achter de Nieuwe Kerk,
over de Molfteeg. 1722.
Pag. 3
NA TUU R-
EN
KONST-KABINET,
Voor de Maanden
AUGUSTUS —_— DECEMBER
tjd.
TWINTIGSTE VERHANDELING.
Van de ALGEMENE Natuurlyke Hifto-
vie-fchryvers, en in dezelve het vervolg
wan het kort begryp en de opbelderinge
der Natuurlyke Hiflorie, en de proefkun=
dige Wysbegeerte van RO BERTUS
BOTYLE, waarin gehandelt word van
de LUCHT.
RED K heb in myn laatfte Verhandelin-
SS ge over de lucht, in de welke wy
ademhalen en leven, tot myn
Sf rigtfnoer gehouden den tweden
ë Brief , de welke de Heer Boyle
A2 over
A Natuur- en Konft-Kabinet,
Over de Lucht aan zynen Neef gefchreven
heeft op den 24. Maart 1667.* Maar om de
bepaaldheid van myn beftek konde ik op dien
tyd niet geheel afhandelen alles ‚dat merk waar-
dig in dien Brief gevonden werd. Daarom
zal ik tegenwoordig dien brief wederom ver-
volgen. Ik zal ook wederom, als in de voor-
gaande Verhandelingen , de vryheid nemen,
van myne aanmerkingen, bedenkingen en op-
helderingen over de proef-ondervindingen van
den Heere Boyle overal tuflchen in tevoegen,
en buiten en behalven de proeven van de Heer
Boyle ook zo veel andere proeven mededelen,
als enigzints dienft konnen doen tot volma-
kinge van cen NAT UURLYREISTO-
RIE VAN DE LUCHT.
y
ei
De Heer Boyle was over de voor heen ir
het werk gettelde proeven, wegens de ver-
fpreidinge van de klank ín een luchtledige d
plaats, noch niet al te wel voldaan. Om die
reden liet die Naauwkeurige Natuur-onder-
zoeker een byzonder werktuig toeltellen, om
door deszelfs behulp te onderzoeken de ver-
fpreidinge van de klank, in een luchtledige
plaats. Behalven ook noch een twede onder-
zoek over de verfpreiding van de klank ín een
lucht ledige plaats door behulp van een horo-
logie met een wekker. Dit werktuig is uit-
gebeeld in tabula XLI. Fig. 1. Het beftond
ineen fchel A, eneen {tuk yzer B, en was
Z0-
* Zie Natuur- en Konft-Kabinct Maart —
July 1722, pag. 4 Chz.
tl
Auguflus … December 1722: Ff
_ xodanig toegeftelt, dat als de Haan C gedraayd
wierd, het (tuk yzer B even als een hamer aan
de fchel kwam te flaan, en geluidt te verwek-
ken. Na dat nu de lugt gepompt was uit den
. recipient D, wierd de fchel geflagen ; maar,
het geluid was zo ongemeen weinig, dat de
byftanders in twyfel waren of zy enig geluid
hadden gehoord of niet. Maar de Heer Boy-
le met de uiterfte naauwkeurigheid toeluifte-
. rende hoorde befwaarlyk zomtyds enig zeer
flaauw geluid, dat zich door den recipzent tot
aan zyn gehoor kwam te verfpreiden. Dit
„geluid hadde een ongewoone fcherpheid , de
welke naauwelyks gehoord wierd, en op een
wyze gefchiede, als of het zeer verre van daan
kwam. Maar zo ras als wederom enige lucht
in den recipient gelaten was, wierd zeer licht
gehoord dat het yzer B geluid verwekte, als
het kwam teflaan op de fchel A. Dit geluid
wierd ook vermeerdert, na mate dat meerder
lacht ín den recipient wierd ingelaten. Door
deze proef wierd ontdekt, dat de lucht nood-
„zakelyk is, tot het overvoeren van het geluid
aan ons gehoor , en dat in een lucht ledige
__plaats de klank zeer weinig overgebragt word.
Want het weinigje geluid dat te voren van de
fchel gehoord wierd, zoude konnen overge-
bragt geweeft zyn, door middel van het wei-
nigje lucht dat altyd noch in de recipienten,
uit de welke de lucht uitgepompt is, komt o-
ver te blyven.
, ( 3:
De Heer Boyle onderzogt de verfpreidinge
ä ij A 3 van
6 Natuur- en Konft-Kabinet,
van de klank in een lucht-ledigen recipiezt,
nog ook met een horologie daar een morgen-
wekker aan was. En op dat die Heer verze-
kert zoude zyn, dat geen lucht kwam in te
dringen door het draaijen van den haan C, nam
de Heer Boyle een andere recipsezt , die bo-
ven geheel lucht-dicht gefloten en toegeblazen
was, om dat tot deze proef geen haan ver-
eifcht wierd. Na dat nu het horologie aan
een ftevig koper-draad in den recipiezt gehan-
gen en alles wel lucht-digt gefloten en be-
zorgt was, wierd de lucht uit den recipient
zo volkomen als zulks mogelyk is uitgepompt.
Als nu den tyd verftreken was, dat de wekker
geluid moefte geven, dat op een ander horo-
logie te gelyk ook gezien konde worden, en
dat de Heer Boyle benevens de omftanders zeer
naauw toeluifterden, wierd geen het alder-
„minfte geluid gehoord; in zoo verre , dat ge-
vreeft wierd, of het horologie wel mogt op-
gehouden hebben te gaan. Maar dewyl door
ymant aangemerkt wierd, dat het horologie
in deszelfs beweginge zeer wel kwam te vol-
harden, wierd die proef nog eenmaal hervat.
Op welke tyd ook niemand eenig geluid ver-
nam, als alieen een omftander , die juift het
oor tegens den recipient gelegt hadde, regt o-
ver de haak aan de welke her horologiekwam
te hangen; deze verzekerde dat hy konde ho-
ren een ongemeen fwak geluid, op een wyze
als of het zelve van zeer verre van daan kwam.
Na dat een weinigje lucht in den recipiezt in-
gelaten was, konden alle de omftanders dit
fwakke geluid horen, als zy het oor aan den
ree
Augufius mam December, 1722: Ff
recipient hielden. Na mate dat ook van tyd
tot tyd meerder lucht ín den recipient ingelaten
wierd, nam het geluid allengsken toe op de
zelfde wyze als in de voorgaande proef met de
fchel.
in
Het is uit de gemelde proeven van den Hee-
re Boyle baarblykelyk , dat de klanken , of
‚het geluid worden overgevoerd door middel
van de lucht. Want als wy al ftelden dat een
veel fynder vloeibaar wezen, als de lucht die
Wy inademen, de eigentlyke voerman van die
bewegingen , de welke wy geluid noemen,
was, zouden wy echter genoodzaakt zyn om
te moeren toeflemmen , dat zodanig een fyn
wezen in ons gehoor geen klank zoude kon-
nen verwekken , zonder behulp , onderfteu=
ninge, en mede-werkinge van de Dampkring-
achtige lucht, in de welke wy verkeren, a-
dem halen en leven. Als dan'de lucht zo vol-
komen noodzakelyk bevonden word voor het
geluid, ís het een onwederfprekelyke waarheid,
dat onze fpraak afhangt van de lucht, gelyk als
ook alle de klanken van onze keel „alle onze ge-
zangen, de fpraak en klanken der Dieren, het
aangename of fcherpe geluid van alderhande
mufycale inftramenten, vande welke zommi-
ge door het blazen van de lucht worden voort
gebragt, en andere door trillingen en bewegin=
gen met de welke zy met hunne gefpanne {na=
ren, of gefpanne vellen, tegens de lucht, die
haar omringt komen te flaan. Uit deze over-
weginge zouden wy in--bedenkinge- konnen
A 4 ne-
& __sNatuur='en Konft-Kabinet,;
nemen, of niet wel de hoedanigheid van de
klanken, of van het geluid , zomtyds zeer
onderfcheiden zyn naer den verfcheiden ftaat
in de welke de lucht zich bevind. Want wy
weten dat de lucht ongemeen veel verance-
ringen onderworpen is, door een ontelbaar
getal van alderhande zoort van wezens, de-
welke zich gedurig in de zelve inwikkelen, uit
de diepe gronden der aarde, en uit de Zon,
Maan, dwaalftarren, en vafte ftarren „of door
de zelve heen pafzeren , en de zelve daag=
lyks verdikken, of verdunnen, of vogtig „of
droog , of warm, of koel, of helder, of
troebel ,„ of fcherp , of zagt, of vet , of
fchraal , mager en dor maken. Ook is de
lucht zeer veel veranderingen onderworpen
uit hoofde van de verfcheide zagte, of hevige,
of onegale bewegingen, die in de zelve door
alderhande winden, donders, tempeeften , ge-
maakt worden; of ook wel uit hoofde van al
te veel flilte , verfmagtinge , en verftikkinge
van de lucht, k
f.
Zoo veel als myn geringe ondervindinge
kan toereiken, heb ik waargenomen, dat een
en de zelfde beweginge, die een en de zelfde
klank voortbrengen moet, zulks echter niet —
altyd komt te doen in zommige ongetemperd- —
heden van de lucht. Als gy naauwkeurig op —
alles acht geeft, zult gy ondervinden, dat de
klank. des nachts veel verder kan gehoort wor= —
den als by den dag. Ik weet wel dat demen- —
fchen dit onderfcheid, gewoonlyk toefchryven
aan
A
|
AN
Auguftus December, 1721. 5
aan de groote bewegingen , en het geraas dat
by dag in de fteden gebeurd , maar die reden
heeft buiten op zeer eenzaam land geen plaats;
want alfchoon aldaar even zo veel ruft is des
daags als des nachts, zult gy echter de klank
des nachts veel verder horen als des daags. Dat
de (taat van de lucht veel verandering geeft
aan de klank, is een waarheid die niemant zal
tegenfpreken. Want de klank is geheel an-
___ders by een ftille lucht, als dat de zelve door
winden bewogen word. Ook zal de klank
veel verfchelen na het onderfcheid der winden,
By zommige winden is de klank veel zoeter,
en ftrelender , en by andere wederom veel
ftroever en onaangenamer. De klank is ook
geheel anders in een ftrelende lucht die boven
het water ftaat, als in een lucht die boven het
land ftaat. Het licht van de Zon en van de
Maan maken veranderingen aan de klank , om
dat door het licht in de lucht een inwendige
doeninge gemaakt word, die de klank enig-
zints kan benadelen. Daarom is de klank by
flaauw ftarligt beter , als zelfs by een lichte .
Maan, ik fwyge van over dag. De klank is
veranderinge onderworpen op elken tyd van
den Nagt; in de voor-nagt is de klank geheel
anders als in de na-nagt, en tegens de mor-
gen{tond. Ook is de klank des morgens ge-
heel anders als des middags, en die wederom
anders als des nademiddags , en die verfcheelt
wederom van de avond-klank. Dit onder=
fcheid van de klanken worden wy zelfs ge-
waar, als wy des avonds laat, na het houden
van gaftmaalen , by malkander zyn , aan het
A ver=
to __ Natuur-en Konft-Kabinet;
verfcheiden geluid van onze tem. Om deze
reden geve ik aan alle liethebbers van de mu-
zyk in bedenkinge, of zy niet wel zouden
konnen geloven, dat de natuurlyke Hiftorie,
de welke ik over de lucht fchryve, aan veel-
derhande liefhebbers , en‚ook aan die van de
Muzyk zomtyds enige dienft zoude konnen
_ doen, als zy de zaken, die van de lucht ge-
leerdt worden, tot haar gebruik kwamen te
maken, of op hunne liefhebberyen kwamen
toe te paffen. Want gelyk als den dienft van
de lucht algemeen voor ons aller leven is, ge=
loof ík ook dat de kennifle van de lucht voor
ous nut is teu opzigte van alle onze kunften,
handwerken en oefeningen.
Omtrent het aan {tuk barften van die fpring-
glaasjes de welke wy den naam van Glas-
droppels geven , was onder de liefhebbers een
verichil ontftaan. Zommige oordeelde dat de
zelve aan gruis kwamen te barften door het
fchielyk invliegen van de buiten-lucht, als
hunne uiterfte eindjes gebroken wierden, en
dat daar door de buiten-lucht toegang kreeg ín
der zelver holligheid. Andere waren van ge-
voelen dat dit aan gruis barften op een andere
wyze veroorzaakt wierd. Om nu te onder-
zoeken of deze aan ftuk barftinge veroorzaakt
wierd van de buiten-lucht , ftelde de Heer Boy-
le met deze fpring-glaasjes een proef in het
werk in een lucht-ledige recipient, Want als
ineen lucht-ledige plaats zodanige glas-drop-
pels aan (tuk kwamen te berften, zo ras als
de
ei
Augufbus — December 1722: CÌ
„de zelve aan haar dunfte entjes gebroken wier=
den, gelyk als wy zulks in de open lucht zien
gebeuren, oordeelde de Heer Boyle dat deze
aan ftuk barftinge op geenderhande wyze kon-
de toegefchreven worden aan den fchielyken
invloedt van de buiten-lucht.
J.
Alhoewel de {pringgiaasjes zeer bekent zyn,
zoude het echter konnen gebeuren, dat zom-
mige lezers daar omtrent noch onkundig wa-
ren. Daarom zal ik de zelve alhier befchry-
ven voor die liefhebbers ; het welk noch te
meer dienftig zal zyn , om dat veelen ‚die wel
kennifze hebben aan deze fpring-glaasjes, noch
onkundig zouden konnen zyn aan der zeïver
toeftellinge, als ook wegens de oorzaak van
dit geeftige verfchynzel der Natuur , in het
_ welke een hart en beftendig ftukje glas, op
het afbreeken van deszelfs uiterfte puntje,
_ daatlyk komt te barften tot zeer fyn gruis. De-
ze Glas-droppels worden gemaakt, als wy een
drop gefmolten glas in het water laten drup-
pen; het welk wy zo wel konnen verregten
aan de glas-blazers konft-lamp, als in de ge-
woonlykeglas-blazeryen. Als het glas gefimol-
ten is, vertoont het zelve een ongemeene taai-
heid als een zeer taaije lym. Maar zo ras als
„dit gefmolten glas in het water komt te drup-
pen, verkrygt het daatiyk zyne hardigheid de
welke aan het koude glas gevonden word,
zelfs in een ogenblik , alfchoon het in het wa»
ter noch in * begin zo heet is, dat wy onze
vingers aan het zelve zouden konnen eea
ä Is
zz _ Natuur-en RKonft-Kabinet,
8.
Als wy een glazen pyp aan de vlam van de
konft-lamp houden, zo lange tot de zelve aan
zyn einde komt te fimelten, en dan de zelve
omgekeert boven het water houden , laat de
zelve een drup gefmolten glas in het water
vallen, en dewyl het gefmolten glas zo onge-
meen lymig is valt die drop neder in de leng-
te, op de manier als een drop zeer taaije bal-
fem met een lange ftaart, als een fyne draad.
Om dat nu het glas zo fchielyk hart word in
het water „behoud ook diedrop niet alleen zyn
langwerpige gedaante, maar zelfs ook zynen
zeer dunnen draad, met den welken de zelve
van het overige glas afgevallen was. Wanut
de fchielyke hartwordinge belet, dat de gla-
ze drop met deszelfs ftaart in het water tot
malkander kan vloeijen,gelyk als wy anders-
zints zien aan een drop van een taaije balzem,
of gefmolten lym, maar de zelve verkrygt de
gedaante die uitgebeeld is in tab. XLI. Fig. 2.
zynde A B de gedaante van den drop, en BG
van deszelfs zeer dunnen draad, by den wel-
ken de zelve in ’t nedervallen afgebroken is.
Deze draad is zomtyds als in D, en zomtyds
gekronkeld als in BE. Zomtyds is de opper-
vlakte van den drop glad als in F,en zomtyds
rompelig als in G. Het dikke gedeelte van
dezen glas-drop AB is zeer vaft en beftendig ,
en laat zich niet licht aan ftuk breken, maar
kan zomtyds een matigen hamerflag uitftaan.
Het fchynt dat het glas door het water een
meer als gemene hardigheid komt te verkry-
gen.
Auguftus —— December, 1722. 13
gen. Want de vermaarde Heer Wolfius* ge-
tuigt, dat hy de zelve geflepen , en bevonden
heeft dat zy harder zyn als gewoonlyk glas.
: 9. }
Niet tegenftaande deze glas- droppen zo on=
gemeen hart zyn, fpringen de zelve tot zeer
fyn gruis, zo ras als wy maar een klein ftukje
komen af te breken van des zelfs (taart by CC.
Onder dit {pringen gefchiet al een matige
kragt, want dit gruis fpat aan alie zyden weg.
Dat onder het fpringen vry wat kragt ge-
Íchiet worden wy gewaar, als wy zo een
glas-traantje met het hoott AB in onze hand
leggen, en onze hand fterk toedrukken, en
met onze voorfte vinger en duim, of met de
andere hand, een ftukje van de {taart by C af-
> breken. Want wy voelen als een flag gefchie=
den van binnen tegen onze hand ; maar dewyl
het glas tot zeer fyn gruis komt te fpringen,
gefchiet dit altyd zonder enige kwetzing, en
“zonder het alderminfte gevaar , gelyk als ge-
noeg bekent is. Want de jonge lieden , en
zelfs de kinderen, geven aan malkanderen de=
ze fpringglaasjes uit kluchtigheid, om de on=
kundige te verrafzen. De glaasjes fpringen
tot een flof, het welk zo fyn is als zulver=
zant „en onder het aan {tuk flaan zelfs tuflchen
onze vingers komt in te dringen als een fyn
meel. Het welk wy tegenwoordig niet zo-
danig naeuwkeurig aantekenen om de zeld-
zaamheid van de zaak, want de zelve is ge.
noeg-
* Zie Chriftian Wolffen Allerhand Nutzliche
Yerfgche Dritter theil, 3 Capitel,
14 _ Natuur-en Konfl-Kabinet;
noegzaam bekent , maar om dat de oorzaak
van dit verfchynzel niet zo licht zonder toe-
pafzinge en goede overweginge te achterhalen
is. <
10, \
De Heer Wolfius verhaalt dat hy, om de
kragt, die in dit aan ftuk fpringen gebeurd,
eens nader te onderzoeken, liet roeftellen een
glazen Cylinder, die niet al te dik van glas,
en een voet hoog, en omtrent een half voet
wyd was. In dit glas wierd bynatot boven
aan den rand water gegoten. De gemelde
Heer hield daar na het fpringglaasje met het
hooft en den {taart in zo verre geheel in dit
water, dat maar een klein eindje van C bo-
ven uit het water kwam uit te fteken. Ook
hield die Heer het fpringglaasje een weinig na-
der aan die zyde van het glas aan de welke
hy ftonde als aan de andere zyde die tegens
hem over was. Zo ras als nu een ftukje van
den ftaart by C afgebroken wierd fprong deze
glas-drup niet alleen in het water zo wel als
inde lucht aan gruis, maar floeg ook zelfs
een gat in het glas. De Heer Wolfius her-
vatte deze proef verfcheide reizen met dezelfde
uitkomft en bevond dat het {pringglas gedurig
een rond gat in het glas hadde geflagen.
Ir.
Naderhand heeft de Heer Wolfius onder
zocht op wat manier de glas-droppen eigent-
Iyk komen te fpringen, en in de uitkomft be=
vonden dat zulks gefchiedt in die zelfde ge=
daante als reets by anderen, die voor EST
Heer
Ed
\ Dt
_Anguflus December 1722. 1f
Heer zulks onderzogt hadden, is waargenos
men geworden. Om dit onderzoek in het
werk te ftellen wierd het {pring-glaasje beften=
diglyk bekleed met wafch, in dier voegen dat
een klein eindje van de {taart by C zonder
wafch of onbekleed wierd gelaten. Na dat
nu een klein ftukje van de {taart by C wierd
afgebroken, kwam het fpring-glaasje van bin=
nen in het wafch wel aan {tuk te fpringen,
maar was door het wafch gedwongen zyne
gedaante te behouden, in de welke het zelve
gebroken was geworden. Na dat nu het
wafch aan de ene zyde wierd weg gefneden,
vond de Heer Wolfius dedelen van het fpring-
glaasje by malkander leggen met kring-ronde
breuken, en ftukken die zich zeer wel in {tof
en gruis lieten vryven door de vingers „zonder
dat daar door de handen bezeert wierden.
12.
Dat de zelfltandigheid van de glas-droppen
een voosheid heeft verkregen, door het fchie-
Iyk uitwendig hart worden in het water , is
genoegzaam te zien aan de glas-drop zelfs,
want dezelve ís bezet met blaartjes of lucht-
blaasjes door het gedeelte van  tot B. Die nu
oordeelden , dat de buiten-lucht de oorzaak
van dit aan ftuk barften was, begrepen ,
dat deze blaartjes of blaasjes van de glas-
drup luchtledige plaatsjes waren, uit de wel-
ke de lucht door-het vuur was uitgedreven.
Dat zo ras als de buiten-lucht door het
openen van de {taart by C gelegentheit kwam
te
16 _ Natuur-en Konft-Kabinet;
te krygen om te dringen in de glas-drup, de
zelve door die fchielyke invloed aan fluk
kwam te barften, want zy oordeelden dat alle
deze blaasjes gemeenfchap met malkander
hadden, en dat derzelver verwulfjes zeer teder
zynde zeer licht uit malkander , en tot ftof,
of fyn gruis, gelicht en gevreven konden
worden, door den fchielyken invloed van de
buiten-lucht. Maar niet tegenftaande het vol-
komentlyk de waarheid is, dat door het vuur
de lucht ten uiterften verdunt en ook uit alles
uitgedreven kan worden, heeftechter de onder-
vindinge geleerd dat de buiten-lucht geenzints
de oorzaak is door de welke de fpring-glaasjes
aan ftuk komen te bartten. Door welke on-
dervindinge wy ook te gelyk leren, dat wy
alles wat waarfchynelyk is ook nooit hoger
behoren te boek te ftellen als waarfchynelyk,
om dat wy zo menigmaal bedrogen worden,
als wy onze zeer waarfchynelyke gifzingen als
loutere waarheden aanmerken, en onze har-
zenfchilderyen aan een ygelyk trachten op te
dringen als volkome zekerheden.
Nek 15
De Heer Boyle hadde in een lucht-ledige
recipient een werktuig zodanig weten toe te
ftellen, dat een glas-drup, die in de zelfde
geplaat{t was, aan deszelfs einde C konde ge-
broken worden , zo haaft als de lucht uit den
recipient was uitgepompt, en bevond tot ver-
fcheide reizen, en zonder aan de uitwerking
te konnen twyfelen , dat de glas-droppen zo
wel aan (tuk, en tot gruis komen te barften
in
\
„ks
ie 4
hb
bs
IE AR tor rd
ak ;
Aurnflus — December 1722. i7
in een lucht-ledige plaats , als in de open lucht;
en dat vervolgens deze aan ftuk barflinge niet
kwam te gebeuren door den fchielyken in-
vloed van de buiten-lucht, gelyk als te voren
byna elk een geoordeelt hadde ; daar wy ons
ook niet over behoren te verwonderen, om de
groote waarfchynelykheid die in die meninge
zich op deed, voor en aleer de Heer Boyle het
tegendeel door deze proef-ondervindinge ge-
_ toont hadde. Tot beveftiging van de waar-
heid van deze proef , heeft de Heer Wolfius
de zelfde ook met de uiterite oplettentheid in,
het werk geftelt, en gedurig ondervonden,
_ dat de glas-droppen in een lucht-ledige rec:-
_ Piet Lo wel tot gruis komen te fpringen als in
de open lucht.
es id.
De wate oorzäak van het aan {tuk fpringen
van de glas droppen beftaat in de gefteltheid ,
de welke de zelve door het fchierlyk en uit-
wendig kout worden in het water verkrygen.
__Als de harde lichamen in het vuur gloeijend
gemaakt, en fchielyk in het water geworpen
worden, verkrygen de zelve wel een hardheid,
maar Ook te gelyk een brosheid, gelyk als wy
tien aan het (taal, het welke gloeijend zynde,
in het water fchielyk word uitgebluft. Als
Wy de harde keiltenen gloeijend maken en in
het water uitbluffchen , worden de zelve zo
bros, dat zy tot (tof konnen gebragt worden.
_ Om de brosheid in het glas voor te komen,
laten de ‘glasblazers hunne romers , kelkjes,
én ander glas’, op een hete plaats, die daartoe
18 __Natuur- en Konft-Kabinet,
aan de glas-oven gemaakt word , allengskernis.
verkoelen, op dat de glas-delen, die door het
vuur ineen beweginge gebragt zyn, zich al-
lengskens wederom in malkander zouden wel-
len, en het vuur allengskens uit het glas Zou=
de gaan. Want als het vuur te fchielyk uit
het glas gaat, door een al te fchielyké verkoe=
linge, behouden de glas-deeltjes hünne door:
het vuùr van malkander verfpreide fizuatie, en,
fchikkinge, waar door zy malkander in min-,
der punten raken , als wanneer Zy door een,
langzame verkoelinge in malkander komen te
wellen. Hier uit word de hartheid en bros-
heid van het glas voortgebrágt. Als de glas-
blazers hun geblazen romers, of kelkjes, of
ander glas , zonder het zelve den te,
verkoelen, daatlyk in de koude lacht plaat-
zen, zal het zelve aan ftuk fpringen. De bui-
tenfte deeltjes van het glas „ dat al te {chieiyk
kout geworden is, ftremmen eerder als de bin=
nenfte deeltjes; waar door een fpanninge ge-
boren word. Want de door het vuur bewo-
gen inwendige glas-deeltjes worden ín bunne
beweging wederhouden, door de fchielyk ge-.
ftremde deeltjes de welke de oppervlakte van
het glas komen uit te maken; waar door zy,
uit hoofde van de fchielyke verkoeling in die
zelfde neiging, van. Zich uit te. zetten ftaan bly-
vende tegen dedeeltjes van de oppervlakte van .
het glas, als gefpannen blyven (laan, en zyn
daarom ook gereed, om op de eerfte over-
maat van aandoeninge van malkander te fprin-
gen. _ Daarom fpringen de glas-dreppen tot
{lof , zo ras als der zelver ftaart gebroken
word.
nk 41e ef Tr +
Augufius — December 1722. 19
_ Word. Want om dat hunne deeltjes alle te-
ens malkander in een en de zelve neiging ge-
pannen {taan , verbreekt ook der zelver gehe-
Je aan een íchakelinge, zo ras als maar enige
van de zelve, door het breken van de (taart,
__ buiten die wederzydfche {panninge, en op
« __malkander fteuninge gebragt worden. Wy
… zouden deze zaak noch, wel met andere voor-
beelden van her aan ftuk fpringen van verfchei-
‚de harde en brofze ligchamen konnen bevefti-
gen, maar ik oordeel dat de Liezers zelfs ge=
__noegzaam in (taat zullen Zyn, om op dezen
_grond de zelve verder en dieper te konnen uit=
pluizen.
EN Is:
Maar om wederom te {preken van de proef-
__Ondervindingen „ de welke door de Heer boy-
le in den Brief, den welken wy tegenwoordig
__tot onzen rigtfnoer houden, worden voorge-
_ telt, ftaat aan te merken: dat de Heer Boyle
noch verfcheide proeven heeft in het werk ge-
ftelt; zommige om licht te verwekken in een
lucht-ledige recipient , andere om een kring
van alderhande fchone koleuren, als die van
_den regenboog, voort te brengen, of te doen
Íchynen in een lucht-ledig glas ; zommige om
door de tegens malkander vryvinge van twe
«harde ligchamen hete voort te brengen , in
__&en lucht-ledige plaats; een andere proef met
het blufzen van levendige kalk in een lucht-
ledige recivient; andere proeven om te bep3-
len de verfcheide kragten van de Elaftsciteië
_ Wan de lucht. Maar ik oordeele dat het on-
Eer Ba- nos
zo … « Nataur- en Konft-Kabinet;
nodig zal zyn, deze proeven alle te befchry=
ven , om dat de zelve voor het meette ge-
deelte over een komen met de zaken ‚de wel
ke wy reets verhandelt hebben, of van zaken
Ípreken van de welke wy'na dezen zullen
handelen:
16.
Omtrent het oplichten van zeer veel ge-
wigt door de elafFiciteit van een weinigje
lucht die in een blaas befloten was, zal ik
echter een proef van den Heet Boyle , die
om deszelfs vernuftige toeftellinge niet on:
aangenaam is, befchryven.. De Heer Onder
zoeker nam een koper vat, met een zeer heg-
ten bodem, gelyk als uitgedrukt ftaat in Fig.
3 met A. In dit vat wierd ingedrukt de
blaas LD, die klein en zeer flap opgeblazen,
of aangevuld was met lacht. Op deze blaas
wierd gepaft de ronde houte ftyl GC.’ Boven
op de houte flyl wierd geplaattt 60 ponden
gewigt, getekent mer DDDD. Dit wierd
geïtelt in de recipient E. Zo ras als de
lucht uit de recipient was uitgepompt, begon
de blaas B zich uit te zetten , en dewyl de
wanden van het kopere vat A beletten, dat
de blaas zich niet ter zyden konde uitzetten ,
maar genoodzaakt was na boven te ryzen,
wierden door deszelfs uitzettinge opgetilt de
houte ftyl C, met deszelfs gewigt DDDD.
waar door voor het oog getoont wierd , hoe
een weinigje lucht , door deszelfs elagicstert
de kragt heeft van Go pond gewigt op te par-
zen. f
Daar
Ld
Ld
ID
Auguflus —= December 1722. AF
17.
“_® Daar de Heer Boyle, in het laat{te gedeelte
_ van deze Verhandelinge, komt te fpreken van
het verwekken van licht in een lucht-ledige
recipient, word. niet anders voorgeftelt als het
‚ gene reets wegens die zaak in de eerfte Ver-
handelinge over de lucht in het werk is geftelt
… geweeft, namentlyk om licht te verwekken in
een lucht-ledige recipient , door het tegens
malkander knarzen van harde kandy-zuiker.
__Maar de Heer Boyle heeft by toeval verfchei-
de malen in een lucht-ledige recipient een on-
__ gewoon licht gezien, zonder dat die Heer de
__@orzaak van dit ongewone licht ooit heeft kon-
__pen ontdekken, als wy voor dezen reets ver-
haalt hebben. Maar ik heb reden om te ge-
loven, dat dit licht het zelfde is geweeft, het
welke naderhand ondekt is in de lichtende Ba-
_ rometers, en in de luchtledige glaze-bollen,
aan de welke wy tegenwoordig den naam van
lucht-ledige nacht-lichters geven; en dewyl
myn zeer aangename vriend, de Heer D. G.
Fahrenheit onlangs aan my de vriend{chap
heeft gedaan, van over die zaak een brief te
_ fchryven, zullen wy alhier de zelve aan den
Lezer mede delen.
| 18.
BRIEF van den Heere D. G. Fahrenheit aan
Willem van Ranouw over de lichtende Ba-
vometers , en over de kentekemen van een
goeden Barometer.
B 3 / Mya
5
22 Natuur-en Konft-Kabinet; it
Myn Heer! À
Ik heb in mynen Brief van den 18. February
1723 beloofd, om in een nader Miffiwe aan u
mede te delen myne ondervindingen en waar-
nemingen, de welke my voorgekomen en
van my gedaan waren, omtrent de Barome- -
ters, die wy Barometra fulminantia of lacen-
tia (blixemende of LICHTENDE BARO-
METERS) noemen, terwyl ik bezig was
met de zelve te maken : mitsgaders de tekenen
van een goeden Barometer. Daarom geve ik,
tot voldoeninge van myne belofte, my de ere,
u met dezen tegenwoordigen op te wagten.
Het is aan u, en andere, die in deze zaken
kundíg zyn, genoegzaam openbaar , dat ze-.
dert de uitvindinge van de Barometers, de
Heer Picard de eerfte is geweelt , die aan
een Barometer , de welke door hem ge-
maâkt was, heeft waargenomen, dat, ter-
wyl de zelve op en neer bewogen wierde,
zich by ’ zakken van de kwik , op deszelfs
oppervlakte in het donker een helder licht
kwamte vertonen, in die plaats van de Ba-
rometers-buis , daar de zelve ledig was van
de grove lucht des Dampkrings.
Deze licht-fchitteringe is naderhand roch
wel in enige zeer weinige Barometers waar-
genomen ‚ maar de manier , om meer dier-
gelyke lichtende Barometers op eenen vaten
voet te maken , is noch zeer lang onbekent
gebleven. Doch in het jaar 1700 wierd aan
het gemeen openbaarlyk , door den groten
Wiskonftenaar de Heer Johan Bernoulli, —
toen
RADEN EEN
«__ Auguflits — Deiemler 1722. 23
‚tóen Hoogleeraar in de Wiskunde te Gro-
ninge, bekent gemaakt , door een gefchrift
aan de Koninglyke Societeit der Weten-
{chappen te Paris , de manier , om op een
vaften voet altyd LICHTENDE BARO-
METERS te konnen maken.
‚Na dat deze licht-{chitteringe nu dus ver-
re ondekt was geworden in de Barometers,
die volgens gewoonte met kwikzulver ge-
_ vult zyn, is het gebeurd , dat ín de jaren
1705 en 1706 door den voortreffelyken Me-
“_chansens Haucksbec, onder verfcheide andere
nieuwelyks uitgevonden proef-ondervindin-
gen,ook is bekent gemaakt aan de Koning-
Iyke Societeit der Wetenfchappen te Lon-
den, op wat wyze de lichtinge , die in enige
Barometers met kwik wiefd waargenomen,
„ ook in groote en lucht-ledige glaze bollen ,
zelfs zonder dat in de zelve enig kwikzilver
gedaan wierd, te wege gebragt konde wor-
den ; en dewyl deze proef by de ftukken kwam
te blyken, is de zelve ook aangetekent in de
Transactions Anglicaus , van gemelde Koning-
Iyke Societeit ; en ook tot nech toe aan de
zelve den naam gegeven van de Hauksbecfthe
_proef-ondervindinge. ’
__… Als op alle omftandigheden , de welke
de Heer Bernoulli voorgeftelt heeft, genoeg-
zaam acht gegeven word, konnen wy echter
maar op zekere tyden zo veel lichtende. Baro-
meters maken, als. op die tyden doenlyk is.
Ik zegge op zekere tyden ; dewyl dit een om,
ftandigheid is, die my door ondervindinge en
‚ Onverwagt bejegent 5 Want alle de Bâro-
me-
24 + Natuur- en; Konft-Kabinet
meters, de welke ik kwam toe te ftellen op
die tyden, in de welke de lucht met veel vog-
tigheden , dampen , {ware nevels, miften, of …
regens bezet was, bleven my hartnekkig wei=
geren enige licht fchitteringen uit te geven , of
lichtende te worden , niet tegen{taande ik met
de alderuiterfte naauwkeurigheid en oplettent-
heid het voorfchrift van den Heere Hooglee-
raar Bernoulli (tiptelyk na kwam. Dat deze
om(tandigbeid door den Heer Bernoulli niet is
waatgenomen, zal, miffchien voortkomen uit
het enkelde geval, namentlyk , dat de lichten=
de Barometers, de welke die Heer gemaakt
heeft, juitt altyd zyn t‚ egeftelt geworden op
die tyden ‚als de lucht helder en droog was.
Om dat het aan my genoegzaam nooit kwam
te mislukken ,om de Barometers te doen lich-
ten,de welke door my in een heldere en dro=
ge gefteltheid van lucht toegeftelt waren.
Vermits de LICHTENDE BAROME-
TERS, naar het voorfchrift van den Heere
Bernoulli, aan het boven einde met Cement
digt gemaakt worden,en dat het Cement lich-
telyk komt te barften,, of door den tyd zoda-
nig te verouderen, dat zomtyds tufichen het
zelve wel wat te veel van de buiten-lucht in
de Barometers-pyp komt in te fluipen, hebbe
ik ook nodig gevordeelt, dit gebrek op de vol-
gende wyze te verhelpen. Dat is de Buis,
van de welke ik een lichtende Barometer wil=
de maken, haalde ik puntsgewysaf , by de
konft-lamp , en na dat ik dan deze pyp of
buis, op de wyze vau den Heere Bernoulli;
met kwikzulver opgevult hadde, hebbe ik dit
uit-
akar, AN
Augufius — December 1722. Ef
uitgerekte puntje van de pyp aan de kaars toe=
fmolten, tot-op de kwik,en op die wyze kon=
_ de ik, als maar de lucht op dien tyd helder en
droog was, zo veel lichtende Barometers ver-
krygen als ik begeerde,
Na datik nu op deze wyze het gebrek door
‚ het Cement veroorzaakt verholpen hadde, o-
penbaarde zich daatlyk wederom een ander
inconvenient. Te weten, dat deze fcherp-af-
getrokke puntjes van de Barometers-pyp, nict
het alderminfte ftootje in het nederleggen of
omkeren der Barometerpyp, van de kwik, of
van buiten konden uitftaan „of de puntjes kwa-
men te breken, uit hoofde van hunne fpits-
heid, en al te groote tederheid Gelyk ik zelfs
op die wyze verfcheide Barometers heb gebrc=
ken, en ook wel verzekert ben, dat aan de
aldervoorzichtigfte liefhebbers zoude overko-
men, als wanneer zy ‚door het fcherp aftrek-
ken van de Barometers , deszelfs boven-eind
komen te fluiten, of hermetifche (zo als wy
dat noemen) te verzegelen.
Om dan eindelyk dit onvermydelyk onge-
mak voor te komen, heb ik goed gevonden,
de glaze buizen van de Barometer boven te
fluiten met een half ronde of verwulfs wvze
gedaante, gelyk als gewoonlyk de Bärometers-
buizen worden gefloten van alle Barometers,
de welke zonder inzicht van iicht-fchitteringe
te konnen geven gemaakt worden. Na dat ik
nu op die wyze de Barometers buis gefloten
hadde, heb ik de zelve met kwik gevult, op
die zelfde manier ‚van de welke ík my bedien,
om gelyk hoogftaande Barometers te verkry-
Dt gen.
pó6 Natuur-en Konft-Kabinet, …—
gen. Echter met.dit onderfcheid , dat ik de
buizen van die Barometers, de welke ik wil-
de doen lichten, met kwik kwam op te vul-
len by'een heldere , zuivere en droge lucht,
en ook in der zelver luchtledige plaats , die
boven de kwik-kolom in de Barometers-bui-
zen gevonden word, overliet een klein lucht-
belletje, dewyl dit dienftig ‘bevonden word
tot het aanwakkeren van de licht-{chittering ;
terwyl ik de andere buizen van myne gewoon-
Iyke Barometers , in de welke de kwik-ko-
lom altyd op een en de zelfde hoogte komt te
ftaan, altyd zodanig met kwik kome op te
vullen , dat daar door met alle mogelyke vlyt
verhoed word, dat geen lucht in die lucht-le-
dige plaats gevonden word.
Alfchoon het dienftig is, dat in de lichtende
Barometers zodanig een lucht-beltetje ingeflo-
ten word, kan ik echter, tot noch toe, niet
bepalen, hoe groot of klein dit lucht-belletje
wel zoude mogen zyn. Want ik hebbe on-
dervonden dat een lucht-belletje „ het welk
niet groter is als de knop van een fpelde, ge-
noeg is, om een Barometer te doen lichten,
en dat zelfs in Barometers, welkers buis al
van een redelyke wydre is. Als het ook voor-
valt, dat een weinig meerder Incht, als zoda-
nig een klein lucht belletje, in deze anderzints
lucht-ledige plaats is komen in te fluipen, heeft
zulks echter de licht-fchitteringe niet belet ;
maar wel veroorzaakt , dat de kwik-kolom
lager kwam te flaan, als in de Barometers
buizen, in de welke geen lucht gevonden
wierd, of in de welke geen andere lucht, als
tot
Ki dl AG
Auguflus — December, 1722. 27
tot de hoeveelheid van een lucht-belletje als
een fpelde-hooft in gelaten was. Ik heb zelfs
Barometers gehad, die in het donker fterk ge-
licht hebben, alfchoon in de zelve zo veel
lucht was in geflopen, dat de kwik-kolom
daar door 3 of 4 linien lager kwam te (laan. _
Om deze licht-fchitteringe.der lichtende Ba-
rometers nader te onderzoeken , heb ik dik-
wils het lucht-belletje gebragt tot dicht aan het
onderfte einde van de Barometers buis, dat al-
‚_tyd open is, en onder in het bakje met kwik
ftaat. Om dit uit te voeren word de Barome-
ters buis, als in Fig. 4. met A word aange-
wezen, het onderfte boven gekeert, met het
gefloten einde B onder, en het open einde CG
naboven. Als wanneer met de hand D zag-
jes geftoten word aan de pyp A, waar door
_ het lucht-belletje EEEE allengskens komt te
klimmen na boven. Zo ras als nu dit lucht-
belletje uit het gedeelte van de buis BF na
het ander einde verdreven was, en de buis we-
derom in deszelfs bakje G geplaaft, en der-
hatven deszelfs ruimte BF meeft lucht-ledig,
geworden was, heb ik ondervonden, dat de
licht-fchitteringe of geheel als weg geveegt,
of ten minflen ongemeen veel verfwakt en
dof was. Maar zo dra als ik het lucht-belle-
je EEEE wederom naar om hoog deed ryzen
in de lucht-ledige ruimte BF, door de Baro-
meters-buis wat dikwils op en neer te bewe-
gen, verfcheen de licht-fchittering wederom
zo helder en levendig als vän te vooren.
Zomtyds heb ik het lucht-belletje heel uit
de pyp A gebragt, en by regenachtig weer een
ans
»S _ Natuur-en Ronft-Kabinet, -
ander lucht-belletje uit de regenachtige bui-
ten-lucht laten inflaipen en na boven doen
klimmen in de lucht-ledige ruimte BF , en ik
heb daatlyk ondervonden, dat de licht-fchitte-
ringe geheel als weg geveegt was ; en ook
niet wederom kwam, als na dat ik de Baro-
meter by een droge lucht eerft geheel van de
kwik hadde ontledigt, van nieuws opgevult„
en met een droog lucht-belletje voorzien had-
de. Waar uit openbaar is, dat de waterachti- _
ge delen , die zich by regenachtig of vogtig
weer by dit lucht- belletje komen te vervoegen
en in te wikkelen, zeer nadelig aan de licht-
fchitteringe zyn.
Het is by u en alle kundige liefhebbers zeer
wel bekent, dat wy gewoon zyn in de lich-
tende Barometer de licht-fchitteringe in het
donker. te verwekken door den Barometers-
buis op en neder te bewegen. Maar het is
ook bekent geworden, dat om de licht-fchit-
teringe te verwekken, het niet eens nodig is,
dat wy de Barometers-huis bewegen, dewyl
wy de licht-fchitteringe in de zelve konnen
doen verfchynen, als wy maar met onze dro-
ge hand, of vingers , de lucht-ledige plaats
BF wat fterk komen te vryven, bynaop de
zelfde wyze, als zulks gefchiet met de lucht-
ledige bol van Hauksbec, of met enige lange
Cylinder-glaasjes, de welke ter lengte van
omtrent 3 of 4 duim, daar toe van my ge-
maakt worden, en aan de welke ik den naam
heb gegeven van Phofphori AEtheres , om dat
de zelve op de zelve wyze voor nacht-lich-
tertjes konnen verftrekken, als de lucht-ledige
gla«
Huguflus — December 1722. 29
glaze bol van Hauksbec, of als de lichtendé
_Barometers.
Het is aanmerkens waardig dat de water=
_« achtigheid, die uitwendig is, als wy de licht-
fchitteringe door vryvinge trachten te verwek-
ken, het lichten al zo wel fchadelyk is, als
de waterachtigheid die zich heeft komen te ver-
mengen met het lucht-belletje van de lichten
de Barometers, gelyk als wy boven aangemerkt
hebben. Want als wy de lichtende Baromes
ters, of de bollen van Hauksbec, of myne
Phofphori AEtherei, komen te vryven, terwyl
onze handen maar het alderminfte of nat zyn
van water, of dar de zelve maar befweet zyn,
zullen de zelve geenzints komen te lichten ,
gelyk zulks ook al is waargenomen van den
eere Hauksbec. Behalven -door ‘het, watef
en het fweet, word de lichtinge ook belêt door
de fyne en zuure geeften , als ook door de
loogen van verfcheide zoort van zouten.
__Maar het ís Nozatel dat de lichtinge maar eni-
er maten befchadigt word , door de fyne ge=
deftilleerde olien , en genoegzaam niet belet
word van de vafte olien, en vetten; gelyk als
by voorbeelt vân de traan, van de boom:-
faap- of lyn-oly, van het ofze, fchape- of
‚ verkens-fmeer, van het vet der vogelen enz.
ne A Te 76
‚Uit een vermoeden of gy, myn Heer! de-
zen Brief wel in uw Natuur- en Konft-Ka-
binet mogt komen in te. fchikken , gelyk als-ik
ondervonden hebbe omtrent myn Mifzyve van
den 18 February 1723, welke zaak ik aan nw
zinnelykheid en verkiezinge geheel over laat,
hebbe ik tot behulp voor onervarene lezers,
w hs Enl-
=
30 _Natuur=en Konft-Kabinet;
enige aftekeningen by dezen brief bygevoegt:
Kk à
.
Als by voorbeelt, Fig. 5 is een lichtende Bol ,
van Hauksbec, zo als.ik de zelve voor u en >
andere Heren kome toe te {tellen , van de
welke A de pyp is, door de welke ik de zel-
veop myne wyze, aan u wel bekent, van de
grove Damp-krings lucht kome te ontledigen.
Fig. 6 verbeelt zodanig een lucht-bol die in het
duifter gevreven word door de handen A en B,
om voort te brengen de licht-fchitteringen
CCCC. Eer wy noch van de licht-verwek=
kinge affcheiden , zal ik noch fpreken van een
verfchynzel, van het welke myn Heer zelfs,
over omtrent $ jaren , oog-getuige geweeft is,
of het zelve miflchien de opmerkinge der na-
tuurkundigen waardig mochte zyn: Als wan=
neer ik den bol, gelyk als die van Fig. 5 of 6,
vry wat fterk in het donker met de droge hand
gevreven, en de hand wederom van de zelve
afgenomen hadde, in zo verte dat de licht-
fchittering was opgehouden, zich buiten ver=
wagtinge een licht-fchicteringe, gelyk als uit-
gebeeld is in Fig s< met B, zonder vryving en
als uit zich zelfs in den bol kwam te verto-
nen, juift op het tyd-punt dat ik wederom
myn hand gereed ftelde om de vryving te zul-
len gaan hervatten.
Het boven gemelde verfchynzel bragt my
eniger maten in verwonderinge , om dat ik
het zelve te voren noyt was gewaar geworden,
en aan de andere kant was ik in twyfeling, of
ik miffchien buiten myn eigen gewaar wordin-
ge , niet wel met de ene of de andere vin-
ger aan den, bol geraakt mocht hebben , toen
ik
PS
mjn engen:
ESE
ej
* __ _Auguffus December 1722. Ft
ik myn hand in beweginge hadde gebragt om
‚den bol wederom aan te raken, en de vryvin=
„ getehervaten. Om hier van verzekert te
„ zyn, hebbe ik deze ab/ervatte verfcheide maal
__ hervat, te weten met den glazen bol eerft
_ fterk te vryven en te doen lichten, en na het
‚ „ephouden van de vryvinge en lichtinge de
_ hand, gelyk als verbeeld word in Fig. s met
__G, na de bol toe te flaan, zonder echter de
_ zelve te raken, op dat de lucht, die tuffchen
Ed bol en myne hand was, als tegens de bol
__ mogt worden gekaatft ; en ik wierd elke reis
__de gemelde licht-{chitteringe B gewaar ; mits
_ dat ik maar piet al te lang uitftelde „na de vry-
_ vinge de lucht tegens den bol aan te flaan,
— met de eigen{te hand C, met de welke de zel«
__ ve was gevreven geworden, ‚ Vorders nam, ik
_ waar, dat wanneer de lucht. door.de hand G
EE twee maal kort op malkander tegens den bol
aan geflagen wierde, de licht-{chitteringe. zich
__ ook twee maal achtervolgens openbaarde,
zynde de laafte fchitteringe niet zo fterk- als
‘de eerfte.
___Ik was lang in twyfel, wat de oorzaak van
dit verfchynzel zyn mogte ;of het zelve voort-
kwam van de bewogene lucht, die, terwyl
Zy tegens de bol aan ftoot, een vryving op de
__ zelve maakt, en aldus de dunne en fyne lichts
_materie, die inwendig, in de bol is, in bewe-
ging brengt , byna op die zelfde wyze , als
wanneer de boi met de, hand gevreven word;
dan of het door de beweging van een fyne ftof,
_ die zich in de lucht zelfs, tu{lchen de bol en
de hand bevind, voortgebragt , en aldus mn
e
32 _… Natuur-en Konff-Kabinet,
de binnenfte licht-ttofte, die in de bol is, mes
de gedeelt wierde. 8
Om dan van deze zaak nader onderregt te
worden heb ik de volgende proef in het werk
geltelt. Ik ftelde een lucht-ledig Cylinder-
glaasje of Phofphorus LEtherens, velyk als uit-
gebeeld wordin Fig. 7 met AB, aan wiens
beide” cinden twe mafzyve glas ftengeltjes C,
en D waaren aangezer, in een wyder Cylin-
der-glas uitgebeeld in Fig. 8 met AB, en het
welke ik van te voren aan deszelfs een einde
by B aan de konft-lamp fpits afgehaald hadde,
zo dat het de holle punt C verkregen hadde.
Na dat ik nu de einden C en C van deze bei-
de Cylinders aan ‘malkander gefimolten en ver-
knogt hadde, wierd de bovenfte Cylinder aan
het ander einde by A ook puntsgewys afge-
baalt, en de beïde punten DD als de voorige
CC aan malkander gefmolten ; waar door de
beide in malkander gefloten Cylinders de ge-
daante verkregen ats in Fig. 8 uitgebeeld
word; zynde de kleinfte, of ingeflote Cylin-
der lucht-ledig, gelyk als gemelt is. Deé tuf-
fchenwydte van beide deze Cylinders was om-
trent een zesde van een duim, en was vervult
met gemene lucht.
Na dat ik alles tot dus verre vervaardigt
hadde, vreef ik deze overtrokken Phofphorus
LEthereus met droge vingers ; en een poosje
daar mede aangehouden hebbende, verfcheen
de licht-fchittering in den lucht-ledigen Cylin-
der, op de zelve levendige wyze, als of deze
ingeflote Cylinder onimiddelyk van de hand,
zelfs gevreven was geworden. Uit a ad
OmE
Anghflus . Detember 1722. 33
komt (dunkt my) nu klaar genoeg te blyken, *
dat deze lichtinge veroorzaakt wierd door eene
in beweginge gebragte zeer dunne en fyneftof,
maar geenzints door de lucht. Want die was
_befloten en afgefcheiden van de buitenfte
lucht, en koft dierhalven op geenderley wyze
ive de gemaakte vryvinge bewogen worden
_&Waar uit wy geruftelyk mogen befluiten, dat
__ het verfchynzel, daar wy van gefproken heb-
_ ben,te weten van de lucht-fchitteringe die wy
in den lucht-ledigen bol gewaar wierden, noch
__pa de vryvinge, en alleen door een kletzinge
_ van de hand na den glazen bol, zonder echter:
den zelven in het alderminfte te raken , niet
word veroorzaakt van de lucht, die tuffchen
__dien bol en de hand zynde, van de hand naar
_ den bol word toegekaat{t ; maar door de be-
__weginge van een fynder {tof , als de lucht, en
_ die zich in de lucht bevind, en gemeenfchap
__ kan maken, zelfs door de zelfftandigheid vam
__ het glas, met de licht-ftof die in de lucht-ledi-
… ge bol is, en aldaar de licht-{chittering ver-
toont.
Het zal, buiten twyfel, myn Heer noch
wel indachtig zyn, dat ik, omtrent op dien
_ gelfden tyd, een Barometer hadde toegeftelt,
aan welkers onderfte einde ik, in de plaats van
_ een houten bakje voor de kwik , aangeblazen
_ hadde een glazen bol, die mer een ‚gedeelte
van de glazen pyp omgebogen zynde regt om
_ hoog kwam te ftaen, gelyk als uitgebeeld
_ word in Fig. 9, van gedaante als voor dezen
__ zommige lucht-thermometers plegen gemaakt
te worden. Deze Barometer aldus van my
VIL Deer. C ge
34 __ Natuur-en Konft-Kabinet, —
gemaakt zynde op dien tyd, met inzicht om
aan enige liefhebbers met de proef aan te to-
nen , dat de kwik in de Barometer door de
fwaarte des dampkrings word om hoog ge-
houden, zo hadde ik getragt om den bol A
geheel lucht-ledig te maken , doch zulks was
maar voor een gedeelte gefchied , om dat de
tyd , wegens de aanftaande byeenkomft der
liefhebbers , te kort viel, om den bol geheel
lucht-ledig te maken. De lucht die noch in
den bol A was over gebleven , bedroeg noch
omtrent een derde van die gene, de welke
voor de evacuatie den bol kwam te vervullen.
Gelyk zulks klaarlyk kwam te blyken uit de
hoogte van de kwik-kolom, die door de zel=
ve tot negen duim opgeperft of opgehouden
wierd in de Barometers buis by B.
Vermits het echter noch langer duurde als
ik wel (taat gemaakt hadde eer het gezelfchap
vergadert was, bevong my de onderzoek-luft,
om ondertuffchen op een donkere plaats te
gaan, en aldaar eens te onderzoeken of deze
bol A , die gelyk als gemelt is met lucht aan-
gevult was , die driemaal dunder was als de
buiten-lucht, ook zoude konnen lichten,wan-
neer de zelve met een droge hand gevreven
wierd. Na dat ík dan deze bol wat lang en
fterk gevreven hadde , openbaarde zich de licht-
fchitteringe, maar echter enigzints anders van
glans, als in de lichtende bollen, of Barome-
ters, in de welke maar een zeer gering lucht-
belletje overgelaten word. Dog dat myns be-
dunkens in deze ondervindinge aanmerkens
waardig was, is dat ik onder het vryven a
lich=
Br ARNE
Auguflus — December 1722. 35
dichten van den bol, te gelyk ook licht ge-
waar wierd in de lucht-ledige plaats van den
glazen buis tuflchen B en C. By welke plaats
ik den pyp met de hand kwam vaft te houden,
terwyl ik met myn andere hand den bol A
kwam te vryven. Maar terwyl ik zonder
voordagt onder het vryven van den bol myn
hand, waar mede ik de pyp BC kwam vaft
te houden , allengskens- hadde laten zakken,
tot onder de kwik-kolom tuflchen Ben D,
zo verdween de lichtinge in de lucht ledige
plaats van den pyp getekent met BC; niet te-
__genftaande de licht-fchitteringe in den bol A
_ onder het vryven zeer wel aanhield, en de zel-
ve verfcheen wederom zo dra als ik de buis,
op deszelfs lucht-ledige plaats , met de hand
kwam vaft te houden. Deze verdwyning er
verfchyninge van de licht-fchittering in de
… lucht-ledige plaats BC gebeurde zo dikwils
_ als ik de hand onder het vryven van den bol
A boven of onder de kwik-kolom kwam te
houden, of te verwifzelen ; gelyk als ik ook
_ deze proef-ondervinding noch verfcheide ma-
len in ’t byzyn van ’t gezelfchap met het vori-
Ä ge fucces herhaalde. Of deze ondervindinge
_niet zoude konnen dienen, om daar door uit
Enk *
te leggen, of op te helderen de manier van den
voortgang van het licht, zal ik aan de over-
denkinge van andere overlaten.
Na dat ik nu enige waarnemingen van de
Lichtende Barometers „en van den Phofphorss
Lthereus aan uwe Overweginge hebbe voor-
» geftelt, en overgegeven, zal ik tot voldoenin=
ge van myne beloften , noch een weinig fpre-
C 2 ken
36 _- Matuur- en Konft-Kabinet
ken van de tekenen, door de welke een goede
Barometer kan gekent, en van een flegten
Barometer onderfcheiden worden. Om de
vrugt en de nutheid van deze tekenen wel te
begrypen, zal het de moeite wel waardig zyn,
dat wy ons wederom eens erinneren die zaken,
de welke ik in mynen Brief van den 18 Fe-
bruary 1723 hebbe afgehandelt, en op de wel-
ke acht gegeven moet worden in het maken
van Barometers; als 1.dat in de Darometers
geen lucht moet gelaten worden ; 2. dat de *
pypen inwendig geenzints fmerig, vogtig, of
met enigen {met moeten bezet , of befmeurt
zyn; 3- dat de kwik ten uiterfte zuiver moet
zyn; 4» dat geen de minfte-onzuiverheid by ’t
vullen van de. Barometer in de zelve moet in-
flaipen; s. dat-de pypen niet te naauw moe-
ten zyn; 6 dat het bakje onder den Barometer
van een behoorlyke wydte moet zyn, en ein-
delyk 7. dat de veranderlyke hoogte van de
kwik-kolom met een bekende duim- of voet-
maat moet afgemeten worden.
Het teken waar door wy konnen ontdekken
of nach enige lucht in den Barometer is over-
gebleven, beftaat in een lucht-bel, die zich
komt te vertonen , zo ras als de Barometer
zagtelyk overgebogen, en neder gelegt word.
Want de kwik zal niet voort dringen tot aan
het uiterfte einde van de Parometers-pyp, die
uitgebeelt- word in Fig. 1o met A; maar zal
daar in verhindert worden door een lucht-bel,
diezich zal vertonen by B. Maar by aldien
de Barometer zonder lucht is, zal de Barome=
ters buis, als de zelve word neder gelegt of
Er
Auguftus December, 1722. 37
_ genoegzaam word over gebogen „ geheel met
kwik vervult, en de lucht-bel B niet gezien
„worden. /
Ik heb in myn zo even aangehaalde Miffive
aangemerkt, dat , als enige vreemde deeltjes
zich bevinden in de Barometers-buis (het zy
_ dat de zelve voor de vullinge , of onder de
__vullinge, daar in geraakt zyn) de kwik in
‚zodanige Barometers veel lager komt te ftaan,
als in andere Barometers , die de vereifchte
_ » zuiverheid hebben ; Als mede dat zodanige be-
__fimeurde Barometers niet allenig bewogen wor-
___den van de veranderlyke fwaarte des Damp-
… krings, maar ook noch daar boven van den
__verfcheiden graad van warmte, waar mede de
___buiten-lucht verfcheidentlyk aangedaan word.
__Doch behälven dit nadeel , het welk door de
ij gemelde vreemde deeltjes aan de Barometers
veroorzaakt word, zyn de zelve noch op een
andere wyze fchadelyk; want de zelve amal/-
_gameren en vermengen zich door den tyd met
de kwik zelfs, en hegten zich in de gedaante
___van een vuil vlies aan de pyp, op die plaats al-
waar de verandering van de kwik-kolom ge-
__fchied, en zyn aldus de oorzaak , dat dekwik
tegens de zywanden van het glas eniger maten
als aan kleeft „en daar door zeer traag en loom
van de veranderlyke fwaarte des Dampkrings
bewogen word. p
Als die vlies zich daatlyk na het maker van
de Barometer voor % oog kwam te vertonert,
zoude het zelve ook daatlyk konnen dienen
voor een teken, dat diergelyk een Baroineter
de vereifchte zuiverheid niet hadde. Maar'dit
u 3 vlies
38 _ Natuur-en Konft-Kabinet, —
vlies komt eerft enigen tyd, na dat de Baro-
meteP al gemaakt is, tot die grofheid en zicht-
baarheid aan te groeijen; en dat noch maar in
Barometers, die niet zo zeer met fchadelyke
vogtigheid, als wel met een taaije fmerigheid,
of onzuivere kwik gekwelt zyn ; en dewyl dit
vlies echter deszelfs nadeel al komt uit te wer-
ken, eer het zelve op de verander-plaats zicht-
baar is geworden, hebben wy een ander teken
van noden, om te ontdekken, of een Daro-
meter befmeurt en vogtig, of in der daad vol-
komen zuiver en droog van binnen is. Dit
teken word openbaar gemaakt door een zeker
middel, door welkers behulp wy konnen we-
ten en ontdekken, of een Barometer inwen-
dig met enige fchadelyke delen befmet is of
niet. Dat is,wy houden een brandende kaars
aan den Barometer , op die plaats alwaar de
kwik-kolom zich eindigt. By aldien nu de
pyp van binnen enigzints vogtig of befmeurt is,
worden de fchadelyke deeltjes door de byge-
bragte warmte los gemaakt, of uitgezet, en
de kwik begint daar op daatlyk merkelyk te
zakken: maar de kwik zal pal blyven (taan,
by aldien de Barometer van binnen volkomen
zuiver is: ten ware dat de pyp al te lang
door de brand van de. kaars verhit wierde,
want dan zoude eindelyk een gedeelte van de
kwik zelfs in een wazem of damp opgeloft
worden, in welk-geval de kwik-kolom zelfs
in een goede en zuivere Barometer zoude moe-
ten neder zakken „en daar door den onderzoe-
ker misleiden. Maar deze uitwazeminge van
de kwik ontdekt zich zelfs aanftonts „door een
\ me-
ne
IN
nd an a
Zuguftus = Detémber 1722. 39
menigte van kleine kwik-bolletjes, de welke
aan de over zyde- van de buis, die van de kaars
afgekeert is , geftremt worden, door de ver-
‚ koelinge, de welke het hout aan den glazen
buis aan die zyde komt mede te delen.
Deze manier, om de zuiverheid en deugd
van een Barometer te beproeven, kan voorna-
mentlyk des zomers in het werk geftelt wor-
den, wanneer de kamers in een egaal tempe-
rament van warmte met de buiten-lucht zyn;
__ma&r des winters kan die beproevinge nog op
de volgende wyze gefchieden. Als het des
winters fterk vrieft, word de Barometer over
gebragt in een kamer alwaar wat fterk geftookt
word, en in de welke de zelve omtrent een
vierde van een uur vertoeft heeft, dewyl deze
tyd vereifcht word tot de mededelinge van het
temperament des luchts van de kamer aan den
Barometer. By aldien nu de kwik-kolom la-
ger komt te zakken, als de zelve even te vo-
ren in de koude heeft geftaan, is zulks een
zeker teken, dat zodanig een Barometer van
binnen met enige vremde en onreine deeltjes
befmet is, en dat wy op deszelfs dagelykfche
aanwyzinge van de veranderlyke fwaarte des
Dampkrings geen ftaat konnen maaken.
Ik hadde in myn brief van den 18. Februa-
Fy 1723 aangetekent , dat myn Heer de la Hi-
re de eerfte is geweeft,-de welke het verfchil
omtrent de kwik-kolom ín de Barometers
heeft waar genomen , maar na het recollige-
ren van myn gedagten, hebbe ik bevonden,
dat die lof niet aan myn Heer de la Hire maar:
aan myn.Heer Amontons toekomt. Ik heb-
en C 4 be”
49 Natuur-en Konft-Kabinet,
be deze myne misflag te liever by deze gele-
gentheid willen verbeteren , om dat ik altyd
zeer aangedaan ben met eerbiedigheid voor
grote mannen. … |
Als enige naauwe pypjes, die aan beide ein-
den open zyn, met haar ene einde in de op-
pervlakte van een vogt worden gehouden „zal
het vogt in de zeïve opklimmen, en dat in elk
pypje juift zo veel hoger, als het zelve naau-
wer of kleinder van, Diameter is. Hettegen-
deel gefchiet metde kwik, want in plaats van
hoger te klimmen , zo ontmoet de zelve een
tegenftrevinge van de zy-wanden van het glas,
in pypjes die al te naauw zyn; het welk zo
wel waar genomen word in de vrye lucht ,
‘als onder de lucht-ledige klok. Deze afwy-
kinge of repulfie is de oorzaak, dat de kwik
in Barometers „die te naauw van pyp zyn,ook
niet zo hoog (taat, alswel in Barometers wel-
kers buizen wyder zyn, alfchoon in beide een
evengelyke omzichtigheid in het vullen is
waar genomen, en dat zy volkomen zuiver
zyn. Dewyl dit gebrek niet kan verholpen
worden, als met de kwik over te doen in py-
pen van een bekwame wydte, en dat ook een
al te grote wydte van pypen overtollig zoude
zyn, hebbe ik uit enige proeven, de welke ik,
ten opzichte van de Aftraltie en Repulfie, die-
de naauwe pypen op verfcheide vloeibare flof=
fen hebben, in ’t werk heb geftelt, geleert,
dat wy in het maken van Barometers konnen
volftaan met pypen die een achtfte duim , of
anderhalve linie in. haar Drameter hebben , ver-
mits de repulfse in diergelyke pypen van geen
belang is. Ik
IE EEn en ran
kl Pa
Auguflus, December, 1722. 44
‚Ik zoude deeze proeven „-waar door ik de
gemelde bepalinge van wydte gevonden heb-
be, alhier wel betchryven , maar dezelve zyn
te wydlopig voor myn tegenwoordig beftek ,
en hebben ook hun opzicht op verfcheide an-
dere zaken vandewelke wy tegenwoordig niet
komen te handelen ; om dat dezelve geen ge-
meenfchap met de Barometer hebben. Her
zal tegenwoordig genoeg zyn, dat de lief heb-
bers hier uit een teken konnen opmaken ,
om teondekken de oorzaak , waarom de k wik „
zelfs in pypen die van binnen volkomen zui-
ver zonder lucht en droog zyn, te laag ftaar,
zo ras als zy maar acht komen te geven opde
vereifchte wydte der glazen Buizen van de Ba-
rometers.
Wart eigentlyk de wydre van de houte Bak-
jes ‚dewelke aande Barometers gevoegd wor-
den , zo wel om de zakkende kwik te ont-
vangen , als om dezelve draagbaer te doen
zyn, aangaat ; (taat aante merken , dat de wyd-
fte bakjes de befte zyn. Dog vermits de deugd
die een Barometer hier door verkrygt alleenig,
hier maar in beftaat , dat de zakkende kwik-
kolom in’ bakje gen merkelyke hoogte mag
komen te maken, en dat in al te wyde bak-
jes te veel kwik gehouden zoude worden, „
en op die wyze maar onnodige koften zou-
den worden gemaakt, heb ik goed gevonden
te bepalen zodanig een grote van bakjes ,
met dewelke wy konnen volftaan ; nament-
Iyk met Bakjes, welker wydte is van 1óof 17
linien Franfche maat, te voegen by Ba-
someters buizen die 1 !linie van Digmer,
Cs zef.
4z __Natuur- en Konft-Kabinet,
ter zyn. op dat de Diameter van de pyp tot
die van het bakje is als 1 tot 11, Want de
kwik zal in diergelyke bakjes maar omtrent
5, linie geklommen zyn, als de kwik-kolom in
de buis 2 ; duim gezakt is, gelyk zulks uitde
vergelykinge van de hoeken beider Diameters
zeer licht kan gevonden of gecalculeert wor-
den. waar uit dan ook lichtelyk gevonden
word, dat, als de Diameter van de pyp blyft
op1; linie maar die van het bakje half zo
grootof op 8; linie gereduceert word, dan
ook de kwik omtrent1 liniein’t bakje moet
. 1 vee .
klimmen, en maar „ linie zoude klimmen ,wan-
neerde Diameter van ’t bakje 33 linien wyd is.
Om te ontdekken of de bakjes inwendig
wydt genoeg zyn , zoude niet wel konnen
gefchieden, zonder debak jes te openen. Waar
door wy genoodzaakt zyn om het op de eer-
lykheid van den konftenaar te laten aankoomen
of de bakjes inwendig wel zo wyd zyn , als
zy zich van buiten komen te vertonen. Hoe-
wel ik tot myn leetwezen zomtyds het tegen-
deel in gekogte Barometers ondervonden heb-
be. Want om daar van uit het klimmen en
daten van de kwik-kolom te oordelen , zou-
de het nodig zyn , dat wy eerft nog een an-
der Barometer moeten hebben, van den wel-
ken wy volkomen verzekert waren „om by
den zelven onzen Barometer , aan den
welken wy twyfelden te vergelyken; en dan
zouden wy noch den tyd moeten afwagten „
in dewelke de Barometers veel veranderingen *
aas Í f de.
KEE VONK
Auguflus — December 172r. 45
gemaakt hadden. Waar by dan noch voor
onder {telt moet worden , dat alles, dat an-
ders in het maken van een goede Barometer
moet in acht genomen worden , volkoment-
Iyk, behalven het bakje, was achtervolgt aan
den Barometer van dewelke wy eigentiy« ,
ten opzichte van het bakje kwamen te twytelen.
Als het bakje te naauw en ook te gelyk niet
hoog genoeg is, en-dat de pyp wat lang
is en verre boven de kwik-kolom komt uitte
fteken, gelyk als de Larometers pemeen-
Iyk gemaakt worden, om daar door zo
als die lief hebbers zulks in ’t gemeen noemen
een groot vacuum te hebben , is zodanig een
Barometer onderhevig , dat dezelve zeer licht
ontftelt word, en Incht komt te vatten , wan-
neer dezelve verplaaft of vervoerd word. Het
welk niet te vrezen is als het tegendeel gedaan
word. Want ten opzichte van de overtollige
lengte van de Barometers-pyp ftaatte noteren,
dat die groote lengte voor het vacuum geen
meerder deugd aan den Barometer geeft. Dit
is de reden waarom ik tot de lengte van het
vacuum van myne Barometers niet meer als
2 duimsof. 1 duim verkiefe,boven diehoogtede-
welke de kwik-kolom bereikt in de grootfte
_ fwaarte van den dampkring. ‘
Wat de verdelinge of de maat aangaat, met
dewelkehet ryzen en dalen van de kwik-kolom
dient afgemeten te worden , van deze heb ik
duidelyk genoeg, gehandelt in mynen brief van
den 18 February 1723. ook vinde ik níet goet
om noch van enige kleinigheden te fpreken
dewyl dezelve van weinig beläng zyn. Waarom
ik
44. Natuur-en Konft-Kabinet, —
ik met uw permiflie zal af breken en blyven
enz.
D.G. FABRENHEIT,
Amfterdam den 12 July 1723.
19.
Ik zoude over het licht, dat zich op het be-
wegen of vryven openbaert in de lichtende Ba-_
rometers, in de lucht-ledige glaze bollen van
Hauksbec, en in de lucht-ledige Cylindertjes
of.nacht-lichtertjes, en ook in verfcheide an-
dere gevallen komt te vertonen, noch zeer
veel aan mynen Lezer te zeggen hebben , maar
ik zal zulks {paren tot myne Verhandelingen,
de welke na dezen zullen mede-gedeelt wor-
den in een NATUURLYKE HISTORIE
VAN HET VUUR, eu my wederom gaan
keren tot myn voorgeftelde rigtfnoer den
meergemelden brief van den Heere Boyle.
20.
De laatfte proef , van de welke de Heer
Boyle in dezen brief komt te fpreken, is we-
derom aangelegt tegens de Pleniften van zynen
tyd. Om dat twe even gelyke en wel gepo-
Iyfte marmer-itenen , op mialkander gelegt
zynde, ín zo verre dat der zelver oppér-vlak-
ten malkander zodanig over al raken, dat al-
Ile lucht tuflchen beide weg is , Zodanig aan
malkander geparft worden van de omringende
lucht, dat de zelve niet als met een uitftekent
geweld wederom te fcheiden zyn, oordeelden
de
renardi
Angufius — — December 1722. 45
de Pieniften dat dit een klaar bewys was, dat
alles volkomentlyk met ligchamen of matery
vervult was. Maar de Heer Boyle bewees
het tegendeel met hun eigen proef. Hier toe
hadde die Heer doen maken twe Marmer-
fteentjes, de welke plat en rond waren op de
manier als de fchyven van een tiktak-bord. De
Diameter van deze Marmer-fteentjes was
21 linien van een duim , of 1 3 duim.
Aan de bovenfte was een krammetje, gelykte …
zien isin Fig. 11 met A. De lucht was tuf-
fchen de twe Marmer-fteentjes- AB met een
weinig oly geheel weg gevreven , waar door
_de zelve zodanig valt op malkander kwamen
| te fluiten en geparft wierden van de buiten-
lucht, dat aan de zelve konde gehangen wor-
den meer als So ponden gewigt, zonder dat
_zy van malkander gefcheiden wierden.
4
21.
Deze twe op malkander geperfte Marmer-
teentjes wierden geplaatft in de recipient C op
het vierkante blokje D. Aan het krammetje
__A van het bovenfte Marmor-fteentje was ge-
„ bonden het toutje.E. Dit toutje liep door de
2 haakjes FG. Aan het ander einde van dit
toutje was valt gemaakt het gewigtje H , het
welk enige oncen fwaar was. Na dat nu
enigen tyd lang de lucht uit de recipient.
wierd uitgehaalt door de lucht-pomp 1,kwam
het wigtje-H neder te zakken, en het Mar-
mer fteentje A (cheide zich af van het. Mar-
mer-fteentje B, om dat de zelve nu niet lan-
ger tegens malkander geperlt wierden van de
lucht.
46 __ Natuur-en Konft-Kabinet,
lucht. Want die was uit de recipient weg ge-
pompt. Waar uit zeer klaar bleek, dat de
lucht deze twe ftenen zo vaft op malkander
perft. Want dewyl door een zeker behendig
middel dit touwtje zodanig konde gewonden
worden, dat het bovenfte fteentje A weder-
om in des zelfs voorige ftant-plaets konde ge-
fchikt worden op het onderfte teentje Ër
kwamen wederom deze twe {teentjes zo vaft
als te voren op malkander te klemmen , zo
ras als de lucht in den recipient ingelaten was
geworden.
22.
Na dat nu de hoogwaardige Robertus
Boyle deze brief, of twede Verhandeling over
de Lucht, met deze proef gefloten hadde,
heeft die Heer naderhand deze ftof vervolgt in
een Derde Verhandelinge ‚de welke wel voor:
namentlyk beftaat in een befchryvinge van
twe zoorten van proef-ondervindingen. De
eerfte zoort zyn proef-ondervindingen de wel
ke gedaan zyn in een te zamen geperfte
lucht, en de twede zoort in proef-ondervin-
dingen de welke zyn aangeftelt niet in een na-
tuurlyke maar door konft voortgebragte lucht;
by de welke ook noch verfcheide andere proe-
ven gevoegt zyn, en wel voornamentlyk ver-
fcheide proeven van den vermaarden Heer Pa-
pin , die, na dat hy verfcheide proeven met
den hoog-aanzienelyken en wyd beroemden
Hollander , den Heere Chriftiaan Huigens,
omtrent het befchermen en bewaren der vrug-
ten tegens de verrottinge , als ook omtrent
an-
pl
Auguflus — December 1722: ay
andere zaken in het werk geftelt hadde, ís o=
vergelteken naar Engeland ; alwaar de Heer
Papin daatlyk in de gunft en vriendfchap van
onzen voortreffelyken Boyle is gekomen, uit
aanmerkinge van zyne uitmuntende bek waam-
heden in het uitdenken van zeer geeftige werk-
tuigen, en in het aanftellen van aangename en
nuttige natuur- en werktuig-kundige proc-
ven. Onder de uitgevonden werktuigen van
den Heere Papin kwamen, volgens de getui-
geniffe van den Heere Boyle, uit te munten
een dubbelvoudige lucht-pomp , een lucht-
roer, en verfcheide andere izgewieufe werk-
tuigen. Het welk ik alhier wel byzonder
heb willen aantekenen om ’s mans wel ver-
dienden lof te verkondigen ; volgende daar
in den grooten Boyle, wiens regt{chapen in=
borft en braaf naturel my altyd zo zeer heeft
konnen behagen, dat ik al van het begin van
myne oefeninge in het proefkundig onderzoek
der natuurlyke dingen dien weergalozen man
in alle myne betragtingen voor mynen voor-
naamften Lieermeefter en wegwyzer hebbe
verkoren.
23
Wy hebben in de VREE Verhandeling
van deze NATUURLYKE HISTORIE
VAN DE LUCHT door verfcheide proef
ondervindingen geleerd , dat de Lucht zoda-
nig een naauwe vereniging en gemeenfchap
heeft met de natuurlyke ligchamen , dat by=
na in alderhande zaken altyd min of meer
lucht gevonden word. Op welk een wyze de
lucht
49 Natuur-en Konft-Kabinét,
Tacht zich nu in die dingen, het zy in water,
oly, of in andere vloeibare of vatte wezens,
komt in te wikkelen , ís tegenwoordig ons
onderzoek niet ; maar ik zal in ’t voorby
gaan een overweginge, die ik genomen hebbe
omtrent de lucht, de welke door konft ver-
wekt word, aanraken.
24.
Door de lucht, die door konft voortge-
bragt word, verftaan wy een lucht die in een
Jucht-ledige reciptezt word voortgeteelt , met
behulp van verfcheide bewegingen of werkda-
den van de natuur, uit verfcheide ligchamen,
die in zodanig een lucht-ledigen recipient ge-
plaatft zyn. Deze werkdaden van de Natuur
zyn of de verrotting, of de geftinge, of de
opbruizinge , of de aan ftuk vryvinge, of de
warmte der Zon enz. die in zodanige ligcha-
men, de welke in een lucht-ledige recipient
geplaarft zyn , van tyd tot tyd komen te ge-
beuren en waar genomen worden. Als wy
by voorbeeld een gedeelte rofynen, die tot pap
geftampt en met water gemengt zyn, in een
recipient \eggen, en naderhand uit zodanig een
recipient de lucht uit pompen, zullen wy eni-
gen tyd daar na gewaar worden , dat dit meng-
gel aan * geften geraakt, en dat uit deze gef-
tinge een aanmerkelyvke hoeveelheid lucht
word voortgebragt in den lucht-ledigen recz-
piest. Nu is de overweginge, of deze lucht
voor af was in de ftoffen , de welke in den
Jucht-ledigen recipieut aan ’t geften geraakt
zyn, dan of deze lucht in ’ geheel of ten de-
len
pnt Aomceald
Augufius — December, 1722. 49
jen op nieuw als geboren word? Om in z0=
danig een geval de nette hoeveelheid van luche
te konnen ontdekken ,„ word in het begin
ook een lucht-verklikkertje geplaatft in den
… recipient , door het welke de nette hoeveel.
heid des voortgebragten luchts word aange-
wezen, gelyk als wy onlangs zodanig een
lucht-verklikkertje* voorgeftelt hebben. Maar
dewyl tot het bepalen van de lucht die door
_ kont voortgebragt word de alderuiterfte
naauwkeurigheid vereifcht word , heeft de
_ Heer Boyle noch een ander zeer geeftig
werktuig of. lucht-verklikkertje , uitgevon-
vi a
den; gelyk wy in de volgende befchryvinge
zullen aantonen. é
25.
In Fig. 12 word met de letteren ABG
_DE aangetoont den gehelen lucht-wyzer. De-
ze lucht-wyzer beftaat uit drie glaze pypen,
de welke zeer wel in malkander paflen,zeer
wel in malkander fluiten , en volkomen
lucht-digt gemaakt zyn ; maar echter op die
wyze, dat zy alle in malkander doorgaan, of
de doortogt der vloeibaarheden, die in haar
zyn , aan malkander toe laten. De eerfte
van deze drie pypen word uitgebeeld met A
B en is opengelaten aan zyn einde À. De-
ze tubus is veel naauwet als de onderfte tubus
BCD, en wederom wyder als de tubus ED,
__ De tubus BCD is in het midden by C ingebo-
VII. Deer. D gen,
% Zie Natuur- en Konft-Kabinet Máaft —
July 1722, pag. 35- Artikel 24,25. tab. 2XxxIX,
| Fig. 9.
so Natuur= en Konft-Kabinet,
gen, op een wyze als of de zelve beftond uit
twe bakjes, die door de goot C gemeenfchap
met malkander hadden. De tubus ED word
aan zyn einde E hermetifch gezegelt , of met
zyn eigen oenen glas lucht-digt ge-
maakt, na dat-BC Deerft met kwik gevult is
geworden. Alsdit werktuig, op de gemelde
wyze toebereid, in een recipient word ge-
plaat{t, en dat naderhand de lucht uit zoda-
nig een recipient word uitgepompt , zal het
gefchieden, dat de lucht, die befloten is in
den tubus ED, ‘door zyn elafisc:teit de kwik
in DCB zal drukken en dwingen om op te
ryzen ín den tubus BA. Ook zal de lucht in —
zo verre in vloeyen in het gedeelte DC van
den onderften tubus, als de zelve kwik heeft
_opgeperftin BA. Als tuffchen de drie py-
pen van deze lucht-wyzer een goede proportie
gehouden is geworden zo wel van lengte als
van wydte, zal de kwik ín een lucht-ledige
recipient op geperft (taan juift tot A; om dat
de verwyderde lucht in EDC geen meer kwik
kan onderfteunen, als tot aan de hoogte van
A; het welk ook nodig is, want anders zou-
de de kwik by A overlopen uit de lucht-wy-
zer.
26.
Op dat deze lucht-wyzer zeer naaukeurig
zoude konnen aanwyzen de hoeveelheid van
lucht, die ín een reciprent „die eerft lucht-ledig
was, ís aangewonnen uit de ftoffen van de
welke deze lucht door konft word voortge-
bragt, moeten des zelfs tubus AB ED met
veel
Angufrús — December 1722. fr
‚ veel kleine kraaltjes onderfcheiden worden ,
die dân een fyn zyden draadje geregen flang-
gewyze van buiten om de pypen moeten om-
gewonden worden, gelyk als uitgebeeld word
met 1 2 34. naderhand moet deze lucht-wyzer
_geplaaft worden op de vlakke plaat M van
de luchtpomp O , ook moet nog op deze zelf-
de vlakke plaat geftelt worden een Barometer
„HI, met een bakje 1 daar kwik in is, eneen
_Barometers buis H. Dan moet over dit alles
gehel worden de recipient F GE die zonder
bodem is,en wel lucht-digt fluit op de pláat
_LM van de luchtpomp, om datde tubus van
‚de Barometer zo veel langer is, als den reci-
\ prent, moet dezelve doorgaan door den mond
van den glazen recipient by F. waar na deze
_openinge Ff toegefloten of luchtdigt geluteert
moet worden. op dat door de reten tufichen
den pyp H. en den rand F niet de alderminfte
_ buiten-lucht zoude konnen influipen in den re-
_éipient , of uit den recipient 'Loude konnen uit-
_dyperende lucht, die door konft gemaakt was.
Ei 470
___ Als op deze wyze alles is klaar gemaakt ,
__word door de lucht-pomp O een weinigje lucht
uit de recipient EF G uitgepompt. Zo rasals
nu een weinigje van de lucht uit den recipient
is vitgepompt , moet noodwendig de kwik ,
die in de Barometers-buis ftondt omtrent P
zakken by Q, om dat de kwik die in het on-
dergeftelde k wik-bakje gehouwen word, niet
20 veel geperft word van de elaftsa:teit vande
lucht die in de recuprent-hefloten is, alfo nu
, Da doot
eN 0
$z _ Natuur-en Konft-Kabinet,
door deze uitpompinge van een weinig lucht
uit den recipient , de overige lucht, die inde-
zelve befloten is, zo veel verwydert en ver-
fwakt is geworden , dat de kwik in den tubus
H is gezakt op 29 Engelfche duimen. Nu
moet ook gelet worden by welk tekentje de
kwik ftaat in den tubus AB vande lucht-
wyzer. Want hier uit konnen wy verzekert
zyn „ dat zo ras als de kwik op dat merkte-
kenje blyft flaan, de lucht die in den reciptezt
door kontt voortgebragtis geworden „die kragt
heeft om 29 duim kwik , en ook niet meerte
onderfteunen, Op deze plaats moet nu aan den
tubus AB een papiertje geplakt worden, daar
her getal 29 opgetekent ftaat als nu wederom
een weinig lucht uit de recipient word uitge-
pompt, dat de kwik nog eenduim lager, dat
is op 28 duimen Engelfche maat gezakt is ,
moer wederom gelet worden op welk merk-
teikentje de kwik ftaat in de tubus AB van
den lucht-wyzer, en op deze plaats moet we-
derom een merkje van papier of iets dierge-
Iyks gezet worden. Dit moet elke reis ver-
volgt worden , dat is elken duim breed die
de kwik in de DBarometers-buis gezakt is ,
“moet met een merkje op de buis AB ook
aangeteikent worden die plaats , alwaar de
kwik elkereis op dien tydin de buis AB komt
te ftaan. Op die wyze zal naderhand, zon-
der dat wy de Barometer nodig hebben, kon-
nen gezien worden op depyp A B van de lucht-
wyzer elken duim breed, die de kwik zoude
moeten zakken in deBarometer,met zodanig een
Jacht. Op die wyze zal de pyp AB van zo-
danig
Augiftus December 1722. F3
danig een lucht-wyzer exactelyk konnen aan-
tonen de trappen van de verdunde lucht.
28.
Als het ook gebeurd dat zo veel lucht komt
aan te wafzen in den recipient , dat de zelven
meer als na gewoonte en verre boven den ftaat
van de 29 duim ingedrongen en gecondenfeert
is geworden, kan zulks daatlyk ontdekt wor=
‚den aan den tubus DE van de lucht-wyzer.
_ Want de lucht die boven komt in te dringen
in de opening by A van den tubus A B pertft,
de kwik inzo verre, dat de lucht in DE niet
alleen word zamen geperft , maar dat zelfs
‚een gedeelte kwik word. opgeperft in D E,
ten minften zo lang tot dat de coz/iffentie van
de lucht, die befloten isin DE volkomen e=
gaal is met de confiffentie van de lucht die in
den recipient befloten, en dikker en meer in-
gedrongen geworden was. Want hoe meer
de lucht in den recipient boven deszelfs na-
_tuurlyke {laat ingeperft is , hoe de kwik ook
hoger zâl opgeperft worden in DE. Als dan
de lucht die befloten is in DE, door de opge-
rezen kwik nader ingeperft is, en dat dezelve
by voorbeeld maar haif zo veel plaats kwam
te beflaan , als wanneer deze lucht de kwik
kan onderfteunen tot een kalom van 29 duim,
is zulks een teken, dat dezelve nu zodanig in
een gedrongen zynde, het vermogen heeft;
om de kwik te konnen onderfteunen tot de
hoogte van $8 duim; dat ook vervolgens de
lucht „die in de recipient tot zodanig een hoe-
veelheid is aangegroeid en in malkander ge:
40 D dron«
sa _— Natuur- en Konft-Kabinet,
drongen , van die zelfde elaftiniteit of terug-
dryvende kragt is geworden. Het welk altyd
in meerder of minder in drukking of verwy-.
deringe wederzyds het zelfde moet zyn, en
ook altyd wel kan gecalculeerd werden de
hoeveelheid van kragt des luchts, in een re-
cipient uit de gtootheid van de ruimte dewel-
ke de lucht komt te beflaan , die in den tubus
ED befloten, en van de kwik meer of min _
opgeperft word, als maar is geobferveert een
nette proportie in de beide pypen A Ben DE,
en in de tubus DcD een genoegzame hoe-
veelheid kwik is gedaan.
29.
Wy hebben dezen toeftel voor af befchre-
ven, om dat wy zullen gaan voorftellen ver-
fcheide manieren , dewelke door den Heer
Boyle zyn in’t werk geftelt, om uit verfchei-
de lichamen lucht voortebrengen door konft„
en dan door middel van zodanig een lucht-
wyzer daagelyks te konnen weten , en als te
konnen peilen de nette hoeveelheid van lucht
die van dag totdagis aangegroeid. Deze lucht-
peilinge is te meerder dienftig „ om dat deze
lacht zeer ongelyk ras of langzaam voortge-
bragt word. Want zommige lichamenin de
lucht-ledigen recipient gelegt zynde, geven
zomtyds in de eerfte dagen of geheel geen „
of zeer weinig lucht uit, en brengen , ín de
volgende dagen dikwils zeer fchielyk en on-
gelooflyk veel lucht voort ; gelyk als by voor=
beelt de ligchamen ‚ dewelke hunne lucht uit
geven door middel van de geftingen. Want
ë voor
Anguflus —, December 1722. zp
voor het tydpunt van de beginnende giftinge X
geven diergelyke ligchaamen zeer weinig
lucht ; maar daatlyk na het tyd-punt van de
_” aangevangen geltinge ongemeen veel. Het welk
‘alles door middel van zodanig een lucht-wy-
zer kan geweten worden ; dewyl dezelve aan-
_ wyft, niet alleen de lucht die in elk etmaal ,
maar zelfs die van uur tot uur, of van minuit
‚tot minuit aangewonneu word. In het jaar
_ 1674 was te parys. uitgekomen een klein boek-
__ je ín het welke verfcheide nieuwe proeven,
_ die omtrent de lucht gedaan waren , befchre-
_ ven wierden. Uit de proeven dewelke al-
_ ‚daar gefchreven wierden kwam te blyken, dat
alleenlyk uit het brood geen lucht in den re-
cipient voorgebragt wierd. Maar de Heer
Boyle fchepte behagen om eens nader te on-
derzoeken , of door middel van water de lucht
___niet zoude konnen voortgebragt worden uit
4 ‚het brood. Hier toe nam de Heer onderzoe
__ker' een matige hoeveelheid kruim van brood,
“die zeer wel met water doorweekt en een wei-
__ nigje doormengt was. Deze ftof wierd in een
__lucht-ledigen recipient , in dewelke ook te
gelyk geplaaft was een lucht-verklikkertje op
den tr July 1676ingefloten. In den tyd van 6
uren hadde het brood nog geen de minfte lucht
voortgebragt. Maar vervolgens kwam te bly-
ken dateen genoegzame hoeveelheid van lucht
uit het brood voortgebragt was in den recj-
‚prent, zelfs in zo verre , dat op den 26 dito
de flop van de recipient wierd weg gedreven
door de kragt van de voortgebragte lucht. De
reuk van deze lucht was zuur, Uit deze
le D4 „proef
aad
s6 _Natuur- en Konf?-Kabinet
proef kwam genoegzaam te blyken , dat het
water een bek waame ontbind-ftof is, om de
Yacht uit het brood op te lofzen.
30.
Op den zelfden elfden July, (telden de Heer
onderzoeken noch een andere proef aan , om
teonderzoeken, of ín een luchtledige plaats geen
lucht konde voortgebragt worden met een
brand-glas,door het welk het. brood in een lucht-
ledige recipient verbrand wierd. Op deze wyze
wierd ongemeen veel lucht uit het brood voort-
gebragt, en dat zelfs op die byzondere wyze ,
dat deze lucht elke reis als by form van blixe-
men kwam uitbarften. Uit deze proef wierd®
ontdekt , dat het zeer waarfchynelyk ís, dat
wel zeer veel lucht in het brood legt opgeflo-
ten, maar dat de lucht zich zodanig met het
brood komtte verenigen , dat dezelve niet zeer
licht zynebanden en boeyens komt teontwor-
ftelen : maar als het echter gebeurd dat hy door
enige hevige oorzaak komt los te breken ,
te gelyk ook in {taat is , om grote uit-
werkingen te verregten , gelyk als gebleken
is aan het uitborften van de {top van den re-
cipient daar wy van gefproken hebben , en
aan het blixemen, het welke zich in dezeproef
kwam te vertonen by het uitberften van de
lacht uit het brandende brood.
31. )
Op den 22 September 1676 wierden in een
recipient ‚ die 22 onzen groot of ruim was
gee
Anguflus — December 1722. sy
gedaan acht onzen gekneusde rozynen, met
zeven onfen water. waarna de lucht uit de re-
cipient wierd uitgepomt. Des anderen daags,
namentlyk den 23 dito was de kwik van de
lucht-wyzer- al twe duim breed gewafzen „
dat is , de lucht , die uit de rozynen in dien
tyd was opgeiolt, was reets zo veel, dat de-
zelve in een Barometer een kwik-kolom
van twe duimen onder(teunt zouden hebben.
Op den 30 dlto is de kwik gekomen tot
de hoogte van 13 duim. Den s Oétober is
de kwik aangenomen tot 25 duim Niaar van
„den $ tot den 18 O&tober is de kwik niet met
die zelfde rasheid aangewaszen. Wantop den
18 dito was de lucht noch maar even boven
deszelfs natuurlyke ftaat aangewafzen en in=
gedrongen, het welk wy konnen nemen op
ruim dartig Engelfche duimen. Echter
hadden deze rozynen veel meer lucht voort-
gebragt, als rozynen dewelk de Heer Boyle
zonder water in een lucht ledigen recipient
hader onderzogt,
pi
Op den 12 July 1676 wierden ro onfen
gekneusde en doorgezygde rozynen in een
lucht-ledige recipient gedaan , en by dezelve
zo veel water gegoten als nodig was om de-
zelve tedoen gelten. Binnen den tyd van twe
dagen dat is op den 14 July bragten deze ro-
zynen voort zo veel lucht dat dezelve tien dui-
men kwik konde onderfteunen. Zelfs was
de lucht op den 14 des avonds al za zeer in
den recipient CO dat dezelve kon-
de
58 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
de onderfteunen 15 duim breed kwikzulver.
En op den 1$ dito hadde de kwikal bereikt
deszelfs gewoonlyke hoogte, dat is dat dero-
zynen zo veel lucht hadden uitgegeven , dat
dezelve konde opperzen een kwik-kolom van
29 duim, volgens de aanwyzinge van den lucht-
wyzer. Den 16 july des morgens hadde de
lucht het dekzel van den reciptezt al afgetigt,
en kwam gedurig uit den recipiezt uitbartten.
De Heer onderzoeker floot dezelfde ftof we-
derom in een luchtledige recipient, en op den
18 July hadden deze Rozynen wederom zo
veel lucht voortgebragt, dat niet alleen dien
recipient met dezelve vervult was , maar dat
zelfs de lucht, gelyk als in den eerften recf-
pient, vit dezelve kwam uit te barften. Op
den 19 July wierden dezelfde Rozynen we-
derom iu een lucht-ledigen recipient gedaan.
Op den 21 july was dezen recipient insgelyks
wederom zodanig met lucht opgevult gewor-
den, dat de lucht, gelyk als te voren uit den
recipient kwam uitbartten. De zelfde Rozy-
nen wierden wederom in een lucht-ledige re-
cipient gedaan en op den 22 July was binnen
de tydt van een errvaal al 29 veel lucht uit de
rozynen voortgebragt, dat daar door de gehe-
le recipient vervult was. Op den 23 Julydes
morgens kwam wederomde lucht uit den re-
cipient uitberften. Deze Rozynen hadden nu
vier recipienten vol lucht voortgebragt , be-
halven noch de lucht dewelke door de gedu-
rige uitbarftinge niet gecalculeert konde wer-
den. Als nu deze lucht te voren als ingeflo-
ten, en metde Rozynen verenigt is gemeen
en
terde ni hen dass,
Augufus —— December 1722. $9Q
de lezer zeer wel begrypen dat uit deze proef
klaarlyk getoont word, dat zodanig een lucht
ongemeen veel in malkanderen moet geparft
zyn geweeft in de rozynen. »
33
Door dezen proef word ook beveltigt dat
het water ongemeen bekwaam is, omde lucht
los te maken en uitte halen uit de rozynen ;
te meer, om dat uit een andere proef was ge-
bleken , dat de rozynen in een tucht-ledigen
recipient, 'Londer met water vermengt te Zn,
__zeer weinig lucht kwamen voort te brengen.
___O@ok blykt uit deze ondervindinge dat het wa-
À ter niet daatlyk even haaftig de lucht uitde
Rozynen komt los te maken, maar det de
lacht naproportie van den tyde veel fchielyker
word losgemaakt en in groter overvloed word
voortgebragt , na dat het water binnen den
tyd van vyf of fes dagen dieper in dezelfftan-
digheid van derozynen is komen inte dringen.
4.
De Heer derde dede in twe verfchei-
de lucht-ledige recipienten enige rype peren,
en ook in een andere lucht-ledige recipient
enige rype pruimen , en binnen den tyd van
drie dagen waren deze drie recipiemten vol-
komentlyk vervult geworden met lucht, die
uit deze vrugten was voortgebragt. Een van
de twe recipienten, in dewelke de peren wa-
ren, was geplaaft geweeft in de ftralen van de
zon,en in deze recipient was binnen veel kor-
ter tyd „ za veel meerder lucht ann rd,
at
6o _Natuur- en Konf?-Kabinet,
dat daar door binnen 24 uren het dekzel van
den recipient wierd af gelicht, en noch veel
tuchr buiten den recipzent kwam uit te vloeijen.
Waar door komt te blyken, dat de hette van
de Zon veel hulp kan toebrengen tot het voort-
brengen van de lucht uit rype vrugten.
« $.
Als wy dit voortbreh van de lucht, door
middel van water , uit brood , uit deeg, uit
rozvnen, uit rype vrugten , en uit verfcheide
andere wezens , eens nader komen te overwe-
gen, en overbrengen tot de kokinge van onze
{pyzen in de maag, zal het niet moeijelyk zyn
om te begrypen, waar alle die opfwellingen,
oprufpingen en uitblaziugen van winden uit
voortkomen , de welke wy kort na dat wy
gegeten hebben gewaar worden. “Want de-
wyl in onze maag een gedurige aanvloeijinge
van genoegzame vogtigheid is, en dat de fpy-
zen met zo ongemeen veel lucht verenigt, en
als inwendig befwangert zvn, is: het in der
daad zeer waarfchynelyk , dat door die vog-
tigheid veel lucht uit de fpyzen in onze maag
word opgeloft of los gemaakt. Te meer, om
dat het fchei-vogt van. onze maag zelfs zeer
geeflig en vol fyne en vlugge delen bevonden
word te zyn. Alwaar noch by komtde VLAM
DES LEVENS, die, als een natuurlyk vuur,
door deszelfs{/warmte onze {pyshelpt koken , en
bekwaam isomde lucht uit de zelve te fpoedi-
ger op telofzen, gelyk als wy boven gezien
hebben omtrent de lucht, de welke uit de rype
peren, door de warmte van de Zon, ook eer-
der
Pee en od AN
Augufius — December 1722. Óx
der voortgebragt wierd, als uit de andere pe-
ren en pruimen, die een even gelyken tyd bui-
ten de warmte van de Zon geplaatít waren
geweeft.
6
Als wy nu op dee Ortbiihe vande lucht
uit onze {pyzen en dranken noch verder on-
zen aandagt komen te veftigen , zal het niet
onwaarfchynelyk voorkomen dat zelfs deze
ontbonde en los gemaakte lucht veel komt te
helpen, tot het ontbinden en verbryzelen van
onze fpyzen en dranken in de maag , in de
darmen, in de Chyl-vaten, in het bloed; ja
dat zelfs deze lucht veel dienft doet in de ver-
dere af kleinzinge en kokinge van die zappen,
de welke uit de Chyl daaglyks worden afge-
legt En aangevoed in de andere ingewanden en
„ kookkeukens, tot de welke de Chyl word o-
vergevoerd met het bloed door de flag-aderen:
gelyk als by voorbeelt in de lever tot het aan-
_ voeden en koken van de gal: ín de klieren tot
het aanvoeden en koken van verfcheide zoort
van klierzappen, die in ons ligchaam gevon-
den worden: in de vet celletjes tot het aan=
voeden van het ver enz. _ Wit deze aanmer-
_ kinge komt ook zeer klaar aan ons verftand
voor, dat dewyl de lucht van zo veel gebruik
en dienft is van binnen in ons ligchaam, wy
met de uiterfte naauwkeurigheid behoren acht
te geven op de luchten in de welke wy leven,
en welke gefteltheden en hoedanigheden van
de lucht wy behoren te vermyden , of trach-
ten te genieten, zo veel als zulks in ons ver=
Tot
mogen is.
62 _ Natuur-en Konft-Kabinttz
Ü 7.
Tot een bewys Bk lucht zonder watet
hiet zo ras word ontbonden en losgemaakt uit
de vrugten , als met water, hadde de Heer
Boyle , zonder byvoeginge van water, in een
luchtledige recipient van twintig onfen, ge-
daan twe onfen gekneusde druiven op den 16
Oétober 1677. op den 17 Ottober was nog
maar een halfduims hoogte van de kwik lucht
aangewonnen. Op den 18 O&tober was de
kwik wederom een half duim gerezen. Op
den 20 O&tober was de kwik op 2 duim. Op
den 22 dito was de kwik op 4 duim. Op den
27 dito was de kwik omtrent op 6 duin. Op
den 2 January 1578 hadde de kwik nog geen-
zints de hoogte van 1o duimen bereikt ; het
welk niet te vergelyken was by de hoeveelheit
van lucht, dewelke voortgebragt was gewor-
den uit vrugten, dewelke met byvoeginge van
water in een luchtledigen recipient tot de ge-
ftinge gebragt waren geweeft.
14.
Op den 26 O@&ober 1677 hadde de Heer on-
derzoeker drie onfen gekneusde druiven, ge=
mengt met een half ons Brandewyn , en het
mengzel gedaan in een luchtledige recipient
van 30 onfen. Op den 17 Oétober was de
kwik al een weinigje gerezen van de aange-
wonne lucht. Maar op den tweden January
1678 was de gehele recipient al vol lugt gewor-
den, dat isde kwik op 29 duim, waar uit klaar-
Iyk kwam te blyken , dat de brandewyn het
é aans
s 7 N 5 wf
Augufius —= December 1722. 63
aanwafzen van de lucht komt te helpen in een
luchtledige plaats , het welk noch te aanmer-
kelyker is , om dat naderhand kwam teblyken
door een andere proef, dat de brandewyn het
aanwafzen van de lucht kwam te beletten in-
een recipient die met buiten-lucht gevult was.
daf 39.
Op den 19 July 1678 haddede Heer Boyle in
_ een luchtledigen recipient gedaan moft van uit-
geperfte druiven „die weltien maanden bewaard
_ was geweeft. Op den 21 July was de kwik inde
lucht-wyzer noch niet gerezen , en bygevolg
_nog geen de mintte lucht aangenomen. Maar
_ op den 23 July was de hoogte van den kwik
__3 duim. Op den 24 dito $ duim, maar opden
… 25 July des morgens wasde kwik fchielyk ge-
rezen tot 104 duimen op dien zelfden dag des
Avonds alreets tot 137 duim. Buiten twyfel
_ omdat op dien dag de geltinge van de mott
_ eerft regt zynen aanvang fal hebben gemaakt,
__Want op den 26 July was de moft byna ge-
_ heel uit den rrecipient uitgeborften. En op
_den 27 July ook het meefte overfchot van de
__mott, het welke-noch van daags te vooren in
_derecipieut was gebleven. Uit deze proef kwam
klaarlyk te blyken, dat de moft door den tyd
eerder in kragt van te,geften door het lang be-
waren hadde aangenomen als verloren.
40.
Op den 30 January 1678 hadde de Heer
Onderzoeker eenige Appelen, die daags te vo-
ren gekookt waren, in twe verfcheide recipi=
ens
64 Natuur= en Konfl-Kabinet 5
enten gedaan. In de ene recipient was een darde
part zuiker by de gekookte appelen gevoegt:
in de andere recipient was geen zuiker by de
appelen gevoegt. Behalven deze twe tvegeltel-
de recipienten nam de Heer Boyle noch drie
andere recipienten , in dewelke raauwe appe-
len wierden iugefloten. In de ene recipient
was by de rauwe appelen gevoegt eene darde
part zuiker, In de twede geen zuiker. Inde
darde intgelyks geen zuiker , maar deze rauwe
appelen waren in een recipient gedaan dewelke
wel (esmaal groter was, als de recipsent in de
welke de andrre rauwe appelen zonder zuiker
ingefloten waren. Het oogmerk was om te
onderzveken, of de groote ruimte van den re-
cipient , of de te zamenmenginge van de zui-
ker, of deraauwheid van de appelen konden
dienen in het voortbrengen van meerder of van
minder lucht. Op den ro February hadden de
rauwe appelen die met zuiker gemengt waren
een weinigje lucht voortgebragt, en op den 11
dito zo veel lucht, dat de kwik tot 3oduimen
gerezen was; terwyl ondertuflchen de gekook-
te appelen , die met zuiker gemengt waren ,
niet meer als twe duim lucht hadden voortge-
bragt op den zelfden 14 February. Op den 18
February was de kwik ín den recipient, inde
welke de rauwe appelen die met zuiker ge-
mengt waren befloten waren , gerezen op $6
duim en op dien zelfden tyd was de kwik in
de reciptent, in dewelke de gekookte appelen
met zuiker waren , noch maar gerezen tot de
‘hoogte van 3 duim. In den recipient , in de
welke de gekookte appelen zonder zuiker wa=
ren ;
LAAT MEPA
don
Augufins S= Detember 1932. 63
ten, was de kwik niet gerezen: In de grote
ki ag in de welke de rauwe appelen zondet
zuiker waren , was de kwik op den « Maart
“gerezen tot 25 duim, maar in den kleinen re=
cipient met rauwe appelen zonder zuiker was
de kwik toen noch maar gerezen tot de hoog-
te van negen duim. Op den 8 Maart was in
de grote recipient de hoogte van de kwik 29
duimen in den kleine recipient met rauwe ap-
pelen zonder zuiker was de hoogte van de
kwik 22 ten in de gekookte appelen met
zuiker bleef de hoogte van de kwik opg
duim. Op den 17 Maart fwol de rauwe
appelítof uit den groten recipient ‚en de
kwik flond in de kleinen recipient metrau*
we Appelen zonder zuiker op 67 duim ,
‚en in den recipient met gekookte appelen en
ij
À
f
®zuiker ftont de kwik op de hoogte van 1 duim
met welk alles zeer klaar kwam te blyken dattot
het voortbrengen van de lucht uit de appelen
zeer veel kwamen toe te brengen; 1 dezuiker,
2 de raauwheid der vrugten , en 3 de grote
ruimte van den recipient.
41,
Als wy achtgeven op de geftingen van ver-
fcheide zaken , die wy in de open lucht zien
gefchieden, worden wy gewaar dat de geften-
de zaken zeer veel komen te ryzen, veel lucht
“ bellen voortbrengen , en ook zeer veel lucht
ee
doen uitfpatten , gelyk als zulks blykt aan het
beflag van meel met water ; aan geftend bier,
aan werkende wyn,aan uitgeperft zap vanaal-
befzen, kerzen, appelen, peren, honing was
VIL, Deet, E te
66 _Natuur- en Konft-Kabinet.
ter, zuur deeg, zuiker- water en ontelbaare
andere zaken. Als nude lucht, dewelke uit
de lichamen door de geftinge in een lucht-
ledige plaats word voortgebragt , te voren in
die zaken, die in een luchtledige plaats de-
zelve komen voort te brengen al geweeft is ,
zouden wy met enige waarfchynelykheid
het zelfde konnen oordeelen van delucht ,
de welke wy zien voortkomen van de zaken ,
die wy in de open-lucht daaglyks zo zeer zien
opfwellenen ryzen door de geftinge; wy zou-
den in dit opzicht konnen geloven, dat de ge=
ftingen dier ligchamen voor een groet gedeel
te kwam te beftaan in den uittocht van de
lucht , dewelke te voren in de zelve befloten
en als ingekerkert was geweeft, Als wy
aanmerken , dat het wezen , het welke wy
- lucht noemen zo ontelbaar veel in malkander
kan geparft worden , dat een en dezelfde lucht,
in ‘tene geval meer als twintigduiziend-maat
kieinder plaats komt tebeflaan ingepartt zynde,
‚als in ’t andergeval, daar de zelve uitgezet of
uitgebreid is , valt het inderdaad niet fwaarte
begrypen , dat een groot volumen uitgezette
lucht kan befloten geweelt zyn in een peer of
appel, in dewelke dezelve gekerkert, naauw
vereenigt en als ingeper{t is. Waar uit zeer
openbaar is , dat vele wezens ongemeen veel
gemeenfchap met de lucht moeten hebben, de-
wyl dezelve door geftinge, of door hette; of
door verrottinge zo ongemeen veel lucht ka-
men uitte werpen en als voort te brengen, Al-
fchoon ymand al kwam te ftellen dat deze
lucht niet als lucht in die wezens opgefloten
Was
TEA ida e :
Auguflus mmm December 1722, 6j
__‘was geweeft, maar dat een gedeelte dier we-
zens in lucht door een zoort van form ver=
wifzelinge kwam te veranderen, zoude zulks
doch maar op een en dezelfde zaak uitkomen.
en geenzints wegnemen ons befluit , dat de
wezens zeer veel gemeenfchap hebben met de
lucht. Dewyl deze zaak voor de liefhebbers
„van de Natwarlyke Hiftorie van de lucht teen
„kerlyk niet onaangenaam kan zyn, zullen wy
__nog verder onderzoek op de DOOR KONST'
VERWEKTE LUCHT aanftellen in het
toekomende Natuur- en. Kontít-Kabinet , om
dat myn beftek niet toelaat, om tegenwoor-
dig langer van die zaken te fpreken.
Er TT
ni ie :
VYFTIENDE VERHANDELING.
Wan bet GOUD enz. in de welke ver=
/ volgt word de FUWELIERS-KONST
en de NATUURLYKE HISTORIE
DER STENEN.
bir Te
Na dat wy over den oorfprong der ftenen
en der zelver fchonekoleuren * gehandelt heb=
__ben, geleid ons de natuurlyke ordre om te on-
__derzoeken ike VERSCHEIDE MANIE-
REN, OP/ DE WELKE DE STENEN
KOMEN TE GROEYEN ;en 2 DE VER-
she) E 2 R SCHEI-
%# Zie Natuur- en Konft-Kabinet Maatt- July
3722 van pag. 116 tot pag. 192.
en nde et nd
GB - Natuur-en Konft-Kabinet,
SCHEIDE BEPAALDE GEDAAN-
“TENS, DEWELKE DE STENEN , als
zytot hunnerypheid zyn KOMEN TE VER-
TONEN. Dart de ftenen in de gronden groey-
en , en op verfcheide manieren , gelyk als de
plantgewafzen , hunne grootwordinge en vol-
komen rypheid verkrygen heb ik aangetoont ín
deelfde verhandelinge van *’t Goud enz. alwaar
omftandig gefproken word van de vegetatie der
metalen en mineralen en der zelver verfcheide
xitbottingen, maar de voedinge, groeyenge en
plantsgewyze fteen-fchietinge en uitbottinge der
ftenen gefchied op zo veelderhande verfcheide
manieren , dat ik nodig hebbe geoordeelt , de-
zelve naaukeurig te befchryven. Dewyl zulks
zal konnen dienen om aan een bekwaam op-
lettend leerling van de JUWELIERS-
KONST te geven een diepe kennifze van
de Stenen. |
3.
Als aan een juwelier bekent zyn de ver-
fcheide wyzen van de welke zich de Natuur
komt te bedienen, ín het vormen en te zamen
ftellen der (tenen, zal hy daar uit zeer groot
licht verkrygen om in elke byzondere edele
fteen te ontdekken den loop van deszelfs fi-
bren. Hy zal konnen achterhalen in welk een
order de onuitfprekelyke dunne blaatjes , uit
de welke een (teen dikwils beftaat „ op mal-
kander leggen, enop welke een wyze het dik=
wils onzichtbaar fyne grein, uit het welk de
zelf-
* Zie Natuur- en Konft-Kabinet July en Aue
gufty 1720 van pag. 156, tot pag. 193,
ede ©
Augufius—— December 1722. 69
velfftandigheid van deze blaadjes , en vervol-
gens de gehele fteen is te zamen geftelt, ook
zelfs gefchikt is om deze blaadjes te formeren,
Hy zal leren kennen van welk gedeelte van
het blaadje dit greïn den aanvang fchynt te ne-
men van zynen loop, en naar welk gedeelte
van het blaadje de loop van dit grein zich natoe
ftrekt, en in welke tuflchen-{cheidingen, na-
den, en bindzels, den loop van dit grein ZO-
danig komt te eindigen, dat aldaar ook zelfs
‘ komen te eindigen de blaadjes, of dunne fchil-
letjes, die uit dit grein beftaan , en de welke
met malkander het gehele ligchaam van den
{leen komen”uit te maken. Hy zal door de-
ze kennifze onderwezen worden op welke
_ plaats van den fteen hy den zelven aldergeluk-
kigft, en ook op zyn fchoonft en voordeligft
zal konnen klieven : hy zal veel licht krygen
om te weten op welk een wyze hy zyne za-
ken zal moeten aanleggen in een fteen zoda-
nig te flypen, en te polyften, dat hy op het
alderkragtigfte zyn vuur en leven komt te ver-
tonen: hy zal boven vele andere weten uit te
vinden, op welk een wyze een fteen op zyn
__aldervoordeeligft zal moeten gezaagt, en van
zyn rouwe, onreine of ook wel gebrekkelyke
__delen afgefcheiden worden. Hy zal de gebre-
ken der ftenen van vremde ligchamen , onrei-
ne floffen , doornen, kammen, wolken,
vlekken, fchadelyke loop van der zelver was-
dom, gevaar in der zelver bewerkingen „ en
ontelbaare andere zaken by uitftekendheid le-
ren ontdekken.
DE De
zo _ Natuur-en Konft-Kabinet 9
3:
De ftenen hebben zo wel hunnen loop van ves
gelen en draden , als ook tuffchen komende
kwaften, ombuigingen van fidren en naden,
als herhout. De DIAMANT, die om zyn
onvergelykelyke hardigheid vermaart is boven
alle de ligchamen die in de weerelt zyn, ver-
toont dikwils deze loop van fibren, terwyl zy
nog rouw en ongeflepen zyn , zo openbaar,
dat wy zulks dikwiis met het blote oog kon-
nen gewaar worden ; en alfchoon deszelfs
grein zo ongemeen fyn , en des zelfs zelf{tan=
digheid zo ongemeen zeafzyf is „dat dezen loop
van des zelfs wasdom van onkundige niet kan
gezien worden, is zulks echter aan zeer wei-
nige Diamant-klievers zodanig bekent, dat zy
daatlyk weten te ontdekken, op welke plaats
de kerf met de punt van een andere Diamant
moet gemaakt worden , om een Diamant te
klieven, gelyk als een hout-fpouwer aan den
loop der hout-vezelen, en uit de kennifze van
de tuffchen-fchietende kwaften, weet te ont-
dekken, op welke plaats van het hout hy zyn
wiggen moet in flaan, om het hout op het
voordeeligfte tedoen fplyten, tuflchen de tuf-
fehen-{cheidinge van deszelfs draden. Maar
om dat den loop van den wasdom van een
Diamant veel moeijelyker te ontdekken is,
zal de ene konftenaar in het klieven der Dia-
Manten zeer verre boven den anderen komen
uit te munten. Het welk ook de oorzaak is,
dat onder een goed getal Diamant-klievers dik-
wijs zeer zelden iemant gevonden word, ee
eze
| sed Jd
Auguflus, December, 1722. 7X
deze konft op de aldervolmaakfte wyze weet
te oefenen. Zonder andere perfonelyk in
hunnen roem te benadelen , heb ik veel reden
omtegeloven, dat de vermaarde Diamant-klie-
ver Sr. plaat een van de groottte werk-
meeftters en kenders der Diamanten is, die
in de wereld gevonden kan worden. En
om te tonen dar ik deze getuigeniffe op enen
goeden grond kom te geven zal ik.op zyn
plaats de proeven, dewelke ik van ’s mans be-
kwaamheid, en uitftekende kennifze genomen
‘heb , aan mynen lezer mededelen.
4.
_ Als wydegrote Blokken van marmerfteen,
_molefteen, hartfteen, of andere {ware en gro-
Dn
NT En
te (lenen zien leggen, zodanig als dezelve uit
_ de bergen zyn gehakt, zoude het zomtyds aan
onoplettende toefchynen , als of in deze ftenen
geen natuurlyke naden en loop van wasdom,
golvingen, en voortgang van grein was , maar
dat alles maar in de bergen beftond uit grote
klompen , zonder enige order , of fchikkin-
ge van wasdom, voortloop van grein en Fibren
of bepaaldheid van keper. Maar de oplettende
__konftenaars , en uitmuntende kenders van de
ftenen, zyn van het tegendeel zeer wel over-
tuigt. Alhoewel ik echter wel wil bekennen,
dat ik zeer weinig konftenaars kom te ont-
moeten, die vande uiterfte en vereifchte Naau-
keurigheid en noodzakelyke onderzoek-luft zyn.
Elk fchynt byna te oordelen dat hy niet meer
behoeft te leren , als het voorfchrift van zyn
meefter. Maar een Man, dewelke in zyn
E 4 kouft
ga ___Natnur- en Konft-Kabine?,
konft tracht uitte munten , moet uit verfcheide
andere Kontten ;„Hand- werken JAmbagten, en
ook uit verfcheide wetenfchappen onderzoeken
en leren , alle die zaken , dewelke zyn eigen
konft konnen ophelderen en te hulp komen.
Het is ook de plicht van elk konftenaar, dat
hy wikt, en weegt, en redenkavelt, endege-
brekkelykheden’ van zyn konft en konft-{tuk-
ken tracht te verbeteren en het zy omtrent de
konft, of omtrent de konft-ftukken , of om-
trent de gereed{chappen of omtrent de behande- _ |
lingen gedurig bezig is, om nieuwe zaken uit
te vinden,
$.
Wy konnen de zelfsftandigheid der ftenen
gevoegelyk onderfcheiden t in HARDE
SEEEN-GEWASZEN:zin BROSZE
SNEEN-GEWASZEN, en 3 in MIDDEL-
MATIG HARDE STEEN-GEWAS.
ZEN , dieals een middel-geflagt tuffchen de har-
de en broze fteen-gewafzen zyn. Onder de harde
fteen-gewafzen behoren alle die tenen, aan de
welke wy den naam geven van Gemmen,of har-
de Edele gefteentens ; dewelke wederom zeer
verfcheide zyn. Demidmelmatig harde fteenge-
wafzen zynook vanveel onderfcheide zoorten,
van de welke zommige in glans „doorfchynend-
heid, en koleurzeer veel over een komft met de
gemmen of edele gefteentens vertonen, maar de-
wyldezelve nietzo harden polyftbaar zyn, maar
in tegendeel komen afteflyten , worde zy geen-
zints onder de Edele gefteentens geacht. Maar
om datdezelveveel harder ayn alsdeftenen, die
van
it erde
A AT TME
ey ud
Angnfius — December, 1722. 73
van naturen tot een zeer brofze zelfltandigheid
„komente groeyen ‚konnen wy hen gevoegelyk
middelmatig harde fleven noemen, Debrofze
flenen tyn ook in ongemeen veel zoorten on-
derfcheiden , gelyk als wy zien aan de gyps-
fteen, aande wyn-fteen, can verfcheide zoute.
fteenfchietingen, galaêtites, tofus, Amiant-fteen,
mergel-{leen , talk-fleen, de (tenen der dieren,
en verfcheide andere {tenen die of zeer bros
__of ongemeen zagt van zelfftandigheid zyn.
6.
‚ Ik oordeel dat deze verdelinge zeer bekwaam
is, om voor een leerling van de JUWE-
LIERS-KONST op te helderen een van de
wezenftlyke onderfcheiden , die in het gefteen-
‚te waargenomen kan worden. Want dit on-
_derfcheid is en blyft inde zaak altyd hetzelfde,
om dat het zelve door de natuur zelfs gemaakt
is. De natuur is ook zeer byzonder in des-
zelfs werk-daaden, waar door zy elke van de-
ze drie hoofd zoorten van ftenen komt voort
‚te brengen. Want niemant (dunkt my ) zal
trachten te ontkennen, dat de voorttelinge en
groeyinge der harde ftenen of gemmen in zeer
veel omf{tandigheden komt te verfchelen van de
voortelinge en groeyinge der middelmatige har-
de ftenen „en dezetwe wederom ín veel om-
‘ftandigheden van de voorttelinge en groeyinge
der brofze en zeer zagte fteengewafzen.
‚À
De uitmuntende Juwelier Benvenuto Cellini
verdeelt by F Imperatus , de harde tenen die
E s wy
Ja Natuur-en Konfl-Kabinet,
wy gemmen, of edele gefteentens noemen, al-
leenlyk maar in vier zoorten. Als r de DiA-
MANT 2 de ROBYN 3de SMARAGD en
4de SAPPHIER. Hy oordeelt dat alle de
andere edele gefteentens „onder deze vier zoor-
ten behoren , en dat de overige niet onder de
gemmen of harde edele gefteentens geftelt moe-
ten worden. Mifchien zal my (vervolgt hy)
zemanttegenwerpen „waarom ik maar vier Zoor-
ten van kdele gefteentens of gemimen kome voor
ze flellen, daar veel meer zoorten van veel an-
dere Edele gefteentens genaamt werden, gelyk
als by voorbeeld de Chryfopaal en de Chryfolyt,
de Hyacinth, de Spinel en Beryl, de Rubinel,
de Prafius, de Amethyft, de Granaat, de Pa-
rel, aan den welken ik antwoord dat de parel
eigentlyk maar een beentje van visis. Uitde
overige zo genaamde edele gefteentens neem ik
de Balafctus wel mede voor een gem of Edele
fleen , maar flel dezelve onder de Robynen.
Want hy is van dezelfde-hardsgbeid als de Ko-
byn , maar verfcheelt in de prys. Ak neem ook
de Topaas in ’t getal der gemmen , maar ik flel
den zelven onder de Sappbhier , want hy is vaa
de zelfde bardigheid als de Sappbier , hoe zeer
hy ook in koleur van den Sapphier mag komen
te verfchelen, de overige gemelde flenen erken-
ze ik geenzints voor gemmenof Edele gefdeenten.
Waar uit blykt dar deze grote meefter geen an-
der wezentlyk onderfcheid in de edele gefteen-
tens of gemmen erkent heeft , als de onder-
fcheide graden van hardigheid , en dat alle de
edele gefteentens , die niet zyn van de hardig-
heid of der diamanten , of der Robynen oe
er
Arigufius — December 1722. 75
der Smaragden of der Sapphieren ‚by hem voor
geen edele gelteentens of gemmen gehoude
wierden. De leerling diend dit echter met on-
derfcheid te verftaan. Want alfchoon Bez-
wenuto Gellini de overige Edele gefteentens
uit het geflagt der eigentlyke gemmen komt uit
te moníteren , zal hy echter niet ontkent hebben ,
dat dezelve behooren onder de juweel-ftenen of
harde ftenen in zo verre als dezelve zyn 1 zeer
waardig van prys 3 2 fchoon van glans; 3 aange-
naam van koleur; 4 bekwaam om geflepen en
gepelyftte worden, en s hart en duurzaamge-
noeg omals juweel gebr uikt en gedragen te kon-
nen worden. Het oogmerk is alleen maar om
de gemmen van dezelve te onderfcheiden om
de meerder hardigheid, die inde gemmen ge-
vonden word. Op deze wyzekonnen wyde-
zeoverige Edele gefteentens ftellen tuffchen
de gemmen en de middelmatig harde flenen,
die niet hart genoeg zyn, om geflepen en ge-
polyft zynde, te konnen duren , en deszelfs
fyn geflepe kanten en hoeken te behouden.
Als wy de zaak op die wyzebegrypen,‚konnen
wy onzeverdelinge waar mede wy alledeftenen
onderfcheyden, r in harde ftenen , 2 midde)-
matig harde ftenen 3 brofze en zachte {tenen
gevoegelyk behouden. Het isde opmerkinge
der Natuur- onderzoekers buiten twyfel wel
waardig , dat zeer veel fleez-witbottingen of
fteen-gewafzen komen te groeyen tot hun-
ne byzondere en als bepaalde geomzerrifche
gedaante. Zommige ftenen groeyen tot ge-
daante van een teerling of cnbifche figuur;
KA
„6 _Natuur- en Konf?-Kabinet,
gelyk uitgebeeld word in tab. XLII fig. r.
gelyk alseen zekere zoort van markazyt, en
de Duitfchetopaaf, in dewelke verfcheide fteen-
bottingen , dewelke te zamen verenigt zyn ,
en vande welke elk een teerling vertoont, ge-
zien worden. De Hoek van zodanig een teer-
ling, is ingeveltigt in zyn moer , gelyk als
een wortel in de Aarde. Andere ftenen groey-
en tot de gedaante van een lichaam , het
welke te zamen geftelt {word uit opper-
vlaktens van vyf zyden, gelyk als uitge=
beeld word fig. 2, op de wyze als de
uitbottinge van het tin , en ook van een
zekere andere marcazyt. Andere zyn van een
Cylinder gedaante zie fig. 3. zommige groeyen
tot de figuur van een pyramide zie fig. 4. zZom-
mige {tenen groeyen in de gedaante vaneen
fchors met wortels als de witte tinfteen , en
vormen aan de ene zyde alleenlyk maar (teen
uitbottingen. Zie Natuur- en Konft- Kabinet
MMey en Funy 1720 tab, XVII. fig. 14. zom-
mige.ftenen groeyen als een merg tufichen twe
korften gelyk als zommige zoorten van vuur-
fteen. Andere groeyen gelyk als hagel in de
zelfltandigheid van hunne moer , gelyk de fma=,
ragd in de talk-bladen, en de granaten in een
byzondere aarde. De Diamanten groeyen al-
tyd in onegale gedaantens , dewelke ook al-
tyd uit drie hoekige oppervlaktens beftaan , ge-
lyk te zien is in fig.s. Het kryftal is een fteen
gewas dat onder de harde ftenen behoort, het
groeid met zeskantige kolommen, die veel-
tyds in zeer grote klompen aan malkander ge-
{chooten, en als geersftallizeert zyn; en ver-
toont
pe
We,
Auguftus —= December 1722. 77
toont op die wyze alderhande gedaantens , of
figuren , gelyk als by voorbeeld een ftuk het
welk wy uitgebeeld hebben in ‘t Natuur- en
Konft-Kabinet July en Augufti 1720 tabula
XVIII. fig. 3. vertoontenigzintseen Zee-Fgel
van het welk elk uitfpruitzel een feskantige uit-
botting vertoont. Een anderftuk kryftal in dezelf
_ de tab. XVIII met fig. 4. uitgebeeld „heeft uit-
___bottingen die in lengte en dikte, byna als een
mans vinger, én met een zeshoekige gedaante
voorzien zyn, die aan het einde fpits toeloopt.
Andere kryftallen groeyen op de wyze en ge-
daante als een olyfmet zes zyden , en aan beide
einden met een punt toelopende ; gelyk uit-
gebeeld word in tabula XLI fig, ó hier agter
by gevoegd. Zommige kryftallyne uitbottingen
beginnen met zeer kleine bolletjes, zetten ein-
__delyk uit tot zeskantige puntjes, gelyk te zien
js in ’t Natuur-en Kont-Kabinet July en Au-
gufti 1720 Tab, XVII fig. 5. behalven
deze kryftallen worden ook noch verfcheide
andere gedaantens van kryftallen gevonden.
Onder dezelve iseen zoortdat de gedaante van
een pot vertoont.
9.
Wy vinden zeer veel verfcheide zoorten van
kryftallyne vegetatienen fluores van alderhan-
de figuur, zelfs zommige die de gedaante ver-
tonen van metale plaatjes, die met malkander
zyn als tezamen gegroeid , gelyk dik wils gezien
word in de uitbottingen des yzers. ‘Zomtyds
groeyen de Cry{tallen in klootsgewyze gedaan-
te, en dewyl deze veel harder zyn als die in
f een
78 _ _Natuur- en Konft-Kabinet,
een zeskantige of hoekige gedaante groeyenwors
den dezelve wel Baftert-Diamanten genaamt.
Andere kryftallen groeyen van binnen inronde
ftenen , welke {tenen om die reden kryftallyne
baarmoeders genaamt worden. Wy hebben zo-
danig een fteen uitgebeeld in ’t boven aange-
haalde kabinet in dezelfde tabul. XVIII Fig.
13. Ín de holligheid van dezen (teen worden
voortgeteelt veel feskantige kry{tallen , dewel-
ke haar wortel of oorfprong hebben aan de bin-
nen wanden van de holligheid van den fteen,
ftrekkende met hunne punten na’t middel punt
van den fteen. De fchors van die fteen is van
een zand-korlige zelfftandigheid. De grootfte
kryftallen die in dezelve gevonden worden zyn
omtrent als een Hazelnoot, en zeer fterk flik _
kerende. Het kryftal word mede onder de
harde ftenen geftelt; maar het is echter zagter
als de hardeftenen, en wederom harder als
de middelmatige harde ftenen , welker kanten
ombeftendig zyn. Als het kryftal, gekoleurt
is wort aan het zelve niet de naam van kry(tal
maar van Baftert beryl, of bafter topaaz of
baftert fapphier „of baftert {maragd gegeven ; in
zo verre als defzelfs koleur met die ftenen
overeenkomt. Zodanig gekoleurd Cryftal
word zeer veel gevonden in Bohemen „ onga-
rien, Saxen en in verfcheide andere landfchap-
pen ; maar zy verfchelen van de ware gem-
men in hardigheit, en zyn gemeenlyk niet veel
harder als het ongekoleurd of befte kryftal,
Verfcheide witte doorfchynede fteengewafzen
worden voor kryftallen gehouden , alfchoon
zy geen kryftal zyn uit gebrek van hardigheid.
Zodanig zyn de meeft kryftal fchietingen , die
UIt
OE, TINNNODREN zi W .
_… — Auguflus — December 1722. 79°
uit de tinfteen, lood erts, yzer erts, en ande-
_ re ertzen uitbotten , of onder verfcheide xzar-
cazytaas groeyen. Maar dewyl wy tegen woor=
dig van de verfcheide manieren van uitfpruitin-
ge ‚ groeyinge , en van de verfcheide gedaan-
tens der ftenen handelen , zullen wy als wy
van het kry{tal zelfs handelen , deszelfs onat-
fcheidelyke merktekens nader befchryven,
| 20:
___Het befte kry{tal groeid in Ooftindien, hoe-
_ wel op zommige plaatzen in Ooftindie ook
veel kryftal gevonden-word, dat niet van het
befte aloy is.* Georgius Everhardus Rumphius
getuigt, dat in Amboina en de omleggende Ey-
landen een zoort van flegt kry{tal , op dezelf
de manier aan ruuwe klippen groeid als
het befte. Onder deze worden zomtyds enige
ftukken gevonden die na het regte kry{tal ge-
Iyken , maar dezelve zyn zeer klein. Maar
de flegte is zeer vol fcheuren, fchurft,ruuw,
vuil van koleur en oneffen. Zommige zyn
aan de ene zyde enkelde, donkere keittenen,
vuil wit of geelachtig, en aan de andere helfd
__doorfchynende als kryftal , zy hebben allezes
___zyden,eneindigen boven in een punt, hetwelke
van de meelte afgebroken is. De groot{te zyn
een Vinger dik en lang , zy groeyen als een
vrugt uit ruuwe en grove berg-ftenen , altyd
__veele by malkander niet regt opwaarts maar
__fehuins, en verwert door malkander , hebben-
de gemeenlyk een of twe grotere, en daar
___ rondom kleinder en kleinder. Zy hebben pak
ik-
___% Zie Amboinfche Rariteit-kamer 3 boek
zi hooftdeel,
po DE NTR GERT EN
80 _ _Natuur- en Konft-Rabinet s
dikwils op de vlakte van den fteen een krys-
talachtige korft , als hun voet. Hun natuur=
Iyke plaats zyn de grote grauwe klippen , in
dewelke de kuiltjes taan zelfs aan de klippen
die onderhet water ftaan. De grootfte wor-
den gevonden op hoge bergen , aan zodanige
klippen die overhangen en ontrent dewelkeee-
nige Revieren ont{pringen. De kuiltjes die in
dezerivieren zyn worden dikwils overal bezet
gevonden met kleine kryftalletjes , die zom=
tyds maar een lit van een vinger lang en zes-
kantig en puntig zyn. Dog de zyden zyn,
volgens de getuigenifle van Anmphius, uiet al=
le van een en dezelfde breedte , maar dikwils
zeer onregelmatig. Zomtyds is een gehele zy-
de zodanig: toegegroeid, datde fteen daardoor
vyf kantig, in de plaats van zeskantig is, In
de rivieren worden deze ftukjes kry{tal hier en
daar verftrooit gevonden, Zomtyds worden
dezelve ook wel gevonden op de velden , die
omtrent zodanige rivieren gelegen zvn; voor-
namentlyk als in de grond van die velden
word gegraven. De Heer Rumphius getuigt
dat deze kryftal ftukjes op die velden eigent-
Iyk niet komen te groeyen , maar door het
afbruizende water van de klippen worden af-
_gefpoelt , en na beneden gefleept. De rivier
Waytomno voert zeer veele van deze kryftal-
fteentjes met zich, in zo verre dat aande ftei-
le oevers van deze rivier , een of twe voeten
onder de grond gehele lagen gevonden worden
van rofzen en graauwe klip-ftenen „daar de kry=
ftalletjes in een grote menigte opgegroeit ge-
vonden worden , inzonderheid in de kuiltjes
van
FAES 8 K NN
Lugies — December 1722 8%
_ van die ftenen , en zelfs ook in de gebroken
ftenen die van binnen hol zyn.
it. a
„Het iseen zeer groot bewys , dat de kria
ftallen door een helder, doorfchynend en vloei-
_ baar wezen worden voortgebragt , om dat de-
zelve aldertierigft op hunnen moer-fteen ko-
men te groeyen in het water en zelfs op de
gronden vande rivieren , gelyk zulks ook be-
__veftigt word door den Naauwkeurigen Rum-
phius. Op bet land van oud Hative (zegt die
Schryver ) zyn zommige rivieren „ in dewelke
6 of 8 voeten diep onder water grote klippen
gezien worden , op dewelke fchone , grote en
zuivere kryftallen komen te groeyen. Op Ne-
gerylima , een Dorp op de Hstoefche kuft lege
een zee-ffrand , vol grote grauwe flenen. De-
ze flenen leggen zo wel op het droge als in het
zee-water , en deszelfs kuilen zyn vol kryftal-
letjes, die klein maar zuiver zyn, Die zelf-
de Heer getuigt ook dat op Bijma een berg is,
_die Zolocco genaamt word : dat op dezelvege-
__ vonden word een kuil met vers waater in de
Welke de kryftallen, niet diep onder water,
aan de klippen groeyen.
dis 12.
_ Dekryftalten groeyen uit een moersfteen van
_verfcheide koleur. Want alfchoon de kryftal-
len zomtyds alleen en op hen zelfs leggende
in zommige aarde gevonden worden , moet
daar uit niet befloten worden, dat het kryftal
los en zonder voet in de aarde komt te groey-
VII. Deer. F en
8 _Natuure ven „Konft- Kabinet.
en ; maar dat deze lofze ftukken van hunnen
moer-{teen afgefpoelt zynde met de aarde door
het vloeyen der wateren en den regen zyn me-
degevoerd geworden. Dit word beveftigt door
verfcheide waarnemingen , gelyk als onder
anderen door den gemelden fchryver getuigt
ward, dat inde gout-mynen van Swmatra ge-
vonden worden ichone grote kryftallen „ díe
ruim een vinger dik , en een lit van een vin-
ger lang , zuiver effen van kanten , en met
een volkomen punt zyn als of dezelve gefle-
pen waren. Dog de zyden zyn onregelma-
tig. Zommige leggen los in den grond, en
zommige zitten valt aan ftukken van graauwe
en witte (tenen, van dewelke die gene, dewel-
ke los leggen, buiten alle twyfel afgebroken
zyn. Op Amboira worden wel grote (tuk-
ken kry(tal enige voeten diep in den grond ge-
vonden, maar uit alle tekenen komtte bly-
ken, dat de aarde in dewelke zy gevonden wor-
den van elders met deze kry{tallen aangefpoeit
is, om dat ander dezelve alderhande zaken ge-
vonden worden die niet in die aarde gegroeit
zyn.
13e
In Axzborza word noch een ander zoort van
kryftal gevonden in grote (tukken op bergen.
Dir kryftal is van geen bepaalde kryftals ge=
daaute. De (tukken zyn als een Ey en grorer,
niet zeskantig , maar zeer onregelmatig, veel
hoekig , en als afgebroke ftukken van andere
die groter, zyn. Het is matiglyk doorfchynen=
de en klaar. Op Nufatello wordenook dierge=
ly-
drain Nn
DELTA A RAND KI eg Lt,
ug us December 1/22 83
jke (rukken kryftal gevonden die echter klein-
der ‘maar zeer klaar enna den gelen trekkende
bevonden worden. Aan deze ftukjes worden
zommige hoeken gevonden „die zodanig fcherp
en hart. zyn „ dat. zy, enigzints glas konnen
€ fnyden, Änderzints zyn dezelve ook zeer on=
_ regelmatig van gedaante, als afgebroke (tukken:
__By de Markazyt op Naffalauw worden ook
zeshoekige kryftalletjes gevonden , die zo hart
zyn dat dezelve glas konnen Snyden.
| 4 I4.
___ De Aantekenaar eed Amboinfche Rari-
S_teit-kamer van den Heer Rumphius heeftenige
__kryftal-fiukjes in het koper doen verbeelden 4
welker gedaante wel waardig is om gezien
te worden; en dewyl wy overde verfcheide ma=
nier „ op. dewelke de ftenen. komen te groey-
en en de bepaalde, gedaantens diede zelve ko-
enaan te nemen handelen; hebbeik goedge-
vonden dezelve hier/achter in tab X LI te ver=
beelden. Fig. 7. verbeeld de gedaante van ge-
meen kryftal Fig. 8 verbeeld een zeer geeftig,
_ rotsje, begroeid met kryftallen van alderhan-
‚de groote die wonderlyk. door malkanderen
gegroeid zyn. Fig g is-een ander rotsje boven!
__ op het welke een zeskantig ftuk kryftal., als
uit zyn eene punt gegroêid is. De zyden zyn
van een ongelyke breedte „ want de dry.zy=
zyn breder, en de, drie andere zyden wat
malder „ lopende boven met platte kanten 4
__na zyn {pits toe op een „wyze als of het zelve
__geflepen was. Fig.-ro. verbeeld een pyramide
van, kryftal die zeskantig na boven loopt , en
5 F2 aan
84 _Natuur- en Konft-Kabinet,
aan allezyden omzet is met een grote mefiig-
te zeskantige en puntige kleine kryftalletjes,
die met hanne puntjes na den top van de py-
ramyde (trekken. Waar uit blykt hoe won-
derlyk de natuur zomtyds fchynt te ípelen ,
omtrent de gedaantens der fteengewafzen.
Waar van ook geen geringe getuigen is een ftuk
helder kryftal , uitgebeeld in Fig. 11. in het
welke inwendig gezien word de gedaante van
een landfchap , met bergen en dalen , diehen
vertonen als of zy met mos begroeid waren.
Fig 12 is een rotsje van bruine fteen, op het
welke gegroeid zyn verfcheide kry{tallen in de
gedaante van om ver gevallen pyramiden, die
zeer wit en vol greïntjes en knobbeljes zyn
als robbevel.
Is
Als het kryftal regt zuiver en onbefmeurt
is; gelykt het zeer wel na ys. Deszelfs helderheid
en doorfchynendheid is dan zo: ongemeen ,
dat zommige gedroomt hebben , dat het kry=
ftal inderdaad water is , het welk door een
ongemene en langdurige koude , in onfmelt-
baar ys zoude verandert zyn, Maar de onder-
vindinge leert zo openbaar het tegendeel van
deze gifzinge, dat dezelve geen de minfte aan-
dagt verdient. De byzondere zeszydige ge-
daante ( Figura Hexagona ) die aan het kry-
ftal eygen is toont genoegzaamzaam dat zelve
uit een byzonder ‘vloeibaar wezen, of kry{tal-
figuur komt te groeyen. Gelyk als wy dege-
maakte kryftallen van byzondere zouten uit
hunne pekels elk tot hunne eige gedaantens zien
kryftallizeren. Want alfchoon wy zommige
kry-
21e Ot AS ED
ada Wal Werl Bald
Vn
_Anguflus mm December 1722 95
kryftallen vinden die een vyfzydige gedaante
(Eigura Pentagona) vertonen „of die verwerd en
omgeregeltof ook wel rond van gedaante zyn,
_moet zulks toege{chreven worden aande ligcha=
_… men, die zodanige kry(talen omringen, en als -
vormen bepalen gelyk wy in het Ary/Zallszeren.
der zouten uit hunne pekels zien dat de gedaan-
te van hunnekry{tallen dikwils bedurven wor-
eden , door de binnen wanden of den bo-
dem van het glas, of vat in dewelke zy geplaaft
zyn, om tot kryftallen te fchieten. Ook wor-
__ den degedaanten van de kry{talfchietingen dik-
wils bedurven en verbaftert ; door vremdeftof-
fen en vuiligheden , die zomtyds in die pekels
gevonden worden, Op die wyze kan ook de
gedaante van ware kryftal bedurven en be=
lemmert worden,
16.
Als wy een fware loog of zeer gefatureerde
pekel of verzadigt mezffruum enz. tellen om
te kryftallizeren, zyn wy dikwils verplicht om
daar toe te verkiezen koele kelders , of toch-
ten van vengsfters , of andere zaken , dewel-
____ke bekwaam zyn omde kryftal-fchietinge niet,
__alleen te bevorderen , maar zelfs om de kry-
__ ftallen hun eige en natuurlyke figuren tedoen
___ aannemen. Als by zodanige logen,pekels, of ver-
_ zadigdeoplos-vogten „zomtyds al te veel warm-
_tekomt, of enige andere onverwagte toevallen
_komen te gebeuren word zodanig een konftige
yftal fchietinge, onregelmatig en zomtyds ge-
____heel verbrod. Hier uit konnen ‚wy zeer wel
iik begrypen., dat ook op dezelve wyze ‚de ge-
daantens van de Natuurlyke kryftallen.„van
ji zal zom-.
86 __Natuur- en„Konft-Kabinet,
zommig ‘berg-kryftal zeer veel konnen vert
fchelen’, van de gedaanten van ander berg-
kryftal , dat op andere plaatzen is gegroeid ,
die meer of minder bekwaam zyn omt in des-
zelfs groeyinge de kryftaïlen te doen vetkry-
gen , de zeszydige gedaante, die aan hen an-
derzints naruuriyk ís. Gelyk als deze aan.
meerkingen nu plaats hebben omtrent het berg-
kryftal , konnen wy dezelve ook toe pafzen
op alle de andere ftenen , die tot een bapaal-
de gedaante koren te groeyen , en omtrent de-
welke de Natuur echter dikwils wonderlyk
komtte fpelen, met vremde en gan hen oneigen
gedaanténs aan dezelve te doen voortkomen.
As Els A
Àls het gebeurd, dat zommige noch ruuwe
edele ‘of‘andere ftenen- gevonden worden, die
nier hebben die gedaante tot de welke zy ar-
derzints komen te groêyen, en als door huune
eygen natuur bepaalt zyn, moeten wy daatlyk
niet oordeelen dat zodanig zoort van gefteente
van geen bepaalde figuur is, al wierden zelfs
ongemeen veel andere, die onregelmatig van
geddante ‘waren , onder -dezelve gevonden.
Want niëttegenftaande' het berg-kryftal in def=
zelfs ingenamatie en fteen-bottinge gewoonlyk
bepaalt word tot een’ feskantige geometrifhe
gedaante, vinden wy echter onder het zelve
elen veel andere’ gedaantens ; gelyk áls
onder andere blykt, aan de baftert diamantjes,
die “iff de Alpifche gebergten en elders gevon-
dea worden. * Deidhrarden uitgebeelt in Tab,
> vide Clariff. Johan. Jac: Gcheuchzeri iter
Alpinud®!tertiam,)s (10 7 AAS A57 GADE
[MOS Ë Á
Midde
PET zr
uguflus =— December; 1722. SF
f eel Fig: 13. zommige vandeze zuivere kry-
alletjes zyn geheel zonder zy-wanden , ge-
lyk als A, of met weinig zy-wanden, gelyk
als B, of wel rondom met zy-wanden maar
die zeer fmal zyn gelyk als C. Andere zyn we-
derom zeer lang en pyramydaal van zy-wanden,
gelyk als ED. Andere zyn op malkander ge=
grocid in een regte lyn gelyk als EE. An-
dere zyn aan malkander gewafzen gelyk als
FFF, Andere zyn gegroeid in de gedaante
als uitgebeeld word met G. Andere in vers
___fcheide andere gedaantens gelyk als HHH-
E HEEL N val
7
"
1e 18. ; ts
_ Zelfs worden op zommige harde en {ware
vuuríleenen gevonden uitbottingen van nette
en bepaalde gedaantens. De uitmuntende * Heer
J. J. Scheuchzerus en ook verfcheide andere
Schryvers betuigen , dat op de hoge toppen
van de Alpifche gebergtens gevonden worden
uurftenen , die door de ftromende vlietjes
worden gefpoelt , en mede gevoert. Dezels
ve zyn zeer fwaar en van eem ronde gedaan
te, uitwendig van een yzerroeftige koleur ,
als deze worden doorgeflagen vertonen zy
___ van binnen blinckende ftralen, en (trepen die
___ na het middelpunt van den {teen ftrekken „
___en als zilver of gout komentefchitteren, even
als of inwendig in’ middelpunt van den (teen
een. {tar was , die zyn flralen-aan alle zyderp
sit kwam
B 4
y
s___* Vid: Cirati Au@toris iter primum: Tab, zo
han Chek |
P,
83 Natuur-en Konft-Kabinet,
kwamuit te {chieten. Diergelyke ftenen wor-
den ook gevonden op andere plaatzen, zelfs
in de Indien, en ook in Engeland daar de-
zelve, Roeft-ballen genaamt worden volgens
de getuigenifze van Litter in zyn verhandelinge
van de medicinale bronnen van Engeland, en
van Eduardus Luidius iz Lithograph. Britt,
by Scheuchzerus. Deoppervlakte van deze íte-
nen is fcherp en ongelyk. Want uit derzel-
ver oppervlakte komen zeer geeftig uit te bot-
ten kleine pyramiden , van dewelke zommige
hein zyn „en andere noch in ’t geheel.
eze pyramyden zyn vierhoekig en van gedaan-
te als zommige geflepe Diamanten, gelyk als
uitgebeeld word in Fig. 14 , hoe wel echter
deze vierkantige uitfteekzels niet glad en blin-
kende maar uitwendig yzer-roeftig zyn.
19.
Het is niet alleen aanmerkelyk , dat de na-
tuur een groot getal (tenen met Geometrifche
gedaantens voortbrengt ‚ maar zelfs word in
de (tenen nog ook die aangename fpeling van
de Natuur ondervonden , dat zeer veele ge-
vonden worden , door geheel Duitfchland ,
Switzerland, ín de Alpifche en andere ge-
bergtens, in Ongârien, in Saxen, Bohemen,
Engeland , Italien en in zeer veel andere ge-
weften des werelds , dewelke natuurlyk ko-
men na te bootzen , de gedaantens en beel-
den van alderhande zoorten van fchepzels ,
of Natuurlyke lichamen, of ligchaams-delen,
van dieren plantgewafzen en zelfs van ver{chei-
de konft-gevrogten ; gelyk als den lezer a
|A
BRACRNTEN DE
; “Auguftus —_ December 1722. 89
der andere zal konnen vinden in het mufeunz
Diluvianum van den meergemelden Heer
„Scheuchzerus ; in de Natur-gefchichten van
fehweitzerland van dien zelven Heer : Lang.
Hiltor. Pap. Fig, Martinus liter. Conrad.
Gefnerus , Foh. Jacob Bajerus in des zelts
Oryctographia Norica. Het welk een zeer fraay
boek ís; Jac Moccius ; Breinius en verfchei-
de andere Schryvers. Verfcheide Schryvers
zyn van gedagten dat deze gefigureerde of Beeld-
ftenen overblyfzels zyn van de zuut-vloed.
Maar ik heb in myne verhandeiinge over de
zuntvloed deze meninge genoegzaam weder
legdt, en deszelfs ougegrondheid aangetoont,
20
Als wy de gedaanten van’t gebergteen wel
voornamentlyk van zommige of uititekende ,
of voor over hangende, of geboge en ver-
wulfde, of fchuinfe of regt en pilaars, of py-
ramidaals-gewys gegroeyderotzen, met aandagt
befchouwen , vinden wy genoegzame reden
om te geloven „ dat zelfs deze ontzagchelyke
en grote ligchamen in hunne groeyinge van
__ de Natuur min of meer als tot zekeregedaan-
tens bepaalt worden, Als wy de gedaantens
der bergen, rotzen enz. van elke byzondere Sa-
xe of rouwe Blok-ftenen met naukeurigheid
gingen onderzoeken, ik twyfel niet of wy zou-
den door den tyd enige gelykforrnigheden en
overeenkomften van gedaante gewaar worden
omtrent de fcheidinge doornaden , of aderen
of grote lagen enz. in elk zoort van Saxe.
Door Saxe word in ’t algemeen verftaan alle
Es grof
ge __ Natuur-en Konft-Kabinet,
grofen' zeer groot gefteent, van het welke ko-
men te groeyen gehele bergen zomtyds halve
Eylanden, en zelfs gehele landfchappen. Om
dat uit deze ftenen onder anderen gehouwen
worden alderhande van die grote Blokken ,
van dewelke wy tot onze gebouwen zagen
vloer-(tenen, metzel-ftenen, platen, ftukken
tot gevels, pylaten en andere bouw- mater
alen geven de hoogduitzers aan de Saxe de
naam van gwaderflein , en de Engelfche den
naam van guarri flone ‚om dat de blokken ,
in vierkante gedaante uit het gebergte gehakt
worden. In die betrekhinge zouden wy aan
dezelve wel den naam van blok-{teen kon-
nen geven ‚maar zullen ons tiever van de naam
Saxe, als maar van de latyn{che naam verbo-
gen zynde, bedienen.
21. A
Dat de Saxe zo wel als het fynder gefteen-
te groeid met een zekeren vaften voortgang ,
en loop van grein is een waarheid , dewelke
wy in de meefte. Saxe wel konnen ontdek-
ken methet blote oog. “Dat ook de Saxe zeer
onderfcheiden , of van’ keper , of van grein ,
of van korlen ef van fibren, of Van op mal-
kander leggende fehilvers , en Blaadjes , of
van golvingen is , zal niemant tegenfpreken ,
aan den welken bekent is een grote menigte
van verfcheide zoorten van Sexe. Wantdoor
het onderfcheid van keper, van grein, van kor-
relen van draden , en vezelen, van fchilfers ,
van Blaadjes , van golvinge , van dichtheit ,
van brosheit , van vaftheit, van hardigheit, van
ne zag-
Me 1 VLAPEDREDN A,
Auguflus: mmm December 1722. a
giet ‚ van lichtheit , van fwaarte, van,
oleur , worden de Saxe van malkander ia
vale zoorten onderfcheiden. Gelyk,
als in de fyne gelteentens zo wel in de gem-
men als in andere harde (tenen zomtyds zich
komen in te wikkelen, alderhande vuile (tof
fen, vlekken , ‘opreinigheden,, vremde grein
nen, ftreken, ftriemen, kammen, doornen, pe
E kwaften „enz, worden ook inGelyks alle, de-
_ ze tOevallen in degrove (tenen gevonden. G
Iyk als de fyne en edele gefleentens A
worden tot alderhande pragt, vercieringe , en,
verfcheide andere gebruiken, worden degrove
ftenen ook daaglyks gebruikt tot den, diep{t „
nutheid , en gemak der menfchen „zo tot
het bouwen van hunne huizen, raten, bak-
ken , putten, fortificatien, „wallen, trappen,
vloeren, tafels; enz. alsook t tot een gn getal
werktuigen, als flypftenen, mole; {ten en vryfs
ftenen lek-itenen om de vogten, te Eaernd Pe
en door te lekken: Van zommige, Saxe
word zelfs alder hande vaat werk. gemaakt.
als potten,, pannen , fchotels,. vyzels,„zouts
vaten , bekers, inkt- -kokers, cofty. „kopjes. en
fthoteltjes , en verfcheide ander, huis- geraden,
en galanterien. Andere Saxe word w ederom
__tot verfcheide andere zaken, gebruikt, na, dat
defzelfs gegroeide eenige gheid verfch cideni iss
Uit de bovengemelde aanmerkingen kan de
Bé nu genoegzaam zien ge w‚y.uit de San
xe of grove berg-fteen, al. zo. wel als uit de
andere Îtenen komen te ontdekken, dat de za-
tuur Bediheids manieren gebraikg, N inhet woort
breng
ox _ Natuur- en Konft-Kabinet,
brengen der fleengewafzen , en dat zeer veel
Pflenen tot gedaantens komen te groeyen, tot de-
welke zy elk volgens hunnen aart bepaald zjn;
en dewyl ik in deze tegenwoordige verhande-
linge van de Natuurlyke Hiftorse der Stenen
maar voorgenomen hebbe dit alleenig uit te ha-
len, en aan myne Lezers te doen zien , zal
ik enige Saxes by brengen die verfcheide van
zelfftandigheit en om die reden ook verfcheide
van gebruik zyn. De uitmuntende Joh. Jacob
Scheuchzerus getuigt, *dat in het kanton Zu-
rich by het dorp Herrliberg aan het lacvan Zu-
sich een Steen-breek of berg-werk gevonden
word , uit het welke veel ftenen gehakt wor-
den , dewelke tot het bouwen gebruikt wor-
den : Dat dezelve is een zeer zagte en werk-
bare zant-fteen van een byzonderen aart , om
dat dezelve zeer dienftig is te gebruiken op
plaatzen daar fterk word gevuurt, dewyl deze
iteen het vuur tamelyk wel kan verdragen ,
en niet aan ftuk kom: te fpringen, om dat die
fteen zo tochtgatig is , dat de zelve de vuur-
deeltjes zeer licht laat doorgaan. Deze fteen
word op noch twe andere plaatzen onder ’t
gebied van Zurich gevonden. In het Kanton
Bern in het Engftlenda! , word rode {chilfer=
fteen , of ley-fteen gevonden, waar uit open-
baar is, dat de Natuur zo wel komt te fpelen
in de grove flenen met de koleuren, als met
der zelver zelf{tandigheid , gelyk in de ley-fteen
van verfcheide koleur te zien is, Maar dit
blykt noch meer aan een ander gefteente , dat
van
“ Zie Natuur-gefchichten des Schwirzerlands
< Theil,
ME AE tE
ARE A
ADE PON NC
Augufius — December 1722. 93
van den lager berg gehaalt word, want dit
gefteente is graauw van koleur, maar over al
doorgroeit met gekriftallizeerde kwerts , die
geel van koleuris, en den fteen als met door-
gaande naden en ftrepen aan malkander fchynt
te hegten , waar door de zonderlinge wyze
van met naden te groeyen in dezen fteen be-
veltigt word. Diergelyke Naden en ftrepen
worden in verfcheide Suxes gevonden , gelyk
als ook volgens de geruigenifle van dien zelven
oog getuige in het kanton Uri, in het Livi-
ner-dal gevonden worden wit groene (tenen
met kool-{warte ftreken, van een tof gelyk
als zomtyds wel gevonden word in het kry=
ftal. In deze {tenen groeyen ook grove
en ruuwe twaalf kantige granaten, de Heer
Langius geeft by den Heer Scheuchzerus aan
dezen fteen verfcheide namen , maar de be-
kwaamfte is die van blinkende linie fteen.
23e
Alhoewel de Saxe bekent grof van greïn
fehynt te zyn , gebruikt echter de Natuur tot
deszelfs te zamenftellinge , zomtyds zeer lich-
te en fyne delen . gelyk als wy ondekken aan
den reuk , die ín verfcheide ftenen gevonden
word. In een. valley de welke ftrekt van Al-
torf nahetdorp Steeg, worden volgens de ge-
tuigenifze van de Heren Langius en Scheuch-
zerus , witte (tenen gevonden, die een reuk
uitgeven van violen. Deze reuk word alder-
openbaart ontdekt als den fteen een weinig in
het- water word gelegt en aân de Andere zyde
die met groenachtige plekken geteikent ís ge-
VG.
" n op … ve F4 a ij iN
94 __ Natuur-en Konfl-Kabinet, |
vreven wortd. De Heer Wepferus getuigt *
ook by de Heer Schuchzerus dat in het {war-
te woud by het kloofter van St. Blafius veele
van diergelyke {tenen gevonden worden , dat
deze ftenen op hunne oppervlakte een fermili-
oen rode ftof uitfchieten „als zy in de ftralen
van de de zon gelegt worden; dat deze rode
ftof afgefchrapt wordende, niet alleen een vi-
ool-reùk komt uit te geven , maar zelfs ook
dezen reuk overzetten aan het linden , als de”
ftenen met het zelve gevreven worden. Van
deze viool-ftenen getuigen ook Wormius, A-
gricola en Andere. Maar de vaauwkeurige
Anfelmus Boetius de Boot oordeelt, dat deze ,
viool-reuk niet van den {teen maar van een
flym of mos dat aan den fteen groeid voort-
komt. Ikhebbegehad (zegt Hy) zo wel witte als
graanwe flenen , die een viool-venk uitgaven ,
maar ik heb ondervonden dat die reuk niet van
den fteen zelfs voortkwam, maar van een ze-
ker flymige flof , die van een geel groene koleur
Was, eu als een vlies of mos aan de ene kant
van den fleen vaftgegroeid was, Want aande
andere zyde van den fleer daar tere ge-
groeid was , wierd de vioolreuk ook niet ge-
vonden. Als deze groene flof' met water be-
Jprengt wierd , gaf dezelve een reuk uit, als
de imas-wortel die de gehele kamer veroulde.
Als deze mos vanden fleen afgenomen word
ruikt dezelve niet meer na violen. Dit neemt
echter niet weg dat verfcheide Saxes gevonden
worden , die een reùk uitgeven. Om hier van
overe
® Vid. Wepferus de Cicuta.
ro nn GE
Augufas —— Decomler 1722. 9
overtuigtte zyn behoeven wy maar in zommige
fteen-groeven te gaan, en wy zullen de reuk
wel halt gewaarworden. De Boot verhaalt
zelfs dat de Marienberger Saxe zomtyds na muf-
cus ruikt, als dezelve met een hamer geflagen
word. Zommige Saxe van ’t thuringfche ge-
bied ruikt als de thymiaan of Serpsilum. Dat
te Hildesheim (teen gevonden word die als ge-
brande koorn ruikt als zy geflagen word; zom=
mige (tenen {linken na aard-pik enz,
ks 24.
Ik heb in Duitfchland verfcheide bergen van
ley-fteen gezien , maar de fchilfers of bladen
van dezelve zeer ongelyk gevonden , in bros-
‚heit en Brokkelachuig , in zommige bergen
zien wy de ley-fteen als met lagen door de.
bergen en tuffchen deandere Saxe heen lopen,
en zommige bergen fehynen geheelelyk nit
_ Jey-fteen te beftaan. In het kanton Glarus
word volgens de get uigenifze van Kentmannus,
_ Scheuchzerus en andere een uitmuntende fteen-
„ beek gevonden van fchilferfteen , of ley-fteert,
die byna (wart van koleur is. De gehelen berg
… die de Bladeren berg genaamt word beftaat uit -
zodanig vatte ley-{teen-die met lagen op rialkan-
legt. Van deze ley {teen worden gemraaktde
bladen van grote fchryf en rekentafelfs , die
_ hier-daaglyks te koop gebragt, en door alle
landen vervoert worden. De leyen of bladen
van dezen (teen leggen zo evenredig dat zom-
mige ftuklken van tien en meer voeten lang ge-
zien worden, die gants egaal en nergens ge-,
_bogen of gekromtzyn. Zomtyds lopen-doer
| zh, de
96 _ Natuur- en Konft-Kabinet,
de bladen van dezen fteen aderen van een witte
kwerts, of kwarts die omtrent 1 £ linie van
en duim breed zyn, Deze Aderen verhinde-
ren zeer veel de fteengravers , om. dat dezelve
brokkelig zyn, en de täfels bederven. De
Bladen of ieyen van dezen fteen zyn omtrent
$ duim dik, en laten zich ligtelyk van een werk-
tuig dat tuffchen deze bladen ingedreven word
van malkander fcheide. Het is zeer aanmer-
kelyk dat elk blad wederom uit twe andere
bladen of lagen beftaat , van de welke het
bovenfte blad hart is, en zich zeer wel laat po-
Iytten en glad maken, maar het onderfte blad
is zagter , en zo week dat het zelve zich niet
laat polvften , waar om het zelve ook van het
eerfte blad word afgefcheiden. Wy zouden hier
uit konnen befluiten dat de onderfte laag noch
niet tot defzelfs rypheit gekomen was, terwyl
de bovenfte laag reets tot de rypheit en vol-
komenheid van defzelfs fteenfchietinge geko-
men is. Dat deze fteen uit een vloybare ftof
komt te groeyen word ook geoordeelt om dat
in dezelve zomtyds gevonden worden {tenen ,
die de gedaante hebben van vifchen , of van
kreiden , die de Heer Scheuchzerus oordeelt
te zyn overblyfzels van de zond-vloed , die
‚ verfteent zyn geworden , van het fteenzap ,
van het welke deze ley-ftenen gegroeid zou-
den zyn. Deze leyen worden cok zeer veel
gebruikt tot het bedekken van de dakenen wan-
den der gebouwen.
25.
Of de ftenen , dewelke viffchen , bladeren
' van
_duguflus ws Ditember 1732 DY
van Bomen, kruiden , vrugten, zee-horens ;
enz. vertonen „gewrögten , of overblyfzels van
de zunt-vloed zyn, zullen wy alhier niet onder-
zoeken. Behalven de verfteende beeltenifzen ,
Vinden wy ftenen welker aderen en koleuren
de raarfte uitbeeldingen des werelds vertonen:
De Heer Scheuchzerus verhaalt dat digt by de
ftadt Schaffhaufen een koftelyke fteen-breek
is van witte fteen, op dewelke fomtyds kleine
boomtjes gefchildertftaan. Alsde ftenen met
verfcheide koleuren door de Natuur gefchildert
zyn ‚beftaan zy zomtyds uit verfcheide fteen-
zelfftandigheden , van de welke zommigedoor
vuur in kalk, en andere in een glafachtigheit
__Overgaan: Zommige worden ook verinytert, of
í
IN
Tt Er
Á
j
Í
n
if
4
… «aderen, of fpikkels , golvingen enz. Waar
G
van de lucht uitgegeten , en geraken daar door
wel enige koleuren kwyt. Dit heeft zelfs plaats
in zommige edete en duurbare gefteentens, Maar
de lezer diend wel te verftaan het groot onder-
fcheit tuflchen de gemmen, en die edele gefteen-
‘tens,dewelke geen gemmen zyn. Want onder de
Taafte worden zelfs ftenen verftaan , die in veel
waarde maar echter zeer zagtzyn. Als wy ook
zeggen , dat de koleuren van zomtnige edele ge-
fteentens door den tyd verfchieten,moet hier niet
_âltyd verftaan worden den tyd van eniger men-
„fchen levens , maar dikwils enige euwen, ge-
Aykals blykt aan zommige gegraveerde edele fte
nen der aaloude volkeren, enz. 26.
De verfcheidendheid der koleuren is zodanig
val gemeen zelfs inde grove berg-ftenen en Sa-
“xe, dat wy naauwelyks enig gefteente zullen
svinden, in het welk niet komen door telopen
„of enige gekoleurde plekken , of naden , of
v…VIL Deer.
door
98 Natuure en Konft-Kabinet,_
door genoegzaam komt &e blyken.„ dat de See
xes, za wel als de kryftallen , gemmen „en
alderhande edele gefteente groeyen , gevoed
en gekoleurd worden door vloeibaare licha-
men of mineralifche dampen Tuffchen Gaf-
para en Roncaglia vyn zelfs in de grove Saxes
zulke fchone en aangenaame koleuren voor het
gezicht, dat de (teen-werken , dewelke in de
gebouwen van de zelve gemaakt worden, met
hunne koleuren zelfs de fchoonfte verwen uit-
tarten. By Bedoglio in het Cafpaner gebergte ,
en tuffchen de beide berg-wateren Mazeno en
ovate worden enige fteeugroeven gevonden,
met een fchone Blaauwe koleur als ultra ma-
rin, Deze (teen is zo hart en beftendig., dat
van dezelve gemaakt worden kruis kozynen
voor de vengfters, en kozynen voor de deu-
ren zo wel in huizen, paleyfen , als kerken.
Die de fchoonfte van koleur is word gevon-
den onder * gebied van Bedoghio digte by het
huis del Saflo. Wy gebruiken diergelyke
blaauweftenen in deze landen tot Serken,trap-
pen , ftoep ftenen , vloer-ftenen , tomben enz.
Buiten deze worden in het land der Grifonsen
zeer veel andere landen verfcheide Saxes met
aangename koleuren gevonden. In het Bither-
dal word gevonden fchone rode fteen, diezo
hard is dat zy vyzels en ftampers van dezelve
konnen maaken. Tuffchen Cafpanoen Rox-
eaglia is een berg in dewelke een fteen groef is
van gefprenkelde fteen die zeer aangenaam is
om te zien. Zy maken vanldezelve alderhande
kozyns, tot deuren , vengfters het welk zeer
fchoon voor ’t gezigtis. De Galanda-berg ,
door de welke de Pundten en het SA,
p
_Auguflus December, 1722» 99
land ‘gefcheiden worden , geeft een fteen uit
dewelke een koleur heeft als rood fermilioen.
By Cafaccia in ’t Bergeller-dal , is een rouw
gefteente het welk geel van koleur is, en zom-
tyds in zich befluit (tukken van Blinkende talk=
fteen. Op Chaumont een berg by Neufchatel
is een wit gefteente dat zeer geeftig gemarmert
en met alderhande ftreken en Cirkels geteikent
ís. “In deze teen worden zomtyds gevonden
_alderhande zoort van horentjes en kruikjes „
_ dewelke de Heer Scheuchzerus overblyfzels
vân de zunt-vloed oordeelt tezyn. In Ne-
uenburg en in daar omtrent gelege plaatzen
„worden de huizen geboud van een fteen die
geel van koleur is, en uit ronde zant-korleu
beftaat , onder dewelke kleine ftukjes blinken-
de ftof vermengt zynr Wy zouden geen ein-
de krygen als wy alle de berg-ftenen of Saxes
met onderfcheide koleuren wilden befchryven.
__Het is genoeg dat uit deze aangehaalde waar-
nemingen komt te blyken , dat de Natuur vee-
_ le en verfcheide wyzen gebruikt in het groeyen
_ of te zamenftellen van de ftenen. Want dat
„de aanwas vande zelfftandigheid van een fteen
die uit zantkorlen en uit blinleende ftukken be-
ftaat , geheel anders gefchied , als de aanwas
_ en de voedingen van een fteen die uit zeer
fyn grein , of uit een zeer digte en leverachti-
__ge zelfftandigheid , of uit een poreufe of tocht
_gatige gefteltheid of uit alderhande golven be-
__ftaat , of door naden en ftrepen aanmalkan-
_der gehegt word iseen zekere waarheid. Want
_ alle deze en meer andere byzondere hoedanighe-
__dender ftenen geven ef an te kennen,dat
B 2 zy
zoe _ Natuurea en Konft-Kabinet,
zy op byzondere wyzen komen te groeyer.
Zommige fteen-zappen zyn zo ongemeen be-
vrugt van fteen-ftof , dat zy door een enkelde
ftremminge , zo ras als zy im de open lucht
komen binnen korten tyd in harde ftenen ver-
anderen. Gelyk als wy van deze zaak voor
dezen in ’t Natuur-en Konft-Kabinet een aan-
merkelyk voorbeeld hebben bygebragt van een
bron in Amerika , wiens water in de open
lucht komt te veranderen in een doorfchynende
en zeer harde (teen , van dewelke zy aldaar
beelden en alderhande Czeraden maken , al-
leenlyk met het fteen-water in vormen te la-
ten (lremmen. Tot zodanig een fteenwordin-
ge fchynt alleenlyk maar nodig te zyn , of
dat de dunne en vloeibare water-delen, of an-
dere bewegelyke delen uit het fteen zap in de
openlucht komen uit te wazemen, of dat uit de
lucht in zodanige wateren-en zeer vloeibare
fteen-zappen enige fyne en te gelyk ftevige dee-
len komen in tedringen „en de fteen-{tof zoda-
nig aan malkander te hegten , dat dezelve zy-
ne vloeibaarheid verlieft, en in een hard én dig-
ter in malkander verenigt ligchaam overgaat.
a
De manier door ke verfcheide zaken
in fteen veranderen , of verlteent worden is
verfcheide. Fallopius zegt, de flof door de-
welke verfcheide zaken, als planten , bladen ,
houten in fleen verandert worden is een fleen-
zap , hetwelk geftremt zynde in dezelfde fleen
overgaat welkers zap het te voren was, Dit
flean-zap is twederley , of zuiver of onzuiver.
Het
Auguftus December 1722. iot
Het zuiverfteen zap is klaar en helder en veran.
dert in zuivere fléen als het komt te flremmen.
Zommige fleenzappige wateren Zyn niet zoda=
nig zuiver ‚maar vol frof, en afvylzel, of af-
fthaafzel van fleen, als uit zodanige wateren
flenen groeyen , zyn die flenen van de zelfde
natunr , als de flenen van dewelke deze af-
fchaafzels gekomen en
28.
Als onder de ftremmende fteen-zappen ge-
vonden worden andere ligchamen, als blade-
ren van bomen, vrugten , houten, horens ,
fchulpen , delen van dieren zz/eten enz. kan
het niet anders zyn , of dezelve worden in de
fteen-ftremminge ook te gelyk bekloncken in
den fteen. Als zodanige fteen-zappen zeer
door-dringendeen pezetrant zyn, gelyk als by
voorbeeld het zap van de vuurfteen , kan het
ook lichtelyk gebeuren, dat zy komen te drin-
gen in de raimtens en togtgaatjes van de lig-
chamen , dewelke in hen omfwerven , waar
door die ligchaamen dan ook te gelyk: verfteent
worden. Als ook onder een ftremmend fteen-
zap gevonden worden fteen-zappen die van een
andere natuur zyn , konnen wy zeer lichtbe-
grypen dat uit zodanig te zamen gemengde fteen-
zappen {voortkomen ftenen van verfcheide ko-
leuren, golvingen en zelfftandigheden.
! 29.
_ Buiten en behalven de fteen-ftremminge uit
___vloeybaar fteen-zap, konnen wy ook noch we-
derom een andere wyze van fteen-wordinge
begrypen. By voorbeeld als enige vette, lymi-
| G 3 ge
sor _Natuur- en Konfl-Kabinet
xnineralachtige, of zagt-aardachtige ftof, in de
bergen gevonden word, of in dezelve komt
te groeyen „en dat te gelyk uit die bergen wor-
den geitookt metaalachtige, vitrioolachtige ,
fwavelachtige „ zalpeterachtige , of andere fy-
ne uitvloeizels , die zeer doordringende en r#-
gide van delen zyn , en dewelke door de on-
deraard{che warmte gedurig opgevoert werd;
werden de pypjes van zodanig een zachte aar-
de vervult, en dezelve op die wyze door
den tyd tot een zeer vate , harde en-dicht- *
fteen gemaakt, Als nu zodanig een zagte
aarde , met andere aardens van verfcheide
zelfltandigheid , en onderfcheide hoedanig-
heden gemengt is , konnen wy zeer wel
verftaan , dat de fteen in dewelke zy komt
te veranderen ook of van verfcheide koleuren,
of golvingen , of zelfftandigheden moet zyn ;
of als zodanige aarde met dunne lagen op mal-
kander legt , kan het wel gebeuren, dat de-
zelve, in (teen verandert zynde, deszelfs laags-
of bladers- gewyze gedaante behout , en dat
tuffchen de ruimtens van deze lagen, zich an-
dere ligchamen van de gemelde dampen kome
in te wikkelen en te (tremmen in de ftoffelyk-
heid en gedaante van kwertzen, of andere we-
zens, die zich dan komen te vertonen als na-
den, door dewelke de lagen van de ftenen aan
malkander fchynen gehegt te zyn. Behalven
deze zyn noch een groot getal andere manie-
ren, van dewelke de natuur zich komt te be-
dienen in het voortbrengen der ftenen.
30.
Auguftus m— December 1722. 103
30,
Behalven dat wy in zommige ftenen vinden
een ongemeene digtheid en fynheid van grein
gelyk als ook een beftendigheid, vaftheid en
fterkte, zyn zommige van zodanig een So/idí=
teit , als of, dezelve beftonden uit gegoten
_ of gefmeet metaal. Gelyk als by voorbeeld
het gefteente dat metrecht den naam van Pot-
te-lteen toekomt, om dat uit dezelve gedraayd
worden potten, fchotels „en alderhande keuken
gereed{chappen. De potten, ketelsenz. die uit
die (tenen gedraaid worden , zyn zo dun en
‚ net, als of dezelve gefmeet waren. Ook zyn
dezelve bekwaam om alderhande ípyzen in te
koken , en te bereiden op het vuur. Deze fte-
nen worden op verfcheide plaatzen gevonden
als in de pundten , in het Loggarnefche , en
aldaar in ’t verzafcher dal. In monte di la-
vazzi, en opandere plaatzen volgens de waar-
neminge van den Here Scheuchzerus en an-
dere. Uit de Soliditeit van dezen fteen blykt
BEES dat dezelve voortkomt van een
of ‚die ongemeen leemig en taay is,
31:
Als de (tenen wat grof van korlen zyn, word
aan dezelveden naam gegeven van zand-fteen,
tot onderfcheid van alle andere ftenen, Als
Wy de zand-{teen by de potte-fteen of andere
taye en leverachtige ftenen vergelyken word
— tuflchen dezelve een groot onderfcheid gevon-
den , om dat de zand-fteen gewoonlyk zeer
brofch en licht omte bewerken is. Als wy
G 4 het
zo4 Natuur-en Konft-Kabinet ,
het zandt zeer naukeurig met het vergroot glas
bezien gelykt elke zant korrel zeer wel na een
bal van doorfchynende kei-fteen. De zant-
fteen is teer onderfcheiden. Want deenezant-
fteen is veel fynder van zant korrel als de an-
dere. De zant-{teen word ook onderfcheiden
door deszelfs verfcheide koleuren, als ook door
deszelfs meerder of minder brosheit. Zom-
inige zant-{teen is zodanig open en tochtga-
tig, dat wy door dezelve onzen adem kon-
nen door blazen. Ook verfcheelt de fant-
fteen veel van malkander in meerder of minder
ftoffelykheid. Want de ene zant-fteen is veel
fwaarder van gewigt als de andere. De zant-
fteen is ook zeer ongelyk in hardigheid of
zagtheit. Zommige zant-fteen laat zich zeer
licht aan ftukken flaan door een zagte hamer-
flag , in anderen is wederom het zand veel
beftendiger aan malkander gehegt. Als de zant=-
korrels elk op hen zelve los leggen noemen
wy dezelve zant. In het algemeen konnen wy
van de zant-{teen befluiten, dat dezelve beftaat
uit twederley zelfftandigheden, als uit een kei.
fteenachtig of glafachtige zelfitandigheid, dien
wy zant-korrels noemen , en uit een weinig
lymiger zelfs(tandigheid ‚door dewelke de zant-
korrels aan malkander gehegt worden. Als
de natuur deze twe zelfsftandigheden in een
wezens-band komtete verbinden , word daar uit
dezant-fteen voortgebragt. Het zant fchynt wel
overeenkomft te hebben met het zout , want
uit vaft-zout en zant maken wy glas. Ook
vinden wy verfcheide zant-fteen die ziltig van
fmaak is. Als wy dan begrypen dat de na-
tuur
ARES SPNA
}
__Auguftus December 1722. xO5
tuur een zeer helder , doorfchynend en keifte-
nig fleen-zap gebruikt, tot het Aryftallszeren
van de keiftenige zant-korlen , en een ziltig
en lymig zap om deze kriftallen aan malkander
_te verbinden, konnen wy begrypen de manier
dewelke de natuur gebruikt in het voortbren-
gen van het fteengewas , dat wy zant-iteen
noemen, Dat het bindvogt van de zanr-{teen
een ziltige {tof ís , blykt uit de ziltige (maa-
‚ken, ook daar uit , datde zant-{teen niet al
te veel tegens de natte lucht kan, maar door
den tyd in dezelve brofzer ja zelfs verbroken
word, Dat de zant-fteen groeit uit een enig-
zints lemige en ziltige (tof, en uit een door-
4 fehynend key-fteenachtig fteen-zap ; zal ik
na dezen klaarder aanwyzen , als ik van elke
zoort van (teen in het byzonder kome te han-
delen. Als wanneer ik ook zal befchryven
de verfcheïde zoorten van zant, als rood-zant,
geel-zant , {wart-zant . bruin-zant, blinkend-
zant , fyn-zant , grof-zant enz,
É,
Wy geven aan een Bees zoort van Saxe
de naam van Zopbus. De Hoogduitfchers
noemen den zelven toff-fteen of ook Tug-
fteen. Door dezen naam worden ook bete-
kent alle fteenachtige zetzels , die zich in de
wateren afleggen. Daarom word de Zophus
gevonden in de Badftoven en kanalen , door
dewelke de mineraalachtige wateren komen te
vloeyen ; om welke reden zy ook zomtyds
bad-fteen genaamt word. Zommige Bronnen
en bad-wateren zyn zodanig met deze {tof ver-
vult , dat zy’ er daar hunne wateren
5 vloey-
roó6 Natuur en Konft-Kabinst,
vloeyen Zophus afleggen. Als de Zopbus eerft
uit de grond genomen word , is de zelve
matiglyk week , en laat zich lichtelyk fnyden
of kappen ; maar als dezelve zo lang in de
lucht gelegen heeft , dat dezelfs waterachtig-
fte delen uitgewazemt zyn , word de Zophus
hart. Het is aan den Zophus zeer eigen in zich
te houden fchelpen , kruiken, bladeren van Bo-
men „die ftenig en zodanig net uitgedruktzyn,
dat de aderen en Fibren der bladeren noch ge-
noegzaam onderfcheiden konnen worden. De
Zopbus is dikwils week, grof, korlig enon-
bekwaam om tot het bouwen te gebruiken als
onder dezelve gevonden worden veel zand-
achtige en grove aardachtige deeltjes , die niet
wel gemengt zyn. De Zophas groeid ook wel
inde bergen. In het kanton Zurich word zeer
veel Zophws gevonden. Na de getuigeniffe
van den Here Scheuchzerus word by het dorp
Stallikon een gehelen berg den Stieren-berg
genaamt van Zopbus {teen gevonden, in de-
welke alderhande Bladeren en andere zaken
gevondémsworden die verfteent of met fteen
begroeid zyn. In Schwamendingen in het
zelfde kanton Zurich word een fwarte Zo-
phus fteen gevonden die na tteen oly ruikt,
by Rorbas in het het zelfde gebied van Zurich
word een water gevonden , door het welke
de molens bewogen worden. Dit water legt
een Tofus-{teen af die zeer hart en blinken-
de is. Deze Tofus-fteen groeid aldaar in al-
derhande geeftige gedaantens. De Bucher beek
die van den lager berg af vliet, bedekt alles
met een fteenachtige ftreek. In poa in ’
om-
SHEN
leak
ch
al,
Auguftus December x722. 1o7
Domlefcher-dal worden de houte water ka-
nalen overtrokken met een tufltenige tof die
zich zodanig vormt , dat zy naderhand zelfs
te ortenftein tot waterleidingen gebruikt wor-
den. By Soglio in * bergeller-dal zet zich een
Zophus die geel-rood van koleur is , en de
gewafzen zo geeltig overtrekt als of het koraal
was. Het is geen wonder dat de Zophus van
alderhande gedaante gevonden word , want
dezelve fchikt zich na de gedaante van alles
daar zy aan komt te zetten. De plaatzen daar
de T'ofus-fteen gevonden word zyn ontelbaar.
33°
_De Zophus is in ’t gemeen licht van gewigt
en zomtyds zo wel te bewerken, dat van de=
zelve alderhande werktuigen konnen gemaakt
worden. Voornamentlyk de witte Zophus, die
in veele landíchappen van Italien gevonden
word. In het gebied van Mannesfeld worden
van de tofus-fteen opgemaakt gehele muren en
fortificatien. Te Stolberg by ’t Hercyníche
___woud worden forzuizen van den tofus-fteen
gemaakt. In Campanie word ook zeer veel
tofus-fteen gevonden die fwart en ook ande-
dere die rood is. Op zommige plaatzen word
kalk van de tofus-fteen gebrand. Wy behoe-
ven niet te twyfelen dat de meefte fchulppen,
kruiken en horentjes van de horens en fchulp-
pen der viffen diezo overvloedig in de zeen ge.
vonden worden tofus-fteen zyn. Want deze
hoornen fchulp-viffen worden alderovervloe=
digft en aldergroots gevonden , omtrent zo-
danige zee-boorden , daar veel fteenrotzen ee
€
=
108 Natuur-en Konft-Kabinet, —
ftenige gronden zyn. Want dat de fchalen ,
fecberen, fchulppen, kruiken en horens der vif-
fchen als ook de koralen en andere fteenige
zee-gewaflchen komen te groeyen van de fteen-
ftoffen die door het zeewater opgelofcht zyn
geworden , van de mergels en fteenachtige
zelfsftandigheden der fteen-rotzen en fteen-
gronden , zal niemant twyfelen die acht geeft,
dat tuffchen de rotzen en klippen van Noor-
wegen ‚ zo ongemeen veel kreeften gevonden
worden : dat in de fteenzappige rivieren zo veel
rivier kreefjes daaglyks aangroeyen : dat inde
rode zee by teng Arabien zulke grote kink-
horens gevonden worden : dat de ftranden van
de Indiaanfche Eilanden die fteenrotzich zyn
krielen van alderhande hoorn-viffen, Schelp=
viflen ,Schild-padden enz,
34
De Pyrites of annen is een fteengewas,
het welk myns bedunken regt tegens de T'ofus
overftaat in * geval van de verfteninge der
vremde ligchamen. Want het fteenzap van
het welke de vuurfteen groeid , is zo onge-
meen doordringend en fcherp, dathet allean-
dere ligchamen , door de welke het komt te
dringen , zo wel inwendig als uitwendig in
harde vuurfteen verandert ; daar in tegendeel
de T'ofus altyd maar uiterlyk korftgewyze aan
of op de ligchamen komt te groeyen. Het
is wel waar dat zommige ligchamen als bla-
den van bomen, zeer teder hout, vrugten enz.
wel geheel in T'ofus overgaan en veranderen,
maar zulks gefchied maar om dat Wer
en
an ae
Züguflns mamma December 1722. TOG
delen te week zyn, en verteert en weg ge-
fchoven wordende de deeltjes van de Zepbus
zich in derzelver plax:s hebben gevoegt. Het
fteenzap van het welke de Pyrites of vuur-
fteen word voortgebragt is zo ongemeen door-
dringend. en fteenftrermend , dat door het
zelve gehele ftammen „en grote takken van
bomen, zee egeltjes, kreeften , beenderen van
dieren , vrugten , noten, zaden, en veel an.
dere zaken verandert worden, in vafteen harde
vuurftenen. Als de ligchamen , dewelke door
het zap van de tofùus-{teen in {teen verandert
“ zyn, aanftuk worden geflagen of geopent,
zal het zomtyds wel gebeuren dat dezelve van
binnen hol zyn. om dat deïinwendigheid en zelf-
ftandigheid van het wezen „ dat in tofus-{teen
verandert is , van te voren: beftonde of in een
vogt , of marg , of vleefachtigheid , dewel-
ke , vergaan zynde „deze holligheit komt na
te laten. Maar als de ligchamen die door het
fteen-zap van de vuur-fteen in {teen verandert
zyn , worden doorgeflagen , zyn dezelve van
binnen zo wel vervult, en in vuurfteen ver-
andert als van buiten. . Dewyl het fteen-zap
van de vuur-fteen, om deszelfs {cherpheid en
doordringentheid , deze holligheden vervult
en aldaar in vuurfteen verandert.
35:
„De vuurfteen is eigentlyk een fteengewas het
welk zeer metallyn, en in dat opzicht ook van
‚ zeer veel andere fteengewaflen onderfcheiden
is, Als de vuurfteen geflagen word geeft de
zelve niet alleen uit vuurvonken „maar ook
zelfs
16 … Natuur- en Konft-Kabinet,
zelfs een: reuk van fwavel, De’ vuurfteen
groeid in alderhande gedaantens , en byna in
alle de metaal-groeven, en op meeft alle plaat-
zen daar fteen gevonden word. Wy konnen
de vuurfteen tot een zeer bekwaam voorbeeld
bybrengen om te bewyzen de veelvuldige en
verfcheide manieren „ van dewelke de Natuur
zich komt te bedienen in het voortbrengen der
fteen-gewafzen „ en om te bewyzen „ dat de
meefte ftenen komen te groeyen tot bepaalde
gedaantens. Het is ook een zeer grote byzon-
derheid in dit geflagt van de fteengewaffen ,
dat het zelve zo ongemeen vol vuur is „ dat
de zelve door hetfterk vryven veel eerder heet
word als de andere {tenen , en deszelfs hette
ook vry lang behout… Wy konnen de vuur-
fteen door het fterk-vryven zodanig heet ma-=
hen, dat wy onzehanden aan dezelve konnen
branden. De fnelheid van de vuurfteen in het
verwekken van vuurvonken is by elk een be-
kend , om dat dezelve over al gebruikt word
op de {naphanen „ en tot het aanfteken van
tonder. Zommige vuarfteen is metaalryk ,
want wy vinden vuurfteen in dewelke veel
koper en ook zelfs wel zilver en goud ge-
vonden word. Maar in de meefte vuurfteen
word gevonden of zeer veel {wavel , of vi-
triool, In Italien zyn ongemeen veel fwa-
vel mynen die van vuurfteen geworden zyn ,
en dat de fwavel niet anders ís als door de
Natuur gecalcineerde vitriool, hebik voor de-
zen al verfcheide maal aangetoont. Als wy
dan in het fteenzap van de vuurfteen komen
aan te merken , de doordringende en fyne de-
len
Ee NES VE BANE
Auguftus — December vpz2: za
fen van de fwavel , en de te zamenvringende
en fcherpe delen van de vitriool, konnen wy
zeer licht begrypen de reden, waarom het
fteen-zap van de vuurfteen zo ongemeen door=
dringend en fteenftremmend ondervonden
werd,
pn kl 36.
‚Dat de vuurfteen op verfcheide manieren en
tot verfcheide aanmerkelyke gedaantes komtte
groeyen, is een waarheid die van geen kundig
Liefhebber der Natuurlyke Hiftorie ontkent
zal werden. Zommige vuurfteen groeid in
de gedaante van tafels , die aan beide kanten
een fchors hebben. Deze fchorzen zyn wit
en laten zich licht in kalk branden , maat
het merg , dat tnffchen de beide {chorzen is ,
word veel harder en doorfchynende bevonden,
en laat zich door ‘het vuur fimelten gelyk alle -
de keyftenen van de welke. wy glas maken.
Zommige vuurftenen groeyen in de gedaante
van ronde bollen ; van dewelke zommige in =
_„wendig in het middelpunt een merg hebben ,
het welk van dezelve zelfftandigheid is als de
„witte fchors. …Tuffen, dit mergren de fchors
Âs-dan de doorfchynende-zelfftändigheid , die -
ich ook inhet vuurlaat {melt en „terwyl hetbin=
nenfte merg en de fchors in kalk overgaan.
„De lezer ‘kan een regt denk-beeld: van deze
ftenen vormen, als hy dezelve vergelykt by
seen appel , en de fchors als de fchel het bin-
„nenfte merg als-het klokhuis , en de doorfchy-
_ shende keyftof als het vleis van den appel in
szynen geelt befchouwd. Als wy komen te
x {preken
€12 _Natuur= en Konft-Kabinet ;
fpreken van de manier van groeyen der kegels.
ftenen , die voortgebragt worden van de ne
derhangende druppels , die van de ftenen ko=
men af te druipen , op de manier als de yf-
kegels, dewelke van het afdruppend water
komen te bevriezen, zal de lezer klaarlyk ge=
waar worden, dat deze witte {chorfen van de
vuurfteen moeten aangemerk werden als de
_ wortels, door dewelke de doorfchynendezelf-
ftandigheid des vuurfteens gevoed werd ; en
in de ronde vuurfteen in de welke in het mid-
den een wit merg , en buiten om een dierge-
Iyke witte fchors gevonden word ‚moet dit
merg jen de uitwendige fchors aangemerkt
worden , als twe wortels , door de welke
de kryftallyneen doorfchynende zelfftandigheid
dier ronde vuurfteen gevoed word. Demaniet
door de welke zodanige vuurfteen uit zyn bine
nente middelpunt , namentlyk het inwendig
kalkachtig merg , als uit een wortel kan ge=
voed en zelfs groter gemaakt worden ; zal de
Jezer konnen verftaan op die plaatzen ; daar
ik zal aanwyzen hoe verfcheide ronde ftenen,
komen te groeyen nit het middelpunt als uit
een zaat , zonder dat zy uitwendig enige moer,
hebben, of enige wortel , ofbafs van noden zyn.
-„Zommige vuurftenen zyn ook welfrond;gelyk.
als de bovengemelde, maar echter zonder in-
wendig merg van binnen. Deze worden al-
leenlyk maar door hunnen vitwendigen fchorts
gevoed. Van de vuurfteen de welke van buiten
yzerroeftig en met kryftallyne punten als ge-
flepen Diamanten en van binnen als goude
ftarren of zilvere ftralen groeyen, hebik reets
gefproken. 37
en be A
Angus} == Dédmbèr, 122. à Ed
MEIS CHP DON AEN O EE NEEN ztL- Ver?
ef OE 100 % tif ® ‚Esch Ë Ì
_ De Pyrites of Swavel-key of vuurfteen is
“zo wel van alderhande koleur als gedaante. De
Heer Scheuchzerus heeft in zyn Kabinet van
Naturalia een goet getal van de zelve by een
vergadert , die wel voornamentlyk in Swit-
zerland , en in de Alpifche gebergtens komen
te groeyen ; als onder anderen een goutkleuri=
vuurfteen , de welke groeid in de Aderen
van marmer dat afchgraauw van koleur en
met fwarte aderen voorzien is uit de Heer-
fchappy van Hohen-Say in de Alpes. Een
tafels gewyze zulver koleurige keyfteen , uit
Neder‘ weningen. Verfcheide ftukken vuur-
fteen die kluitachtig zyn infgelyks van Neder-
weningen. Vuurfteen de welkevitriool voort-
brengt uit Rapfnach aan de zee van Zurich.
Deze flenen ( vegt de Heer Scheuchzerus )
_ fweten vanzich zelfs vitriool nit in de gedaante
van bairen , als zy in een vogtige lacht gelegt
worden , en worden zelfs door de tyd zodanig
wan de lacht opgeloft,„dat zy tot poeder vallen.
Van diergelykevuurfteen fpreekt ook Agricola
op verfcheide plaatzen , dewelke my nu niet
infchieten. Wy mogen deze vuurfteen vryelyk
aanmerken voor een vitriool-erts. Want Wag-
nerus verhaalt by de Heer Scheuchzerus dat uit
deze fteen kan gehaalt worden een vitriool die
in kragten en deugd voor die van Hongarien
geenzinrs behoeft-te wyken. Zelfs heeft de
Heer Scheuchzerus uit deze keyfteen na dat
dezelve tien jaren gelegen hadde, en in de zon
_gecalcineert was , gehaalt 43 onfen groen-blaú- *
VIJL. Deer. _H we
sr4 — Natuurs en Konft-Kabinct,
we vitriool uit maar 28$ onfen fteen. De vuur-,
fteen groeid in verfcheide ander gefteente. De *
Heer Scheuchzerus heeft ook in zyn uitmun-
tend kabinet Cubifche of teerlings gewyze vuur-
fteen , die in fwart marmer gegroeid is te Hirs- _
landen. Als ook yzerachtige keifteen die rond’
van gedaante en rondom met vierkante uitfte-
kende pyramyden gegroeid is. Ook plat ge-
groeide vuurfteen , die de gedaante heeft als
dunne bladeren en in een zandachtige Saxe
groeid by Steinerweg : vitriool fchietende vuur-
fteen die van binnen ftrekig en meteen yzer
roeftige korft gegroeid is in een zandachtige
Saxe by Steinerweg. Uit den Ligerberg wor-
den ook yzerdragende vuurftenen gehaalt van
alderhande figuren „alseen menfchen hart, een
maag enz. uit de rivier Aigle in't Kanton Bern
worden gehaalt achtkantige fwavel ftenen. Uit
de Alpes een vuur-fteen die de gedaante van
’s menfchen harzenen verbeeld : uit het Grín-
delwoud in ’t kanton Bern fwavelkey die aan
graauwe Saxe van buiten aangegroeid is.
Twaalf kantige vuurftenen uit den berg For-
claz in Bern. Teerlings- of Cubifche gedaan-
tige vuurfteen van een goud gele koleur en
gegroeid in een {warte en {chilferig Saxe infge-
lyks in ’ kanton Bern- Ook vuurfteen die
gegroeid is in afchgrauwe Saxe met witte
kwerts. Vuurftenen die gegroeid zyn in fwart
achtige Saxe die met kwerts doorfprengt is. Vi-
triool dragende vuurfteen in een ruuwe Saxe,
die met oker befprengt is , en nog verfcheide
andere gedaantens alle groeyende in’t Kanton
Bern.
38.
[ad
a vak
| “Auguflús == Dever zoa. Eis
Ent
8.
ki \ ti 3 E
Uit deze aanmerkinge blykt openbaarlyk ;
Alt
fieen legt ingewikkelt 4 een afchagtige Saxe;
ke 5
zr dat de vuurfteen tot verfcheide geometrifche
en bepaalde gedaantens komt te groeyen : a
dat de. Pyrites of vuurfteen draagt fwavel ,
vitriool , yzer, koper, enz. 3 Dat de vuur-
tteen in alderhande zoort van grove ftenen of
Saxes komt tegroeyen :4 Dat de vuurfteen ook
van buiten aan verfcheide Saxes aanvliegt of
uitwendig komt als aan te waflen: 4 Dat de
vuurfteen alderhande koleur komt aan te ne-
men :6 Dat alle zoort van vuurfteen juift niet
komt te groeyen tot een bepaalde gedaante ;
gelyk ook in * Kanton Uri vuurfteen gevon-
den word van een veelhoekkige gedaante ;
gelyk als ook in het zelve Kanton waterkey-
en die veel hoekig van gedaante en zulver-
glanzig van koleur zyn ; in ’ Kanton Schweitz
veel zydige en klootsgedaantige vuurfteen 5
In’t zelfde Kanton vuurfteen van een platron-
de gedaante met een yzerroeftige fchors , die
gevonden word in den langen reinbeek , in
welke beek ook gevonden worden vuurkeyen
die een Cylinderfche figuur hebben. In het
zelfde Kanton Schweitz word ook omtrent
vyf uren van Lachen vuurkey gevonden die
goutkoleurig en veelhoekig van gedaante is.
Deze is aangegroeid aan een bladerige Saxe.
‘Klootgedaantige en goudkoleurige vuurfteen
word ook gevonden in Weggit-dal in ’t zelfde
Kanton ; ook teerlings gedaantige vuurfteen,
die yzer draagt in tzelfde Dal. Deze vuur-
vok
z16 _ Natuur-en Konft-Rabinet
ook inde Schweitzer Alpes andere teerlings
edaantige vuurfteen ; insgelyks kleine vuur-
teentjes die yzerachtig en klootgedaantig zyn.
In ’t Kanton Appenzell vuurfteen die van een
teerlings gedaante is,ook van een twaalfhoek-
kige gedaante. In’tlandíchap Pundten wer-
den gehele Saxes gevonden van vitriool dragen=
de vuurfteen op een zeer hogen berg. Uit deze
gronden vloeid ook een vitrioolachtig water. _
In het zelfde landfchap ook twaalfzydige vuur-
fteen van den berg Daira in Bergell. In Pund-
ten niet verre van Filifùr word ook gevonden
koperdragende vuurfteen. Als ook klootge=
daantige vuurfteen van binnen meteen gulden
koleur, en inwendige ftralen die van het mid-
delpunt des fteens gaan en een yzer roeftige
fchors hebben. Uit de bronnen van den ach-
ter Rhyn word gehaald een talkachtige Saxe,
die met teerlings gedaantige vuurfteenen be-
vrugt is. Uit zommige ertsgroeven in de
Pundten worden ook gehaalt vuurftenen die
als met een faffraanachtige koleur doorvloeid-
zyn. Uit de rivier Domlefchg worden gehaalt
vuurfteenen die zeer net de gedaante van een
dobbelfteen of teerling vertonen. Zy groey-
en in fwart marmer. Op den Galandaberg
word ook vuurfteen gevonden met twaalf zy-
den. In de Walliffer Alpes word ook een
gulden twaalfzydigen vuurfteen gevonden ;
en op de hoogfte Alpes vuurfteen , die de ge-
daante van dobbelftenen vertonen. In ’t graaf-
fchap Neuff{chatel word byna overal gevonden
vuurfteen die vitriool draagd. Deze is graauw
van koleur en legt meeft in blauwachtige
se mer-
Ae: ZAK
_ Auguflus — December 1722. 117
mergel. In de Heerfchappy van Engelberg
_ word zulverkleurige vuurfteen gevonden in
een zeer harde Saxe , die met rode en gele y-
_zer-oker befwangert is. Als ook vuurfteen
_ uit de welke uitfpruit of uitfweet vitriool en
ook mify. Dat een bloem van de vitriool is,
het welk ik nader zal aanwyzen alsik komete
handelen van de MELANTERIA, SORY,
CHALCITIS en de MISY. het welke alle
_verfcheide uitfpruitzels of producten zyn van
de vitrioolagtige ertíen en zamentrekkende
_ vitriool-zappen. De bovengemelde zoor-
ten-van vuurfteen en fwavel-key , benevens
noch verfcheide andere worden alle gevon=-
den in het uitmuntende Kabinet van den Heer
Scheuchzerus.
39.
Om dat wy in ’tgemeen den naam van vuur-
fteen gegeven aan die keyftenen en andere har-
de ftenen dewelke met {taal geflagen zynde
vuurvonken komen uit te werpen , hebben ve-
sle aan de overalbekenden molenfteen den naam
van vuurfteen gegeven. Om dat de zelvege-
flagen zynde zeer veel vuurvonken uitwerpt.
Dewyl ook in de molefteen voornamentlyk
in die van Ítalien zeer veel fwavel gevonden
word, kan dezelve met recht onder de vuur-
fteen geftelt worden. De molefteen is een
__van de verwonderens waardigfte fteen-gewaflen
van alle die in degehele natuur gevonden wor-
den.Ik ben zeer verwondert,dat de fchryvers van
deftenen zo weinig aandagt op de molenfteen
gegeven hebben. De molefteen is ongemeen
fwaar van gewigt , en nochtans zodanig tocht-
ks H 3 gatig,
118 Natuur- en Konft-Kabinet.
gatig, dat wy met onzen adem door defzelfs
dunne ftukken enigzints doorblazen konnen.
De molefteen is bros, en laat zich aanftuk-
flaan. De ene molefteen is veel {ponfachtiger
als de andere , gelyk als die van Sclavonie.
Wy geven aan dezen fteen of grove Saxeden
naam vaa molefteen om dat dezelve gebruikt
word tot het malen van het koren , daar de-
zelve om deszelfs rafpachtige hardigheid zeer
bekwaam toegevonden word, De meefte mo-
lefteen is wit als deszelfs uitwendige gele op-
pervlakte met een mesafgefchrapt werd, Hoe-
wel echter de molefteen van Campanie fwart-
achtig van koleur en veel minder {ponfachtíig
van zelfftandigheid is als die van Sclavonie.
De ftukken molefteen groeyen allengskens
aan malkander als dezelve tegens malkander
gelegt worden in *t zee-water daar de golven
tegens de fteen-klippen en zee-boorden aan-
flaan. In zommige landen word de mole-
fteen die te zagt en te week is in het zee-Wwater
gelegt , waar door dezelve digter en harder
werd. Om dat in zommige landfchappen de
moleftenen gemaakt worden van zodanige Sa-
xe als daar gevonden word, en tot het malen
van het koren bekwaam is ; zyn verfcheide
Schyvers over de {tenen daar door enigzints
in verwarringe geraakt , als of de molefteen
juift geen bepaalde zoort van fteen was. Het
is wel waar dat alderhande zeer harde Saxe die
uit kleine key-deeltjes met de welkefynezant=
korlen doormengt zyn beftaat , enigzints be=
kwaam zyn om gebruikt te worden tot mole-
Reen , maar de molefteen daar wy van {preken,
bg | en
__Anguftus —— December 1722. «19
en de welke tegenwoordig byna over al in ’
gebruik is , en genoegzaam door de geheele
wereldt gezonden word, is een fteengewas
‚van een byzondere of bepaalde zoort ‚en van
de welke voortgebragt. word de lichte en op
het water dryvende puim-fteen ‚die uit de Bran-
dende bergen zomtyds zeer overvloedig word
uitgebraakt.
40.
Agricola * getuigt dat de molefteen gevon-
den word in Saxen , by Minde en in Meys-
zen by *t kafteel Libethal; als ook niet verre
van daar by ’t kafteel Loma. Deze molefte-
nen worden door de-rivier de wezer afgevoerd.
Maar-Agricola bekent zelfs dat behalven deze
ook molefteen van een andere natuur gevon-
_ den word in de brandende Bergen ; gelyk als
_ inde berg Etna, Vefùüvius enz. Agricola oor-
deelt dat de molefteen voortgebragt word uit
ftof van ontbonde tenen , welke ftof Strabo
een leem noemt en met de welke zich een ma-
tige hoeveelheid van brandende ftof inwendig
verenigt heeft. Door deze leem daar Agricola
en ftrabo van fpreeken moeten wy niet anders
_ verftaan als een mengzel van zeer fyne fteen-
{tof zantkorlen en zout. Deze fyne fteenítof
word door de zout-punten en den groten flag
der Zeegolven en door uitwekinge en lofina-
kinge van het Zee-water zelfs van de fteen-
klippen , fteen-gronden, en grote fteenrotzen ,
die aan de boorden van de Zee groeyen als
afgeknaagt „af geknabbelt , opgeloft , en als
een Slibbige leem door de zeewateren vervoert,
N Pte. FRED „H 4
® Zie de Natura Fofilium Lib. VII,
«20 Natuur-en Konft-Kabinet „
en gebragt door ontelbare onderaard{che rioo=
len , grote water kanalen’, en onderaardfche
zee-kolken in de onderaardfche plaatzen der
brandende bergen. Alwaar van deze {tof voort-
geteelt word de mole {teen ,‚ om wederom te
vervullen de onderaardfche uitgebrande {pelon-
ken , ontzagchelyke grote kelders, verwulf-
ten en holen der brandende bergen , die door
de fchrikkelyke en onuitdrukkelyk grote bran-
den , de welke zomtyds gebeuren uitgebrand
en ledig geworden zyn. Agricola zegt dat de
brandende bergen deze molefteen uitbraken als
zy aan ’t woeden zyn; en dat wel met zoda-
nigeen geweld, dat de uitgeworpeen gefmolte
molefteen met gehele rivieren komt uit te vloey-
en „ maar dat de zelve kout geworden zynde
wederom tot {teen ftremt die naderhand gehakt
uitgewerkt en als andere Saxe gebruikt word,
Maar dit moet verftaan worden van die ftuk-
ken molefteen , de welke in t geheel en on-
gefmolten uitgeworpen worden , want als de
molefteen gefmolte of uitgebrand is , gaat de
zelve kout geworden zynde over in lichte
puim-fteen , en is niet langer molefteen,
41.
Wy konnen de regte molefteen ook vande
andere Saxes onderfcheiden, dat de zelve niet
overgaat in kalk of in glas, maarin puimfteen,
die uitgebrand is. Want alfchoon zommige
de dryvende puimtfteen aanzien als een glafach=
tig produêl van de molefteen , het welk door
de uiter{te kragt des vuurs van dezelve gemaakt
was, gelyk als het glas van de keyftenen ‚zand,
Ì NN Oe ‚ : Din MMC
Ra
oe
BAER EE 2
_Auguftus — — December 1722 Yaa
metallyne mineralen enz. door dehevigfte graad
der hette gemaakt word , heeft echter de puim-
fteen geen de minfte over een kon(t met enig
glas. De puimfteen beftaat uit de harde, wre-
de, en onverbrandelyke delen van het zeezout,
en van de fteenftof aarden en zantkorlen de
welke te voren waren in het flibberig leem van
het welke ik gefproken hebbe,en van het wel-
ke de molefteen word voortgeteelt. Dat de
puimfteen uit zodanig een zout beftaat getuigt
des zelfs zeer zoute {maak: Dat in de puim-
… fteen een te zamentrekkende aarde is , -wor-
den wy uit deszelfs ongemene wrangheid in de
mond gewaâr. Want als wy maar enige rei-
zen aan de puimfteen komen te lekken metde
‘tong „zal onze keel twe of drie uren lang droog
blyven. De {teen-ftof van de puim-fteen blykt
uit deszelfs ongemene hardigheid, en beften-
digheid tegens de lucht. De puimfteen is vol
grote en kleine zichtbare ronde gaatjes , die
zodanig als ronde pypjes door den gehelen fteen
door gaan, zodanig dat wy door den fteen met
onzeÂdem konnendoorblazen. Dezetochtgaat-
jes zyn de nagelate ledige plaatzen in de welke
te vooren was de bitumineuze en fwavelige
brandftof „eer de fteen noch was uitgebrand.
Deze Brandftof is enigzints aan te merken als
een inwoonder van die tochtgaatjes en pypjes,
op dien tyd als de puimfteen noch levendige
molefteen is. Deze pypjes en tochtgaatjes wor-
den ook zelfs gevonden in de molefteen , en al
fchoon de zelve aldaar vervult zyn met fwavel
fyne zout-punten en betumineufe brandftof ,
hebben zy noch zoo veel ledigheid , dat wy
Hs enig-
122 _ Natuur-en Konff-Kabinet,
enigzints door de zelve konnen zuigen, alsde
frukjes van de molefteen zeer dun zyn,
db
De lezer zal de manier van groeyen en de
natuur van de Molefteen veel klaarder begry-
en ‚als wy eens kortelyk affchetzen den berg
tna , in de welke gelyk in de Andere bran-
dende bergen de molefteen groeid, De Berg
Etna is zeer hoog en ongemeen groot in zyn
omtrek ; want des zelfsbenedenfte delen ftrek-
ken zich aan alle zyden wyd en breed, en tot
in het midden van Sicilie. Zyfie onderaardfche
haardtfteden, rioolen, kolken, verwuiftens,
en grouwzame fpelonken verfpreiden zich niet
alleen onder de gronden door alie de delen van
Sicilie , maar zelfs onder de gronden van de
omgelege zee, en onder de Liparefche Eylan-
den , als ook tot in het vafte land van Cala-
brien , en het voornaamfte gedeelte van het
koningryk Napels. De Berg Etna brand in-
wendig altyd min of meer , en geeft daaglyks
daar van bewys door roken, fmeulen en zelfs
wel eens doorflikeringen en vlammen , maar
deze brand is van geen belang , en belet niet
dat deze grote Berg overal op deszelfs grote
beddingen en zachtelyk docerende vlaktens
voorzien is met vrugtbaare wyngaarden , koren-
Akkers en beneden met grazige en vette wey-
landen , en op zeer veel plaatzen in de hoog-
tens is gekroont met {chone Boffchen van pyn-
bomen „ Beukebomen , dennebomen , maft-
bomen en alderhande terpentyn achtige en hars-
achtige gewaflen. Op de hoogfte kruin van
e-
Í
K,:-
#
wieren gedood, de hoflteden de daken der
Auguflus — December 1722. 123
dezen hogen berg word een zeer grote omtrek
gevonden, die zeer zaverachtig en over al be-
dekt is met een zaverachtige en ruile afch, die
op verfcheide plaatzen rookt , en zelfs ook von-
ken uicwerpt , en de welke van koleur is als
verbrande twavel , doormengt met verbrande
fteenftof, en over al beftrooit is met puimfteen,
In het midden van dezen groten kruin is een
zeer grote kom, die over de vierduizend tre-
den breedt is,en allengskens na beneden (chynt
te vernaauwen , en te zinken tot een oninbeel-
delyke diepte, Het gehele grote ligchaam van
_den berg is tochtgatig. Dit is de oorzaak dat
de opgeheve bitumenachtige dampen over al
door de zelven komen heen te dringen , en.
des zelfs boven gronden zodanig vrugtbaar en
vet maken , dat zy byna alle ander vrugtbaare
gronden daar in te boven gaan.
e f 3:
“Zomtyds komen de grote branden in
de Etna voor te vallen, dat door de zelve ko-
men uitvloeyen gehele rivieren van brandende
fwavel, en brandende molefteen , die zich
dikwils uitftrekken zeer verre , terwyl aan al-
le kanten worden uitgeworpen {ware {tenen ,
puim {tenen , geheele heuvels en bergen van
vonkende afch. De afch en puimfteen heeft
zich op zommige tyden enige roo Ítaliaanfche
mylen verre verfpreid, de Naburige boulanden,
wyngaarden , akkers , velden , weyden, tui-
nen geheel bedekt ‚en begraven, de dieren ,
het vee en zelfs de vifzen in de opgevulde ri=
hui.
n24 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
huizen, de boere plaatzen en woningen in de
fteden en dorpen doen inftorten, met verftikkin-
geen vernielinge van gehele huisgezinnen „Deze
__grouwzame branden worden dik wils door eni-
ge voortekenen voor uit gezien. Want voor
den brandt worden in de onderaardfíche kelders
en verwulften gehoorteen {chrikkelyk geloey
van winden. Het gefwalp van zee golven.
Want de zee heeft altydt grote holen gemaakt
opde plaatzen daar brandende bergen zyn. Ook
worden de brandende bergen altyd gevonden
of op de Eylanden , of op land engtens , die
aan weerskanten zee hebben. Getuigen hier
van zyn alle de brandende plaatzen van [talien,
de bergen Etna, de Veluvius , Solfatara , de
Berg Ghymerain Liycien, de Hecla op yfland, de
Brandende plaatzenop de ZEolifche Eylanden,
de Eylanden Znaria, en Prochita by Napels,
een van de Cycladifche Eylandenin de Archi-
pel , een brandende berg op een van de Mo-
luk{che Eylanden , twaalf verfcheide bran-
dende bergen by de land engten van Amerika,
de brandende berg by de ftadt gut in Peru ,
de brandende plaatzen by de ftadt Lioxa , de
Afphaltifche zee , en verfcheide andere Bran-
dende, rokende en fmeulende plaatzendie aan
de zeeboorden gevonden worden , of onder
deaarde gemeenfchap met de zee- wateren heb-
ben. Waar uit blykt dat het aanfwalpen de-
zer wateren, die door de onderaardfche gron-
den gevoerd worden nodig is om gedurig aan
te brengen brandftoffe, in de plaats van de ftof
die door den brand verteert is. Deze wate-
ren zyn vet en bitumenachtig, en geroerd, en
zeer
EVER
EOD
Auguflus mams December 1722. vap
zeer voorzien met zoute flibbige en leemigeen
zantkorlige delen , die bekwaam zyn om de
mole{teen voort te telen en de branddftoffen
te voeden.
44.
De grote Branden der Brandende bergen ge-
fchieden als op hunnetyden, dik wils maar een
maal in de hondert , of twe hondert, of
drie hondert jaren. « De oorzaak is dat weder-
om veel tyd vereifcht word, tot het aangroey-
en van zo veel Brandftof. De outfte gedenk-
fchrifren melden deze grote branden van den
berg Etna. Als wy dan eens ftelden dat in den
tyd van s1 eeuwen de Berg Etna ten minften
elke drie hondert jaren zodanig {waar gebrand
heeft. Zoude in dien tyd den Etna ze-
ven tien maal uitgebrand geweeft zyn. Als
wy op de veelheid van afch en van puimfteen
en alles acht geven, zullen wy bevinden dat
de hoeveelheid van de brandftof in elke uit=
brandinge ongemeen veel is, Want deze on-
deraard{che branden {trekken zich dikwils on=
der de gronden zodanig wyd en breedt uit,
dat in verfcheide waar genomen is, dat zom-
__mige branden op verfcheide plaatzen , die eni-
ge hondert mylen van malkander afleggen,
op een en de zelfde tyd gemeenfchap met mal-
kander gehad hebben. Als wy nu eens begre-
pen dat alle de brand{tof van elke uitbran-
dinge een ligchaam uitmaakte het welke vyf
en twintig myl in zyn diameter was , zoude
„op een ende zeifde plaats in den tyd van sr
eeuwen zodanig een groten brok al zeventien
Äv! maal
226 Natuur-en Konft-Kabinet;
maal verteert geweeft zyn. Het is gants niet
waarfchynelyk dat dit kan gefchieden zonder
dat zodanige brandttof gedurig van elders we
derom word aangevoerd en voortgeteelt.
45.
Als de Brandftof uit de brandende bergen
word uit gebrand,moeten noodwendig over bly=
ven de wanden en verwultten , uit de welke deze
brandftof is uitgebrand. Deze wanden moe-
ten beftaan uit aerdachtige beftendige en zeer
valtedelen , die den brand hebben konnen we-
derftaan , en den vloed des vuurs niet behoefs
den na te volgen ; want anders zouden de uits
ebrande bergen noodzakelyk moeten inftorten
gelyk de onderaardfche fteengroeven , als de
fteen uit de zelve wierd uitgegaven , zonder
dat tot onderfteuninge der boven gronden
pilaren wierden overgelaten. Als wy nu begry-
pen, dat deze kelders van den berg Etna in sz
Eeuwen zeventien maal ledig gebrand zyn, en
echter in elken Groten Brand een ongeloofly-
ke menigte van puimfteen heeft uitgebraakt ,
moet in den tyd van $1 eeuwen een ongemeen
grote klomp molefteen in de Etna gegroeid
zyn. Want de Puimfteen is het caput mortu-
zjn van de molefteen. Maar dewyl die de-
len van de molefteen daar dit caput mortuam
uit beftaat onverbrandelyk zyn, moeten ook
in dien tyd ongemeen veel brandftoffen aange-
voerd en voortgeteelt zyn geworden , met de
welke de molefteen vervult is. Deze ftoffen
zyn het zeezout het bitumen en de fwavel, die
overal door geheel Sicilien gevonden worden.
gelyk
hehe |
__Augnflüs — December 1922. f27
gelyk als getuigen de vette {merige en ftinken-
_de,zoute, zure, witte , fwarte, en bloedrode
wateren , van de welke gehele vloeden , mei=
ren , poelen , bronnen „ beekjes enz. in Sicis
lien gevonden, en na welker aardpikkige geu=-
ren enigzints {maken de wynen,vrugten , en
alderhande voedzels die op dit vrugtbaar Ey»
landt komen te groeyen.
46.
Als dan de molefteen voortgeteelt word van
het zout, het bitumen de zantkorlen en de
‚ leem, die gedûrig door de onderaardíche zee=
wateren worden aangevoert; konnen wy zeer
wel begrypen de reden waarom de ftukken mo
lefteen aan malkander groeyen „ als de zelve
gelegt worden aan de zee-boordenin de golven,
de welke aldaar gedurig komen te kletzen te-
gens de fteenklippen „ en tegens de rotzen van
zodanige zee-boorden die uit (teen en fteenach:
tige gebergtens beftaan. Hier door word ook
opgeheldert de oorzaak , door de welke de
mole{teen zo val zout is,dat wy het zelve
doorde fmaak konnen ontdekken , en waâr= ©
om ook infgelyks de puimfteen zo ongemeen
__zout van fmaak is : Als wy ook onze aan-
_dagt laten gaan op den groten overvloed van
“het bitumen , of aardpik dat in Sicilie en ’t
koningryk van Napels gevonden word, kon»
men wy zeer wel bevroeden waarom de mo=
lefteen die in de brandende bergen gevonden
word „ fwartachtig van koleur , en bitumen=
achtig van geur, en zo bekwaam voor den
__ onderaardfchen brandris. Hoe wel wy echter
« niet
128 … Natuurs en Konft-Kabinèt;
niet moeten beprypen, dat de mole fteen brand
als de gitfteen , of de fteenkool, of de barn= _
fteen ; maar door het gewelt van het vuur van
den Etna aangetaft zynde, zyn opgefwolge
fwavelachtige , bitumenachtige, en zoute de-
len laat oploffen en uit fchieten als by een zoort
van ontploffinge , om dat zommige van zy-
ne delen het geweld des vuurs niet langer kon-
nen tegenftaan.
47:
Op de plaatzen daar de meefte onderaardfche
branden gefchieden , en daar de“meefte brand-
ftoffen onder de aarde gevonden worden , zyn
ook de meefte verhevelingen in de lucht. Waar
uit wy mogen befluiten, dat de Brandftoffen ,
die in Italien „ Sicilien en andere Brandende - |
plaatzen, na de lucht door het onderaardfche
vuur worden opgedreven , gedurig wederom
nedervallen op de zelfde gronden , zo met de
regens als anderzints. Waar door de onder-
aardfche brand {tof gedurig als op nieuw we-
derom word aangevoed. Wy vinden ook dat
alle brandende plaatzen van die byzondere ftant-
plaats zyn ‚dat de zee altyd gemeenfchap heeft
met des zelfs onderaardfche gronden , waar
door de brandftoffen op nieuw ook gedurig
wederom worden aangevoert, en voortgeteelt
door de vette en flibbige zee-wateren , gelyk
als wy reets gemelt hebben. De zee-wateren
ontvangen deze vette brandftoffen met de re-
gens uit de lucht en uit de rivieren, diede olien,
vetten en harzen oplofzen uit de gronden, en
zelfs uit de gewafzen, voornamentlyk als zy
enig-
ENE 5 En! Br 4 ES
_ Zuguflus — Detember 1722. Y2ó
enigzints ziftig of mineralifch zyn. Ook zyn
_ dezee-wateren altyd bevrugt met fcherp zout,
_ het welk in dezelve gefmolten is van de on-
deraardfche zout-mynen of Aderen. die ín gro-
ten overvloed gevonden worden over al
it dè onmertelyk uitgettrekte gronden van
den ontzagchelyken Oceaan. Door deze zou-
ten worden afgeknaagt de vette delen, geflrem-
de mineralifche zappen , het Bitumen , de
Swavels , Naphtaas , de Git-fteen, de Steen-
kool , de vurige en vette (teen-zappen ; wel-
… ‘ker aderen en ftoffen in een groten overvloed
evonden worden in de gronden van de zeen.
„Dat de zee-wateren met zodanig brandftoffen
en vetten vervuld zyn blykt openbaarlyk aan
het vuren van de zee-golven bynacht onder
het zeilen , aan het overvloedig vet en den
traan der vifzen , aan de bitumens en naph-
< taas, die door de zee-wateren worden opge-
— swurpen , gelyk als blykt aan den Amber,
aan het jodenpik in de dode zee, aan de Barn-
fteen in Pruifchen, aan de Peteroly of Naph-
ta die altyd met zeewater gepaart na boven
word opgewelt , enz.
8.
_ De zee- wateren wilden door de winden en
_opparzende vloeden voortgedreven tot in de
uitgebrande fpelonken , holen en onderaard-
fehe truimtens van den Etna, Vefuvius , He-
cla of andere brandende bergen. Een ftof wil
gewoonlyk gretiglyk huisveften in die plaat-
fen en ligchamen , met dewelke zy eene zeer
“natuurlyke over eeti komft heeft ; Daarom ont-
VII. Deer. Ï van-
130 Natuur-en Konft-Kabinet,
vangen de droge en uitgebrande holen ftees
nen en dorltige wanden van de brandende
bergen wederom zeer gretiglyk de vette
en finerige ftoffen, diedoor het opgeparfte zee-
water gedurig wederom worden aangevoerd.
Waar uit ik befluitedat het zeer waarfchynelyk
is, datde verteerde Brandftoffen van den Berg
Etna , een groot gedeelte van Italien, en de
naat gelege brandende en rokende Eylanden,
gedurig wederom aangevoed worden , door
de lucht, door de regenwateren, en door de
verte fmerige en minerali{che zee-wateren, en
op deze wyze onderhouden word een altyd
durenden brand.
9.
De warmte van het dead vuurdoed
de lichte en fynfte delen van het vette , dik-
ke en (merige zee-water , met het welke de
gronden van Sicilien en Italien overvloedig-
lyk bevrugt en doorweekt worden , gedurig
wegwazemen na boven in de lucht , om dat
deze natte wazems door een zagte vuur-vloed,
zeer ligtelyk opgedragen en gedreven worden
door de fponfyachtige en tochtgatige geftelt=
heid der aarde, terwyl ondertuffchen, de (waar-
fte delen, de grove en fmerige vetten , de
zouten en mineralifche zappen die van het”
zeewater opgeloft en in des zelfs boezem ver-
gadert waren worden ingewikkeld, en als
vaftgehegt in de uitgebrande en aardachtige en
ftenige ftoffen , die zeer dorftig zyn , en in
de uitgebrande onderaardfche ruimtens , die on-
der de brandende bergen overvloedig genoeg ge-
vol-
( î
\
Angus — December, 1722. 121
vonden worden. Waar door de zo menig-
maal verteerde Brandftoffen gedurig wederom
_ worden voortgeteelt. Deze fteen-{tof is die
keyfteen die wy de molefteen noemen , en.
uit de welke de berg Etna voor het meefte ge-
deelte beftaat. P. Cornelius Severus zegt *
dat wy hehalven de fwavel en het bitumen ,
die onder in den Etna vloeyen ook agt moeten
geven op het fleenachtig gedeelte van denberg
zelfs , door welkers vette zap den brand. on-
derhouden en gevoed word. Dat gevonden
worden keyftenen (verfta de molefteen en an-
dere vuuriteen ) de welke als de berg in zyn
_ „vreeflykfte woede is, als gefmolten worden, en
den berg aan alle kanten als een vreeflyke
wvuurvloed overftromen. Deze molefteen of
vuurfteen befchryft hy op de volgende wyze
noch nader. Deze keyfteern bewaart het vuar
zeer hartnekkig. Als gy dezelve met de han-
den aantafl „word gy des zelfs harde ruwheid ges
waar ; Zy Zoud naauwlyks geloven, dat dezelve
vuur in zich zoude konnen befluiten , of aar
andere geburige ligchamen mededelen. Maar
zo ras als gy dezen fleen met yzer flaat , zult
gy gewaar worden dat dezelve geenzints var
vuur ontbloot is: want de vonken fpringen on=
der het flaan uit den zelven. Deze fleen. is
bekwaam om dikwils de gloeyendheid aan te
nemen , Zy laat niet eerder na den brand en
hette te voeden, als wanneer alle deszelfs bran-
dende zelffhandigheid is uitgemergelt , en zy
zelfs in puimfteen verandert is.
x A
& Vide P. Corn, Severi Etna.
ol
132 _ Natuur-en Konfl-Kabinet;
N $o. 8 E
Ik heb-geoordeelt uit hoofde van de groote
vermaardheid der altyd brandende bergen, dat
het aan den lezer niet onaangenaam zoude zyn,
dat wy de manier van groeyen der molefteen
wat omflandiger kwamen te/befchryven „om
dat deze fteen een van de voornaamfíte brand-
ftoften is der brandende bergen ; en niet tegen-
ftaande de molefteen eigentlyk een zoort van
vuurfteen is, verfcheelt dezelve nochtans in
veel hoedanigheeden metde gewoonlyke vuur-
ileen. Want de zelve is veel grof korliger als
alle de andere vuurfteen. Het welk ook de
rede is waarom dezelve bekwamer ís om het
koren te malen, en door deszelfs rouwheid ,
en rafpachtige wreetheit, en ftroef heit heviger
te wryvenen te verbryzelen. Ten anderen ver=
fcheelt ook de molefteen van de andere vuur-
fteen om dat de zelve veel tochtgatiger is.
De molefteen is zeer fpongiachtig en te gelyk
ook hart, fwaar , valt en dick ; om dat des
zelfs tocht gaatjes zeer naauw zyn. Maar
enigzints regtlyniger van loop fchynen als de
tochtgaten der andere ftenen. Ten derde ver-
fcheelt de moiefteen van de andere vuurtteen,
dat deszelfs brandftof niet volmaaktelyk met
des zelfs gehele wezen inwendig verenigt
fchynt te zyn. Maar als in des zelfs tocht-
gaatjes , inwendige keldertjes en hockjes als
opgefloten legt. Het vuur is met de {teen-
achtige zelfftandigheid van de andere vuurftee-
nen meer innerlyk verenigt , als met de fteen-
achtige zelfftandigheit vande molefteen, Want
pal
ma
anode oh eN
Auguftus —— Detember, 1722. 133
al worden de andere vuurftenen gebrand of
gefmolten , behouden zy echter kout gewor-
den zynde noch wederom hun kragt en inwen-
dig vuur, op de wyzeals de metalen. Maar
/
de molefteen geenzints. Want deze laat zyn
vuurftof uitbranden , en des zelfs fteenachtige
zelfsftandigheid , de welke overblyft , na dat
de zelve, is uitgebrand word bevonden te zyn
kragteloos , zonder enig inwendig vuur of
brandftof , gelyk als blykt aan deszelfs over-
blyfzel de puimfteen. Deze puimfteen is over
al vol ledige gaatjes, door de welke de brand-
ftof met de welke de levendige molefteen be-
vrugt is, onder het branden fchynt uitgegaan
te zyn. Waar uit blykt dat de molefteen een
ftof is van twederhande zelfltandigheid, als r
een onverbrandelyke tteen-ftof; en 2 een bran-
of die in dezelve als gehuisveft is. Ook is
deze brand{tof zeer veel in vergelykinge van
de fteen{tof , want de puimfteen is zor licht
dat dezelve op het water komt te dryven , en
de levendige molefteen is uitftekend fwaar van
gewigt. Als dan een berg als de Etna op veel
plaatzen is uitgebrand , door een zeer fchrik-
kelyken en langdurigen braad , en dat onbe.
grypelyk veel brand-ftof uit de zelve is na
de lucht gefmeten , en verteert, zyn die on-
deraardfche uitgebrande plaatzen als de puim- -
fteen , en als de zelve wederom zyn aangegroeid;
wederom verandert in levendige molefteen,
gelyk als ik voordezen zeer omftandiglyk aan-
getoont heb in myn weeklyks difzoars over
de. graflerende ziektens enz. van pag. 209 tot
pag. 240. alwaar den lezer niet alleen zal vin-
a AN RR orors den
134 _Natuur- en Konft-Kabinet ,
den de manier, op de welkede molefteen word
voortgeteelt ‚ maar ook vele aanmerkelyke
uitwerkingen van ’t onderaardfch vuur.
Ie
Na dat wy de verfcheide gedaantens en ver-
fcheide manieren van groeyen in de vuurfteen
befchouwd hebben , zullen wy overgaan totde
kalkfteen. Gelyk als de vuurfteen , en an-
dere keyfteen , als ook het zand , dat niet
anders is als kleine keyíteentjes , door het
uiterfte geweld van °t vuur tot glas komt te
fmelten gaat in tegendeel de kalkiteen over tot
kalk, het welk eenwezentlyk onderfcheid tuf-
fchen deze twe zoorten van ftenen maakt. On-
der deze zoort van fteen behoren alle Saxes
die tot kalk konnen gebrant worden. Dit ge-
tal is zeer groot. Overal word by na teen, of
fteen-ftoffen, of zee-fchulpen, en diergelyke
zaken gevonden , die zich met behulp van het
vuur tot kalk laten branden. De kalk-fteen
is zeer verfcheide van koleur. Zommige is
by uitftekendheid wit gelyk als te Lichtenber-
ge te Wolfenburtel. Andere ís witachtig
graauw. Zommige is zeer afchgraauw van
koleur gelyk als volgens de getuigeniffe van
Agricola * by Waldeburg. Andere is bruin
gelyk als in de kalkfteén groef by het dorp
Averfwaald. In verfcheide bergen van Saxe
word zeer fpierwitte kalkfteen gevonden. Zom-
mige is ten dele wit en ten dele graauw.
Andere wederom is geelachtig en andere uit
den
& Vid, de Narura Folfilium lib. VIL,
ET € dl NOS
‚ Angufzus December 1722. 135
den roden , of ook wel Blaauw van koleur.
In Bohemen word zelfs kalk gebrand uit (teen
__die byna {wart van koleur is. Zommige (teen
is te gelyk zantkorlig en kalkachtig. Als van
deze kalk word gebrand is tot de zelve geen
zant van noden. Alfchoon van zeer veel íte-
__nen wel kalk kan gebrant worden, zyn de na-
tuurlyke Hiftori-kundige echter gewoon met
de naam van kalkfteen te betekenen die zoor-
ten van Saxe, dewelke daertoe om deffels vet-
heit ‚ egaalheid, en andere hoedanigheden
„alderbekwaamft bevonden word.
52
In de kalk-fteen is ook een groot onder fcheit
ten opzichte van hardigheid of zachtheid. Aan
de vloed Sala, die zich in de Elfftroom ont-
laft, werd zeer wel kalk-{teen gevonden van
verfcheide koleur, als ook van verfcheide ge-
_ daente, en niettegenftaende de kalk-fteen ge-
woonlyk dicht is; word ook zomtyds kalk-
fteen , gelyk als omtrentde vloed Sala en ook
op andere plaetzen gevonden die dun en pyp-
achtig is. Zommige kalk-fteen beftaet in kei-
fteentjes , door de welke witte aderen lopen. In
Switzerland word kalk gebrand van een zeer
harde en blauwe fteen. Ik heb op verfcheide
plaatzen kalk zien branden van een witte en
graauwachtige {teen , die als’ gemarmert was
by Bensburg. Van dier gelykefteen getuigt ook
de Heer Scheuchzerus dat in Switzerland kalk
gebrand word ; en dat door de zelve golvin-
gen van kryítaal pep komen te lopen,
53
136 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
Ee
In de fteen die pa is om tot bekwa-
me kalk gebrand te worden moet noodzake-
Iyk een verheit zyn. Maar de lezer zal hier
wel onderfcheiden wat wy door de vertheiten
de fchraalheid van de (tenen verftaan , en wel
begrypen, dat wy op het oog hebben geen oly
of brandent vet , maar een kleverachtigheid en
fmeerachtigheid, waar door deszelfs kalk met
water beflagen en gedroogt zynde aan mal-
kander kleeft en een by na fteenachtige har-
digheid komt-te verkrygen. De ene kalk-fteen
is veel vetter als de andere. Hoezuiverderen 4
egaalder de kalk-{teen ishoe des zelve ook be-
ter is tot het gebruik ; want als de kalkfteen
gegroeid is uit gemengde ftoffen die zeer on-
gelyk van zelfftandigheid zyn „of onder dewel-
ke veel grof korlige zantftof of een flxor cry=
flallinus, daar ik een fteenftremminge van baf-
tert kryftal door verfta „of eenandere harde „of
okeragtige , of aardagtige , of vremde ftof, is
ook de kalk die daar van gebrand word ge-
mengt met diergelyke onegale en onbekwame
delen. Uit de vetfte kalk-fteen word ook ge-
brand de taayíte en kleverigfte kalk. De kalk
van dorre en magere of fchrale kalk-fteen. ís
rul en bros. De kalk van zeer digteen vafte
kalk-fteen is ook veel fwaarder en Iyviger ,
als die uit dunne , lichte of pypachtige kalk=-
_fteen gebrand word. De T'ofusis ook zeer be=
kwaam tot de kalk brandinge, Want te Meif=
fen word zeer goede kalk uit de tofflteen ge-
brand , en dewyl in deze fteen ook te gelyk
zant
“zuur temperend zout.
wils aan de muren als een ruige mos uitfprui-
ten , in de gedaante van zeer fyne en -draad-
vr nek er OEE
Augiifus — — December 1712: 137
zant-korrel gevonden word , behoeft die kalk
met geen zant , of ten miníten met zeer wei-
nig gemengt te worden.
54. &
Wy ondekken uit de kalk, datde kalk-fteen
in zich behelft een ftof , dewelke zich door
‘het vuur laat ba ern fcherp en
y zien dit zout dik-
achtige kryftallen. Zommige hebben dit kalk-
zout aangezien voor een zalpeter , maar tuf-
fchen het kalkzout en de zalpeter is vry wat
onderfcheid ; gelyk ik zal aantonen als wy
van de kalkfteenen de verfcheide zoorten van
kalken in het byzonder komnen te handelen. Uit
de verfcheidentheid van de kalk-fteen , en het
groot onderfcheit , het welk gevonden word
in de kalk , ontdekken wy dat de natuur de
kalk-fteen op verfcheide wyzen voortbrengt.
De Natuur fchynt minder graat van hette in
het voortbrengen van de kalkfteen, als in zom-
__mige andere wezens, dewelke meer na de me-
tallyne kant komen over te hellen , te gebrui=
ken. Dit blykt , om dat de kalk-fteen door
den-tyd en’ geweld van ’t vuur in kalk of
ftof verbroken word. Wy vinden ook zeer
veel kalk-fteen dewelketot zeer aangename of
ook wel bepaalde gedaantens komt te groeyen.
Gelyk als blykt aan de T'ofus , aan de fchul-
pen en kruiken , die in de wateren en ookin
de bergen gevonden worden en uit kalkfteen be-
ftaan, Wy vinden een hak fteen-dewelke groëit
5 als
135 _Naruwr= en Konfl-Kabinet
als een ftam, die zich klooft met fchorzen als
oefter fchulpen met dewelke zy rondombezet is.
Gelyk als wy voor dezen uitgebeelt hebben,
uitFerrandus Lmperatus in het Natuur en Konft-
Kabinet July en Augufty 1720 Tabula XVIII.
Fig. 10.
55
Als wy zommige verre aardens of lemen be-
fchouwen , konnen wy dezelve naauwelyks
anders , als door de koleur van de kalk on-
derfcheiden. Want wy vinden verfcheidele-
men en aardens , die in het gebruik zo bek waam
zyn als de kalk. Als dan de kalk niet anders
is als een aarde, die door het vuur van de
kalk-fteen gebrand of gecalcineerd is , konnen
wy daar uit afleiden , dat de kalkfteen van de
natuur word voortgebragt, vaneen lemig aard-
achtig wezen „dat door een bekwaame vogtig-
heid als bekneed zynde tot een fteenachtige
hardigheid komt op te drogen ; gelyk als wy
ondervinden , dat de kalk met water wel be-
flagen en doorkneed zynde, ook naderhand
weder in een fteen achtig wezen opgedroogd
word. De Aardens die veel overeenkomft
hebben met de kalk zyn verfcheide ; want zom-
mige komen meer overeen met de kalk , en
andere wederom meer met de gyps. Het welk
een wezen is dat zeer na aan de kalk komt,
56.
De voornaamfte werkinge waar door het
vuur de kalkfteen in kalk komt te veranderen ,
is het wegnemen van de natuurlyke vogtigheid
van
Rl
_ Anguflus — — December 1722: 139
van de kalkfteen. Want zo ras als het vuur
de fteenzappigheid van de kalkfteen komt te
verdryven , vallen deszelfs delen van malkan=-
der tot kalk. Maar als wy door het by-
voegen, wel beflaan, en wel doorkneden van
vogtigheid, dezelve wederom doen aan mal=
kander kleven, droogd dezelve wederom op ,
tot de hardigheid van kalkfteen , die aan zom-
mige droge muren, dikwils by uitftekendheit
hart en valt word ; voornaamentlyk als de
kalk van zeer harde en vafte fteen gebrand is
geweelt. Wy vinden twe onderfcheide ge=
fteltheden in alle de ftenen, die zich door het
uiterfte gewelt van ’t vuur láten ontbinden ,
de ene is de kalkwordinge , en de andere de
fmeltinge. De (tenendie inhet vuur {meltenen -
vloeyen , beftaan uit een zelfftandigheid die
meer in malkander is geflagen door de natuur.
maar de kälkfteen laat zyn bind-vogt door het
vuur uitftoken,en gaat over in een as, diewy
kalk noemen. Wy zouden ook aan de gyps-
fteen wel konnen geven den naam van kalk-
fteen , maar om dat de kalk-fteen niet als door
langen tyd , en door veel geweld van vuur in
kalk overgaat, verfcheelt dezelve van de gyps-
fteen. Dewyl de gyps-fteen binnen den tyd
van weinig uuren en met gering vaur in gyps
overgaat.
$7-
De Gyps-fteen is minder voorzien met bind-
zap als de kalkfteen. Daarom is de gyps ook
fwakker en brofzer als de kalk. De kalk komt
door langheit wan tyd zeer veel water ín
' te
140 Natuur-en Konft-Kabinet,
te drinken, en hoe meerder dezelve inwendig
ontbonden en met water doordrongen word,
hoe dezelve beter en bek wamer word. Maar
de gyps moet zeer fchielyk vogtig gemaakt wor-
den , als dezelve gebruikt werd. De gyps zal
dan'veel beter aankleven, aìs dat dezelve lang
van te vooren beflagen was geworden. Maar
in tegendeel word de kalk hoe langer hoe be-
ter , na dat dezelve met water beflagen en wel
doorkneed en doorwerkt is. Als de kalk zo
fchielyk als degyps beflagen en daar op daat-
lyk gebruikt word , is dezelve veel onbekwa-
mer. Maar als de gyps niet daatlyk gebruikt
word , verlieft dezelve zyn deugd en kragt ,
uit gebrek van lemigheid en van natuurlyk bind-
vogt. Als de gyps ook komt op te drogen ,
gelyk als de kalk, verkrygdt dezelve niet de
vaftigheid tot dewelke de kalk komt op tedro-
gen; maar word als een teer lichaam, of als
een gettremde en ftevige aarde. Gelyk als wy
aan ’t gypswerk gewaarworden , of liever als
een vnyf bare en zagte (teen , even gelyk alsde
gypsfteen zelfs is. Als de gyps-fteen gebrand
is , verlieft dezelve niet veel in gewigt , maar
_de kalkfteen verlieft ten minften een derde ge-
deelte van deszelfs fwaarte. Waar uit blykt
dat de bindftof die door het vuur uit de kalk-
fteen word uitgeftookt , meer als een darde
part van den (teen uitmaakt. Het welk ook
de reden is dat de kalk onder het beflaan zo
ongemeen veel water komt in te drinken.
58.
De Gyps-fteen is een (teen{chietinge vaneen
Ì zeer
Le
fi
ss ard
NE ar.
Auguflus—— December 1722. rar
weer zapte en tedere zelfftandigheid. ‘Maar de-
_wyl de natuur verfcheide wyzen komt te ge-
bruiken tot deszelfs te zamenttellinge, en ook
zeer geeltige gedaantens van dezelve gevon-
den worden , kan ik niet nalaten om dezel-
ve aan den lezer in deze verhandelinge voor
te tellen, tot een uitmuntendt bewys, datde
natuur vele en verfcheide wyzen gebruikt, in
het voortbrengen van de {lenen , en vele van
dezelve doet groeyen tot zekere bepaalde ge-
daantens, Zommige gypsíteen groeit tot de
gedaante van; Boom-loof , gelyk als wy voor
dezen hebben uitgebeelt in het Natuur- en
Konft-Kabinet Julyen Angufiy 1720. Tab.
KVIIL Fig. 7. het fchynt dat door een over-
vloedige aanftrominge van ‚voedzel of fteen-
zap , zodanige gypsfteen komt uit te {patten
tot diergelyke taksgewyze gedaante, Wy vin-
den ook een gypsfteen , dewelke draad-gyps
genaamt word ; omdat dezelve komt te groey-
en in een hoedanigheid van te zamen geftelde
__wezelen of draden. Deze gypsfteen laat zich
aan beide zyden Egaal fpouwen, even als of
dezelve te zamengeftelt was uit egale draden.
Deze gypsfteen is doorfchynende en blinken-
de, even als den Spiegel-gyps.. Als ook van
een zeer zagtezelf{tandigheit, en zodanig bros,
dat zy zich door ’t vuur ook dadelyk tot witte
„gypskalk laat branden. Wy hebben voor dezen
des zelfs gedaante uit Ferandus Imperatus in de
Bovengemelde Tab. Fig, 6 uitgebeelt.
Mins! 59:
Uit deze voorbeelden blykt openbaarlyk ,
i & U, dat
taz _ Natuur-en Konfl-Kabinet;
dat de brofze en zagte fteengewaffen zo wel
loten , knoppen, takken dunne bladen, dra-
den vezelen enz. komen uit te fchieten als de
harde fteengewaflen,en de metaal-ertzen. Zom-
migen gypsf{teen groeid tot de gedaante van py-
pen, diezoo helder en doorfchynde zyn als het
alderzuiverite water, en echter zodanig zagt
en bros zyn, dat zy daatlyk door het vuur niet
alleen al hun glans verliezen, maar in een —
fpierwitte gyps=kalk overgaan. Deplatteftuk-
ken gyps, die gypsfpiegels genoemt worden, en
by elk een genoegzaam bekent zyn, groejen
ep malkander als de talk met zeer dunne fchil-
fers, die als ‘zeer dunne bladen op malkander
egroeid leggen. Gelyk als uitgebeeld wert in
Ei. XLXII. Fig. 15 hier agter bygevoegt:
Zomtyds vertonen zich de draden of vezelen
van de gyps als haar, of vlas, op de wyzeals
de Amiant. Zommige gypsfteen groeit met
kleine fchubben , die de gedaante hebben van
viffchubben. Andere wederom in andere ge-
daantens. De meefte zyn doorfchynende , hoe
wel de ene echter veel klaarder en helderder
is als de andere.
60.
Alhoewel de gypsfteen zeer veel van de
kalkfteen verfcheelt in hardigheid en vaftheid,
fchynt echter de gypsfteen veel natuurlykeover
een komtft te hebben met kalk-fteen ; want
zy groeyen dik wils als in malkander Agricola
* getuigt dat in de bergen van Meiffen die aan
de rivier Sala gelegen zyn, verfcheide Aderen
van gypsfteen gevonden worden , dewelke
zelfs
%* De Natura Fofilium lib. V.
FN aen ld ren) A nde ej
ros
Zuguflus December 1722. 143
‚zelfs door de kalkfteen komen heen te lopen.
De gyps groeid op zeer veel plaatzen en in vere
fcheide landíchappen. Gelyk als in Gallicie,
in Saxen , by Hildesheim, by den berg Mau-
ricius. In ’t Hercynfche woud by Stolberg ,
als ook tuflchen de fteedjes Aldedorf en Efchwe-
‘ge. In Thuringe of Opperfaxe , niet verre
van het plaatsje Northuzen worden zeer veel
gypsbergen gevonden, volgens de aantekenin-
ge van Agricola. Als ook by het plaatsje Le-
na in het T'huringfche worden ín de bergen
zeer veel platte en uitgebreide gyps-aderen ge-
vonden. In-het Eyland Cyprus worden ook
geer veel gyps-aderen gevonden van dewelke
zommige hoog aan den dag en maar even on-
der de teel-aarde gevonden werden. Ook wor-
den zeer veel gyps-aderen gevonden in Italien,
in Theffalie, in Darbarie, in Phoenicie , in
Syrie en in zeer veel andere landfchappen.
Ór.
De koleur van de meefte Gypsfteen is wit.
Agricola verzekert dat de witte en die zeer na
wit elpenbeen gelykt gevonden word te Nort-
huze , en ook te Hildesheim. Maar in Iralie
word op zommige plaatzen de zelve ook zeer
wit gevonden, Ik heb in het door reizen van
het mindens-, het Hanovers , het wolfenbut-
tels het Gels, het Bronfwyks enz. gezien dat
meeft alle huizen, en de voorname gebouwen,
kerken enz. overvloediglyk met zy-wanden
zolderingen „ en alderhande beeldwerken van
gyps worden opgetooit.. Het welk een be=
„wys fchynt dat in Nederzaxfche de gyps alzo
Ower
«44 Natuur-en Konft-Kabinet;
overvloedig gevonden word als in Opperzaxerts …—
Zomtyds ís de koleur van de gypsfteen verfchei-
de. Zelfs word in het Hilderheims gyps genoeg
gevonden die wit is met graauwe (treken en plek-
ken. Te Meitlen aan de rivier Sala, daar wy
van gefproken hebben , word in de bergen ,
in dewelke zeer veel gyps komt te groeyen ,
graauwe Gyps {teen met fwarte plekken ge-
vonden. Te Northufe word zeer graau-
we Gypsfteen gevonden. In Meyfzen word
zelfs gypsfteen gevonden die van een rofze en
een groene koleur is. De Heer Joh. Jac.
Scheuchzerus heeft in zyne Natuurlyke Hifto-
rie van Switzerland verfcheide zoorten van gyp-
zen aangetekent , dic van byzondere koleuren
zyn. Hy getuigt dat uit een {teen groef by
Schinznach in ’t Kanton Bern gyps- fteen gevon-
den word , die incarnaat of licht-rood van
koleur is,’ En uit den Berg Gyfzliflwe omtrent
het flot Biberftein in ’t zelfde kanton wel drie
derhande zoorte van gypsfteen gegraven word
als 1 licht fwarte gypfteen , die weinig in %
gebruik is: 2 een zagte en witte gypsfteen die
aldaar zeer veel gebruikt word, en 3 een zeer
harde en witte gypsfteen die eigentlyk albaft is.
Kentman fpreekt ook van een doorfchynende
gypsfteen diede koleur van honing heeft. In
de gypsfteen word ook een groot onderfcheid
befpeurd ren opzigte van de glans. Zommi- |
ge gypsfteen fchilttert en olinkt uiterlyk zo hel- #
der als de fterren. Deze word meeft inde ge-
daante vaa kluiten gevonden. Andere Gyps-
fteen blinkt op de manier als marmer , gelyk
alde witte gyps van Hilderhim met. graauwe
„90 gol-
Bd ven CARL
_ Anguflus — Decembér 1732 taj
gölven,en als derofze gyps te Meifzen. Zom:
mige Gypsfteen is zeer helder, doorfchynende
gelyk als de gyps van Gallicien. Al hoe wel
de gyps{teen gewoonlyk de hardigheid bezit van
een zeer zapte fteen , word echter zomtyds
gyps gevonden die zagt is, en de gedaante van
zuiker vertoont. Gelyk als volgens de ge-
tuigenifle van G. Agricola gevonden word in
het Hildesheims , die meer een zoort van een
Aarde als van een fteen komt te vertonen.
Want de zelve is zodanig zagt dat zy zich
zeer licht door de vinger, tot {tof vryven laat.
In tegendeel word wederom in ’t Herzyníche
woud en te T'huringe gyps-{teen gevonden ,die
zodanig hart is, dat de Inwoonders dezelve
eert branden , en noch naderhant fyn malen.
Deze gyps is zo tay en lyvig dat dezelve met
waer beflagen zynde op die plaatze ntot kalk
gebruikt werd.
ó2.
De wyl de Gyps-fteen in ’t, algemeen zeer
bros en veel zachter is als de kalkfteen, mo-
gen wy befluiten dat de (tof uit dewelke de
gypsfteen door de Natuur word voortgebragt,
min vet en lemig is, als de ftof uit de welke
de Natuur de kalkfteen doet voorkomen. Het
is ook zeker dat de Natuur geen grote trap
van warmte gebruikt om de gypsfteen te bak-
ken , gelyk als wy ook getoont hebben van
de kalkfteen. Want de gypfteen valt door een
korten brand daatlyk van malkander , en laat
zich zeer-fchielyk verkalken: De leemftof vit
de welkedegypsíteen voortgebragt word moet
VII. Deer. K of
s46 _ Natuurs en Konft-Kabinet ,
of veel zagter , fynder , egaalder en tederder
van delen zyn als de leemftof uit dewelke kalk
fleeu komt te groeyen, gelyk als blykt aan
de glans endoorfchynendheit, en gladheit van
de gypsfteen, ende meerdere duifterheid, grof
heid , en ruwheid van de kalkfteen, De on-
deraard{che wermte bakt door een zagte en ftre-
lende omhelzinge , de kalkfteen en de gyps-
{teen tot twe verfcheide ftenen , om dat hun=
ne ftof of fteenzappig-leem verfcheiden is op.
dezelfde wyze als in detigchelsovens verfcheide
zoort van teen gemaakt word, na de verfchei-
dentheit van de kley, uit dewelke dezelve be-
flaat.
63.
Aan zommige ride word den naam.
van Albaft gegeven. Deze is byna overal be-
kent , om dat van dezelve gemaakt worden,
bekertjes , vaat-werk , beeldjes enz. die over-
al verkogt worden, Van deze word ook zeer
ras de gyps-kalk gebrand. Dit Albaft word
zeer veel gevonden in Meilen, in Borgun-
dien , in *t groot hertogdom van Toskanen ,
en in verfcheide bergen van Switzerland. Als
de. witte gyps{teen die hardigheid bezit, dataan
dezelve de naam van Albaft gegeven word
kan zy omde fynheit van deszelfs zelfftandig-
heit zo glad: gepolyít worden als een fpiegel.
Het Albaft word ook, noch zeer verfcheide
van Natuur voorgebragt. In Italie word Al-
baft gevonden. dat zeer doorfchynend ís en een
purper koleur heeft. Ook is in Italie in zeer
veel achtinge een Albaft , dat gefpikkelt en op
ver-
Anguflus — December 1722. T47
verfcheide wyzen geplekt is. Zommige plek-
jes zyn als luizen van koteur en gedaante.
_ Andere wederom langwerpig als zeer kleine
_ visjes. Andere als noten met fwarte fchil.
len en doorfchynende van korn: De koleur
van de brbderlkie is als gele oker met wit
en fwart doormengt. Zommige plekken zyn
wit met fwatrte randen. Het welk gepolyít
zynde zeer aangenaam is voor ’t gezigt. Nog
„word in'Italie Albaft gevonden dat wit is, en
met aderen door lopen word , als de draden
„en vezelen , of vlam men van het hout , die
fwartagtig zyn. De plekken ftrekken zich veel
na een vierkante gedaante. Ook word nog
gevonden een albaft dat wit is met gele en
rondachtige plekken, volgens de waarneming
van F. Imperatas. De Ouden ftelden het Al-
baft onder het marmer , maar om dat zommige
zoorten van Albaft gevonden worden , die al vry
hart zyn konnen die zoorten geacht worden
als fteen, de welke is tuífchen het marmer en
de harde gyps. Terwyl het zacht Albaft als
een zoort van harde gyps moet aangemerkt
worden. Het Thebaans Albaft is met gout-
gele ftippen als doorlopen,. Het Albaft aan
het welke de Duitfchers den naam van Serpen-
tyn-fteen geven is groenachtig en fchoon ge-
plekt van koleur, en zelfs ook bekwaam tot
koppen , fchorelen , lepels enz. Het word
zeer veel gevonden te Meiflen. Te Ments
word Albaft gevonden dat van koleur is als
jaspis , en bekwaam voor graf-ftenen, tom-
bes, en opfchriften. Uit deze onze aante-
keninge van de Gypsfteerr, blykt nu ook zeer
K 2 ‚ over=
«48 _Natuur- en Konft-Kabinet,
overvloedig , DAT DE STENEN NIET
ALLEENLYK OP VERSCHEIDE MA-
NIEREN KOMEN TE GROEYEN , maar
dat ook VERSCHEIDE STENEN als zy
tot hunne rypheid zyn, VERSCHEIDE BE-
PAALDE GEDAANTENS KOMEN
AAN TE NEMEN.
64.
_ Dat de Natuur isen manieren gebruikt
inhet voortbrengen der (tenen, word ook zeer
beveltigt door het marmer. Het welk een
fteen is, die zeer na aan die witte en fyne
gyps-fteen komt te grenzen, die wy Albaft
noemen. Want tuffchen het Albaft en het
marmer is geen ander onderfcheid, als dehard=
heit en fynheit van der zelvemzaterse. Daarom
gebied de natuurlyke order dat wy eens gaan
befchouwen de verfcheide manieren, op de
welke de Natuur het marmer komt voortte
brengen. Het marmer is zeer verfcheide van
grein of korrel; want in zommig marmer is
de korrel zo groot, dat het zelve met regt
voor een zoort van zantfteen kan gehouden
worden. Maar de korrel is op zich zelfs aan-
gemerkt ook zo blinckent, en door fchynend,
als of elk een klein kriftal greintje was. Het
marmer laat zich wonderlyk wel polyften ,
om de hardigheit van des zelfs grein. Zom-
mig marmer heeft een wit grein, en ander
wederom een grein dat rood van koleur is.
De marmers zyn ongemeen vol aderen en gol-
vingen van verfcheide koleuren. Het marmer
laat zich zeer wel breken door het vuur, maar
gaat
Augufins _—— December 1722 149
gaat over“in een fyn gréin, dat zo klein is
als Zaat väri flaapbollen ; als dit verkalkt grein
lang in-de lucht komt te leggen word het zel-
ve verbroken en bedúrven. Als het marmer
grein Tang in het vùur werd gehouden gaat
het zelve’ over tot’kalk , die echter niet van
de befte zoort is. Op zommige plaatzen word
marmer gevonden door het welke marcazyta
als verfpreid gegroeit is. Dit marmer is ge-
meenlyk bruin van koleur , en geeft als het
geflagen word een fwavelachtige reuk van zich,
volgens de waarneminge van F. Zmperatus.
‚4 '
„De dagelykfche ondervindinge beveftigt o-
genfchynelyk dat het marmer groeid en aan
waft , want de loopgraven die in de mârmer
groeven gemaakt zyn ‚komen door het uitwaf-=
zen van de marmerfteen toe te groeyen vol-
gens de getuigenifze van Imperatus. Ja zelfs
worden de gereet{chappen ; en werktuigen me-
nigmaal in het marmer ingegroeid gevonden.
De Aderen van de mârmerfteen zinken zoon=
gemeen diep, dat zeêr zelden tot aan des zelfs
wortel kan gegraven worden. « De Natuur
fpeelt by uitftekentheit met alderhande aange-
name koleuten in het marmer te Carrara , dat
een klein prinsdom is in ’t groot hertogdom
van Tofcane,omtrentde ftat Mafza aan de rivier
Lavenza, aldaar word zeer veel {wart marmer
gevonden. Dit word niet zeer bekwaam voor
den beitel en tot beeldwerk , maar wederom
zeef bekwaam tot polyflinge en gladmakinge
gevonden. Te Carrara word ook marmer
5e
r5o. „Natuur-en Konft-Kabinet, —
gevonden dat gefprenkeld is, met {warte gele
en witte plekken. Als ook. marmer dat {wart
en met wit groene aderen doorlopen is. … Als
dit marmer maar Zâgt met; {taal geflagen. word
geeft het zelve een fwavelachtige reuk van zich
en gebrand zynde een witte kalk. Het Grieks
marmer aan het welke de naam van parium
gegeven word is door gebroken zynde als met
blinkende en flikkerende ftarren beltrooit. Dic
is zeer bekwaam voor: beeldwerk. Aan een
ander Grieks marmer word den naam gege-
ven van zout marmer ‚ niet om des zelfs {maak
maar om dat het zelve met heldere en grote fter-
ren is,die niet alleen doerfchynend zyn, maar
een vertooninge maken als heldere en grote
zoutkorlen. Als dit marmer met ftaal gefla-
gen word geeft het ook een fwavelachtigereuk
van zich. Op zommige plaatzen.is-het zeer
wit , en wederom op „andere plaatzen als
met wolken , die, de koleur van een blauwe
rook vertonen, Dit marmer is zeer harten
kan de ongemakken van de lucht byzonder wel
uitftaan, Het welk, ook de oorzaak. is dat het
veel gebruikt wort tot grote werken, „Het
geel marmer is zagter en vetter als de boven-
gemelde zoorten, en verandert gebrand zynde
in een goede kalk volgens de getuigenis van
Imperatus. Het laat zich zeer wel bewerkenen
glad maaken. Het ros marmer behoeft voor
het geel niet te wyken „ en laat zich zeer, wel
tot de bouwery gebruiken ; maar is niet zo
bekwaam voor de polyftinge en ook: een wei-
nig droger en dorder van {tof. Het Afrikaans
marmer is wit en fwart, Het is zeer op
e=
Auguflus, — December, 1722. Isr
kelyk dat dit marmer van twederhande zelfs-
‚ ftaudheit is. De witte plekken loopen niet
» voort ‚ maar zyn als {childen , die als op hun
zelven zyn, maar de fwarte koleur loopt door
en door , en maakt eigentlyk het hoofd-lig-
chaam uit. Als dit marmer gebrand word,
gaat deszelfs witte ftof over in kalk maar de
{warte {tof , die harderis, in glas, volgens de
aantekeninge van den bovengemelden Schry=
ver. Dit onderfcheit van hardigheit is ook de
oorzaak „ dat door den tyd de witte vlekken
door de lucht worden weg gegeten , terwyl
„de fwarte Îtof overblyft. Dit Afrikaans mar-
mer heeft ook het gebrek „ dat het met mar=
kazyt door fprengt word. In de witte plek-
ken werdeok zomtyds enig rood gezien , en
zommige witte vlekken vioeyen op de wys als
golven, door de welke wederom andere witte
aderen doorloopen.
66.
Het marmer dat Porta Sanéta genaamt word,
is van een koleur die enigzints naar % geel en
ook naar ’t purper gelykt. Het purper loopt
door het geel als voetpaden die uit dunne a-
- deren beftaan. Deszelfs (tof is zeer vet ; et:
piet minder als zantkorlig of dof , het welk
‚… ook de oorzaak is, dat dit marmer in goede
kalk overgaat door het vuúr. In zommige
plaatzen vertonen zich ook vale plekken , ef
ook andere die ros van koleur zyn, diedoor-
rek zyn met witteen doorfchyhendé aderen.
e Natuur fchynt vering ftoffen ‚ en me-
4
15x _ Natuur- en Konft-Kabinet ,
talyne uitvloezels en zappen te gebruiken tot
de zamenftellinge van het marmer. Het welk
niet alleenlyk komt te blyken aan des zelfs
fwavelachtige reuk, dewelke een getuigen van
een vitrioolachtig zap is, en aan deszelfs ver-
fcheide koleuren „maar ook wel voornament-
Iyk om de onderfcheide zelfftandigheden , die
zomtyds in een en het zelfde marmer gevon-
den worden. Want het marmer dat van ko-
leur is als een gemengt groen , fchynt in den
eerfte opflag wel alleenlyk maar van een groene
koleur, maar als wel op het zelfde gelet word
beftaat dit groen uit een dommeling van wit- -
te, fwarte , en groene vlekken ‚vande welke
de witte vlekken door het vuur overgaan in
kalk , de fwarte worden ontbonden in kor-
ften als een zoort van korftachtige kalk , de
witte en fwarte plekken zyn klein , op dewy-
ze als eyere. Dit marmer groeit in een kryt
aarde in dewelke het zelve in zeer grote ftuk-
ken gevonden word. De Koleur van deze kryt-
aarde is afchgraauw , en dit marmer laat zich
zeer wel Polyften. Het marmer dat Jexco-
melan genaamt word, heeft plekken die om-
trent de grote van een Dadel hebben’, deze plek-
ken zyn befloten in regte en hoekkige ftrepen.
Het laat zich wel polyften, en is zeer bekwaam
om te dekken. ’ Het marmer pardalium is
blaauwachtig van koleur , en door gebroken
zynde glimftert het zelve, als’ met zant-kor-
len, gelyk als het Griekfche zant-mármer van
het welke wy gefproken hebben. Het ver-
andert door ’ vuur in een witte kalk, en laat
zich ook wel polyften.
Ì 67.
ME
_Anguflus — December 1722. 1 53
‘
67.
. Dat de Natuur verfcheide ftoffen gebruikt
‚ „tot de zamenttellinge van het marmer word
ook beveltigt door verfcheide zoorten van
marmer, aan de welke wy gevoeglyk den naam
van kraak-marmer konnen geven, om dat
„het zelve in het vuur gelegt zynde kraakt, en
barft, en in kleine ftukjes foringt, gelykerwys
als bergzout, zal gemma,zee-zout, enz. onder
deze zoorten is het Spiegel marmer, het welk
zich in de lucht fpout in vierkante dobbelfte-
nen , die van oppervlakte zeer wit en glad
zyn en als gepolyft elpenbeen blinken. De-
ze fcheiden zich alengskens wederom in an-
derekleindere fchilletjes en vlakke dunne blaad-
jes , die. dwars door mmalkander lopen , en
eindelyk geheel in vierkante en kleine dobbel-
fteentjes , die aan de gedaante van een Rhom-
bus of gelyk-lynig vierkant met fcheve hoe-
ken bepaalt zyn. Die marmer kan ook niet
het alderminfte vuur uitftaan , maar bart en
fpringt daatlyk in kleine (tukjes ; waar na het
eindelyk zich in kalk laat branden. De Naau-
‚keurige F. Imperatus oordeelt , dat zodanig
marmer moet aangemerkt worden alseen ge-
ftremt zap. Wy konnen dit zeer wel toefter-
men maar tot nader ophelderinge diend aan-
_ gemerkt te worden, dat deze (tremminge niet
gefchiet door een werkdaad van de onder-
aardfchen warmte, maar door een verkoelin-
ge of verminderinge van warmte, op de wyze
als de Cryffallzatse der zouten in koele plaat-
zen of ‘kelders. Wy moeten het kraak-mar-
K 5 mer
154 __Natuur- en Konft-Kabinet,
met aanmerken alseen onryp marmer , dat is
een fleen de welke geflremt is, eer de onder-
aard{che warmte deszeifs vogtige delen bek wa-
melyk heeft uitgedampt. Zo ras als nu dit
marmer in het vuur gebragt is, worden deze
waterdelen door het vuur met geweld uitge-
dreven , met een verbryzelinge van de valte -
delen , in de welke zy door de ftremminge
zyn ingewikkelt geweeft; op de wyze als wy
zien gefchieden in het gemeen zout dat in ’%
vuur geworpen werd. Behalven de water.
delen fchyut het kraak-marmer ook te beftaan
uit ftyve en rigide delen , die op malkander
in een zekere gefpannenheit zynde zo ras als
door het vuur deze verbintenifze verbroken
word met rasheit van malkander vliegen , niet
zonder verbryzeling of vryvingop die delen ,
de welke in den weg zyn. Het welk een ge-
kraak veroorzaakt. Dit Spiegel-marmer groeit
in de tuflchen wanden van ander marmer ,
even als een zap dât by malkander gevloeid
en geftremt is.
63.
Het kraak-marmer is noch ook Vän verfchei-
de zoort ; want gelyk als het wit Spiegel-
maumer , daar wy 200 eeven van gefproken
hebben door het vuur in zeer kleine en on-
bepaalde deeltjes verbryzelt werd, word noch
een ander zoort van maârmer gevonden. te
Prato , een grote fladt, die in het gebied van
Florence legt. Pet welk niet alleen in het
vuur kraakt en barft, gelyk als het Spiegel.
marmer, maat de (lukken hebben de gedaan-
te
Ae uk aided
Auguftus — December. 1722. 45
te van {chilfers of {chalien. De koleur van
dit marmer is groenachtig. Al de zoorten
van marmer daar wy dus verre van gefpro-
ken hebben groeyen als met Aderen in de ber
gen ‚ en dat wel op deze byzondere manier ,
datde kleine ftrepen, naden, aderen, ftreken
„of golvingen ‚ die met verfcheide koleuren
daar de dezelve komen door te-kruizen , ge-
woonlyk uit byzondere floffen beftaan , die
„niet tegen(taande zy een en den zelven fteen,
komen uit te maken , onderfcheide van zelf-
ftandigheit zyn. — Zommige van deze ftoffen,
zyn zo. zeer verfchillende ‚dat de ene gebrandt.
zynde daatlyk-kalk word, de andere een glaf=
achtig, wezen, de darde een blaarachtige ftof,
die in kleine bladen en plaatjes van malkande-
re {plyt, de vierde valt van malkander in ftuk-
jes als Dobbeiftenen enz. Het groenachtig,
marmer. van, Prato daar wy van gefproken heb-
„ ben is-geaárt of doorkruift met aderen , die
blaauw, van koleur zyn. Terwyl dit marmer.
… van Prato in het vuur aan {tuk {pringt, blyft
ondertuflchen de ftof van de blaauwe aderen
leggen , dewyl de zelve het vuur kan verdra-
gen. Deze blaauwe Aderen zyn van koleur
als de fplinters van de Sapphier , en de zelve
worden als omvangen en omhelft van de groe-
ne {tof of van dezelfftandigheid van den fteen,
_even als of deze groene ftof een fteen-zap was
_geweeft, het welke om de {lof van de blauwe
aderen als geftremt was „ daar in tegendeel de
meefte Aderen van het geadert marmer zyn,
als gevloeid en ingewafzen in de zelf{tandigheit
van het marmer ‚ door het welke zy komen
doot te kruizen. Als
156 _Natuur- en Konft-Kabinet.
69.
Als wy aandagtig op de natuur van het gé-
adert marmer komen te letten , konnen wy
zeer licht zien , dar dezelve gewoonlyk beftaat
uiteen te zamen vloeyingeder zappên van kalk-
fteen en keifteen ‚en dat de aderen of vlekken van
de kalkfteen aan het marmer geven een zagt-
heit „ en de zelfftandigheit , of aderen, of
vlekken , of golvingen van de vuurfteen of
keifteen aan de zelve geven een hardigheid ,
en duurzaamheit. Als deze twe verfcheide
fteen-zappeu door tuflchen kominge van een
darde het zy een leem, of fyne aarde van mal-
kander getempert en omhelft worden, geven
zy aan ’tmarmer tegelyk een bek wame hardig-
heid voor het polyft yzer , en een bekwame
toegeventheit en tayheit voor den beitel. Maar
als deze twe flcenzappen in een en de zelfde
fteen te veel op hen zelven zyn geven, zy een
ongelykheid van zelfftandigheid, die zich ver-
toont in de gedaante van korlen , of van gol-
ven , of fchilfers , of van aderen, of van
vlekken als fchilden , of van ftrepen „ of van
vlammen , of van knoeften , of van uitbot-
tingen, of van (lipjes, en kleine puntjes, ge-
Iyk aìs in de porphyr-fteen.
70.
De Porphyrfteen behoort onder het rode
marmer , en is om des zelfs uitmuntende har-
digheit van alle rode marmers het befte. De
koleur is niet alleen purper-rood’, maar over
al met witte Stippen doorzaayd, en de ber
an-
Augufius — December 1722. 157
ftandigheit van de porphyrfteen is wat aan de
korlige kant, op de manier als zommige kei-
ftenen. Het welk ook de oorzaak is, dat ver-
fcheide fchryvers de zelve onder het geflagt
van de keifteen hebben geplaaft , gelyk ook
onder anderen Ferandus lmperatus, maar als
de lezer op myne aanmerkinge van de twe
verfcheide fteenzappen, diede meefte marmers
komen uit te maken gelieft acht te geven ,
zal hy zeer licht konnen ondekken , dat de
_Porphyrfteen een marmer is, in het welk het
{teenzap van de keyfteen of vuurfteen de over
hant heeft, boven het fteenzap van de kalk-
fteen. Het Porphyr-marmer word noch vers
_ zynde in fteen groeven of mynen tot alder-
hande beelden of cieraden bewerkt , want als
het zelve eenigen tyd in de lucht heeft gele-
gen „ word het zo ongemeen hart, dat het
niet bewerkt kan worden. Als het Porphyr-
marmer met {taal word geflagen , geeft hee
zelve vuur-vonken van zich, gelyk alsde vuur-
fteen , maar in minder hoeveelheit.. De Por-
phyr-{teen kan ook volgens de ondervindinge
van Imperatus zeer wel tegens het vuur, en
alfchoon de zelve al vry lang gebrant word „
zal de zelve niet {pringen of kraken , maar
eindelyk overgaan in een zelfltandigheid die
enigzints glasachtig is. Het welk gefchiet zo
ras als deszelfs kalkf{teen verbroken en deszelfs
Natuurlyk zap door ’ vuur verteert is.
AP ;
Het Keyftenig-fteenzap heeft ook de over-
hand in het groen marmer aan het welk de
naam
158 Natnur- en Konft-Kabinet,
naam van laconicum gegeven word om dat
het zelve gevonden word in Lacedemonie.
Zommige geeven aan het zelve de naam van
Serpentyn-{teen , om dat het met wit-groene
plekken , die in een donker groen ftaan alsde
huit van zommige langen, geplekt ís. Dit
verfcheelt van het Serventyn-{teen van Meif-
zen daar ik van gefproken heb , en uit het
welke alderhande vaat werk gemaakt word
zeer veel. Want hetis zo hartals de Por-
phyrfteen , en komt met de zelvein veel hoe-
danigheden, behalven de koleur en de gedaan-
te der plekken , die in dit marmer groter en
langwerpig zyn ,over een ; daar het in tegen-
deel van de Serpentyn-fteen van Meifzen on-
eindigt verfcheelt ín hardigheit. Want de
Serpentynfteen van Meifzen heeft maar de har-
digheid van Albaft; om dat in de zelve het
kalk-ftenig zap geheel de overhand heeft. De-
ze harde en groene Serpentynfteen van Luace-
demonie verfcheelt van de Porphyrfteen ook
daar in, dat de zelve zich eerder door het vuur
laat ontbinden , door het welke des zelfs don-
ker groene zelfftandigheit overgaat in eef rof-
ze fiof, die ik geloof dat okerachtig zal zyn,
en een bewys is van deszelfs vuurftenig zap ,
maar de licht groene plekken gaan door het
vuur over in een wit lichaam , dat wel
enigzints na de puimfteen gelykt. De naam
van Serpentynfteen word ook gegeven aaneen
fteen die afchgraauw van koleur, enmet fwar- -
te plekken doorlopen is ‚op de wyze als de plek-
ken van zommige zerpenten. Deze is ook een zeer
hard en kleyachtig marmer, het welkezich me
we
l
EMA
penne
4
Anguffus — December 1722. 1 59
wel laat polyften , Een andere harde Serpentyn«
fteen is fwart van koleur „en geheel met blaau=
__we vlekken doorlopen. De ftof van de blau-
we vlekken is echte veel harder, als de fwar=
te zelfitandigheid van den iteen. Het welk de
oorzaak is dat de fwarte zelfftandigheit, door
de lucht,of door lekkend water verteert zyn-
de, de Swarte zelfftandigheit als met knobbels
uitfteekt. Als deze fteen in * vuur gelegt
‚word, verkrygt hy enige vroodheie van koleur.
72.
_— Behalven dat de Natuur verfcheide manie-
ren, en verfcheide ftoffen, in het voortbren-
- gen van het marmer gebruikt, enook ver-
_fcheide marmers tot bepaalde ‘gedaantens
doet fchieten, wat derzelver terlings, of
zantkorlige kleine delen belangt , maakt de-
zelve ook nog daar boven zeer geeftige te-
keningen en {childerien in zommige mar-
mers. Hier van hebben wy een zeer geef:
ftig voorbeeld in de loof-fteen van Sina ,
‚ de welke door Ferandus Imperatus zeer nau-
keurig is aangetekent. Wy hebben den zel-
ven uitgebeelt in ’t Natuur- en Konft-Kabi-
net July en Augufty r72o Tab. XVIII. Fig.
xs. Deze fteen is zo danig doorgroeit dat de-
__… zelve, aan welke zydedie (teen ook gebroken
mag werden, komt te vertonen een geeftige
boffchadie met bomen , vakken „ ftruellen en
bladeren. Deze uitbeeldingen worden voort-
gebragt door de mineralitche dampen en uit-
__vloeizels-der gronden „ van de welke enige
deelt- .
160 _ Natuurs en Konft-Kabinet, —
deeltjes zich vait negten in de pypjes , fire”
kenen kleine ruimtens van de iteen-ltof. Ter
wyl dezelve noch is in den ftaat van deszelfs
groeyinge en rypwerdinge. Deze marmer”
fteen word gevonden in zekere bergen van Si-
na de koleur van dezelveis witachtig daar zom-
tyds zich enige rosheit ondermengt maar de
koleur van de flreken of tekeninge is wart.
Als deze fteenin het vuur gelegt wort fpringt
_ het fwart zeer fchielik uit den fteen aan ftuk ,
het welk een teken is dat het zelve door ver- _
koelinge van een doordringend fteenzap ge-
ftremt is. De eigentlyke ftof van de fteen
zelfs kan den brana des vuurs zeer lang ver-
dragen ‚ maar gaat eindelyk cok over in een
glafachtige zelfltandigheit , het welke een be-
wys is dat in dit loof-marmer van Sina het
keyftenig fteen-zap de overhant heeft.
za
In dezelve Tabula vur is in Fig. 16. uite
gebeeld een kalk-ftenig marmer, aan het wel-
ke Imperatus den naam van koren {teen ge=
geven heeft ; om dat in de zelve uitgebeelt wor-
den de gedaantens van koren korlen , zaad,
erweten enz. De koleur van dit marmer, is
gewoonlyk wit , of afchgraauw. Onder de
marmerfteen worden verfcheide gevonden ;,
die alderhande bekende en bepaalde gedaantes
uitbeelden , gelyk onder andere het gefchre-
ven marmer , in het welke gezien. worden
alderhande letters , van de welke zommige zelfs
verftaanbaar en leesbaar zyn. Dit zoort van
marmer laat zich door ’t vuur tot kalk fn
ke
B
RA
&
J
Aa / : Ô li
Auguftus — December, 1722. rót
den , maar heeft echter die hardigheid en fyn-
er
er
#
heit, dat het zich zeer glad laat polyften. Ge-
_1yk als ook het marmer Garatronius , het wel-
ke of fwart of wit van koleur is, en overal
zeer geeftig vertoont Arabifche letters, die of
geel of purperachtig van koleur zyn. De ftof
zo wel van Het uitgebeelde koren , als van de
ftreken der letters , ichynt te zyn een vremde
materie, diedoor het ontmoetende fteen-zap ,
van het welke de fteen komt te groeyen, ver=
fteent wort, op de zelfde wyzeals wy vinden
verfcheide horentjes , kruikjes , fchelpjes „’bla-
deren , vrugten, zaat, enz. In zommige kalk-
‚ ftenen , en ook wel in ftenen , die van een
keiftenigen of vuurftenigen aart zyn , alwaar
dezelve van het ontmoetende en haar omhel-
zende of ook wel doordringende fteen-zap ver-
fteent zyn geworden.
74:
Na dat wy nu ontdekt hebben, dat het mar-
„mer door een keiftenig of kalkftenig of ook
veeltyds door beide, of elk byzonder, met ftre-
ken onderfcheiden , of ook. wel enigzints ge-
mengt, zyn fteenwordinge verkrygt, ftaat aan
te merken, dat, behalven deze fteen-zappen,
ook noch vereifcht word een meer of min
fyne aarde , het welk als een onderwerp , de-
ze fteen-zappen indrinkkende, komt mede te
helpen , om het ligchaam van het marmer uitte
maken. Hier moeten wy nu ook noch by-
voegen de vogtigheid, of het water, het welk
de oorzaak is dat deze fteen-zappen vloeibaar
zyn ; als ook noch daar boven de metallyne,
VH. Deer. L en
ró6x Natuur en Konft-Kabinet,
en mineralifche dampen „ en uitvloeizels , die
de verfcheide koleuren in het marmer komen
voort te brengen. Als het fteenzap , door het
welke het marmer verfteent word , niet an-
ders was als enkeld water „zoude het niet mag-
tig. zyn , om de fyne aarde of deszelfs on-
‚„ derwerp , tot de vaftigheit vari fteen aan mal-
kander te hegten. Maar het is zeker , dat dit
fteen-zap bevrugt is , of met zalpeter „ of met
fteen-zout, of ook wel met vitriool, of an-
dere amerallifche of mineralifche zappen , en
delen.” Het keiftenig fteen-zap van die delen
des marmers , de welke door ’t vuur in een
glafachtige zelfltandigheit over gaan „is van een
vitrioolachtigen of anderen vuurftenigen en kei-
ftenigen aart. Gelyk als blykt uit de fwavel-
reuk , die zommige van die marmer-ftenen ,
geflagen zynde, komen uit te geven; als ook
aan den oker , die zich zomtyds in zodanig
marmer komt te vertonen. Zommige mar-
mer-{teen is zelfs van een yzerachtige Natuur,
gelyk als een zeker zoort van marmer te Meif-
zen, het welk zodanig hart en beftendig is, dat
de yzer fmeden het zelve komen te gebruiken
tot hunne Ambeelden. Diergelyk yzerachtig
marmer word ook gevonden in Egypten. Het
welk tegelyk ook zeer ókerachtig van koleur ,
en zelfftandigheit is. Maar het kalkfteriig fteen-
zap van diedelen des marmers, de welkedoor
het vuur in een kalk overgaan , is van een
zalpeterachtige natutir , het welk ik te meer-
der durf verzekeren, om dat wy van die kalk=
ftenige delen des marmers zalpeter konnen
maken 5 áls ook dat de kalk van die ftenen ,
Be
é
vol Augrfus December 1722. 163
gelyk als andere kalk , dikwils van zelfs dit
fleen-zout komt uit te fchieten ; en alfchoon
dit fteen-zout juift wel geen volkomen zalpe-
ter is, zal echter niemant ontkennen, dat het
zelve is van een zalpeterachtige hoedanigheit.
‚ Dit kalk-zout zoude ook wel volkomen zal-
peter zyn , indien niet het vuur in de verkal-
kinge deszelfs vlugfte en fynfte zure delen had-
de verteert , of verbroken of in enige zeer
fyne aard-deeltjes hadde geklonken , en vaft-
gemaakt. Gelyk als wy zulks aan de zalpe-
ter zelfs zien gebeuren , als wy door het in-
werpen van dove kool het zelve tot een vaft
zout komen te bereiden.
5.
Dat de Natuur oen fteenwordinge van
het marmer vogtigheit en zap gebruikt, konnen
wy , behalven uit veel andere hoedanigheden
omftandigheden en tekennen ook vaftftellen ,
om dat het marmer veel zagter en weker be-
vonden word als het eerft uit de gronden word
uitgehaalt , als naderhand , wanneer door de
wermte van de lucht deszelfs vogtigheit is weg-.
gewazemt. Het ene marmer word veel eerder
hart in de lucht als het andere, en de oor-
zaak is uit onze voorgaande ophelderingen en
aanmerkingen ‘ook zeer licht te agterhalen,
Zommige marmers werden door zeer langen
tyd van de lucht niet alleen geheel wederom
zacht en mollig gemaakt, maar zelfs tot aar-
de overgebragt , en andere marmers worden
van de lucht uitgegeten, en als vermor-
zelt, niet tegen{taande de meefte marmers ge-
L 2 adert
164 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
aderten van verfcheide koleuren zyn, wor-
den de zelve echter uit hoofde van hunnen
grond koleur onderfcheiden 1 in wit marmer,
2 in afch-graauw marmer, 3 in fwart mar-
mer , 4 in bruin marmer , 5 in blaauw-achtig
marmer , 6 in geel marmer , 7 in ros en ook
in rood marmer , 8 in groen marmer. De-
wyl nu deze koleuren noch elk in zeer veel
trappen van hoger of lager gekoleurd, of ook
wel door andere koleuren gebroken zyndeon-
derfcheiden worden , kan de lezer zeer wel
begrypen , dat byna alderhande koleuren , en
tinten van koleuren , in de marmer-fteen ge-
vonden worden.
76,
Wy hebben aangemerkt dat zelfs de natuur
het marmer grein van zommige marmers tot
bepaalde en geometrifche figuren doet ftrem-
men en te zamen groeyen ; gelyk als onder
andere het marmer dat uit vierkante gedaantens "
die de figuur van een Rhombus vertonen , ís
te zamen geftelt enz. Maar de Natuur be-
paalt ook op verfcheide wyzen het gehele fteen
gewas van de marmer-fteen , zo wel tot ver:
fcheide gedaante als tot verfcheide grote; ge-
lyk als zommig marmer te Hildesheim , het
welk op deszelts oppervlakte over al als met
grote gefwellen en puiften begroeid is. Zom-
mig marmer , gelyk als dat van Luacedemo-
nie groeit in kleine klompjes, en kluiten, die
overal verfpret leggende in de grond gevon-
den worden, Dit marmer wierd aldaar by het
Dorp Crocea gevonden. Ander marmer groeit
tot
’
jm
)
1
jn
de
Auguftus December 1722. 165
tot zodanige grote (tukken , dat uit de zelve
gehele blokken , tafels , vioer-ftenen en zelfs
grote pilaren en vyzels konnen gemaakt
worden. In Rhodus, en ook op veel plaat-
zen, groeit het marmer, eerder in de breed-
te als in de dikte. Het marmer te Hildesheim ,
dat wel meeft na de afch-grauwe of bruine
kant helt , groeid zelden tot dikker platen
of bladen , als twe grote duimen. Zomtyds
brengt de Natuur het marmer in de gronden
voort in de gedaante van zeer brede py laren , ge-
Jyk als in het T'hebaans gebied, of ook wel inde
gedaante van hoekige pilaren gelyk als te Meif-
zen. Dezehoeken zyn ook nog zeer verfchei-
den „op zyn minft zyn dezelve vier in °t getal, en
op zyn hoogfte zeven volgens de waarnemin-
ge van den Hvog-geleerden Agricola. Deze
pilaren zyn gewoonlyk zeer vaft aan malkander
gevoegt, hoe wel echter zommige enkeld ko-
men te groeyen, gelyk als in * Thebaanfch.
Gewoonlyk fchynen deze pylaren als ín mal-
bg
— kander te fteken , groeyende de kleine pilaren
in de grote. Onder deze pilaren van Meifzen
zyn de grootfte gemeenlyk omtrent ancer-
half voet dik, en veertien voeten lang ; maar
de pilaren van het T'hebaanfche marmer zyn
veel groter, want zy groeyen tot de diktevan
twaalf voeten ‚en zomtyds wel tot de lengte van
hondert en meer voeten. Waar uit openbaar-
lyk blykt dat de Natuur verfcheide wyzen
gebruikt in het voortbrengen der fleen-gewafzen,
en dat de meefte flenen komen te groeyen tot
gereguleerde en bepaalde gedaantens, Het welk
d El ik
166 _Natuur- en Konfl-Kabinet
ik voorgenomen hadde in deze verhandelinge
aan myne lezers te doen zien.
NEGENDE VERHANDELING.
VandeBYZONDERE NATUURLYKE
HISTORIE - SCHRIVERS en in de
zelve het gebruik van den Indigo.
4 I.
Ni dat wy in onze twe voorgaande ver-
handelingen over den Indigo hebben be-
fchreven deszelfs Natuurlyke Hiftorie, en ver-
{cheide manieren van bereidingen , benevens
enige proef-ondervindingen de welke wy we-
gens de kragt en beftendigheit van deszelfsblaau-
we koleur verkregen hebben, zullen wy tot
een befluit noch een weinig voorftellen we-
gens des zelfs gebruik. Het gebruik van de
Indigo is zeer uitgeftrekt in de verwkunf(t, in
de fchilderkunft onder de olyverwen , en ook-
in de verlichtery-kunde , onder de waterver-
wen. Zelfs wordt de Indigo van zommige
gebruikt in de geneeskonft, en tot dartig of
veertig grein zomtyds ingegeven in een Bo-
Jusje , met een Conferfje „of elettuarium ,
of ook wel in drankjes , of in de gedaante
van pillen, tinétuur, of in poeder. Maar ik
oordeel deszelfs inwendig gebruik in verfchei-
de gevallen fchadelyk, om deszelfs ongemene
zamentrekkentheid , vreetheit en uitdrogenden
aart. De Indigo is een van de uitdrogenfte
mid-
\
IE ZEN L Ö '
Auguflus —— December 1722. 167
middelen die my bekent zyn. Zy maakt dor-
‘heit en magerheit in ’t ligchaam , zy maakt
„Áchraalheit op deborft, verftoppingen in ’t hooft,
ruizinge in de oren : zy verdooft de gal , en
is zeer fchadelyk voor de zenuwen en zuur-
achtige vliezen , en zeer gevoelige delen. Zy
verdikt de zappen en bluft de levendige werm-
te enigzints uit, hoe wel dit maar verftaen
moet worden in ’t geval als iemant dezelve al
te veel en te lang achter malkander komt te
- gebruiken , want dewyl inde Indigo , ook.bui-
ten en behalven des zelfs grooveen zamentrek=
kende delen „gevonden worden zeer fyne fcher-
pe en doordringende delen, kan het zomtyds
wel gebeuren, dat zy in zommige gevallende
„taye en harde ftoffen verbreekt en op die wy»
ze zeer fware verftoppingen komt los te ma-
ken en te ontbinden. Wat ook het gebruik
van den Indigo in zommige uitwendige gebre-
ken belangt , hebben wy geen reden om het
__ zelve te verwerpen gelyk als ik op zyn plaats
zal aantonen.
ne
De ongezonde hoedanigheden en ongetem-
pertheden van onze zappen, en de ziektens en
ongemakken de welke daar uit voortkomen „
mitsgaeders de ongefteltheden van verflappin-
gen ‚ verhardingen , opkrimpingen, verfwak-
ingen, uitzettingen, verftoppingen der vafte
delen , en der zelver vezelen , zyn zo menig-
vuldig en verfcheiden , dat, de hulp middelen ,
de welke voor de ene fchadelyk zyn, voorde
„andere zeer dikwils zeer dienftig.en voordelig
\ L 4 be-
168 Natuur- en Konft-Kabintt,
bevonden worden. De Indianen gebruiken,
volgensde aentekening van de Hortus malaba= _
ricus de wortel van de Indigo heefter gekookt
met water tegen de pynen van de nieren , en
in ’t graveel. De bladeren ftoten zy met wa-
ter tot een pap, en leggen de zelve op den on-
derbuik , buiten twytel dikwils met een goe-
de uitkomft voornameutlyk in ’t geval van ont-
ftekinge, of geinflammeerd, heet en galachtig
menfchelyk water , dat met veel fcherpe
en bytende loog-zouten bevrugt is. Want be-
halven dat de Indigo plant zamentrekkende en
uit dien hoofde verkoelende bevonden word,
is de zelve noch ook zeer voorzien met fyne
en lichte delen , gelyk als klaarlyk blykt uit
deszelfs (terken (tank de welke zich in de be-
reidinge vanden Indigo onder het verrotten
komt te openbaren , en de welke wy onder
het koken van den Indigo, als ook in de blaauw-
kuipen gewaer worden ; behalven dat noch de
bittere fmaek van de Indigo-plant , en ook
zelfs van de Indigo , een genoegzaam be-
wys is , dat dezelve zo. wel beftaat uit zeer
fyne en lichte delen, als uit een zamentrek-
kende zelfftandigheid , in de welke de zel-
ve als geknevelt en opgefloten zyn. Dat een
wortel, fchors, kruid, vrugt, zaad, zap enz.
te gelyk kan beftaan uit te zamentrekkendede-
len , en uit delen die zeer fyn, licht en o-=
penende zyn, ís een waerheid, die openbaer is,
en tegenwoordig geen verder be wys van noden
heeft. De Indigo zelfs word aan de Malabar-
fche kuft gebruikt op gefwellen , om dezelve
te doen verteren en op te drogen, ke
Fran-
oink kN
Zi Auguflus
December, 1722. 169
Francifcus Hernandes * eerfte Geneesheer
wegens den Koning van Spanje in de Spaen-
fche Wett-lndien zegt van de Anil of Indigo-
plant XIUHQUILITL PITZAHAG of de
Anil met dunne bladen fchiet ene wortel uit van
dewelke veel flronken voortkomen die zes GU-
BITI (vegen voet) lang, en omtrent een ping
dik, van een afzraauwe koleur ‚ rond en licht
zyn. De bladen zyn gelykals die van de cí-
cers. De bloemen zya klein , en uit den wit=
“ten roodachtig. De peultjes hangen trofgewys
aan den flruik gelyk als dikke warmpjes „en
zyn met fwart zaad befwangert. De vragt
is een weinig bitterachtig „boonachtig van fmaak,
beet en droog inden tweden graed. Deszelfs poe-
der geneeft de verouderde fweren, als zy te vo-
ren met pis afgewafzen worden. Zy zeggen
dat de geftote bladeren de pyn en den grooten
brand van de hoofden der kinderen weg nemen,
als zy daar op gelegt worden. En ook der her-
zenen als het hooft met het aftrekzel der bla-
deren gebet word. Uit de bladeren ward ge-
maakt een verf „ die de Indianen T LACCHOL.
Ll MEHUITLIVE zoemen met de welke zy
het hair fwart verwen. Het groeid van zelfs
„in de hete geweften op vlakke en bergagtige
plaatzen. Alfchoon zonmige het zelve onder
het zeflast der kruiden flellen, fchynt het noch-
tans een heefter ‚die twejarenleeft en duurt. De
| Ls manier
%* Vid. Plantarum animal, min. Hiftor. lib,
IV. Cap, 12, & 13.
170 Natuur-en Konft-Kabinet,
manier van die verf-flof, dewelke de latingen
blaauw , (Ìudigo) maer de Mexikanen MO.
HUIILI, ez TLEVOHUILLI zoemen ,
te maken „15 de volgende , zy werpen het af=
gefnede kruid 1n een ketel of kuip met water ,
kloppen en flaan het zelve geweldig met fchop-
pen , en het water , allengskens gekoleurd ge-
worden zynde, word in een ander vat over ge=
daan, uit bet welke zy het bovenfte water la.
ten van boven aflopen, terwyl de droezem „die
eigentlyk de ( blauwe Tudigo of) verf is , op
den grond is gezakt. Deze word dan in hen-
nippe zakken dourgelekt , naderbant in de zon
gedroogt , en als tot kleine koekjes gemaakt ,
dewelke op platen , onder dewelke vuur geftookt
word, vorder zodanig gehard en gedroogt wor-
den, dat zy jaren konnen duren en tot bet ge-
bruik bewaard worden, Aldaaris noch eenan=
dere plant met dezelfde naam van X1U H-
QUILITL PITZAHACG gewoemt , die ook
met een blauwe koleur verwt , en bet hair der
vrouwen fwart maakt ‚ maar nochtans in groote
ez gedaante van de voorgaande verfcheelt. Het
zs een heefter van een gemene grote, en die
veel draadachtige wortelen heeft , uit dewelke
afchgrauwe flraikjes voortkomen. De bladen
zyn een weinigje groter als die van de lange
peper, en met Fibertjes in de lengte doorlopen.
De bloemen zyn witachtig: het 15 kont en vog-
tig van Natuur. De manier om de Indigo te
bereiden is van beide egaal ‚ maar de verf van
deze laafte is niet zo goet , en daarom is dit
krayt niet zo goed on voort te telen door zay-
ex. Ik heb de eygen woorden van Hernan”
‚ Es
tide atd
_Auguflus — December1722. 171
des hier in gevoegt , op dat de Lezer zoude
konnen zien, dat de Indianen van Mexiko of
_ Guatimalo de Indigo byna op de zelfde wyze
toe bereiden als wy verhaalt hebben van des-
‚ zelfs bereidinge op de Franíche voor- Eylan-
den van Amerika, te Guzarate , en op ver-
fcheide andere plaatzen onder het gebied van
den Mogol, te Madagasker door een kolonie
die de Ë ranfchen voor dezen op dat Eyland
gehad hebben enz.
4.
Ik vinde ookin Hernandes , dat de Span-
jaerts op dien tyd, in de welke hy te Mexico
zyne Natuurlykegedeukf{chriften maakte , het
zayen en voorttelen vande Indigo-plant, ende
bereidinge van den Indigo noch niet kwamen
te oeffenen. Want Hernandes raad in zyne
fchriften zulks den Spanjaarden aan , en ftelt
wel uitdrukkelyk daar toe aan hen voor de
heuvelachtige en vlakke plaatzen , die vrugt-
baar en aan de zee-boorden gelegen zyn. Het
welk lichtelyk wel gelegentheit gegeven heeft,
dat de Spanjaarden tot de bouw van den In-
digo het zeer vrugtbare en wel gelege land-
fchap Guatimalo verkoren hebben. Waut het
landfchap Guatimalo bezit niet alleen alle de
hoedanigheden dewelke Francitcus. Hernan-
des tot het bouwen vanden Indigo hadde voor-
geftelt , maar geeft ook de befte en kragtigfte
Indigo des werelds. De Koning van Spanje had-
de deze Franci(cus Hernandez , benevens ver-
fcheide geleerde mannen naar Amerika gezon=
den, om van die landen op te maken eene be-
| fchry-
172 Natuur-en Konft-Kabinet,
fchryvinge van der zelver metalen, mineralen,
aardens , fteengewaflen, edele ftenen, plan-
ten, vrugten ,balzems, harzen, gommen „die-
ren, vogelen, viflen, zx/elten enz. De moei-
te die tot het te zamenttellen van deze Na-
tuurlyke Hiftorie is aangewend, is onbefchryfe-
Iyk‚en de Hooggeleerde Jofefus Acofta getuigt,
dat de onkotten tot het zelve 6oooo Dukaten
kwamen te belopen. Dit werk is naderhand
uit de fchriften van FHlermandez door de ver-
maarde Nardus Antonius Recchus, op bevel
van den Koning, in ordre gebragt, en met de
aantekeningen van zeer veel geleerde mannen
verrykt in het ligt gebragt, en naderhand nog
wederom verbetert. Het welk ik alhier een
weinigje om{landiger kome te beregten, om
dat aan my geen boek bekent is, uit het wel-
ke een geleerd lief hebber van de Natuurlyke
Hiftorie en natuurlyke zaken van Amerika,
(voornamentlyk als hy het werk van den bo-
ven gemelden Jofephus Acoftta daar benevens
komt te lezen, ) zo wel kan onderwezen wor-
den.
Maar om eens een ERA: dieper en afgele=
gener onderzoek op de zelf{tandigheid van den
Indigo tedoen moeten wy ons erinneren , darde
zelve onder deszelfs bereidinge gebragt word tot
een zekere graat van verrottinge, gelyk als ge-
noegzamen blykt aan den groten en onver-
draeglyken flank , die de anil komt uit te ge-
ven, op dien tyd als de zelve in die broeyen-
ge gebragt is, van dewelke ik in myne twede
‚ver-
be OR rn
/ “Auguflus—— Decömber 1722. *73
verhandeling over den Indigo gefproken heb.
De verrottinge ís niet alleen een werkdaad
van de Natuur, waar door zy den wezenband
der dingen ontbint, maar ook maakt de ver-
rottinge zommige fware ligchamen zo fyn en
licht, dat zy in de lucht komen op te ryzen,
gelyk als wy door der zelver ftank gewaar
worden. Onder deze fyn en luchtig gemaak-
te lichamen bevinden zich onder andere de vlug-
ge Piszouten. Dit is de oorzaak waarom de
„delen der dieren, zelf hun been, hun bloed,
hun pis, hun weet, zo vol zyn van dit vlug-
ge zout , om dat de kokinge der voedzels in
ons ligchaam een zekere graat van verrottinge
is, door de welke de voedzels in zo verre
worden ontbonden, fyn en licht gemaakt.
Ik zegh een zekere graad van verrottinge, om
dat dezelve in ons lichaam ook wederom in
zo verre word geftuidt, al daar onze voedzels
zyn overgegaan in een nieuwen wezensband
van vlees, van been , van bloed , van gal,
enz. Maar als die verrotting verder voortgaat,
gelyk als wy zien gebeuren in de verftervin-
ge der dierlyke ligchamen, of der zelver de-
len , geven zy een onverdraaglyke ‘ftank uit,
en ook als wy zulks begeren zeer veel vlug
zout. Want als wy de menfchelyk pis eenigen
tyd in de warme paarde meft, in een-toegeflote
vat, leggen , en aldaar laten rotten, geeft de-
zelve een ongeloofelyke hoeveelheit van dit
vlugge piszout,
6.
Uit de boven gemelde redenkavelingen blykt
genoeg-
274 __Natuur- en Konft-Kabimet,
genoegzaam dat door de verrotting vande Anil
of het Indigo kruid veel van deszelfs delen
ligt en fyn gemaakt worden. Deze delen be-
ftaan in vlug zout, en zeer gexalteerde oly-
deeltjes, dewelke door dit vluggezout worden 4
mede opgefleept in de lucht, alwaar zy gro=
ten {tank verwekken: Maar om dat onder de
bereidinge van de Indigo den verderen voort- … /
gang van deze verrotting gefteuit word, zyn
daar door veel licht gemaakte delen genood-
zaakt, om in dezelve, al fchoon zy wel ee-
nigzints opgeloft zyn geworden, te moeten
blyven, daar zy gevangen leggen in de grove
en fware zamentrekkende delen , daar ook te
gelyk de Anil en ook infgelyks de Indigo uit
beltaat. Als het nu gebeurd dat de Indigo met
water word gekookt , of door ’ vuur word
gebrand, of door een verder verrottinge of
broeyenge nader word ontbonden, werden de-
ze geknevelde vlugge delen uit hunne boeyens
ontflagen, en vertonen zich ook niet weinig
door hunnen grooten ftank.
ze
Als wy overwegen dat de Indigo beftaat uit
zeer veel zamentrekkende , verdikkende, en
verkoelende delen , konnen wy zeer wel be-
grypen waarom dezelve de vloeyenge van de
hete gal, uiterlyke roodheit, vlamminge, py-
nen uit heete oorzaken, alte groten zugtig-
heid, en flym-gefwellen kan wegnemen, en
de floffen als te rug dryven, met aan de fibren
der overlade delen een groter Rexixus by te
zetten. Als wy ook te gelyk in aanmerking
ne-
EE an veren le nn
__Iyk kan dif
ARR hj
Angufliis — Detember 1722. 175
fiërnen dat de Indigo zeer is bevrugt met fyne
én lichte delen, die als op den fprong (taan,
om by de eerfte gelegentheid van ontboe-
yenge hunmer omwindzels of banden uit te
gaan na buiten, konnen wy ook zeer wel be-
grypen , op welk een wyze de Indigo te ge-
tieren de taaye en flymige humeu-
ren , en de dikke ftoffen der gefwellen, en
zugtige delen bewamer maken om weg te vloe-
yen. Darindelndigo, in weer wil van deszelfs
fcherphéid, en zamentrekkentheid, ook tege-
Iyk gevonden wordt veel vlug zout is niet te
verworideren, om dat gelyk wy geleerd heb-
ben de Indigo in deszelfs bereidinge uit de A-
nil tot eeni zekere trap de verrottinge onder-
gaan heeft. Maat op dat de Lezer den aart
van de Indigo iti dett grond mag leten kennen,
zal ikk kortelyk aantekenen op welk een wyze
uit de zaden, vrugten, en kruiden de vlugge
wouten können gemaakte worden. Dewyl
de Indigo van zo veele en verfcheide konfte-
naars gebruikt werd, gelyk als by voorbeeld
in de geneeskonft, in de heelkonft , in de
verwkonft, in de fchilderkonft, in de. verlig-
tery-kunde, ifr de katoen-drukkers konft, en
zeer overvloedig in het maken van lamenias ,
in het toebeteiden ván blaauwe fchryf-inkt,
in de verlakkonft , én in.verfcheide andere
konften en handwerken, is het wel bedenke-
Iyk dat zomtnige die naauw keurig en opletten-
de zyn, zomtyds wel enig nut en goed gebruik
zullen korinen maken van een nader en die-
per ontdekking van den aart en de hoedanig.
heden van deze zêer vermaarde verw-ltof,
Laat
176 _Natuur- en Konft-Kabinet,
laaten wy om dit te doen blyken, eens tot een
voorbeeld nemen een zekere konli-greep van
zommige fchilders , door dewelke zy de blaau-
we koleur van den Indigo vaftter, beftendiger ,
en duurzamer weten te maaken. Zy nemen
een gedeelte Indigo , en doen dezelve in een
pampier : dit pampier, wel toegevouwen zyn-
de, leggen zy tuflchen de lepels van een tang,
of iets anders , en houden de tang met de le-_
pels eenigen tyd in het vuur , als wanneer uit
de Indigo een flinkende rook komt uit te gaan.
Als de meefte ftank door de hette van het vuur
uit de Indigo is uitgedreven , zuiveren zy de-
zelve van het gefchroeide papier , en vryven
met hunne gekookte oly dezelve tot een fchil-
der verf. Het is zeer waarfchynelyk dat deze
konfigreep by toeval is gevonden, zonder te
weten waar eigentlyk in komen te beftaan die
delen , dewelke onder de gedaante van tank ,
uit de Indigo worden uitgeftookt, en dewelke,
als zy in de Indigo zyn „ de oorzaak zyn dat
dezelve deszelfs blauwe koleur veel eerder door
de lucht komt te verliezen. Maar deze delen
zyn niet anders als het vlugge zout, dat met
eige olydelen verenigt,onder de gedaante van een
ftinkend uitvloezel uitden Indigo word uitge-
ftookt. Dat het vlug zout aan de beftendig-
heit van de blauwe koleur van de Indigo fcha-
delyk zoude zyn is licht te begrypen , om dat
het zelve door de vogtige lucht zeer licht word
opgeloft , waar door de tederheit van de ko-
leur noodzakelyk bedurven moet worden. An-
dere fchilders koken tot dit zelfde oogmerk de
Indigo eenigen tyd met fchoon water , KE
als
5,
Ordre VS
Augufliús — December 1722 197
als ik van de toebereidinge der oly- en water.
verwen kome te handelen , zal ik aanwyzen
een manier om de Indigo te bereiden tot der
zelver meerder vaftigheid en beftendigheit van
koleur tegens de lucht.
Verfcheide Geleerde ftof[cheikundige hebben
voordezen ontkent, dat uit de plantgewafzen ,
of der zelver delen een vlug alkalyn-zout be-
reid konde worden , maar de tyd heeft het te-
gendeel geopenbaart. Die dit tegenfpraken ga-
ven voor, dat uit de dieren en der zelver de-
len ; gelyk als wel voornamentlyk uit de harts
horen , uit de klauwen , uithet yvoor , uit
het bloed, uit de pis, wel konde gemaakt
worden, of in de gedaante van een vlugzou-
ten geeft, of in gedaante van droog en wit
zout, een viug alkalyn of zuur temperend
zout ; maar dat uit de plantgewafzen ‚of der
zelver delen gehaalt wierde of een vaft zout,
_ door brandinge , of een effentieel zout door
kryftal fchietinge, of een zuren geeft. Maar
“de grote ftoffcheikundinge Van Helmond ende
vermaarde Luudovicus hebben aangetoont ‚twe
verfcheide manieren om uit de plantgewaflen
een alkalyn vlugzout te bereiden.
9.
Door middel vaneen vaft zout, gelyk als
by voorbeeld vaft zout van wynfteen of pot-
afch , en een fyne gedeftilleerde olie van wel
ruikende kruiden, vrugten of zaaden , kan ge-
maakt worden een zuur temperend vlug, zout.
VII. Dezer, M „Neemt
178 Natuur-en Konft-Kabinety
Neemt by voorbeeld drie delen vaft zout van
wynfteen , en feen deel gedettileerde oly van
terpentyn, mengt dit wel te zamen , en laat
het zo lang in een zagte warmte ftaan meu-
ken „ tot de oly en het zout wel ís te zamen
geftremt. Dettilleert dit mengzel naderhand
zeer zagtelyk in een glazen retort ‚ en gy zult
een vlugzout zien zetten aan de bovenfte delen
vande retort; het welk zeer vlug, fyn, vuur
temperende , en van veel deugd is. Door
enkelde deftillatie kont gy ook een vlug
zout verkrygen uit verfcheide hete zaaden.
Neemt peper, of zaad van lepelbladen, of van
wyuruit enz. een pond; doed het zelve ineen
glazen retort „ en deftilleert eerft zagtelyk de _
Phlegma of het water uit het zelve, en gy
zult naderhand een vlugzout en fyue geeft zien
opklimmen. Dit vlugge zout is zo ongemeen
vlug ‚en beweeglyk , dat het ín het midden,
of op het einde van de deftillatie, zomtydsde
retort doed aan ftuk barften. Uit zagtelyk
vitgedampte extraêten van kruiden en wortels
kan ook, op een gevoegelyke wyze, een vlug
zout gemaakt worden.
10.
Maar om een weinig nader te komen tet het
vlug zout van de Indigo , zullen wy aanteke-
nen de manier, om door middel van de gef-
tinge , of halve verrottinge , uit de zj
waflen het ‘zuur temperend vlug zout te
reiden „op de wyzeals dezelve in de Zransace
tions Anglicans befchreven word. Neemt in
het midden van de zomer een goede ke a
‘neit
Auguflus wam December 1722: 179
heit bladeren van deze of gene plant gewaffen.
„Doed dezelvein eenfterk en wel gefloten def.
tilleer-glas, zo lang tot dezelve uit zich zelfs
beginnen te giften en te werken , en vervol-
gens te verrotten , en over te gaan in de gee
daante van een pap. Deftilleert deze pap eerft
door een middelmatig vuur , en gy zult in
begin verkrygen een flappe Phlegma, die na-
derhand gevolgt word van een zuur tempere-
rende geeft , en van een vlugzout. En op
het laafte-van de deftillatie-een dikke (tinken-
de en fwarte olie, mengt uw vlugzout met die
olie, en recteficeert het zelve verfcheide reizen,
als wanneer gy zelfs een. groot gedeelte van die
olie zult zien overgaan in vlug-zout. Dit is
een Vlug alkalyn pis zoutwvan-dien zelfden aart,
-…_als gemaakt word uit de delen vande dieren,
gelyk als by voorbeeld-het vlugzout. van Ar-
moniac ‚ van pis, van bloed enz.
TI,
: Li
Als het hooy zeer kragtig is „gelyk datvroeg
gemait word, volgens de gewoonte der vetwey-
ers, en dat het niet genoeg been-droog in de
fchuur word opgeftapelt , begint het zelve niet
alleen te broeyen, maar geraakt dikwils zelfs
wel in den-brand, wordende -de-oly-delen in
een irreguliere en verwarde beweginge: gebragt,
door de vlngge-zout delen die door-de-broey=
inge”zyn losgemaakt. Deze vluggezeut delen
openbaren zich genoegzaam aan den groten
„reuk , die het hoy onder ’t broeyenaan allezy-
… «áden’ kont ‘te verfpreiden. ‚Dat de bereidinge
M 2 van
185 Natuur-en. Konft-Kabinet
van het vlugzout uit de plantgewaffen door mid-
del van de geftinge en verrottinge , gelyk als
wy boven befchreven hebben , op de zelfde wy-
ze komt te gebeuren , blykt klaarlyk ; want.
als de bladeren ín het toegefloten deftilleer glas
aan ’t geften geraakt zyn, word het glas onge-
meen heet. Nadie hette of geftinge begint de ver-
rottinge; dewelke alle de hoedanigheden, geu=
ren, en reuken van het kruid geheel verandert,
en in het zelveeen onverdragelyken ftank ver-
wekt. Hoe deze planten vogtiger en vetter
zyn, hoe zy ook eerder tot de verrottingeover-
gaan. De Liefhebbers hebben waargenomen,
dat onder de verrottinge zomtyds in het mid-
den van het digt gefloten vat, zich komen te
vertonen wurmen ; vliegjes en andere infedtez,
Deze infelten hebben zy alleen en op hen zelfs
gediftilleert , maar de zelve gaven geen zuur
temperend zout uit , gelyk als de pap van de
verrotte bladeren. Het overblyfzel uit het wel-
ke dít vlugzout gediftilleert word, geeft geen
vaft zout gelyk alle de kruiden , als zy gebrand
worden. Waar uit blykt dat het zelve door
de verrottinge in vlug zout is overgegaan en
verandert.
/ 12.
Niemand heeft over de bereiding van de vlug-
ge zouten uit de plant-gewaflen omftandi-
ger en naauwkeuriger gefchreven , als de ver-
maarde Wedelius. * Deze Heer getuigt , dat
i hy
* Vid, Clar. Wedel. de Sale volatili planta-
ram.
Auguftus December 1722 18r
hy tot het ontdekken van het vlug zout der
plant-gewaflen , overvloedige _ aanleidinge
kwam te verkrygen uitde bereiding, dewelke
hy daagelyks zag „en zeer naaukeurig waarnam
van de paftel , of die blaauwe verwftof , de-
welke met de Indigo het voormaamfte van de
blaauw kuip uitmaakt. De Heer Wedelius
ontdekte, dat als het kruid wede daar de blau-
we verwítof die wy paftel noemen van gemaakt
word, op hopen leide, en aan het rotten ge-
raakten, uit het zelveeen onverdragelyken, en
zich allom verfpreidende ftank geboren wierd,
en die Heer maakte uit dit verrotte kruit na-
derhand vlug zout. Als wy nu acht geven op
de bereidinge van den Indigo uit de Anil , en
hoedanig de Anil ook geraakt aan het flinken,
in des zelfs broeibak , zullen wy zeer licht kon-
nen bevatten dat de Indigo een ftof is, in de
welke veel vlug zout, door een beginnende
verrottinge is losgemaakt, en door de belette
voortgang van die verrottinge in het zelve is
opgefloten. Waar uit overvloedig komt te
blyken , dat de Indigo uit tweederhande de-
len namentlyk zamentrekkende en vlugge be-
ftaat.
13:
Als wy de Malie sletom laten rotten ,
konnen wy op die zelfde wyze vlug-zout van
de zelve bereiden. Maar dewyl de Indigo on-
der deszelfs bereidinge zo ongemeen geflagen
is geworden , zyn deszelfs olyachtige delen ,
of zo als andere zulks noemen deszelfs {ulfer- -
achtige delen , dieeven gelyk alsdeszelfs zout
M door
182 Natuur- en Konft-Kabinet.
door de verrottinge luchtig gemaakt waren „
wederom zo ongemeen in malkanderen ge-
klopt , dat de Indigo de geftinge , en de daer
opvolgende verrottinge magtiglyk kan tegen-
ftaan. lk heb in de verhandeling over de be-
reidinge van de Indigo aangetoont , dat deze
kloppinge en polzinge tot een zekeren trap
bepaalt moet worden ; of dat de gehele berei-
ding van den Indigo komt te miflukken. De-
ze trap is het tyd-punt, in het welk de za-
mentrekkende delen, ende door de verrottinge
geexalteerde oly-delen en vlugge zout-delen we-
derom tot een wezens band zyn verenigt,en
op die wyze de blaauwe koleur uitmaken,
Maar zo ras als wy door het wederom aan-
ftellen van een nieuwe geftinge of verrottin-
ge, dezen wezensband komen te ontbinden,
worden die zelfde vaftgeknevelde, maar te
voren geexalteerde en door de begonne ver-
rottinge los gemaakte olyachtige delen en vlug-
ge zout-delen ontbonden.
Ig.
Dat de Indigo oid is tot de geftinge ,
warden wy gewaar in de blaauw-kuipen. De
paftel integendeel is zeer gereed tot het in=
gaan van inwendige werkinge, en zagte gef-
tinge , en word daarom ook zeer bekwaam
gevonden om de Indigo, die by dezelveinde
blaauwkuip gemengt werd, mede aan het wer-
ken en aan het zagtelyk geften te helpen. Als
wy de Indigo met pis mengen , en in digeftie
of meukinge (tellen, konnen wy dezelve ins-
gelyks aan het gelten, inwendig werken, a
zelfs
{
|
|
)
Angufius — — December 1722. 183
zelfs tot de verrottinge overbrengen , gelyk
als zeer wel bekent zal zyn by de lief hebbers
dewelke weten, wat de blaauw verwersdoor
de pis-kuip verftaan. Uit aanmerkinge van
de fyne en zeer doordringende delen dewel-
ke in de Indigo gevonden worden , en waar
door dezelve bekwaam is om te verwen, en
door te dringen, oordeeld de uitmuntende
* Joannes Rat dat de Indigo zeer bek waam is te-
gens de geelzugt, en de verftoppingen. vande
lever, op de zelfde wyze als de faffraan. Maar
wy moeten te gelyk in aanmerkinge nemen,
dat de Indigo wel met de Saffraan over een komt
ten opzigte van fyne en doordringende delen ,
maar geenzints ten opzichte van wrede en za-
mentrekkende delen ; die inde Indigo zeer over-
vloedig gevonden worden. Ook zyn de delen
van de Indigo meer {nydende , en veel fcherper,
en harder, als dievan de faffraan, die molliger
en zagter zyn. De fcherpheit en corrofyf heid,
die in de Indigo gevonden word , is de oor-
zaak dat voor dezen de Indigo wierd aange-
zien voor een fenyn volgens de aantekening
van D, Tancredus Robinfòn,
f Is.
_Zommige, Eik als onder andere D. Mx-
raltus, verheffen den Indigo ongemeen in de
genezinge van een al te {terken kraam-ont-
lafting. Als ook in verfcheide zoorten van
buikloop. In het uitzakken, en in de verflap-
pingen van de vagina uters. De hete vloey-
M 4 in-
® Vid. Hiftor, Plantarum Lib. XVIII Cap: 4
284 Natuur-en Konft-Kabinet xe
ingen van een gele en fcherpe gal maken
dikwilks aan de benen der oude lieden , of
in ligchamen die vol fcherpe, hitzige, en gal-
achtige humeuren, of van een hete lever zyn,
of in de hete fcheurbuik , een rode en glin- -
fterende roos , die zomtyds zeer pynelyk is.
Als op dezelve het poeder van de Indigo ge-
ftrooit werd, verdwynd de roos , de pyn, en
de fwellinge. dikwils zeer haaftiglyk. Maar
ik zoude aan geen regt fchapen geneefheer ,
heelmeeftet, of wie het ook zoude mogen zyn
raden, oit op diergelyk een wyze de rooste
genezen. Zommige gebruiken in de plaats
van den Indigo tegen diergelyke roos , zelfs
zonder onderfcheid waar dezelve zich ook
mag komen te vertonen , terwen-meel ryke-
Iyk doormengt met blaauwzel ; en zy gelo-
ven dat zy hen wonder wel gekweten heb-
ben , als zy door diergelyke te rug kaatzende
middelen de roos zien verdwynen. Want zy
weten niet dat zy de ziekte geenzints gene=
zen, maar alleenlyk of van plaats doen veran-
deren , of dikwils de oorzaak zyn , dat de
ftof zyn eigen kookkeuken de lever aangrypt ,
verteert , en den zieken door den tyd komt
te doden , daar ik hier tot Amfterdam ver-
fcheide droevige uitkomftten van gezien „ en
aangetekent hebbe, en ook in myn Boek over
de natuurlyke Hiftorie van de gal nader zal
verklaren. De onvoorzigtigheit, om de roos
door verkoelende en te zamentrekkende mid-
delen te repelleren, gaat by zommige zo verre,
dat ik zulks dikwils hebbe gezien en belet,
zelfs in de bel-roos, Het rabraken van dege-
nees-
Augufbus, —— December, 1722. 185
neeskouft en heelkonft is hedendaags zo alge-
meen, datwy diergelyke dingen moeten zien,
zelfs van menfchen , die door duizend loos-
heden, liften en geblankette vertoningen een
groot gerugt by ’t gemeen weten te verwek-
ken ; het welk in de plaats van op‚hunne'be-
dryven en ongelukkige verregtingen agt te ge-
ven , zich niet zelden aan den íchyn en op-
Ear Fanfaronnades vergaapt , en blind
kykt. ,
16. vs
_ Wy hebben in onze voorgaande verhande-
lingen over de Indigo aangetoont, dat de blaau-
…_ we koleur van die vrrmaerde verfltof by uit-
ftekentheid bettendig is. Maar wy hebben van
die zaak zelfs ook een kragtig bewys door
deszelfs gebruik in de geneeskonft. Want
als de Indigo ingenomen word, geeft dezelve
niet alleen een groen-blauwe koleur aan het
menfchelyke water dat uit de blaas gelooft word,
maar zelfs ook een groen blaauwe koleur aan
het vlees en in het aangezicht van den genen,
die dezelve komt te gebruiken. Ik heb on-
__dervonden dat de me-krap ingenomen zynde,
een {choon rode krab-koleur mededeelt aan
het menfchelyke water, maar echter tot noch
toe niet waergenomen, dat zy zulks ook doed
aan het vlees , of aan de uitwendigen koleur
van den opperhuid. Het is waar wy vinden
verfcheide dingen dewelke in het menfchely-
ke water voortbrengen verfcheide reuken en
koleuren, zelfs. zommige zaken die enigzints
de koleur van de opperhuit en het vlees kon:
M 5 nen
186 Natuur- en Konft-Kabinet
nen doen veranderen , maar zulks gefchied door
delndigo zeer baarblykelyk.
17.
De vermaarde Geneesheer en uitmuntende
Natnurlyke Hiftorie-Schryver Martinus Lifter
heeft de Indigo voorgefchreven tegens degeel-
zugt en het graveel. Die Schryver verhaalt
dat een vrouw die vyftig jaren oud was, om--
trent drie jaren lang fwaar was aangetaft ge-
weeft van een geelzugt. Dat de koleur door
het gehele ligchaam zeer geel was : Dat het
water niet alleen zeer weinig maar zelfs van
een faffraan-gele koleur was, met een fwoe-
gende Ademhalinge, gefpannen buik, en Hy-
pochondria, de afgang wit van koleur, in de
mond fprouw ‚en het ligchaam zeer verma-
gert. Aan deze ziekte {chreef de Heer Lifter
voor een Drachma Indigo van Barbados en
liet dezelve daaglyks in die hoeveelheyd in de ge-
daante van pillen innemen. Door ’t gebruik
van deze pillen begon de zieke daatlyk over
vloedig genoeg te wateren, en kort op het
gebruik der pillen veranderde de heldere en ge-
le koleur van het water in een donker groe-
ne koleur. Ook was de koleur van het aan-
gezicht van deze vrouw uit het geel naer het
groen gekeert. Zelfs vertoonde zich den da-
gelykfche afgang groenachtig. Na dat de Heer
Lifter het gebruik van de Indigo-pillen enige
dagen kwam uitte ftellen en ondertufchen ,
eenige puergeer-pillen liet gebruyken ver-
* Vid. de fontibus medicatis Anglie Exercis
tatio altera.
Auguftus — December 1722. 187
verdween niet alleen de groenheid , maar het
water wierd wederom als te vooren helder en
fatfraan-koleurig van gedaante. Na de pur-
geer-middelen gaf de Geneesheer wederom de
Indigo-pillenals tevoren, en ’t water wiert we-
derom uitden groene {wartachtig ; maar echter
minder gekoleurtals in den aanvang. Door de-
ze en enige andere geneesmiddelen waar on-
der de Spaanfche of Jerufalemíche zeep wel
een van de voornaamfte was wierd den hon-
ger herftelt, de koleur van het water zo wel
als defzelfs Confistentie als die der gezonde
en de Ademhaling verbetert.
Ig,
Uit de bovengemelde Aanmerkinge blykt
genoegzaam dat de Indigo ingenomen zynde
niet alleenlyk komt te verwen de zappen ,uit-
laftingen maer zelfs ook de huid. De reden,
waerom de Indigo in deze zieke geen blaau-
we maar een groene koleur verwekte , was
de geelheit van de geelzucht. Want geel en
blaauw maakt groen. De heer Lifter (preekt
noch van een andere vrouw, die op het minft
anderhalf jaar met een geelzucht beladen was
geweeft, en die door het gebruik van de In-
digo en de Spaanfche zeep gelukkig herftelt
wierd. In deze zieke vertoonde zich ook het
verfchynzel van de groene koleur, waar door
de voorgaande ondervindinge beveftigt wierd.
Maar als ymant een proef beliefde te nemen
van deze zaak in een dier, zal hy ondervin-
den, dat de Indigo als de zelve overvloedig in=
gegeven werd, niet alleen het vermogen heeft
van het vleis en de huid groen, maar zelfs om
) blaau»
188 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
blaauw van koleur te doen werden. Het fcheí-
vogt van de maag , en het pis-zout van onze
zappen , beftaart uit zodanige werkzameen door-
dringende delen, datdaar door byna alles wat
wy komen te nuttigen van koleur en hoeda-
nigheden verandert word. Maar de koleur
van de Indigo is zodanig beftendig tegens den
aanval van deze delen , dat dezelve byna on-
veranderlyk voor dezelve fchynt te blyven en
te beftaan.
ek
De Indigo worá wel voornamentlyk van
zommige Geneesheren van London , ook noch
in verfcheide anderen gevallen voorgefchre-
ven. Maar dewyì wy overvloedig genoeg
voorzien zyn van hulpmiddelen tegens die ziek-
tens, die veel aangenamer en veiliger voor het
gebruikt zyn, behoeven wy ons tegens dein-
wendige ongemakken en ziektens, van de
wrede kwaadaardige en zamentrekkende Indigo
geenzints te bedienen. Deszelfs uitwendig ge-
bruik kan in verouderde {weren , flymige en
taye gefwellen, verhardingen , zugtigheid, en
diergelyk gevallen met meer geruftheid toege-
ftaan worden ; als maar acht gegeven word,
dat wy door deszelfs uitterlyk gebruik niet
komen na binnen te jagen heumeuren, dieop
inwendige en voorname ingewanden komente
vallen , en aldaar grote ongemakken te ver-
oorzaken. Het welk in acht genomen moer
worden in het gebruik van alle te rugdryven-
de hulpmiddelen.
29.
dAuguflus — December 1722. 189
“20.
De Indigo is van een zeer goed gebruik in
„de verligterykunde , om vande zelve water-
verf , en zelf zeer goeden fchryf inkt te ma-
ken, die beftendig en aangenaam blaauw van
koleur is. Om van de Indigo blaauwe fchryf
inkt te maken kan dezelve ontbonden worden
met wit van Ey, het welk te voren zeer langen
tyd geklopt is. In de plaatsvan het Ey-wit,
kan gebruikt worden een matig vet gomwa-
ter, het welk toegeftelt is van water en Ara-
bifche gom. Zodanige fchryfinkt of water-
verwe kan door byvoeginge van andere zap-
koleuren zo veel in tinten verandert worden
als onsbehaagt ; gelyk als by voorbeeld blaauw,
„purper, violet, groen, enz. Als wy een be-
kwaam geel voegen by den blaauwen inkt die
van Indigo gemaakt is verkrygen wy een inkt
die groen van koleur is , en die zo hoog of
laag gekoleurt kan werden als ons behaagt.
Door het bydoen van fchulp-wit by den In:
digo , konnen wy een inkt maken , die He-
_mels blaauw van koleur is. Door het byvoe-
gen van de befte karmyn by de befte Indigo ,
konnen wy eenfchryfinkt maken van een uit-
- muntende fchone paarfche koleur. Wy geven
aan deze water-verwen den naam van inkt
om dat met dezelve gefchreven kan worden,
als ook om daar in nate volgen het gebruik,
anderzints betekent het woort inkt gemeenlyk
fwarten fchryf-inkt, Wy konnen verfcheide
blaauwe ‘fchryf-inkten maaken uit alderhande
bloe-
z9o Natuur-en Konft-Kabinet,
bloemen als Irias „koren bloemen, violen , bef-
zen enz. Zy parzen het zap uit dezelve, en
mengen daar in een weinigje Aluin, als wan-
neer het met een weinig gomwater bekwaam
wort gemaakt om mede te fchryven. Ande-
dere wazemen zodanige zappen zagtelyk uit,
om dezelve te beter te konnen bewaren , en
als zy dezelve nodig hebben om te fchry-
ven fmelten zy een weinig met gom-water.
Andere wazemen zodanig een _uitgeperft
zap op drie vierde , dan werpen zy in
het zelve plukzel van linden , dat in pis
nat gemaakt en gedroogt is; dit plukzel door-
drongen zynde laten zy in de zon droog wor-
den, eù wederom op een nieuw door dringen
met het gemelde uitgewazemde zap ; zulks
hervatten zy driemaal en bewaren het geko-
leurde plùkzel tot hun gebruik. Als zy blaau-
we fchryf-inkt van noden hebben , laten zy
een weinge van ‘het plukzel uitweken in gom-
water tot een bekwamen inkt, Andere laten
de bloemen , uit dewelke zy de blaauwe ko-
leur trachten te trekken , een dag uittrekken in
helder, en doorgeklinft Citroen-zap. Het ge-
koleurde Citroen-zap fcheiden zy af, endam-
pen het zelve zeer zagtelyk uit, om de koleur
tot het gebruik te bewaren. Als wanneer zy
een weinig met wit van ey of gom-wa-
ter mengen tot bekwame fchryf-inkt , of wa-
terwerf. Wy konnen ook door een begin-
nende verrottinge op de wyze als gefchiet
omtrent de wede , of paftel, en-de Anil , of
de Indigo blaauwe koleur maken. Maar ik
zal deze dingen fparen tot de vierde en laaf-
te
Auguflus — December 1722. Tot
‚te verhandelinge van den Indigo, Wat het
bereiden van het gomwater belangt , kan ge-
nomen wordeeen deel heldere Arabifche gom,
en zes delen water, als de gom zagtelyk ge-
fmolten is word dit water door ‘gedaan en in
een glas bewaard tot het gebruik , en kan na
de dunheit of Iyvigheid van de koleur , die daar
mede gemerigt word , altyd verdunt worden.
Zommige koken ‘hetgomwater eensligtjesop ,
dewyl zy oordeelen , dat het zelve dan veel
beter kan duren. Maar dan moeten wy meer
als zesdelen water by een „deel gom mengen
voor het wegwazemen, dat onder het koken
gefchied.
21.
_ Zommige gebruiken het wit van eyeren in
de plaats van gomwater. Het ey-wit isin- ,
‚_derdaad een kragtige lym. . Want als het zel-
ve wel geklopt en met levendige fteenkalk&n
beflagen is, kan het zelfs gebruik worden voor
een hegt-Cement, om gebroke paftelein, ge- /
broke horens en fchulpen , die om hunne by-
zondere gedaantens of koleuren in waardege-
houden worden , ‘en zelfs gebroken glas aan
malkander te hegten. Om met het ey-wit
fchryf-koleuren of water-verwen te bereide ,
word het zelve eerft geflagen met een lepel,
of iets diergelyks , zo lang tot het komt te
verkrygen de dunheit en vloeibaarheit van wa-
ter. Dan word de Indigo of andere verf-
ftof met het zelve gevreven , tot de Confis-
tentie van {chryf-inkt of van waterverf. Dewyl
het
Rade ond atol Va DM AE
-
zoz _ Natuur en Konft-Kabinet,
het ey-wit de bedervinige en rottinge onder»
worpen is weten zommige het zelve zodanig
te bereiden , dat het lang kan duren. Zy
nemen het wit uit eyeren , en gieten op het
zelve zonder het dun te kloppen omtrent een
dartigfte gedeelte zeer goede wyn-azyn. Met
dezen Azyn laten zy het zelve vier en twin-
tig uren ftaan. Daar na doen zy het zeer voor=
zigtiglyk door een fyn linden doekje vloeyen,
wel zorgdragende dat het wit niet komt te ver-
breken uit zyn aan een fchakelinge. Nader-
hant laten zy dit doorzygzel nog acht dagen
ftaan , en doen het wederom door het linden
vloeyen als te voren , en bewaren het in een
ftene kruikje , of in een digt gefloten flesje ,
„tot het gebruik. Als by de íchryf-inkten en
OP paver-koleuren, die zulks verdragen konnen,
“een weinigje Aluin gedaan word, wordenzy
opgeheldert.
Einde van de Maanden Aug== Decemb. 1722.
KOR-
N 4
KOR TEN INHOUD
Van *t zevende Deel, of van % jaar beginnende
metde maanden Januaryen February 1722,
en eindigende met de maand Decem-
ber van ’t zelfde jaar incluis.
Men de Agttiende verhandeling van de Algemene Na-
twurlyke Hiflori-Schryvers, 1. Onderzoek of nier
wel zommige lichamen in hunne beweginge ver-
__haaft of vertraagt werden ‚na dat de lucht, waar
in dezelve zich bewegen ‚ meerder of minder in-
edrongen of verwydert is. 2. De Slingers be-
wegen langzamer in een dikker als in een dun-
der lucht. 3. De lucht is het middel waar door
het geluid tot ons gehoor werd overgebragt ,
daar in geholpen wordende door een ander we-
zen dat fynder els de lucht is. 4. Van den dienft
van de lucht en het onderaardfche vuur in ’ op-
heffen van de dampen en uitvloeizels der aarde,
5. Als twe ligchamen vaneen ongelyke grote
_evenwigtig zyn in de lucht, zullen zy hun even-
wigt verliezen in het water. 6. Een zeer aan-
gename wyze om de lucht te wegen. 7, De de-
Ten van het water zyn doordringender als die van
de luche. 8. Bewys van de ongehoorde kragt van
„een heet gemaakte lucht. 9. De proportie vande
_fwaarte tuflchen het water en de lucht ro. De
lucht fchyntop alle plaarzen niet even (waar van
gewigt te zyn. ir. Een zeerdienftig werktuig
om de proportien van de fwaarte tuflchen ver-
fcheide vloeibare ligchamen te vinden. 12. Het
kwikzilver is veertienmaal fwaarder als het wa-
ter. 13. Van de hoogte des Dampkrings. 14.
In de lacht gebeuren ontelbare afteratien daar
__de menfchen geen gedagten van hebben. rs. De
eerfte ontdekkinge van her licht der lichtende
Barometers, nachtligtertjes enz. 16, In de lucht
worden verfcheide delen gevonden , die de ftra-
N len
KORTEN INHOUT-
len van het lient konnen verbuigen. 17. In de
lucht worden vezfcheide wezens gevonden dewel-
ke konnen dringen door hert glas en andere lig-
chamen. 18, Een manier om yste maken door
zout en (neeuw. 19. Het bevrozen water heeft
de kragt om de meralen te doen barften. Zom-
mige proef ondervindingen mer verfcheide die-
ren in een lucht-ledige recipient. 21, Van den
dienft des luchts in de ligchamen der menfchen
en der dieren: 22, Brief vanden Here D. G.F ah-
renheit aan den {chryver,over enige zakendie
in acht moeten genomen werden , omtrent het
toeftellen der Barometers.
2. Zevende verhandeling wan de Byzondere Na-
zuurlyke Hiftorie-Schryvers. zv. De Natuurlyke
Hiftorie van de Indigo. 2. De indigo verfcheelt
veel van malkander in deugden kragt- 3- De
kennifze van't gebruik van de Indigo kan door
cen dieper natuurkuudige befchouwinge van de
zelve nader opgeheldert worden. 4. De konft
van Indigo te maken is zeer ouc. s. Zulks werd,
bewezen uit Diofcorides , Arrianus, Plinius, Vi-
truvius , Galenus, Panlus Zgineta,enz.enver-
fcheide plaatzen van deze fchryvers werden op-
geheldert en verklaart. 6. De Schryvers dewelke
de Anil of Indigo-plant met de Jfatis of paftel-
plant verwert hebben worden verfchoont. 7. De
Oude hebben het kunsje al gehad om de Indigo
te vervalfchen. 8 Dit werd bewezen uit Plini-
us 9 Valerius Cordus word geprezen, to Ver-
fcheide dwalingen van zommige Uitleggers van
Diofcorides te regt gebragt. 11. De Griek-
fche en Larynfche fchryvers hebben of niet ge-
weten den Indigo plant, of gemeent dar, de In-
digo in Ooft-Indien van de J/atts of wede ge-
maakt wierd. 12. De Arabifche Schryvers hebben
de Anil of Indigo-planr gekent. z3. De Tnmqen:
ers
KORTEN INHOUT.
ders van Barbarìen fcbynen de eerfte geweeft te
zyn die de Indigo-kwekery van de Indianen ge-
leerd hebben. 12. Van den koophandel der Fc-
niciersén derzelver volkplantinge te Carthago. 13
De Indigo wierd volgens de geruigenifze van Pli-
nius te Rome zeer duur verkogt. 14 Van den gro-
ten koophandel der oude Egyprenareu, Pheniciers
en Carthagers. 16. Befchryvinge van her purpurif-
_fitm of purper-lak der oude. 16. Verfcheide zoorten
van purper lák. 17. Befchryvinge van de Grana-
kermes of 't karmozyn-grein. 18. Van de Con-
chenilie. i9. Van het Koninglyke purper der ou-
denen deszelfs zoorten. zo. vande purper vis. 21.
Befchryvinge vande I/etis of wede. 22. befchry-
vinge vânde AnilofIndigo-planr. 23 De Anilis
een onder geflagt of planrgewas op zich zelfs, en
in verfcheide zoorten verdeelt. 24. Van de plant-
gewalzen mert vlinder-bloem. 25.De Anil van
Geylon,van Malabar,vän Brafyl,‚van Mexico, van
de vooreylanden van Amerika, van Madagafzar.
‚26. Voorrelinge vân Anil kier telande. 27. Vande
Anil vân Batavia. 28. Bricf van den Here Hendrik
van Râäát aan den Schryver over de verfcheide
zootrten van Indigo.
3. Negentiende Verhandeling van de Algemene
Natzurlyke Hiftori-Schryvers. 1. Een twede brief
van den Here Boyle over de lucht deszelfs (waarte-
kragt en Elafticiteit. 2. De Elafficiteit of te rug-
dryvende kragt van deluchris in kragt egaal mer
deszelfs fwaarte-kragt. 3. Zulks word bewezen
met verfcheide Bonder dijken. 4. hoe ecu
blaas of ronde glaze bol aan ftuk barft door de £-
_dafticiteit vân de lucht. 5. Een weinigje lucht kan
éen ongelooflyke kragtocffenen doot deszelfs £-
lafticiteit. 6. Nader wederlegginge van de vercier-
de afkeer van hetledigedoor verfcheide proef on-
dervindingen. 7. Verfcheide proeven om door
2 mid-
KORTEN INHOUT.
middel van de lucht te ontdekken de proportie
van de fpecificgue (waarte, de welke de vogrten
onder malkander hebben. 8. Een zeer naaukeuri-
ge proef om te ontdekken tot welk een hoogte de
lucht her water komt op te parzen in een lucht-
ledige plaats. 9. De Befchryvinge van een lucht-
verklikker. ro. Het tin beneemr de vloeibaerheit
van her kwikzilver. 1x. Her zoude zeer dienftig -
zyn, dat op veel plaarzen te gelyk wierden waar-
genomen de veranderingen vanden Dampkring,
en van het weer. 12. Dat wy maar in een zekere
hoogte van den Dampkring konnen leven. 13.
Van de hoogte der hoge bergenen inzonderheid
vaa de piek van Kanarien. 14. Een tegenwerpinge
vande pfeniffen wederlegt. 15. Konft om het wa-
ter uit Zich zelven te doen opklimmen in de hoog-
te. 16. Aanmerkinge over het opklimmen der kri-
ftallen aan de binnen wanden der vaten. 17. Hoe-
danig de licht komt te werken in her bloed kop-
pen, emin hecftellen van blinde kopyen. 18. Van
de fyne hoofdfítof van den vermaarden Deskartes,
19. lu de grote tuflchen ruimtens der wereld ,
maan , planeten , zon , vatte fterren ‚ worden ver-
fcherde zoorten van fyne ftoffen gevonden. zo. De
Heer Coyle heeft verfcheide proeven in’: werk ge-
ftelt om de fyne hoofdftof van Deskartes te oat-
dekken ‚ maar heeft dezelve nergens konnen vin-
den.
4. Agfte verbardeling , van de Byzondere Na-
tuurlyke Hiflori-Schryvers. 1. Van de Bereidinge
van de Indigo. 2. Hoe de Indigo-tuinen toege-
ftelt, en de Anil gezaaid werd. 3. Dar de Anil na
verloop van drie ‘maanden voor de eerfte maal ge-
fneden werd, en zesweken daar na voor de twe-
de maal.4.De Anilis zomrtyds geplaagt met eenze-
ker zoort van rufpen,die in eue nacht voortgereelt
worden en alles bederven. 5, hulpmiddelen daar
Gaf tegen
KORTEN INHOUT.
tegen gebruikt. 6. Befchryvinge van de Indigo-
„bereidery.7. Een zeer naaukeurige befchouwinge
van de verrottinge en deszelfs wonderlyke uit-
werkingen. 8. De Anil geeftonder de verrottinge
een onverdragelyken ftank. 9. De {maak van her
kruid Anil is zeer bitter. ro. Van her tyd-punt in
het welke de Anil-pap’deszelfs (choneen beften-
dige blaauwekoleur aanneemt. 1r. Het naaukeu-
zig acht geven op diergelyke tyd-punten heeft
plaats in her bereiden van zeer veel {toffen. 12. Het
gebruik ven de boom-oly in her mìaken vande In-
digo. 13. Hoede Ind:go gedroogt en in tabletten
elneden werd. 14. De Indigo kuipen moeten van
Bid gemaakt werden. 15. Vaneen takje van de
Anil-plant dar in Weft-Indien geplukt en mer
peultjes en Indigo-zaad voorzien is 16. Dar de In-
„digo van St. Domingo tegenwoordig by ons
meeftin’r gebruik , en van verfeheide zoorten of
hever fortimenten is. 17. Verfcheide proef onder-
vindingen van den Indigo met verfcheide vogren ;
zo om te ondekken deszelfs ver va!finge als de be=
ftendigheid van deszelfs koleur. 18 De koleur van
de befte Indigo moet violet zyn. 19. De ligtfte In-
digo is de-befte. zo. De zeer witte (chimmel is
een teken van de Deugdzaamheid van de Indigo.
x1. Dedeugd van de Indigo kan ook ontdekt wer-
den door het vuur. 22. Waarom de (wart-verwers
hunue befte ftoffen eerltmer de Indigo blaauw-,
verwen. 23. Dar de Indigo niet alleenlyk is een
zeer magtige verwftof , maar dar deszelfs blauwe
_koleur een van de beftendigfte des werelds is. 24.
Een grein befte Indigo kan}aan soo grein water
een hoge blaauwe koleur geven. 15. Vande Indi-
gomakeryen in het land van den groten Mogol.
s. Veertiende verhandeling van bet Goud. 1. Be-
fchryving van de ‘Juweliers konft. z. De Juweliers
kon{t moet verdeelt worden in verfcheide weten-
N 3 fchap-
KORTEN INHOUT.
fchappen ; diecen goed Juwelier behoortte ver-
Maan: als dekennifzeder ftenen : De Diamant-
zagersen ook Snyders konft : de Diamant-klie-
vers-kunft: De Diamant-flypers-kunft : De Ju-
weelzetters-konft : het Grofzerters hahdwerk ;de
Robyn-{lypers-kunft; de bereidinge der foeliensde
Amolieer-kunft;het maken van de gekoleùrdefte.
nen ; het infchilderen in de ftenen mer zappenenz.
3: Een verhandeling vande ftenen in 't algemeen.
4. De voornaamfte Schryvers die over de ftenen
gefchreven hebben werden gemeld. 5. belofte van
den {chryver om in zyne verhandelingen over de
ftenen den groten rykdom van de Natuur, en des-
zelfs veranderingen enfpelingen meer na te vol-
gen , alseen fchool{che of armhartige leer-ordre.
6. Van her ongemeen onderfcheid van groot en
klein onder de ltenen. 7. Van het wezentlyk ondere
fcheid der ftenen ten opzigte van harten zagt,van
door {fchynend eù ondoorfchynend , van geko=
leurd en ongekoleurd. 8 De Stenen werden ondet-
fcheiden in Stenen, Edele gefteentens en Geïmmen,
9. De ftenen zyn levendige ligchamen of deelge-
noten van her vegetable leven. ro. De ftenen heb-
ben hunnen oorfptong uit vlocibaare of zeer zag-
te wezens. 11. Dat de Îteen-zappen geen enkeld
water zyn word door vergelykinge getoont. 124
De fteneu verkrygen hunne koleuren door Mé-
tallyne en Minerahfche uitvlocizelsen dampen 13.
De Edele gefteentens groeyen meeft in mineraal-
ryke land{chappen. 14. Befchryvinge van de zeep-
fteen. 15. Vande koleuren der bergfteenen , en
hoe die vah de metaal-dampeén voorigebragt wor-
den. 16. De mineraal-dampen zynaltyd niet van
water ontbloot. 17. Zommige ftenen zyn zodanig
magtig van koleur, dar zy voor verfftoffen ver-
ftrekken. 18. Befchryvinge van verfcheide fchoon
gekoleurde ertzen, aardens ; en zelfs berg-zou-
ten
US vald à
_ KORTEN INHOUT.
ten; Ì -kryfallen. 19. De koleuren konnen door
fcheivogten uit de Edele gefteontens getrokken werden.
zo. De koleùur=n der Edele gefteentens werden door den
tyd vermindert hoe wel daar toe im zommige verfcheide
k 7 wen vereifcht werden, 21. Van de ftenen met gemeng-
de koleuren als de Sardonnyx Agaat. ENZ. 22, in de gem-
„men moeten de koleuren niet gehouden werden voor ge
flagts kene „ maar alleeulyk de graden van har-,
digheid, 23. Van de kammen en doornen diein zommige
fenen gevonden werden. 24. Van de konft om inde fte-
nente fchilderen. 25. De harde Diamanten zyn de be-
fmettinge van verfcheide koleuren onderwurpen. 26. Van
Ss kraait: fwaartc van zommige Edele gefteentens, CO,
vericheide ben yzen, dat zy, Meralijn zyn.
6. Twintigfle verhandeling van de Algemene Natuurlykg
Hiftori-Schryvers. x. De Natuurlyke Hiftorie van de
‘fucht werd vervolgt. 2. Van de verfpreidinge van de
klank in een lucht-ledige plaats. 3. Enige reden wikkin=
gen van den Schryver over het vermogen van de getezz-
perheid, des luchrts in het veranderen van de klanken. 4.
Van de fpring-glaasjes. Der zelver bereidinge en aan=
ftakbarftinge. s. Brief van den Here D. G. Fahrenheit,
aan den fchryver over de lichtende Barometers ‚ en O-
verdekentekenen vaneen goeden Barometer 6. Proef
ondervindinge van twe gepolvfte marmerfteentjes,waar
door komt te blyken dat de drukkinge van de lucht in
een bepaalde hoeveelheit van kragt beftaat. 7. Derde
Brief of verhandelinge van den Here Boyle over delucht,
8 De lucht fchyat zich te verenigen of in te wikkelen in
veelderhande ligchamen. 9. Duet de lucht deor ver-
{cheideswerkdaden van de Natuur uit zodanige ligcha-
men wederom kan losgemaakt worden. 1o Van het voort-
brengen vande lucht uit verfcheide zaken in een lucht-
ledige recipient. 11. Refchryvinge van een lucht peilder ,
waar dooraltyd de hoeveelheit vaa de lucht ontdekt. werd;
die door konft voortgebragcis. 12 OP welk een wyze
een grote hoeveelheit van lucht kan voortgebragt wer-
den in een lucht-ledige recipient uit brood, uit gekneusde
„rozynen, uit rype peren, uit rype preimen, uit gekneusde
druiven, uit moft; uit gekookte cn rauwe Appelen enz,
_7. voftiende verhandeling van het God waar in de Befchryr.,
vinge van de Juweliers konft vervolgt werd door een twe-
de verhandeling over de fteaen in ’t Algemeen. FE De
ftenen groeyen in de gronden door verfcheide wyzen ,
en zeer vele tot bepaalde en zeozerijche gedaantes. 2.
Uit de nauwkeurige befchouwinge van deze zaken kan
eelt
KORTEN INHOUT.
leerling van de Juweliers-konft verkrygen een diepe
kennifze vandeedele gefteentens, en van de gemmen.
g. De felfftandigheid En ftenen beftaatuit grein dat als
een keper regelmatig of onregelmatig gefchikt legt. 4.
Zommige ftenen zvn te zamen geflelt uit zeer dunne en
opmalkander leggende blaadjes of fchilletjes. 5. Defte-
nen hebben behhalven hennen joop van grein „ vezelen
en draden, ookzomtyds hunne naden aan een hegtin-
gen van fibren, kwaften kammen, doornen, enz. 6, De
Stenen konnen onderfcheiden werden in harde fteen-ge-
wafzen „ brofze fteen-gewafzen en middelmatig harde
fteen-gewafzen. 7. De verdelinge der ftenen door Ben-
neveruto Cellini. 8. Zommige ftenen groeyentot een
teerlings gedaante, andere met vyf zydige oppervlak-
rens, andere van een cylinder gedaante, andere pyra-
midaal , andere met fchorzen , andere als merg tuf-
fchen twefchorzen. 9, het Kryftaal groeid tot zeskanti-
ge kolommen. ro, De Diamanten met driehoekige op-
pervlaktens, 12. Zommige ftenen groeyen van binnen
in andere fteen. 13 Van de gedaantens der bergen en
fteen-rotzen. 14 Beïchryvinge van de Saxe. 15 Befchry vin-
ge van verfcheide zoorten van Saxe met fchone koleuren.
16. Van de ftremmende fteen-zappen. 17 Van de potte-
fteen,18 Van de zantfteen. 19 Van de tufi-fteen. zo Vande
vuur-fteen „en derzelver verfcheide zoorten, gedaantens,
koleuren enz. z1 Van de molenfteen, derzelver verfcheide
zoorten en aan- merkelyke wyze van voorttelinge, 22
Van de kalk-fteen en deszelts verfcheide zoorten. 23
Van de Gyps-fteen en deszelfs zoosten en:geeftige ma-
nier van proeyinge. 24 Van het Albaft. 25 Van het
marmer , en deszelfs vele en verfcheide zaorten , ko-
leuren en verwonderenswaardige gedaantens,
8. Negende verhandeling van de hyzondere Natwurlyke Hi-
feori-Schryvers. 1 Van het gebruik van den Indigo 2 De
indigo werd gebruikt in de geneeskunft en ook in de
heelkunf. 3 Francifcus Hernandez aangehaalt. 4 De
indigo beftaat uit te zamentrekkende delen, en ook uit
zeer fcherpe doordringende en fyne delen. 5 Bereidin
van den indigo voor de oly-verf. 6 Vlügzout van de _
indigo. 7 Schryf-inkt, Waterverf en gom-water befchre-
An, 7 ete
4
EN a Jun
É Je lepe
bof zien a UlGEË ur
Ld
„Augustus — December 1722 d : Fee —= laa XLI.
Augustus December 2722 À Zab. XLI.
Ee
=S ne
SS =|
4 marin
dd
Lk A
m nt Tele A
ni be